Een verzoek tot ontslag uit de accommodatie kan worden gedaan door de betrokkene zelf of door diens vertegenwoordiger (art. 48 lid 1 en 2 Wzd).
Als vertegenwoordiger in de zin van de Wzd wordt aangemerkt de wettelijk vertegenwoordiger van de cliënt, of, indien een zodanige persoon ontbreekt, de persoon die daartoe door de cliënt schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats te treden, of, indien deze ontbreekt of niet optreedt, de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel, of, indien deze ontbreekt of niet wenst op te treden, een ouder, kind, broer, zus, grootouder of kleinkind van de cliënt (art. 1 lid 1, aanhef en onder e, Wzd).
Uit het voorgaande volgt dat indien de betrokkene een wettelijk vertegenwoordiger heeft, hij niet een ander kan machtigen om in zijn naam een verzoek tot ontslag uit de accommodatie te doen.
Nu in dit geval betrokkene een mentor had, die in aangelegenheden betreffende haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding op de voet van art. 1:453 lid 1 en 2 BW haar wettelijk vertegenwoordiger is, konden de zoon en dochter dus geen verzoek tot ontslag van betrokkene uit de accommodatie doen.