Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2025/432 Viditax (FutD) 2025030715 V-N Vandaag 2025/457 FutD 2025-0493 Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/289 NTFR 2025/448 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE V-N 2025/12.12 met annotatie van Redactie NLF 2025/0590 met annotatie van Fleur Kossen NJB 2025/603
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 8 augustus 2023, nr. 21/01744, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 20/4184) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, alsmede een verzoek om ambtshalve vermindering van deze aanslag en beschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1 Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door L.M. Lalji, advocaat te Amsterdam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door L.M. Lalji voornoemd.
2 Uitgangspunten in cassatie
2.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 8 februari 2019 de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 opgelegd (hierna: de aanslag). Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur het door belanghebbende voor dat jaar aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd van € 20.487 tot € 495.355 en heeft hij bij beschikking verliezen van de jaren 2008, 2009, 2012 en 2013 tot een totaalbedrag van € 14.407 verrekend (hierna tezamen: de verliesverrekening). Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 120.972 opgelegd en € 15.833 aan belastingrente in rekening gebracht (hierna tezamen ook: de beschikkingen). Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt.
2.2
Met dagtekening 13 april 2019 is aan belanghebbende over het jaar 2015 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd. Daarbij is de verliesverrekening teruggenomen. Bij brief van 24 september 2019, door de Inspecteur ontvangen op 25 september 2019, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.
2.3
Bij uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2019 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag en de beschikkingen ongegrond verklaard.
2.4
Bij brief van 2 december 2019 heeft belanghebbende de gronden van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ingediend. Bij brief van 2 maart 2020 heeft hij die gronden aangevuld.
2.5
Bij uitspraak op bezwaar van 11 juni 2020 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag en dat verzoek in hetzelfde geschrift afgewezen. Met betrekking tot de door belanghebbende – in zijn hiervoor in 2.4 vermelde brieven – aangevoerde inhoudelijke bezwaren tegen het bij de aanslag vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning, heeft de Inspecteur vermeld dat, indien belanghebbende van mening is dat de aanslag te hoog is vastgesteld, hij een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag kan doen.
2.6
Belanghebbende heeft op 16 juli 2020 beroep ingesteld bij de Rechtbank. Voor zover het beroep ziet op de aanslag en de beschikkingen, heeft de Rechtbank het beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het rechtstreekse beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag eveneens ongegrond verklaard, op de grond dat de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning terecht heeft vastgesteld op € 495.355.
3 De oordelen van het Hof
3.1
Het Hof heeft, voor zover in cassatie van belang, vastgesteld dat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft ingetrokken zijn beroepsgronden gericht tegen (i) de niet-ontvankelijkverklaring door de Rechtbank van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag, en (ii) de niet-ontvankelijkverklaring door de Inspecteur van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag. Het Hof heeft verder vastgesteld dat als geschilpunt in hoger beroep resteert of de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag terecht heeft afgewezen.
3.2.1
Bij zijn beoordeling van het geschil heeft het Hof vooropgesteld dat in de beslissing van de Rechtbank over de ontvankelijkheid van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag, de beslissing ligt besloten dat het beroep betreffende de op hetzelfde aanslagbiljet bekendgemaakte vergrijpboete niet-ontvankelijk is. Het Hof heeft die beslissing overgenomen.
3.2.2
Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat het verzoek om ambtshalve vermindering (zie hiervoor in 2.5), gelet op zijn bewoordingen, uitsluitend betrekking heeft op de navorderingsaanslag en niet tevens op de aanslag en de beschikkingen. De navorderingsaanslag behelst, aldus het Hof, uitdrukkelijk niet de vaststelling van het (verzamel)inkomen uit werk en woning over 2015 van € 495.355 en de in dit kader door de Inspecteur toegepaste redelijke schatting. Bedoeld inkomen uit werk en woning is namelijk al vastgesteld bij de aanslag. Gelijktijdig met de aanslag is ook de vergrijpboete opgelegd. Dit een en ander brengt volgens het Hof mee dat bezwaren tegen de hoogte van het inkomen uit werk en woning en tegen de vergrijpboete niet in de bezwaar- en/of beroepsprocedure tegen de navorderingsaanslag aan de orde hebben kunnen komen.
