Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:HR:2024:85

Hoge Raad
26-01-2024
26-01-2024
22/02344
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:887
Civiel recht
Cassatie

Onteigeningsrecht. Vergoeding van planschade in onteigeningsgeding (art. 40e (oud) Ow). Moet bij toepassing van art. 40e (oud) Ow rekening worden gehouden met (beperkende) criteria die van toepassing zijn op planschadevergoeding op grond van art. 6.1 Wro (oud)? Samenhang met zaken 22/02348 (ECLI:NL:HR:2024:95) en 22/02361 (ECLI:NL:HR:2024:96).

Rechtspraak.nl
NJB 2024/314
RvdW 2024/143
NJ 2024/228 met annotatie van E.W.J. de Groot
TBR 2024/77 met annotatie van J.A.M.A. Sluysmans

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 22/02344

Datum 26 januari 2024

ARREST

In de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING BEDRIJVENSCHAP HARNASCHPOLDER,

gevestigd te Schipluiden,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,

hierna: het Bedrijvenschap,

advocaat: M.W. Scheltema,

tegen

[de onteigende] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,

hierna: [de onteigende] ,

advocaat: J.P. van den Berg,

en

1. COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

2. RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTERS in cassatie,

hierna gezamenlijk: Rabobank,

niet verschenen.

1 Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak C/09/548013 / HA ZA 18-180 van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2018, 22 augustus 2018, 5 september 2018, 5 juni 2019, 10 juli 2019 en 4 mei 2022.

Het Bedrijvenschap heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 4 mei 2022 beroep in cassatie ingesteld.

[de onteigende] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Tegen Rabobank is verstek verleend.

Het Bedrijvenschap en [de onteigende] hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor het Bedrijvenschap en [de onteigende] toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt in het principale beroep tot verwerping en in het incidentele beroep tot vernietiging en tot afdoening als onder 4.40 van de conclusie vermeld.

De advocaten van het Bedrijvenschap en [de onteigende] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1

In deze uitspraak is aan de orde of bij de waardering van planschade als onderdeel van de vast te stellen schadeloosstelling in een onteigeningsgeding de (beperkende) criteria die van toepassing zijn binnen het planschaderecht onverkort gelden.

2.2

Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden.1 In deze onteigeningsprocedure is op de voet van art. 4.4 van de eveneens op 1 januari 2024 in werking getreden Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet2 het oude recht van toepassing. Naar de op 1 januari 2024 vervallen bepalingen van de Onteigeningswet (hierna: Ow) wordt hierna telkens verwezen met het tussenvoegsel “(oud)”. Voor het in deze procedure ingevolge art. 40e (oud) Ow toe te passen planschaderecht moet worden aangenomen dat eveneens het oude recht van toepassing blijft (vgl. art. 4.19 Invoeringswet Omgevingswet3). Naar de op 1 januari 2024 ingetrokken Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) wordt hierna telkens verwezen met het achtervoegsel “(oud)”.

2.3

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij Koninklijk Besluit van 23 maart 20174 (hierna: het KB) is een aantal onroerende zaken gelegen nabij de [a-straat 1] en [a-straat 2] te [plaats] (hierna: het onteigende) ter onteigening aangewezen ten behoeve van de realisering van het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014”.

(ii) In het KB is [de onteigende] vermeld als eigenaar van het onteigende. Het onteigende betreft een vrijstaand woonhuis met bijbehorende siertuin, een bedrijfsruimte en bijbehorend verhard en onverhard erf, met een gezamenlijke oppervlakte van 1.797 m2.

(iii) Een deel van het onteigende is belast met een recht van hypotheek ten name van Rabobank.

(iv) In het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014”, dat laatstelijk is vastgesteld bij besluit van 27 juni 2017 (en onherroepelijk geworden op 31 januari 2018), is aan het onteigende de bestemming “bedrijventerrein” toegekend, met de dubbelbestemmingen “waarde-archeologie” en “waterstaat-waterkering”. Voordat het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014” gold, gold het bestemmingsplan “Harnaschpolder-Weteringzone”, vastgesteld op 29 maart 2005. Op grond daarvan was aan het onteigende de bestemming “gemengde doeleinden, uit te werken” toegekend.

2.4

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 augustus 2018 op vordering van het Bedrijvenschap de vervroegde onteigening uitgesproken van het onteigende en het aan [de onteigende] te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepaald op € 781.750,--. Daarvan moet € 140.000,-- door het Bedrijvenschap rechtstreeks aan Rabobank betaald worden.

