5.2
Hetgeen de verdediging in dit verband in hoger beroep heeft aangevoerd, is in het arrest als volgt samengevat:6
“[…] Onderdeel van het betoog van de verdediging is een beschouwing over het oordeel van de Hoge Raad in het Passageproces in de zaak tegen [betrokkene 3] (hierna ook: [betrokkene 3] ). In dat arrest van 23 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:600) liet de Hoge Raad het oordeel van het hof Amsterdam in stand. Daarbij kwam ook de rechtmatigheid aan de orde van de kroongetuigenovereenkomsten met [betrokkene 5] en [betrokkene 4] en heeft de Hoge Raad op een aantal punten uitleg gegeven aan de kroongetuigenregeling zoals die in wet- en regelgeving is neergelegd.
De argumenten van de verdediging kunnen als volgt worden samengevat.
Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van wettelijke regeling en EHRM-rechtspraak
Voor een deel rust het betoog van de verdediging op haar uitleg van de toepasselijke wet- en regelgeving en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan. De verdediging signaleert drie problemen in verband met de kroongetuigenovereenkomsten die zijn gesloten met [betrokkene 5] en [betrokkene 4] .
(a) Toezegging over ontneming in strijd met de wet
Het openbaar ministerie heeft ernstig onrechtmatig gehandeld door [betrokkene 5] en [betrokkene 4] toe te zeggen dat er geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. [betrokkene 5] had naar eigen zeggen een wederrechtelijk voordeel verkregen van € 65.000,-. [betrokkene 4] had zelfs een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 430.000,-.
Volgens de tekst van artikel 226g, eerste lid, Sv kan de officier van justitie een getuige in ruil voor een verklaring alleen toezeggen dat de strafeis met de helft zal worden verminderd. De toezegging dat geen wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ontnomen is dus in strijd met het gesloten wettelijk systeem van toezeggingen. Ook de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) is in strijd met de wet, voor zover deze ervan uitgaat dat de toezegging van vermindering van een ontnemingsvordering mogelijk is. De Aanwijzing moet in zoverre buiten toepassing worden gelaten.
Om deze stellingen te onderbouwen, heeft de verdediging betoogd dat de Tweede Kamer bij de stemming over het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van artikel 226g, eerste lid Sv (de Wet toezeggingen aan getuigen in strafzaken (Stb. 2005, 254), er vanuit ging dat daarmee een gesloten systeem van toegestane toezeggingen aan getuigen in het leven werd geroepen. Dat was in lijn met de conclusies van de Commissie Van Traa naar aanleiding van de IRT-affaire en deed recht aan de opvatting van de toenmalige Minister Korthals dat getuigenverklaringen van criminelen niet gekocht moesten kunnen worden. De verdediging heeft onder ogen gezien dat de opvolgende Minister Donner in het vervolg van het wetgevingstraject gehoor heeft gegeven aan de kritiek vanuit het openbaar ministerie op het wetsvoorstel. Deze Minister ging uitdrukkelijk er vanuit dat met de wet een niet gesloten systeem van toezeggingen zou ontstaan. Hij zag daarom ook ruimte voor de nadere regeling van toelaatbare en niet-toelaatbare toezeggingen in de Aanwijzing en benutte die. Volgens de verdediging komt daaraan geen betekenis toe. Ook heeft geen betekenis dat de Eerste Kamer onder dat gesternte heeft ingestemd met het wetsvoorstel. Een ander oordeel zou volgens de verdediging de Eerste Kamer amenderende bevoegdheden geven en zou afbreuk doen aan het staatsrechtelijke primaat van de Tweede Kamer bij het wetgevingsproces.
In het Passageproces heeft de Hoge Raad ten onrechte de uitleg van het wettelijk systeem van Minister Donner gevolgd en de schikkingsmogelijkheid die het openbaar ministerie in het kader van de ontneming heeft, niet beperkt geacht door artikel 226g, eerste lid, Sv. Daarmee heeft de Hoge Raad een uitleg aan de wet gegeven die op grond van de tekst en de strekking daarvan niet kan en waardoor het nut van de wettelijke regeling op losse schroeven komt te staan. Die uitleg is volgens de verdediging in strijd met het legaliteitsbeginsel. Inmiddels heeft dat geleid tot een nieuwe Aanwijzing toezeggingen aan kroongetuigen van 25 mei 2020 (hierna: de nieuwe Aanwijzing) waarin voorop is gesteld dat het opportuniteitsbeginsel onverkort van toepassing is bij kroongetuigen en dat alleen de toezegging van strafvermindering onder het bereik valt van de wettelijke regeling van artikel 226g, eerste lid, Sv en artikel 44a Sr. Voor het overige heeft het openbaar ministerie de vrije hand; aan een getuige kan bijvoorbeeld worden beloofd dat niet om zijn uitlevering wordt gevraagd, dat hij zijn misdaadwinst mag behouden of dat hij niet vervolgd zal worden voor een strafbaar feit, dit alles zonder dat dit wordt getoetst door de rechter-commissaris. Aan de inhoud van deze nieuwe Aanwijzing verbindt de verdediging de conclusie dat het openbaar ministerie verder zal gaan met het schenden van de wet. Om die reden bestaat volgens de verdediging de noodzaak dat de verklaringen van de kroongetuigen worden uitgesloten van het bewijs als ‘rechtsstatelijke waarborg tegen voortgaand onrechtmatig handelen’.
