Winstbepaling woningcorporatie; investerings- of exploitatiesubsidie? Vermindering verhuurderheffing wegens investering in bepaalde huurwoningen (art. 1.10 Wmw 2014 II): belaste jaarwinst of volgens goed koopmansgebruik af te boeken op de kostprijs van de investering? Verband met afschrijvingsbeperking (art. 3.30a Wet IB 2001)
Feiten: Belanghebbende is een vennootschapsbelastingplichtige woningcorporatie. Zij heeft een kantoorpand verbouwd tot vijftig sociale huurwoningen. In 2015 heeft zij daarvoor een definitieve investeringsverklaring van de RVO verkregen. Op grond van art. 1.10 Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (Wmw 2014 II) had zij daarom recht op vermindering van haar verhuurderheffing ad € 10.000 per woning. Haar heffingskorting bedroeg dus € 500.000. De niet-verminderde verhuurderheffing bedroeg € 1.139.658, zodat na aftrek van de korting € 639.658 resteerde. De verhuurderheffing is aftrekbaar als ondernemingslast bij de bepaling van de belastbare winst voor de vennootschapsbelasting.
Geschil: De Inspecteur heeft bij de Vpb-heffing 2015 rekening gehouden met een aftrek van slechts € 639.658 aan verhuurderheffing. De belanghebbende wil de volle verhuurderheffing ad € 1.139.658 aftrekken en de € 500.000 heffingskorting afboeken op de kostprijs van de huurwoningen.
De Rechtbank Gelderland achtte slechts € 639.658 aftrekbaar: uit art. 1.10 Wmw 2014 II volgt dat de heffingskorting onderdeel is van het heffingssysteem van die wet en dat zij samenhangt met de verhuurderheffing. Het Hof Arnhem-Leeuwarden kwam tot hetzelfde oordeel, overwegende dat de heffingskorting formeel en materieel een verlaging van de verhuurderheffing is; dat daarmee tot op zekere hoogte hetzelfde wordt bereikt als met een investeringssubsidie impliceert niet dat zij als zodanig moet worden verwerkt, nu dat het realiteitsbeginsel zou schenden: tot het bedrag van de korting drukt de verhuurderheffing niet als last op de belanghebbende.
In cassatie betwist belanghebbende dat de heffingskorting materieel verbonden zou zijn met de verhuurderheffing, gezien de verschillen tussen de doelen en systemen van de verhuurderheffing en die van de heffingskorting. Materieel is de korting een investerings-subsidie. De formele band met de verhuurderheffing acht de belanghebbende niet beslissend. De vormgeving van de subsidie zou geen invloed op een adequate jaarwinstbepaling moeten hebben; bij winstbelasting heeft een materiële benadering de voorkeur.
De Staatssecretaris betoogt dat de wetgever in de Wmw 2014 II rekening wilde houden met verhuurders die met omvangrijke en maatschappelijk wenselijke investeringsopgaven worden geconfronteerd. De heffingskorting dient om deze investeringen te stimuleren door een reductie op de overigens verschuldigde verhuurderheffing. De korting is op basis van art. 1.10 Wmw 2014 II verrekend, waardoor per saldo slechts € 639.658 aan verhuurderheffing op de belanghebbende drukte als aftrekbare last voor de vennootschapsbelasting.
A-G Wattel constateert dat investeringssubsidies volgens vaste rechtspraak moeten worden afgeboekt op de kostprijs van de investering. Als dat ook geldt voor de heffingsvermindering, dan leidt dat – gegeven de afschrijvingsbeperking in art. 3.30a Wet IB 2001 – tot uitstel van vennootschapsbelasting over het voordeel van de korting tot de verkoop van de woningen. De hamvraag is dus of de heffingskorting een investeringssubsidie is of een exploitatiesubsidie die meteen de W&V-rekening ingaat.
De wettekst en parlementaire geschiedenis geven geen fiscaal-comptabele karakterisering van de korting, maar duiden haar wel consistent aan als ‘investeringsfaciliteit’ en als vergelding voor ‘investeringen’ in huurwoningen. Dit noopt volgens de A-G tot de conclusie dat het materieel om een investeringssubsidie gaat. Dan rijst de vraag of vorm en techniek ervan nopen tot afwijking van de vaste rechtspraak. Het Hof zag ook een materiële reden voor winstneming, nl. dat de verhuurderheffing tot het bedrag van de korting niet op de belanghebbende drukt, maar het gegeven dat ondernemingslasten door een subsidie (uiteraard) worden verlicht, zegt volgens de A-G niets over de vraag welke ondernemingslasten worden verlicht: die van de betaling van de verhuurderheffing of die van de uitgaven voor investering in huurwoningen. Het voordeel van de korting is volgens de A-G niet bedoeld om de jaarlijkse verhuurderheffing te betalen, maar om investeringsuitgaven te vergelden voor bepaalde sociale huurwoningen op bepaalde locaties. Het is dan ook uitsluitend verkrijgbaar als de RVO definitief vaststelt dat daadwerkelijk voldoende uitgaven zijn gedaan voor investeringen in dergelijke sociale huurwoningen.
Dat vorm en techniek van een heffingskorting zijn gekozen in plaats van een separate en transparante subsidieregeling, zoals de Raad van State adviseerde, had volgens de regering twee redenen: (i) de heffingsvermindering was ‘een investeringsfaciliteit voor heffingsplichtige verhuurders die investeringen in kwetsbare gebieden op zich nemen’ en (ii) een ‘investeringsfaciliteit’ ‘in de vorm’ van een heffings-vermindering ‘bleek het snelst realiseerbaar en relatief simpel uitvoerbaar’. De argumentatieve waarde van punt (i) voor de vormkeuze ontgaat A-G Wattel enigszins, maar het zegt in geen geval dat de korting geen investeringssubsidie zou zijn, maar juist expliciet dat zij een ‘investeringsfaciliteit’ is. Argument (ii) is volgens de A-G slechts praktisch en zegt eveneens expliciet dat het om een ‘investeringsfaciliteit’ gaat. Beide argumenten benadrukken zijns inziens het investeringssubsidiekarakter eerder dan dat zij het ontkrachten.
A-G Wattel ziet als enige materiële koppeling met de verhuurderheffing als belasting dat de korting niet wordt uitbetaald als zij de verschuldigde verhuurderheffing overschrijdt. Die beperking is volgens hem echter slechts de budgettering van een subsidieplafond: de investeringssubsidie mag alleen uit de eigen sigarendoos van de sociale woningenverhuurder bekostigd worden.
De vorm en techniek van de heffingsvermindering nopen volgens de A-G dan ook niet tot afwijking van de vaste rechtspraak dat investeringssubsidies in mindering komen op de kostprijs van bedrijfsmiddelen waarin geïnvesteerd wordt. Wil de wetgever het anders, dan kan hij dat in de wet zetten, zoals hij doet bij de voorgestelde baangerelateerde investeringskorting (BIK).
Conclusie: cassatieberoep gegrond.