2.5

De deskundigen hebben de hoogte van de schadeloosstelling begroot op € 853.800,--, bestaand uit de waarde van het onteigende (€ 700.000,--) en bijkomende schade (€ 153.800,--).

2.6

Bij tussenvonnis van 5 juni 20195 heeft de rechtbank geoordeeld dat voor eliminatie van de huidige bestemming op grond van art. 40c (oud) Ow geen aanleiding bestaat en dat aanvullend advies moet worden ingewonnen over de juiste toepassing van art. 40e (oud) Ow en het begroten van de schadeloosstelling op dit punt.

2.7

Bij tussenvonnis van 10 juli 20196 heeft de rechtbank hiertoe een deskundige benoemd.

2.8

Bij eindvonnis van 4 mei 20227 heeft de rechtbank de schadeloosstelling voor het onteigende bepaald op € 940.740,-- en, na aftrek van het voorschot, het Bedrijvenschap veroordeeld tot betaling aan [de onteigende] van € 159.240,--. Voor zover in cassatie van belang heeft zij daartoe als volgt overwogen.

Planschade

De benoemde deskundige heeft met instemming van partijen de nadere deskundigheid van twee taxateurs ingeschakeld (hierna gezamenlijk: de deskundigen). (rov. 2.2)

Het aanvullend advies van de deskundigen houdt in dat de aanspraak op een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in art. 6.1 Wro (oud) gewaardeerd wordt op € 86.940,-- en dat een redelijk handelend koper bereid zou zijn om voor de “planschadeclaim” een bedrag van € 43.000,-- te betalen bij een veronderstelde overdracht daarvan op de peildatum van de onteigening. (rov. 2.3)

Beoordelingskader art. 40e (oud) Ow

Met de invoering van art. 40e (oud) Ow heeft de wetgever de mogelijkheid geopend om planschade toe te kennen binnen het kader van de onteigeningsprocedure, voor zover het de invloed van het bestemmingsplan op de waarde van het onteigende betreft. Op grond van dit artikel wordt door de onteigeningsrechter bij het bepalen van de werkelijke waarde de prijs vermeerderd met nadelen ten gevolge van bestemmingen die door het werk waarvoor onteigend wordt, tot uitvoering komen. Een en ander voor zover deze nadelen “ook na toepassing van art. 40d redelijkerwijs niet (geheel) ten laste van de onteigende behoren te blijven”. (rov. 2.5)

Uit de geciteerde zinsnede – waarvan de strekking overeenkomt met de ‘redelijkerwijs’-formule van art. 6.1 Wro (oud) (en de voorloper daarvan: art. 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud)) – en de wetgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat vergoeding van planschade op de voet van art. 40e (oud) Ow geschiedt aan de hand van de criteria uit het planschaderecht.

In HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415 gaat het om wezenlijk andere omstandigheden in het kader van art. 41 (oud) Ow, zodat de conclusies van de Hoge Raad in die zaak niet een op een in deze zaak kunnen worden toegepast. In deze zaak wordt beoordeeld of [de onteigende] , naast de vergoeding van de werkelijke waarde, recht heeft op vergoeding van een planschadeclaim, zodat hij daarvoor geen separate planschadeprocedure hoeft te voeren. Art. 40e (oud) Ow biedt daartoe de mogelijkheid. Dit betekent onder meer dat bij de beoordeling van planschade in het kader van art. 40e (oud) Ow de beperkende planschadecriteria, zoals het normale maatschappelijke risico en de voorzienbaarheid, in beginsel net zo moeten worden toegepast als binnen het planschaderecht. De deskundigen hebben dit ook als uitgangspunt gehanteerd in het aanvullend advies. (rov. 2.6)

Normaal maatschappelijk risico

De deskundigen hebben bij de waardering van de planschade een normaal maatschappelijk risico van 2% als uitgangspunt genomen. (rov. 2.25)

In de door partijen geuite bezwaren ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de door de deskundigen in het aanvullend advies toegepaste drempel van 2% wegens het normale maatschappelijke risico. (rov. 2.27)

In art. 6.2 lid 1 Wro (oud) is bepaald dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft. Bij het vaststellen van de omvang van deze drempel is van belang of de desbetreffende planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Daarbij komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past. (rov. 2.28)