(b) Verkapte financiële beloning voor verklaringen
De wetgever wilde niet dat belastende verklaringen zouden worden ‘gekocht’ met financieel voordeel voor een kroongetuige bij het afleggen van een verklaring. Bij de totstandkoming van artikel 226l Sv en het daarop gebaseerde Besluit getuigenbescherming (Stb. 2006, 21) (hierna: het Besluit) lijkt het uitgangspunt te zijn geweest dat pas over zijn beveiliging zou worden gesproken nadat de kroongetuige zijn (verminderde) straf had uitgezeten. Het Besluit regelt hoe getuigenbescherming tot stand komt en wie daarbij betrokken zijn, maar regelt niets over de wijze waarop of de kaders waarbinnen dat gebeurt. Het Besluit verhindert dus niet dat afspraken over bescherming van de getuige een verkapte beloning kunnen opleveren. Volgens de Aanwijzing worden bij de gesprekken over het aangaan van een kroongetuigenovereenkomst geen toezeggingen gedaan over beschermingsmaatregelen. Dat bleek bij [betrokkene 5] niet houdbaar. Voor [betrokkene 5] was het belangrijkste hoe zijn leven er na zijn gevangenisstraf uit zou zien. Hij wilde eerst duidelijke afspraken over de wijze van bescherming en heeft de onderhandelingsruimte daarover maximaal benut. In het kader van getuigenbescherming heeft [betrokkene 5] twee rentevrije leningen van € 300.000,- gekregen en gedurende 10 jaar elk jaar € 80.000,-. Van terugbetaling van de leningen zal vermoedelijk niets komen, nu het openbaar ministerie geen contact meer heeft met [betrokkene 5] . De verdediging gaat er vanuit dat de afspraken in het kader van getuigenbescherming met [betrokkene 4] ook de vorm hebben dat hij met financiële steun van de Staat zelf in zijn bescherming mag voorzien.
In combinatie met de ontnemingstoezegging vormen deze afspraken een verkapte financiële beloning die de wetgever niet wilde. Aan die kern van het verweer is de Hoge Raad in het Passageproces ten onrechte voorbij gegaan. De Hoge Raad is in het Passageproces immers niet ingegaan op het oordeel van het hof dat de getuigenbeschermingsafspraken, niet in redelijkheid moesten worden aangemerkt als beloning voor het afleggen van een verklaring.
(c) Tekortschietende rechterlijke controle
Als het openbaar ministerie een kroongetuigenovereenkomst wil aangaan, toetst de rechter-commissaris op grond van artikel 226g Sv of de afspraak ziet op een getuigenverklaring in een opsporingsonderzoek naar feiten van een bepaalde ernst en of de toezegging in overeenstemming is met het gewicht van de getuigenverklaring. Als naast de toezegging ook zogenaamde kleine gunsten aan de getuige zijn verleend, moet dit in een proces-verbaal worden opgenomen en aan de rechter-commissaris worden gemeld conform artikel 226g vierde lid, Sv. De wet zegt niet dat het openbaar ministerie de rechter-commissaris moet informeren over beschermingsafspraken. Maar, in artikel 226j, derde lid, Sv dat ziet op het voorlichten van de verdachte over de kroongetuigenovereenkomst, staat dat de rechter-commissaris de verdachte geen mededeling hoeft te doen van beschermingsafspraken die met de getuige zijn gemaakt. Die bepaling wekt de indruk dat de rechter-commissaris wel van de beschermingsafspraken op de hoogte moet worden gebracht, hetgeen past bij de bedoeling van de wetgever dat ook die afspraken door de rechter worden getoetst. Desondanks heeft het openbaar ministerie de met [betrokkene 5] en [betrokkene 4] gemaakte beschermingsafspraken niet aan de rechter-commissaris kenbaar gemaakt. De rechter-commissaris heeft er ook niet naar gevraagd.
Omdat de gemaakte getuigenbeschermingsafspraken buiten de rechterlijke toetsing zijn gebleven, heeft er in wezen geen (volwaardige) toetsing van de proportionaliteit van de kroongetuigenovereenkomst plaatsgevonden. In dit kader heeft de verdediging ook geklaagd over het achterhouden van informatie door het openbaar ministerie en over een onrechtmatige zwijgplicht die aan de getuige [betrokkene 4] is opgelegd ten aanzien van de beschermingsafspraken die met hem zijn gemaakt.
De Hoge Raad heeft in het Passageproces geoordeeld dat toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuigen geen onderdeel uitmaken van de afspraak die in artikel 226g, eerste lid, Sv wordt bedoeld en dat deze ook niet vallen onder ‘gunstbetoon’ in de zin van artikel 226g, vierde lid, Sv. Dat brengt mee dat de officier van justitie niet verplicht is om informatie over afspraken over getuigenbescherming bij de processtukken te voegen en dat de rechter-commissaris deze afspraken ook niet hoeft te toetsen. Artikel 226j, derde lid, Sv maakt dat volgens de Hoge Raad niet anders.
Volgens de verdediging gaat de Hoge Raad hiermee voorbij aan de kern van het verweer, te weten dat die getuigenbeschermingsmaatregelen in dit geval zo’n omvangrijke financiële component kenden dat deze als (verkapte) beloning moesten worden aangemerkt.