3.3
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur in de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag – ondanks dat het bezwaarschrift zich hier niet tegen richtte – de beoordeling van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag terecht alleen heeft toegespitst op de terugname van de verliesverrekening. Belanghebbende kon de afwijzing van dat verzoek redelijkerwijs niet opvatten als behelzende een beslissing met betrekking tot de hoogte van het in de aanslag opgenomen inkomen uit werk en woning en de daarbij opgelegde vergrijpboete, aldus het Hof.
3.4
De hiervoor in 3.2 en 3.3 weergegeven oordelen hebben het Hof tot de conclusie geleid dat in de beroepsprocedure bij de Rechtbank alleen de terugname van de verliesverrekening bij de navorderingsaanslag aan de orde kon komen. Hieruit volgt, aldus het Hof, dat het rechtstreeks ingestelde beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag terecht ongegrond is verklaard. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
4 Beoordeling van de middelen
4.1
Middel 2 betoogt onder meer dat het Hof ten onrechte niet de hiervoor in 2.1 vermelde, bij het vaststellen van de aanslag aangebrachte correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning heeft beoordeeld. De Hoge Raad vat dit betoog aldus op dat wordt opgekomen tegen het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof dat het verzoek om ambtshalve vermindering niet is te beschouwen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen, en dat het Hof daarom ten onrechte het beroep niet heeft aangemerkt als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de Inspecteur op dat verzoek.
4.2.1
Het gestelde in de hiervoor in 2.4 vermelde brieven ter motivering van het bezwaar tegen de navorderingsaanslag, zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 2.5.1 (vanaf het kopje “In het navolgende wordt ingegaan op de wijze waarop deze aanslag tot stand is gekomen en worden daartegen inhoudelijke bezwaren aangevoerd”) en 2.5.2 van de uitspraak van het Hof, laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende daarmee te kennen gaf bezwaar te hebben tegen de aanslag en de beschikkingen. Daarom had de Inspecteur, in het licht van de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven feiten, de desbetreffende brieven mede moeten aanmerken als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen (als bedoeld in artikel 9.6 Wet IB 2001).1
4.2.2
De hiervoor in 3.2.2 weergeven oordelen van het Hof zijn dan ook onbegrijpelijk, evenals de daarop voortbouwende, hiervoor in 3.3 en 3.4 weergegeven oordelen. Middel 2 slaagt daarom in zoverre.
4.2.3
Een verzoek om ambtshalve vermindering is een aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, Awb. Op grond van het tweede lid van artikel 4:13 Awb moet daarop worden beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. Indien het gaat om een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, moet die beslissing op grond van artikel 9.6, lid 5 (in het onderhavige jaar: lid 3), Wet IB 2001 worden genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. In het geval de inspecteur niet binnen acht weken beslist op het verzoek, bestaat met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:12 Awb de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het uitblijven van de beschikking.2
4.2.4
Op het moment van het instellen van het hiervoor in 2.6 vermelde beroep was de hiervoor bedoelde termijn van acht weken ruimschoots verstreken. De Rechtbank had naar aanleiding van de klachten van belanghebbende over de door de Inspecteur toegepaste correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning en over de boete dan ook moeten onderzoeken of het beroep van belanghebbende op de voet van artikel 6:12 Awb, mede gelet op het bepaalde in lid 3 van dat artikel, in behandeling moet worden genomen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag en de beschikkingen. Dat heeft de Rechtbank ten onrechte niet gedaan. Het Hof had niet voorbij mogen gaan aan de door belanghebbende in hoger beroep daarover aangevoerde klachten. Middel 2 slaagt daarom ook in zoverre.
4.3
De Hoge Raad heeft ook de middelen voor het overige beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen voor het overige niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.4
Hetgeen hiervoor in 4.2.2 en 4.2.4 is overwogen, brengt mee dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.
5 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6 Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarin een beslissing ontbreekt over het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake belastingrente,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 136 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.628 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025.
1 Vgl. HR 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5166, rechtsoverweging 3.3.
2 Vgl. HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, rechtsoverweging 3.2.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: