Het hof heeft bij tussenarrest2 het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank toegewezen. Bij eindarrest heeft het hof3 het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vorderingen van [slachtoffer en moeder] afgewezen en [slachtoffer en moeder] veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen door [moeder/curator] krachtens het bestreden vonnis is betaald. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie relevant, het volgende overwogen.
Tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering op grond van art. 4 lid 1 en art. 15 Verordening Rome II4 beoordeeld moet worden naar Grieks recht, hebben partijen geen bezwaar gemaakt. Het hof zal Grieks recht toepassen. (rov. 6.2)
Volgens de rapportage van het Internationaal Juridisch Instituut bepaalt art. 923 Grieks Burgerlijk Wetboek (hierna: GBW) het volgende: “Whoever has the supervision of a person under age or of a person placed under judicial assistance is liable for the damage that such persons unlawfully cause to a third party, unless he proves that he has exercised properly the duty of supervision or that the damage could not have been avoided.”. (rov. 6.14)
Toepassing van art. 923 GBW vereist dat een plicht bestaat om toezicht te houden. In dit geval zou sprake kunnen zijn van een dergelijke plicht gezien de rechtsgeldige ondercuratelestelling van [zoon/curandus], met benoeming van [moeder/curator] als curator. (rov. 6.15)
Voor de rechtsfiguur van de Nederlandse curatele geldt dat bij de vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangenbehartiging, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, ook (enig) feitelijk toezicht van de curator op het doen en laten van de curandus verwacht kan worden. De omvang van de zorgplicht van de curator als toezichthouder wordt enerzijds bepaald door het risico dat de curandus, gezien de aard van zijn stoornis, voor derden veroorzaakt en anderzijds de bezwaarlijkheid van de eventueel door de curator te nemen voorzorgsmaatregelen. Voorts moet het risico dat de curandus voor derden veroorzaakt voor de curator kenbaar zijn of behoren te zijn. (rov. 6.16-6.17)
De door [moeder/curator] in haar hoedanigheid van curator te betrachten zorgplicht geldt ook buiten Nederland. Art. 923 GBW kan daarom worden toegepast op een situatie waarin sprake is van een Nederlandse ondercuratelestelling. Beoordeeld moet worden of [moeder/curator] in haar hoedanigheid van curator van [zoon/curandus] voldoende toezicht heeft gehouden op [zoon/curandus], of dat de schade niet voorkomen had kunnen worden als bedoeld in art. 923 GBW. (rov. 6.18-6.20)
[moeder/curator] heeft de zorg betracht die in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijs van haar kon worden verlangd. Geen van de stoornissen van [zoon/curandus] (lichte vorm van autisme, beperkte borderline stoornis en een concentratiestoornis (ADHD)) brengt een verhoogd risico op gewelddadig gedrag mee. Daarnaast heeft [zoon/curandus] een verstandelijke beperking, wat op zichzelf evenmin een verhoogd risico op gewelddadig gedrag vormt. [zoon/curandus] gebruikte ten tijde van de mishandeling als medicatie al geruime tijd Concerta met als werkzame stof methylfenidaat. Van deze stof is volgens de bijsluiter die [moeder/curator] heeft overgelegd als bijwerking bekend dat bij gebruik ervan sprake kan zijn van agressief gedrag, maar in de bijsluiter is niets vermeld over agressief gedrag wanneer het gebruik van het medicijn plotseling wordt gestaakt. [moeder/curator] heeft onweersproken aangevoerd dat [zoon/curandus] vóór de mishandeling, ook in de jaren na de periode van zijn behandeling in een instelling die in 2011 was afgerond, geen intensieve begeleiding in het dagelijkse leven kreeg, zelfstandig naar school en stage ging, zelfstandig met vrienden omging en vaker zelfstandig met vakantie ging. [moeder/curator] heeft ten slotte onweersproken gesteld dat [zoon/curandus] zich niet eerder aan gewelddadig gedrag schuldig had gemaakt. Het risico op mishandeling van [slachtoffer], als [zoon/curandus] zonder haar toezicht in Griekenland zou achterblijven, was daarom niet voorzienbaar voor [moeder/curator]. (rov. 6.22)
[moeder/curator] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij met (de staf en de directeur van) het hotel afspraken heeft gemaakt over het verblijf van [zoon/curandus], zijn medicatie en zijn werkzaamheden in het hotel. De medische achtergrond van [zoon/curandus] was niet zodanig dat van [moeder/curator] meer verwacht had mogen worden dan ze stelt te hebben gedaan. Weliswaar wordt door [slachtoffer en moeder] (gedeeltelijk) betwist dat [moeder/curator] de door haar gestelde afspraken met het hotel heeft gemaakt, maar die betwisting hebben [slachtoffer en moeder] niet of onvoldoende nader onderbouwd. Tussen partijen staat bovendien niet ter discussie dat [moeder/curator] aan medewerkers van het hotel heeft duidelijk gemaakt dat [zoon/curandus] wegens zijn ondercuratelestelling niet handelingsbekwaam was, wat impliceert dat zij met hen gesproken zal hebben over de vereiste zorg en aandacht voor [zoon/curandus]. (rov. 6.23)
Bovendien is voldoende aannemelijk gemaakt dat [moeder/curator] de mishandeling van [slachtoffer] feitelijk ook niet had kunnen voorkomen als zij met [zoon/curandus] in Griekenland zou zijn gebleven. Haar was immers onbekend dat [zoon/curandus] zo extreem gewelddadig kon zijn, noch kende zij de aanleiding voor het in deze zaak gepleegde geweld. [moeder/curator] heeft betwist dat haar bekend was dat [zoon/curandus] op Kreta een mes had aangeschaft dat hij bij zich droeg. De mishandeling moet bovendien in zeer korte tijd gepleegd zijn. Uit niets blijkt verder dat [zoon/curandus] niet gewelddadig was geworden wanneer [moeder/curator] er dagelijks op had toegezien dat hij zijn medicatie innam. Voor zover [slachtoffer en moeder] een ander standpunt aan de vordering ten grondslag hebben gelegd, hebben zij dat, tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [moeder/curator], onvoldoende onderbouwd. Ook ontbreekt een gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt. (rov. 6.24)
Rekening houdend met het overwegend beschermende karakter van de ondercuratelestelling naar Nederlands recht, is [moeder/curator] in haar rol van curator niet tekortgeschoten en heeft zij voldoende toezicht op [zoon/curandus] gehouden. [moeder/curator] was niet gehouden tot het (persoonlijk) uitoefenen van permanent toezicht op [zoon/curandus]. Voor haar was immers geenszins voorzienbaar dat [zoon/curandus] zonder permanent toezicht (extreem) gevaarlijk gedrag zou (kunnen) vertonen. [moeder/curator] heeft door afspraken te maken met medewerkers van het hotel op Kreta over het verblijf van [zoon/curandus] na haar eigen vertrek uit Griekenland voldoende gedaan om te voorzien in de zorg en aandacht die [zoon/curandus] nodig had. Op [moeder/curator] rustte in haar hoedanigheid van curator geen verplichting om [zoon/curandus] te dwingen met haar terug te keren naar Nederland. [moeder/curator] heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd dat zij het gewelddadig optreden van [zoon/curandus] evenmin had kunnen voorkomen wanneer zij met [zoon/curandus] in Griekenland was achtergebleven. [moeder/curator] is niet op grond van art. 923 GBW aansprakelijk voor de schade die [slachtoffer en moeder] hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de mishandeling van [slachtoffer] door [zoon/curandus]. (rov. 6.25)