Het oordeel van de Hoge Raad moet volgens de verdediging genuanceerd worden. Een categorische uitsluiting van informatie die de feitenrechter in de beoordeling mag betrekken, zelfs als er financiële afspraken bestaan die het motief van de getuige om te gaan verklaren in twijfel trekken, staat op gespannen voet met artikel 6 EVRM, met name met het recht om bewijsmateriaal effectief te kunnen onderzoeken en betwisten. Voor die stelling ziet de verdediging steun in twee uitspraken van het EHRM over het gebruik voor het bewijs van verklaringen van kroongetuigen. Uit de zaak Habran en Dalem tegen België volgt dat bij het gebruik van de verklaringen van kroongetuigen gewaakt moet worden voor een beschuldiging en berechting op grond van oncontroleerbare aantijgingen op basis van onbekend gebleven belangen. Er zijn adequate maatregelen nodig om misbruik tegen te gaan, waaronder in het bijzonder een duidelijke, kenbare procedure voor het autoriseren, tenuitvoerleggen en superviseren van de totstandkoming van dergelijk bewijsmateriaal. Uit de zaak Adamčo tegen Slowakije volgt dat de intensiteit van de toetsing van de verklaringen in verband moet staan met het belang van de voordelen die de kroongetuige krijgt in ruil voor die verklaringen. Tegen die achtergrond heeft de verdediging erop gewezen dat:
- de verklaringen van [betrokkene 5] het enige concrete bewijs opleveren van betrokkenheid van verdachte bij een aantal aan hem ten laste gelegde feiten;
- ook het Nederlandse openbaar ministerie bij beslissingen omtrent het sluiten van overeenkomsten met kroongetuigen als single hierarchy fungeert, met volstrekte afwezigheid van rechterlijk toezicht; en
- [betrokkene 5] verkapte immuniteit is toegezegd door hem niet te vervolgen voor deelneming aan een criminele organisatie en de deeldossiers ‘Bethlehem’ en ‘ [betrokkene 16] Sr’ waarin hij een rol heeft gespeeld, en hem een verkapte toezegging van strafvermindering boven het wettelijk maximum is gedaan, omdat het uitgangspunt van 16 jaar gevangenisstraf te laag was voor de feiten die het openbaar ministerie in de zaak van [betrokkene 5] bewezen vond en er toezeggingen zijn gedaan over het niet ontnemen van voordeel dat volgens [betrokkene 5] zelf € 65.000,- bedroeg.
Het ontbreken van een volwaardige proportionaliteitstoets van de kroongetuigenovereenkomst met [betrokkene 4] klemt volgens de verdediging te meer, omdat deze overeenkomst niet als proportioneel kan worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat het openbaar ministerie in het Passageproces bij de rechtbank een levenslange gevangenisstraf tegen [betrokkene 4] heeft geëist, hij in dat proces in hoger beroep naast [betrokkene 5] de tweede kroongetuige werd en met hem is afgesproken dat in het Passageproces de strafeis met de – wettelijk maximaal mogelijke – helft zou worden verlaagd. De consequentie van het oordeel van het hof in Passage dat op geen enkel moment in de procedure een proportionaliteitstoets plaatsvindt, kan niet juist zijn. […]”
Het oordeel van het hof
5.3
Het hof heeft naar aanleiding van deze verweren het volgende overwogen:7
“Aan de verweren van de verdediging over de kroongetuigenovereenkomsten met [betrokkene 5] en [betrokkene 4] is bijzonder dat deze verweren in het Passageproces namens andere verdachten al eerder zijn gevoerd. Voor een belangrijk deel heeft de verdediging verweren die in het Passageproces in de zaak tegen [betrokkene 3] zijn gevoerd in meer of minder samengevatte vorm herhaald of daarnaar verwezen. De verdediging heeft dat deels gedaan zonder nieuwe argumenten toe voegen, nieuwe feiten of omstandigheden aan te halen of te wijzen op specifieke punten die voor de zaak tegen verdachte relevant zijn. In zoverre zijn die verweren, zowel wat betreft de feitelijke grondslag daarvan als wat betreft de juridische beoordeling daarvan, al tot in hoogste nationale instantie uitgeprocedeerd.
Nieuw ten opzichte van die eerder gevoerde verweren zijn de argumenten van de verdediging waarom het oordeel van de Hoge Raad niet in stand kan blijven, met daarin onder meer een verwijzing naar rechtspraak van het EHRM. Ook nieuw is het verweer over de specifieke gevolgen van de [verdachte] -weglatingen voor het ondervragingsrecht van verdachte, waarbij ook is betrokken dat [betrokkene 5] in hoger beroep niet is gehoord.
8
Vanwege deze bijzondere situatie wordt hier, voordat verder op deze verweren wordt ingegaan, op een aantal door de verdediging aangeroerde punten het oordeel weergegeven van de Hoge Raad en het hof Amsterdam in het Passageproces.
2.4.3.1 Oordelen Hoge Raad en hof in Passageproces
De onderdelen van de arresten van het hof Amsterdam en de Hoge Raad in het Passageproces tegen [betrokkene 3] die voor de beoordeling van het verweer relevant zijn, zijn onder (a.) weergegeven in bijlage 3 bij dit arrest.
2.4.3.2 Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van wettelijke regeling
Het hof heeft in detail kennis genomen van de inhoud van het dossier, ook ten aanzien van de punten waarover het gaat in de verweren over de ontnemingstoezegging, de beschermingsafspraken en de tekortkoming in de rechterlijke controle die er volgens de verdediging bestaat. Daarnaast heeft het hof de totstandkomingsgeschiedenis van de wet- en regelgeving op dit gebied bestudeerd en kennis genomen van de rechtspraak op dit terrein, ook van het EHRM. Dit eigen onderzoek heeft het hof gebracht tot eigen oordelen. Deze oordelen van dit hof zijn in de kern dezelfde als die van de Hoge Raad en het hof Amsterdam in het Passageproces, zodat het niet zinvol zou zijn dat in detail opnieuw in dit arrest in eigen bewoordingen op te schrijven. De motivering die in die arresten is gegeven, zoals deze is te vinden in bijlage 3, moet op deze plek als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Een nieuwe argument van de verdediging ten opzichte van de beoordeling door de Hoge Raad is dat de uitleg van de Hoge Raad van artikel 226g, eerste lid, Sv ‘een doorbreking van het primaat van de Tweede Kamer’ als wetgever oplevert. Dit nieuwe argument brengt het hof niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat de tekst van het wetsvoorstel, zoals dat door de Tweede Kamer is aanvaard, niet door de Eerste Kamer is geamendeerd en dat de Tweede Kamer niet heeft gereageerd toen hij werd geïnformeerd over de uitleg die Minister Donner inmiddels aan het wetsvoorstel gaf, maar ook geen initiatieven heeft ontplooid nadat de wet was aangenomen en de Aanwijzing was gepubliceerd.