De deskundigen hebben in overeenstemming met dit beoordelingskader de drempel wegens het normale maatschappelijke risico vastgesteld. Zij hebben inzichtelijk gemaakt dat en waarom een wijziging van woondoeleinden naar een bedrijfsbestemming ter plaatse van het onteigende naar hun oordeel niet in de lijn der verwachtingen lag. Vervolgens hebben de deskundigen overwogen dat op basis van het gevoerde planologische beleid ter plaatse van het onteigende, waaronder de uit te werken bestemming, verschillende ontwikkelingen tot de mogelijkheden behoorden. Gelet hierop en op de scenario’s die zijn opgenomen in de notitie “Ontwikkeling Woud-Harnasch in bedrijventerrein HarnaschPolder” concluderen de deskundigen dat “de ontwikkeling in enige mate in de lijn der verwachting lag”. Bij dit oordeel hebben de deskundigen in aanmerking genomen dat het in dit geval gaat om een geval van directe schade en niet van indirecte schade (waar een wettelijke drempel van minimaal 2% geldt). Het oordeel van de deskundigen over het normale maatschappelijke risico is begrijpelijk en navolgbaar en de rechtbank volgt het advies van de deskundigen op dit punt. (rov. 2.29)

Waardering

Om de tegemoetkoming in de planschade te bepalen hebben de deskundigen het onteigende tweemaal gewaardeerd, (i) rekening houdend met het bestemmingsplan Harnaschpolder-Weteringzone (‘vóór’) en (ii) rekening houdend met het bestemmingsplan Harnaschpolder Zuid 2014 (‘na’). (rov. 2.30)

Tegemoetkoming in de schade/planschade anderszins verzekerd?

Een vergelijking van de waarden onder beide bestemmingsplannen leidt ertoe dat de bestemmingsplanwijziging tot een nadelig saldo leidt van € 131.000,-- (€ 803.000,-- - € 672.000,--). Onder aftrek van het normale maatschappelijke risico van 2% (berekend over € 803.000,--) resteert dan een bedrag van € 86.940,-- (€ 103.000,-- - € 16.060,--). De deskundigen concluderen in het aanvullend advies terecht dat van dit bedrag aan planschade een bedrag van € 28.000,-- anderszins verzekerd is (zie art. 6.1 Wro (oud)), gelet op de als onderdeel van de schadeloosstelling toegekende waarde van € 700.000,--. (rov. 2.48)

Conclusie artikel 40e (oud) Ow

Het aanvullend advies van de deskundigen is voldoende begrijpelijk en navolgbaar. Dit betekent dat de schadeloosstelling op grond van art. 40e (oud) Ow moet worden vermeerderd met een bedrag van € 86.940,--, zijnde de (plan)schade die redelijkerwijs niet ten laste van [de onteigende] behoort te blijven. (rov. 2.49)

De bijkomende schade wordt begroot op € 153.800,--. (rov. 2.50)

Conclusie schadeloosstelling

De schadeloosstelling voor [de onteigende] wordt vastgesteld op € 940.740,-- (€ 700.000,-- + € 86.940,-- + € 153.800,--). (rov. 2.52)

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1

Onderdeel II van het middel richt zich tegen de rov. 2.6 en 2.25-2.29 van het eindvonnis, waarin de rechtbank oordeelt dat bij de beoordeling van planschade in het kader van art. 40e (oud) Ow de beperkende planschadecriteria in beginsel net zo moeten worden toegepast als binnen het planschaderecht, en dat in dit geval bij de waardering van de planschade een normaal maatschappelijk risico van 2% als uitgangspunt wordt genomen.

Onderdeel IIa klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat bij toepassing van art. 40e (oud) Ow dient te worden beoordeeld of sprake is van binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Het klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat bij de toepassing van art. 40e (oud) Ow de (beperkende) criteria die gelden bij de vergoeding van planschade (op grond van art. 6.1 Wro (oud)) – zoals normaal maatschappelijk risico en voorzienbaarheid – geen rol mogen spelen.

Onderdeel IIb klaagt dat als de criteria die gelden bij de vergoeding van planschade ook gelden bij de toepassing van art. 40e (oud) Ow en moet worden beoordeeld of sprake is van binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade, de rechtbank heeft miskend dat deze criteria niet (in beginsel) net zo moeten worden toegepast als binnen het planschaderecht en dat zij bij de toepassing ervan niet (zonder meer) moet aansluiten bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), maar deze criteria zelfstandig moet invullen en toepassen. Ook in zoverre is de rechtbank volgens de klacht uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

4.2

Het uitgangspunt van de Onteigeningswet is dat een onteigende een volledige vergoeding krijgt voor alle schade die hij als eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn zaak (art. 40 (oud) Ow). De door de onteigende te ontvangen vergoeding omvat de werkelijke waarde van het onteigende en in voorkomend geval ook vergoeding van bijkomende schade. Bij het bepalen van de werkelijke waarde van het onteigende wordt uitgegaan van de prijs, tot stand gekomen bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (art. 40b lid 2 (oud) Ow).8 Het voorgaande geldt onverkort onder afdeling 15.3 van de Omgevingswet.9

