2.3
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij Koninklijk Besluit van 23 maart 20174 (hierna: het KB) is een aantal onroerende zaken gelegen nabij de [a-straat 1] en [a-straat 2] te [plaats] (hierna: het onteigende) ter onteigening aangewezen ten behoeve van de realisering van het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014”.
(ii) In het KB is [de onteigende] vermeld als eigenaar van het onteigende. Het onteigende betreft een vrijstaand woonhuis met bijbehorende siertuin, een bedrijfsruimte en bijbehorend verhard en onverhard erf, met een gezamenlijke oppervlakte van 1.797 m2.
(iii) Een deel van het onteigende is belast met een recht van hypotheek ten name van Rabobank.
(iv) In het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014”, dat laatstelijk is vastgesteld bij besluit van 27 juni 2017 (en onherroepelijk geworden op 31 januari 2018), is aan het onteigende de bestemming “bedrijventerrein” toegekend, met de dubbelbestemmingen “waarde-archeologie” en “waterstaat-waterkering”. Voordat het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014” gold, gold het bestemmingsplan “Harnaschpolder-Weteringzone”, vastgesteld op 29 maart 2005. Op grond daarvan was aan het onteigende de bestemming “gemengde doeleinden, uit te werken” toegekend.
2.8
Bij eindvonnis van 4 mei 20227 heeft de rechtbank de schadeloosstelling voor het onteigende bepaald op € 940.740,-- en, na aftrek van het voorschot, het Bedrijvenschap veroordeeld tot betaling aan [de onteigende] van € 159.240,--. Voor zover in cassatie van belang heeft zij daartoe als volgt overwogen.
Planschade
De benoemde deskundige heeft met instemming van partijen de nadere deskundigheid van twee taxateurs ingeschakeld (hierna gezamenlijk: de deskundigen). (rov. 2.2)
Het aanvullend advies van de deskundigen houdt in dat de aanspraak op een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in art. 6.1 Wro (oud) gewaardeerd wordt op € 86.940,-- en dat een redelijk handelend koper bereid zou zijn om voor de “planschadeclaim” een bedrag van € 43.000,-- te betalen bij een veronderstelde overdracht daarvan op de peildatum van de onteigening. (rov. 2.3)
Beoordelingskader art. 40e (oud) Ow
Met de invoering van art. 40e (oud) Ow heeft de wetgever de mogelijkheid geopend om planschade toe te kennen binnen het kader van de onteigeningsprocedure, voor zover het de invloed van het bestemmingsplan op de waarde van het onteigende betreft. Op grond van dit artikel wordt door de onteigeningsrechter bij het bepalen van de werkelijke waarde de prijs vermeerderd met nadelen ten gevolge van bestemmingen die door het werk waarvoor onteigend wordt, tot uitvoering komen. Een en ander voor zover deze nadelen “ook na toepassing van art. 40d redelijkerwijs niet (geheel) ten laste van de onteigende behoren te blijven”. (rov. 2.5)
Uit de geciteerde zinsnede – waarvan de strekking overeenkomt met de ‘redelijkerwijs’-formule van art. 6.1 Wro (oud) (en de voorloper daarvan: art. 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud)) – en de wetgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat vergoeding van planschade op de voet van art. 40e (oud) Ow geschiedt aan de hand van de criteria uit het planschaderecht.
In HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0415 gaat het om wezenlijk andere omstandigheden in het kader van art. 41 (oud) Ow, zodat de conclusies van de Hoge Raad in die zaak niet een op een in deze zaak kunnen worden toegepast. In deze zaak wordt beoordeeld of [de onteigende] , naast de vergoeding van de werkelijke waarde, recht heeft op vergoeding van een planschadeclaim, zodat hij daarvoor geen separate planschadeprocedure hoeft te voeren. Art. 40e (oud) Ow biedt daartoe de mogelijkheid. Dit betekent onder meer dat bij de beoordeling van planschade in het kader van art. 40e (oud) Ow de beperkende planschadecriteria, zoals het normale maatschappelijke risico en de voorzienbaarheid, in beginsel net zo moeten worden toegepast als binnen het planschaderecht. De deskundigen hebben dit ook als uitgangspunt gehanteerd in het aanvullend advies. (rov. 2.6)
Normaal maatschappelijk risico
De deskundigen hebben bij de waardering van de planschade een normaal maatschappelijk risico van 2% als uitgangspunt genomen. (rov. 2.25)
In de door partijen geuite bezwaren ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de door de deskundigen in het aanvullend advies toegepaste drempel van 2% wegens het normale maatschappelijke risico. (rov. 2.27)
In art. 6.2 lid 1 Wro (oud) is bepaald dat binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager blijft. Bij het vaststellen van de omvang van deze drempel is van belang of de desbetreffende planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd, waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. Daarbij komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past. (rov. 2.28)
De deskundigen hebben in overeenstemming met dit beoordelingskader de drempel wegens het normale maatschappelijke risico vastgesteld. Zij hebben inzichtelijk gemaakt dat en waarom een wijziging van woondoeleinden naar een bedrijfsbestemming ter plaatse van het onteigende naar hun oordeel niet in de lijn der verwachtingen lag. Vervolgens hebben de deskundigen overwogen dat op basis van het gevoerde planologische beleid ter plaatse van het onteigende, waaronder de uit te werken bestemming, verschillende ontwikkelingen tot de mogelijkheden behoorden. Gelet hierop en op de scenario’s die zijn opgenomen in de notitie “Ontwikkeling Woud-Harnasch in bedrijventerrein HarnaschPolder” concluderen de deskundigen dat “de ontwikkeling in enige mate in de lijn der verwachting lag”. Bij dit oordeel hebben de deskundigen in aanmerking genomen dat het in dit geval gaat om een geval van directe schade en niet van indirecte schade (waar een wettelijke drempel van minimaal 2% geldt). Het oordeel van de deskundigen over het normale maatschappelijke risico is begrijpelijk en navolgbaar en de rechtbank volgt het advies van de deskundigen op dit punt. (rov. 2.29)
Waardering
Om de tegemoetkoming in de planschade te bepalen hebben de deskundigen het onteigende tweemaal gewaardeerd, (i) rekening houdend met het bestemmingsplan Harnaschpolder-Weteringzone (‘vóór’) en (ii) rekening houdend met het bestemmingsplan Harnaschpolder Zuid 2014 (‘na’). (rov. 2.30)
Tegemoetkoming in de schade/planschade anderszins verzekerd?
Een vergelijking van de waarden onder beide bestemmingsplannen leidt ertoe dat de bestemmingsplanwijziging tot een nadelig saldo leidt van € 131.000,-- (€ 803.000,-- - € 672.000,--). Onder aftrek van het normale maatschappelijke risico van 2% (berekend over € 803.000,--) resteert dan een bedrag van € 86.940,-- (€ 103.000,-- - € 16.060,--). De deskundigen concluderen in het aanvullend advies terecht dat van dit bedrag aan planschade een bedrag van € 28.000,-- anderszins verzekerd is (zie art. 6.1 Wro (oud)), gelet op de als onderdeel van de schadeloosstelling toegekende waarde van € 700.000,--. (rov. 2.48)
Conclusie artikel 40e (oud) Ow
Het aanvullend advies van de deskundigen is voldoende begrijpelijk en navolgbaar. Dit betekent dat de schadeloosstelling op grond van art. 40e (oud) Ow moet worden vermeerderd met een bedrag van € 86.940,--, zijnde de (plan)schade die redelijkerwijs niet ten laste van [de onteigende] behoort te blijven. (rov. 2.49)
De bijkomende schade wordt begroot op € 153.800,--. (rov. 2.50)
Conclusie schadeloosstelling
De schadeloosstelling voor [de onteigende] wordt vastgesteld op € 940.740,-- (€ 700.000,-- + € 86.940,-- + € 153.800,--). (rov. 2.52)