De stelling dat blijkens de nieuwe Aanwijzing sprake zou zijn van voortgaand onrechtmatig handelen door het openbaar ministerie gaat niet op, omdat die stelling is gebaseerd op een uitleg van de wet die het hof niet volgt.
Het hof oordeelt dus - in lijn met de oordelen in het Passageproces van het hof en de Hoge Raad - kort samengevat het volgende:
- De mededelingen van het openbaar ministerie aan [betrokkene 5] en [betrokkene 4] over het ( onder voorbehoud) afzien van ontnemingsvorderingen zijn eenzijdige beslissingen van het openbaar ministerie die niet de strekking hebben van een financiële beloning voor het afleggen van een verklaring. Deze beslissingen van het openbaar ministerie om af te zien van het instellen van ontnemingsvorderingen zijn niet in strijd met artikel 226g, eerste lid, Sv en het openbaar ministerie heeft in redelijkheid tot deze beslissingen kunnen komen;
- Toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige maken geen onderdeel uit van de in artikel 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak en kunnen evenmin worden beschouwd als afspraken in de zin van artikel 226g, vierde lid, Sv. Dit betekent dat er voor het openbaar ministerie geen verplichting bestaat dergelijke ‘toezeggingen’ bekend te maken en deze zijn ook geen voorwerp van toetsing door de rechter-commissaris met toepassing van artikel 226g, derde lid, Sv of door de zittingsrechter. Van het oneigenlijk achterhouden van informatie door het openbaar ministerie in dit opzicht is dan ook geen sprake;
- Ook als ervan wordt uitgegaan dat het juist is wat de verdediging heeft gesteld over de feitelijke aard en inhoud van de (financiële) contouren van de getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen, kan niet worden vastgesteld dat er maatregelen zijn getroffen die in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als beschermingsmaatregelen, maar moeten worden aangemerkt als een beloning in ruil voor het afleggen van een verklaring;
- Gelet op de wijze waarop de afspraak als bedoeld in artikel 226g Sv met [betrokkene 5] tot stand is gekomen, en het gebrek aan voldoende duidelijk bewijsmateriaal dat voor [betrokkene 5] belastend is met betrekking tot de door de verdediging genoemde strafbare feiten, is niet gebleken dat aan [betrokkene 5] toezeggingen zijn gedaan omtrent het niet-vervolgen voor de betrokkenheid bij die strafbare feiten, in ruil voor de bereidheid om een verklaring af te leggen. Evenmin moet de hoogte van de basisstrafeis ten aanzien van [betrokkene 5] in dit verband als een toezegging worden beschouwd;
- Afspraken die met een kroongetuige worden gemaakt, worden zowel door de rechter-commissaris als door de zittingsrechter getoetst. De rechter-commissaris toetst de rechtmatigheid en beoordeelt of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van artikel 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring. Ook geeft de rechter-commissaris een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord. De zittingsrechter beoordeelt in het kader van de bruikbaarheid voor het bewijs zelfstandig de betrouwbaarheid van door de kroongetuige afgelegde verklaringen. De zittingsrechter is gebonden aan het bewijsminimumvoorschrift van artikel 344a, vierde lid, Sv en, als hij de verklaring van een kroongetuige voor het bewijs gebruikt, ook aan de motiveringsplicht van artikel 360, tweede en vierde lid, Sv. Daarnaast kan van de zittingsrechter op grond van artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv een beoordeling en motivering worden verlangd naar aanleiding van een betrouwbaarheidsverweer, of als er een verweer wordt gevoerd dat er sprake is van een vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv;
- Een toetsing van de proportionaliteit door de rechter-commissaris van de met [betrokkene 4] gesloten overeenkomst heeft wel degelijk plaatsgevonden en de beperkte rol die de zittingsrechter vervolgens heeft in het kader van de toetsing van de proportionaliteit van de met [betrokkene 4] gesloten overeenkomst waar het gaat om aspecten die los staan van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen, brengt dit hof niet tot een ander oordeel dan de rechter-commissaris.
Kortom, door af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering tegen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] is er geen sprake van toezeggingen die in strijd met de wet zijn. Aan [betrokkene 5] en [betrokkene 4] is geen verkapte financiële beloning of verkapte immuniteit gegeven voor het afleggen van verklaringen. Aan [betrokkene 5] is ook geen verkapte toezegging gedaan van strafvermindering boven het wettelijk maximum en er is geen sprake van een tekort in het rechterlijk toezicht op de totstandkoming van (het geheel aan afspraken die verband houden met) kroongetuigenovereenkomsten.