4.3

De prijs die in overeenstemming met de hiervoor in 4.2 genoemde uitgangspunten wordt vastgesteld, wordt verminderd of vermeerderd met voordelen of nadelen ten gevolge van bestemmingen die door het werk waarvoor onteigend wordt tot uitvoering komen en bestemmingen voor de feitelijke handhaving waarvan onteigend wordt, voor zover deze voordelen of nadelen ook na toepassing van art. 40d (oud) Ow redelijkerwijze niet of niet geheel ten bate of ten laste van de onteigende behoren te blijven (art. 40e (oud) Ow). Op grond van art. 40e (oud) Ow kan planschade in het onteigeningsgeding voor vergoeding in aanmerking komen.

Aan deze aanvullende aanspraak op grond van art. 40e (oud) Ow wordt niet toegekomen als eliminatie van een bestemming plaatsvindt op grond van de eliminatieregel van art. 40c (oud) Ow.10

4.4

Buiten het onteigeningsgeding kon planschade op grond van art. 6.1 e.v. Wro (oud) voor vergoeding in aanmerking komen. Art. 6.1 lid 1 Wro (oud) bepaalt dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Voor de vergoeding van planschade op de voet van deze bepaling gelden bepaalde (beperkende) criteria. Zo bepaalt art. 6.2 lid 1 Wro (oud) dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft en bepaalt art. 6.3 Wro (oud) dat burgemeester en wethouders bij hun beslissing op de aanvraag met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade in ieder geval betrekken (a) de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak en (b) de mogelijkheden van de aanvrager om de schade te voorkomen of te beperken.

Als op grond van art. 6.1 Wro (oud) een vergoeding is toegekend, wordt deze vergoeding in het onteigeningsgeding op de prijsvermeerdering zoals bedoeld in art. 40e (oud) Ow in mindering gebracht (art. 40f (oud) Ow).

4.5

De tekst van art. 40e (oud) Ow is ontleend aan de tekst van (de voorloper van) art. 6.1 Wro (oud).11 Als uitgangspunt geldt daarom dat de (beperkende) criteria die gelden bij de vergoeding van planschade buiten het onteigeningsgeding op de voet van art. 6.1 Wro (oud), ook gelden bij de vergoeding van planschade in het onteigeningsgeding op de voet van art. 40e (oud) Ow.12 Onder omstandigheden kan de bijzondere context van het onteigeningsrecht nopen tot een uitzondering op dit uitgangspunt.

4.6

De rechtbank heeft in rov. 2.6 van haar eindvonnis vooropgesteld dat bij de beoordeling van planschade in het kader van art. 40e (oud) Ow de beperkende planschadecriteria, zoals het normale maatschappelijke risico en de voorzienbaarheid, in beginsel net zo moeten worden toegepast als binnen het planschaderecht. Vervolgens heeft zij in rov. 2.28 – onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling – het beoordelingskader weergegeven met betrekking tot het normale maatschappelijke risico zoals vermeld in art. 6.2 lid 1 Wro (oud). In rov. 2.29 heeft de rechtbank dit beoordelingskader toegepast en – in navolging van de deskundigen – beargumenteerd waarom zij in deze zaak een drempel van 2% wegens het normale maatschappelijke risico gerechtvaardigd acht. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De hiervoor in 4.1 weergegeven klachten falen daarom.

4.7

Onderdeel III richt zich tegen rov. 2.48 van het eindvonnis en klaagt dat onjuist en onbegrijpelijk is het oordeel van de rechtbank dat de deskundigen in hun aanvullend advies terecht concluderen dat van het bedrag aan planschade een bedrag van € 28.000,-- anderszins is verzekerd, gelet op de als onderdeel van de schadeloosstelling toegekende waarde van € 700.000,--. De rechtbank heeft hiermee miskend dat het bedrag van € 28.000,-- geen vergoeding van planschade betreft, maar de waardestijging van het onteigende is na de waardepeildatum van de planschade (het moment waarop de planschade is geleden), aldus de klacht.