2.4.3.3 Rechtmatigheid overeenkomsten in licht van EHRM-rechtspraak
De beslissingen van het EHRM waarop de verdediging heeft gewezen brengen het hof ook niet tot een ander oordeel. De rechtspraak van het EHRM, zoals neergelegd in deze beslissingen, houdt samengevat het volgende in. Het gebruik van getuigenverklaringen, afgelegd in ruil voor immuniteit of andere voordelen, kan twijfel oproepen over de eerlijkheid van het strafproces. Dergelijke verklaringen zijn immers naar hun aard vatbaar voor manipulatie en de mogelijkheid bestaat dat zij louter zijn afgelegd om de voordelen te krijgen die zijn aangeboden in ruil voor hun verklaring, of uit persoonlijke wraak. Het risico mag niet worden onderschat dat dergelijke verklaringen kunnen leiden tot een beschuldiging en berechting, terwijl het gaat om niet geverifieerde aantijgingen die niet noodzakelijkerwijs belangeloos zijn gedaan. Voorkomen moet worden dat valse verklaringen aan een veroordeling ten grondslag worden gelegd. Deze risico’s brengen mee dat toereikend onderzoek moet worden gedaan naar de betrouwbaarheid van dergelijke verklaringen. De verdediging moet daarbij, en ook voor het overige in de strafprocedure, de nodige ruimte worden geboden om de betrouwbaarheid van de verklaringen aan te vechten. Aan de inrichting van dit onderzoek en de waarborgen die dat biedt, worden met het oog op de beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel, hogere eisen gesteld naarmate het gewicht van de desbetreffende verklaringen in de bewijsvoering groter is. Bij zijn beoordeling moet de rechter oog hebben voor alle voordelen die de getuige heeft ontvangen in ruil voor het afleggen van verklaringen. De rechter moet daarbij zijn blik niet vernauwen tot alleen de voordelen in de strafzaak tegen de getuige die dan voorligt. Dat de rechter oog moet hebben voor alle voordelen is gebaseerd op de gedachte dat naarmate deze voordelen groter zijn, deze in toenemende mate voor de getuige aanleiding kunnen vormen om ongeacht welke verklaring af te leggen. Dat brengt mee dat de intensiteit van het betrouwbaarheidsonderzoek ook in verhouding moet staan tot de omvang van de voordelen die de getuige heeft ontvangen in ruil voor het afleggen van de verklaring. Volgens het EHRM kan ook van belang zijn of de beslissingen over afspraken met de getuige en de hem geboden voordelen tot stand komen in een zogenoemde single hierarchy, zonder externe toetsing.
In de Nederlandse praktijk is geen sprake van een single hierarchy bij de totstandkoming van kroongetuigenovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv, anders dan de verdediging veronderstelt. Deze overeenkomst wordt immers getoetst door de rechter-commissaris. Daarbij komt dat de zittingsrechter door de regeling van artikel 226g, vierde lid, Sv en de toevoeging daaraan door de Hoge Raad als het gaat om de ontnemingsvordering, voldoende zicht heeft op alle voordelen voor de getuige die van invloed kunnen zijn op zijn bereidheid tot het afleggen van een verklaring.
De strafrechter heeft dan ook toereikend zicht op deze voordelen. Daar doet niet aan af dat de afspraken over de noodzakelijke beschermingsmaatregelen en de daarmee gemoeide kosten volgens de Nederlandse wettelijke regeling in beginsel buiten het zicht van de rechter blijven. Voor deze beperking bestaat een goede reden, namelijk dat het prijsgeven van informatie over dergelijke beschermingsmaatregelen ook iets kan zeggen over de inhoud van die maatregelen. Het bekend worden van die informatie kan afbreuk doen aan de effectiviteit van die beschermingsmaatregelen. Tegelijk is evident dat de kosten van dergelijke beschermingsmaatregelen steeds aanzienlijk zijn als de dreiging voor een getuige zodanig wordt ingeschat dat zijn veiligheid alleen kan worden gewaarborgd door hem een nieuwe identiteit te verschaffen in een nieuwe leefomgeving. Bij de waardering van een financiële tegemoetkoming die een getuige in zo’n situatie kan worden verschaft om zelf dat nieuwe bestaan vorm te geven, is een dergelijke tegemoetkoming voor de noodzakelijke beveiliging niet zozeer een voordeel, maar een compensatie van het nadeel dat bestaat in het levensgevaar als gevolg van het afleggen van verklaringen door de getuige. Ook dat draagt bij aan het oordeel van het hof dat ten aanzien van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] niet is gebleken ‘dat maatregelen zijn getroffen die in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als beschermingsmaatregelen, maar (louter) moeten worden aangemerkt als strekkende tot beloning in ruil voor het afleggen van een verklaring’.
Ten overvloede moet worden opgemerkt dat, zelfs als een met een kroongetuige getroffen regeling zich op of over de grens beweegt van wat slechts als redelijke kosten in verband met beschermingsmaatregelen kan gelden, verdachte daarvan geen nadeel behoeft te ondervinden in termen van zijn recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Wel moet er dan sprake zijn van een passende intensiteit van de betrouwbaarheidstoetsing en behoedzaamheid bij het eventuele gebruik voor het bewijs, in samenhang met ondersteunend bewijs uit onafhankelijke bron.
Wat betreft de intensiteit en omvang van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] moet worden gezegd dat een uitvoeriger onderzoek moeilijk denkbaar is. De verdediging is in dat verband gefaciliteerd in de onderzoekswensen die zij heeft aangedragen en heeft de beide kroongetuigen alle vragen kunnen stellen, met uitzondering van vragen over de beschermingsmaatregelen. In geen enkel stadium van de procedure is de verdediging iets in de weg gelegd bij het voeren van verweer ten aanzien van de kroongetuigen. Op de inhoud en de resultaten van dat betrouwbaarheidsonderzoek wordt hierna in paragraaf 2.5 ingegaan. Bij dat onderzoek is ook aandacht besteed aan de mogelijke invloed op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen, die kan uitgaan van de wens om zich te (blijven) verzekeren van alle voordelen die de kroongetuigenovereenkomst en beschermingsmaatregelen hen bood. Zoals blijkt uit het voorgaande is uitvoerig onderzocht of (verkapte) toezeggingen van immuniteit, financieel (ontnemings)voordeel of strafeis-vermindering van die voordelen deel uitmaakten.
Kortom, in relatie tot de eisen die op grond van de rechtspraak van het EHRM op grond van artikel 6 EVRM worden gesteld aan het onderzoek naar de betrouwbaarheid van verklaringen van kroongetuigen, stelt het hof vast dat:
- de betrouwbaarheid van de (verklaringen van de) kroongetuigen op vele manieren uitvoerig is onderzocht, juist vanuit het besef van de risico’s die daaraan inherent zijn, zoals deze in de rechtspraak van het EHRM zijn verwoord;
- de verdediging in het verband van dat onderzoek alle ruimte is geboden haar ondervragingsrecht uit te oefenen en verweer te voeren, terwijl ook gehoor is gegeven aan de onderzoekswensen van de verdediging;
- ruimschoots aandacht heeft bestaan voor en voldoende zicht is gekomen op de voordelen die de kroongetuigen in ruil voor hun verklaringen hebben ontvangen.
Onder die omstandigheden werpt het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet reeds een formeel beletsel op voor het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , zodat de bruikbaarheid daarvan staat of valt met het oordeel over de betrouwbaarheid dat in paragraaf 2.5 aan de orde komt. Ook bij de vorming van zijn oordeel daarover is het hof zich terdege bewust van de risico’s die door het EHRM zijn benoemd die kleven aan verklaringen van kroongetuigen. Het hof zal de verklaringen van [betrokkene 5] ook niet als het enige concrete bewijs gebruiken voor betrokkenheid van verdachte bij hem ten laste gelegde feiten. […]
2.4.3.5 Conclusie hof rechtmatigheid
Naar het oordeel van het hof doen zich geen onrechtmatigheden voor ten aanzien van de totstandkoming van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] waardoor, zoals de verdediging heeft betoogd, niet te beoordelen zou zijn in hoeverre financiële overwegingen een motief vormen voor het afleggen van belastende verklaringen en waardoor de inhoud van de verklaringen niet op waarde worden geschat. Het hof verwerpt daarom het verweer.”
5.4
Het eerste middel nader beschouwd
5.4.1
Het eerste middel is als volgt geformuleerd:
“
Schending van de artt. 152, 226g, 226h, 226i, 226j, 315 en/of 344a, 348, 350, 358, 359, 359a, 360 en/of 415 Sv en/of art. 6 EVRM en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte nagelaten in het bijzonder de (begrijpelijke) redenen aan te geven op grond waarvan het Hof in het arrest is afgeweken van het namens rekwirant naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt – samengevat inhoudende – dat de Hoge Raad een uitleg aan de formele wet (art. 226g Sv) heeft gegeven die op grond van de tekst van die wet en de strekking daarvan niet kan en dat indien alleen de toezegging van strafvermindering onder het bereik van het wettelijk systeem valt alle andere toezeggingen aan potentiële kroongetuigen rechtmatig kunnen worden gedaan, terwijl dit in strijd is met de bedoeling van de wet en dat de wetsuitleg van de Hoge Raad nuancering behoefde op grond van de uitspraken Habran en Dalem t. België en Adamco t. Slowakije van het EHRM, nu de wetsuitleg zorgt voor een categorische uitsluiting van door de (zittings)rechter bij de toetsing van de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van verklaringen van kroongetuigen te betrekken informatie en in ieder geval het Nederlandse wettelijke systeem niet waarborgt dat de (zittings)rechter voldoende zicht krijgen op alle (mogelijke) voordelen die kroongetuigen in ruil voor verklaringen hebben gekregen of krijgen en dit strijd oplevert met het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces - althans getuigt het afwijken van dat standpunt van een onjuiste rechtsopvatting en is het in ieder geval onvoldoende begrijpelijk (gemotiveerd).. Tevens zijn de oordelen van het Hof dat zich geen onrechtmatigheden voordoen ten aanzien van de totstandkoming van de verklaringen van kroongetuigen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] waardoor niet te beoordelen zou zijn in hoeverre financiële overwegingen een motief vormen voor het afleggen van belastende verklaringen, als gevolg waarvan het beroep op bewijsuitsluiting (als rechtstatelijke waarborg) is verworpen en dat het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet reeds een formeel beletsel opwerpt voor het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk en - mede in het licht van hetgeen naar voren was gebracht - in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het kennelijk oordeel van het Hof dat de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] zonder schending van het recht op een eerlijke proces van rekwirant zoals bedoeld in art. 6 EVRM als bewijs tegen hem konden worden gebruikt getuigt eveneens van een onjuiste rechtsopvatting, is onbegrijpelijk en in ieder geval niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het nietigheid ten gevolg heeft en maakt dat het arrest niet in stand kan blijven.”
5.4.2
Het eerste middel richt zich kort gezegd tegen de verwerping door het hof van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de door de verdediging voorgestane uitleg van art. 226g Sv met zich brengt dat alleen de toezegging van strafvermindering onder het bereik van het wettelijk systeem valt en alle andere toezeggingen aan potentiële kroongetuigen niet rechtmatig zijn. Het verweer ten overstaan van het hof had, zoals door het hof samengevat,9 betrekking op a) de toezegging over de ontneming, b) verkapte financiële beloningen middels beschermingsmaatregelen en c) de tekortschietende rechterlijke toetsing, omdat de beschermingsafspraken buiten de rechterlijke toetsing zijn gebleven.
5.4.3
Het middel is breed geformuleerd en bevat als zodanig geen indicaties waarom de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt door het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende is gemotiveerd. Zo blijkt uit het middel niet over welke “andere toezeggingen”, wordt geklaagd. Uit de hiervoor onder 5.3 geciteerde overwegingen van het hof komt naar voren dat in hoger beroep verschillende “andere toezeggingen” aan de orde zijn geweest: het afzien van het indienen van een ontnemingsvordering tegen [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , het geven van verkapte financiële beloningen in het kader van getuigenbeschermingsmaatregelen, het geven van verkapte immuniteit en het geven van verkapte toezeggingen van strafvermindering boven het wettelijk maximum.
Ik heb daarom getracht in de toelichting op het middel aanknopingspunten te vinden voor een nadere precisering van de klachten.
5.4.4
De paragrafen I.I tot en met I.VI van de toelichting10 laten zich lezen als een introductie van het middel met onder meer een letterlijke weergave van passages uit het bestreden arrest en overwegingen uit de twee arresten van het EHRM waarop door de verdediging een beroep is gedaan. Vanaf paragraaf I.VII11 volgt een analyse van de overwegingen van het hof met betrekking tot de rechtmatigheid van de kroongetuigenovereenkomsten, waarin voornamelijk wordt herhaald wat de verdediging ten overstaan van het hof hierover heeft betoogd, zonder dat ik daaruit een concrete cassatieklacht kan distilleren. Aan het einde van paragraaf I.VII.I wordt in mijn ogen pas inzichtelijk waarover nu feitelijk wordt geklaagd. Ik zal deze passage hierna citeren:
“[…] Uw College heeft met betrekking tot de toetsing van getuigenbeschermingsmaatregelen overwogen dat hoewel de inhoud van de maatregelen die in dat verband getroffen moeten worden van belang zijn voor het al dan niet tot stand komen van een deal met een kroongetuige, de toezeggingen die betrekking hebben op feitelijke bescherming van de getuigen geen onderdeel uitmaken van de in artikel 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak en ook niet als gunstbetoon zoals bedoeld in het vierde lid worden beschouwd, waardoor de officier van justitie niet gehouden is informatie over die afspraken die zien op getuigenbeschermingsmaatregelen bij de processtukken te voegen en dat de rechter-commissaris deze ook niet hoeft te toetsen.
Het was nu juist dit onderdeel waar naar het standpunt van rekwirant het oordeel van uw College gelet op de uitspraken Habran en Dalem t. Belgie en vooral Adamco t. Slowakije nuancering behoefde om[dat] dit oordeel leidt tot een categorische uitsluiting van door de feitenrechter in de oordeelsvorming te betrekken informatie. Ook indien van dermate omvangrijke financiële afspraken sprake zou zijn dat deze niet anders dan als beloning voor het afleggen van verklaringen kunnen worden aangemerkt of wanneer op grond daarvan de motieven van de kroongetuige (in zichzelf een niet zonder meer belangeloze getuige) om belastende verklaringen af te gaan leggen in twijfel zouden kunnen worden getrokken. Aan het door het EHRM beschreven beoordelingssysteem van communicerende vaten tussen verkregen of te krijgen voordelen in ruil voor verklaringen en de intensiteit van de toe te passen rechterlijke toets kan daarmee geen uitvoering worden gegeven door de rechter die heeft te oordelen over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid/toelaatbaarheid van dergelijke verklaringen als bewijs. Dat staat op gespannen voet met het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM. Met het oordeel dat in de Nederlandse praktijk geen sprake is van een single hierarchy bij de totstandkoming van de kroongetuigenovereenkomsten en de zittingsrechter voldoende zicht krijg op alle voordelen die van invloed zijn op de verklaringsbereidheid van de kroongetuige, gaat het Hof ten onrechte voorbij aan het feit dat de verdediging nu juist heeft gesteld dat de uitspraak in Adamco t. Slowakije
maakte dat voor de vraag of de zittingsrechter voldoende zicht krijgt op alle voordelen (en het wettelijke systeem voldoende waarborgt dat daar sprake van is) nu juist niet enkel diende te worden gekeken naar de toezeggingen/afspraken van art. 226g, eerste en vierde lid, Sv en de eventuele ontnemingsschikking.
12
Het Hof is daarmee afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, zonder in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Reeds daarom kan het oordeel van het Hof omtrent de rechtmatigheid van de overeenkomsten en bruikbaarheid van verklaringen van de kroongetuigen niet in stand blijven.
Het oordeel dat toezeggingen met betrekking tot feitelijke bescherming door het Openbaar Ministerie niet bekend hoeven te worden gemaakt en geen voorwerp van toetsing zijn door de rechter-commissaris en zittingsrechter en dat die zittingsrechter door de regeling van art. 226g eerste en vierde lid Sv en de toevoeging van uw College met betrekking tot de ontnemingsschikking zicht heeft op alle voordelen voor de getuige die van invloed kunnen zijn op zijn verklaringsbereidheid, getuigt naar het oordeel van rekwirant ook van een onjuiste rechtsopvatting nu deze opvatting niet in lijn is met de aan het recht op een eerlijk proces te stellen eisen.
13
In ieder geval is het oordeel van het Hof (gelet op hetgeen naar voren is gebracht) onbegrijpelijk, althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.”
14
5.4.5
Ik begrijp de hiervoor geciteerde passage uit de toelichting op het eerste middel, in samenhang gelezen met het middel, zo, dat er in de kern geklaagd wordt over het oordeel van het hof dat de toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de kroongetuigen geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g Sv bedoelde afspraken en daarom niet door de strafrechter getoetst hoeven te worden. De stelling in cassatie is, zo lees ik het vervolg van het middel, wederom in combinatie met de toelichting, dat het hof dit uitgangspunt, dat door de Hoge Raad in het Passageproces is geformuleerd, in het licht van de jurisprudentie van het EHRM had moeten nuanceren, omdat het leidt tot een categorische uitsluiting van de door de feitenrechter in de oordeelsvorming te betrekken informatie. Omdat in de resterende toelichting op het middel niet concreet over iets anders dan de verwerping van het verweer van de verdediging op dit punt (de getuigenbeschermingsmaatregelen en het gebrek aan rechterlijke controle hierop) lijkt te worden geklaagd, meen ik mijn bespreking van het middel in zoverre hiertoe te kunnen beperken.