4.8

Deze klacht slaagt. De vergoeding voor planschade die op grond van art. 40e (oud) Ow in het onteigeningsgeding aan de onteigende kan worden toegekend, betreft een aanvullende vergoeding naast de vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende die wordt vastgesteld overeenkomstig de maatstaven zoals hiervoor in 4.2 weergegeven. Hiervoor in 4.5 is reeds overwogen dat de (beperkende) criteria die van toepassing zijn bij de vergoeding van planschade op de voet van art. 6.1 Wro (oud) in beginsel ook van toepassing zijn bij de vergoeding van planschade op de voet van art. 40e (oud) Ow. In dit verband bepaalt art. 6.1 lid 1 Wro (oud) onder meer dat een tegemoetkoming voor planschade slechts wordt toegekend voor zover deze tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Uit het definitieve deskundigenrapport van 28 mei 2021 volgt dat de deskundigen hebben overwogen dat een bedrag van € 28.000,--, als onderdeel van de vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende van € 700.000,-- , anderszins is verzekerd in de zin van art. 6.1 lid 1 Wro (oud) en daarmee niet voor vergoeding op grond van art. 40e (oud) Ow in aanmerking komt. Dit bedrag van € 28.000,-- betreft blijkens het deskundigenrapport de waardestijging van vrijstaande woningen in het postcodegebied van het onteigende met 4,2% tussen de waardepeildatum van de te vergoeden planschade en de waardepeildatum van de te vergoeden werkelijke waarde.

Een dergelijke waardestijging staat los van de tegemoetkoming voor planschade. Het oordeel van de rechtbank dat de deskundigen in het definitieve deskundigenrapport terecht concluderen dat dit bedrag van € 28.000,-- anderszins is verzekerd, is daarmee, gelet op de als onderdeel van de schadeloosstelling toegekende waarde van € 700.000,--, onjuist.

4.9

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het vonnis van de rechtbank te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de schadeloosstelling voor [de onteigende] wordt vastgesteld op € 940.740,-- en het door het Bedrijvenschap aan [de onteigende] te betalen bedrag wordt vastgesteld op € 159.240,--, en door deze bedragen te verhogen met € 28.000,-- en opnieuw vast te stellen.

4.10

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

- verwerpt het beroep;

- veroordeelt het Bedrijvenschap in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de onteigende] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, en aan de zijde van Rabobank op nihil;

in het incidentele beroep:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 mei 2022, voor zover daarin (a) onder 3.1 de schadeloosstelling voor [de onteigende] is vastgesteld op € 940.740,-- en het door het Bedrijvenschap uit te keren bedrag aan schadeloosstelling is bepaald op € 159.240,-- en (b) onder 3.2 het Bedrijvenschap is veroordeeld tot betaling aan [de onteigende] van € 159.240,--;

- stelt de schadeloosstelling voor [de onteigende] vast op € 968.740,--, zodat het nog door het Bedrijvenschap te betalen bedrag aan schadeloosstelling € 187.240,-- bedraagt;

- veroordeelt het Bedrijvenschap tot betaling aan [de onteigende] van € 187.240,--;

- verwerpt het beroep voor het overige;

- veroordeelt het Bedrijvenschap in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de onteigende] begroot op € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van Rabobank op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op 26 januari 2024.

1 Wet van 23 maart 2016, houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingswet), Stb. 2016, 156 (inwerkingtreding: Stb. 2023, 89).

2 Wet van 14 maart 2020 tot wijziging van de Omgevingswet en enkele andere wetten vanwege opname in de Omgevingswet van regels over het vestigen van een voorkeursrecht, regels over onteigening, bijzondere regels voor het inrichten van gebieden en, met het oog op verschillende typen gebiedsontwikkelingen, een verdere aanpassing van de regels over kostenverhaal (Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet), Stb. 2020, 112 (inwerkingtreding: Stb. 2023, 113).

3 Wet van 12 februari 2020 tot aanvulling en wijziging van de Omgevingswet, intrekking van enkele wetten over de fysieke leefomgeving, wijziging van andere wetten en regeling van overgangsrecht voor de invoering van de Omgevingswet (Invoeringswet Omgevingswet), Stb. 2020, 172 ((inwerkingtreding: Stb. 2023, 113).

4 KB van 23 maart 2017, nr. 2017000499, Stcrt. 19 april 2017, nr. 19775.

5 Rechtbank Den Haag 5 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:15146.

6 Rechtbank Den Haag 10 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:15147.

7 Rechtbank Den Haag 4 mei 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4383.

8 HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1874, rov. 4.2.

9 Zie Kamerstukken II 2018/19, 35133, nr. 3, p. 258 en 261.

10 Vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4119, rov. 3.7.

11 Vgl. Kamerstukken II 1980/81, 15978, nr. 6, p. 2, 3 en 8.

12 Vgl. Kamerstukken I 1980/81, 15978, nr. 135b, p. 2.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.