5.4.6
Verder wordt in de toelichting op het eerste middel betoogd dat de in het Passageproces gemaakte afspraak van het openbaar ministerie met [betrokkene 5] om delen van zijn kluisverklaringen waarin hij over de verdachte sprak uit het dossier van het Passageproces weg te laten (de zogenaamde [verdachte] -weglatingen), gevolgen heeft gehad voor het ondervragingsrecht van de verdachte in de onderhavige zaak,15 met name ook omdat [betrokkene 5] in hoger beroep niet als getuige is gehoord. Het gaat hier om een schending van het ondervragingsrecht. Hierover is in het middel geen klacht geformuleerd. Hoewel strikt genomen het in de toelichting op het middel aangevoerde daarom buiten bespreking kan blijven,16 zal ik hierop toch ten overvloede ingaan, omdat dit verweer ten opzichte van de eerder gevoerde verweren in het Passageproces nieuw is.17
5.4.7
Ten slotte merk ik op dat in de toelichting op het eerste middel een voorschot wordt genomen op het tweede middel dat tegen het oordeel van het hof in paragraaf 2.5 is gericht en gaat over het oordeel van het hof ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen.18 Deze klachten zal ik bij het tweede middel bespreken.
5.5
Bespreking van het eerste middel
5.5.1
Dan ga ik nu over tot de bespreking van het eerste middel zoals ik dat hiervoor onder 5.4.5 in geparafraseerde vorm heb weergegeven.
5.5.2
Het hof heeft bij de beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren vooropgesteld dat een belangrijk deel hiervan al in het Passageproces namens andere verdachten is gevoerd, terwijl de verdediging deels19 niet heeft onderbouwd waarom de beoordeling van deze verweren anders zou moeten luiden in de zaak tegen de verdachte. Nu met het arrest van de Hoge Raad in het Passageproces het oordeel van het hof ten aanzien van deze verweren tot in hoogste nationale instantie is uitgeprocedeerd, is volgens het hof sprake van een “bijzondere situatie”, omdat, zo begrijp ik het hof, in feite sprake is van een herhaling van zetten.20 Het hof heeft daarom – niet onbegrijpelijk – verwezen naar de onderdelen uit het arrest van de Hoge Raad in het Passageproces die relevant zijn in de onderhavige zaak en deze als bijlage 3 aan het arrest gehecht.21
5.5.3
Voor zover van belang voor de bespreking van het middel heeft het hof22 in navolging van het arrest van de Hoge Raad in het Passageproces overwogen dat toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g lid 1 Sv bedoelde afspraak en zij evenmin kunnen worden beschouwd als afspraken in de zin van art. 226g lid 4 Sv. Voor het openbaar ministerie bestaat dus geen verplichting dergelijke toezeggingen bekend te maken en deze zijn ook geen voorwerp van toetsing door de rechter-commissaris met toepassing van art. 226g lid 3 Sv of door de zittingsrechter. Er is in dat opzicht dus geen sprake van het oneigenlijk achterhouden van informatie door het openbaar ministerie.
5.5.4
Verder is door het hof overwogen dat ook als ervan wordt uitgegaan dat het juist is wat de verdediging heeft gesteld over de feitelijke aard en inhoud van de (financiële) contouren van de getroffen getuigenbeschermingsmaatregelen, niet kan worden vastgesteld dat er maatregelen zijn getroffen die in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als beschermingsmaatregelen, maar moeten worden aangemerkt als een beloning in ruil voor het afleggen van een verklaring.
5.5.5
Ook met betrekking tot de rechterlijke controle op de met de kroongetuige gemaakte afspraken volgt het hof de uitgangspunten van het arrest van de Hoge Raad in het Passageproces.23 Op grond van art. 226h lid 3 Sv toetst de rechter-commissaris de rechtmatigheid van de door de officier van justitie voorgenomen afspraak met de getuige. Hij legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand. De zittingsrechter behoort, indien hij de verklaring van de getuige met wie een afspraak tot stand is gekomen voor het bewijs gebruikt, dat gebruik op grond van art. 360 lid 2 Sv nader te motiveren. De motiveringsplicht van de zittingsrechter strekt zich niet uit tot de rechtmatigheid van bedoelde afspraak. Daarnaast dient hij in geval van afwijking van een door de verdachte uitdrukkelijk gemotiveerd standpunt en in geval van het verweer dat sprake is van een in art. 359a Sv bedoeld vormverzuim daarover een gemotiveerde beslissing te geven.
5.5.6
Het hof is van oordeel dat aan [betrokkene 5] en [betrokkene 4] geen verkapte financiële beloning of verkapte immuniteit is gegeven voor het afleggen van verklaringen en dat er geen sprake is van een tekort in het rechterlijk toezicht op de totstandkoming van (het geheel aan afspraken die verband houden met) kroongetuigenovereenkomsten.24
5.5.7
Vervolgens gaat het hof over tot een bespreking van de verweren in het licht van de EHRM-rechtspraak25 en oordeelt het dat de beslissingen van het EHRM in de zaken waar de verdediging op heeft gewezen (te weten Habran en Dalem tegen België26 en Adamčo tegen Slowakije27) het hof niet tot een ander oordeel hebben gebracht. De hierop betrekking hebbende overwegingen zal ik hierna voor het lezersgemak nog een keer citeren:
“[…] De rechtspraak van het EHRM, zoals neergelegd in deze beslissingen, houdt samengevat het volgende in. Het gebruik van getuigenverklaringen, afgelegd in ruil voor immuniteit of andere voordelen, kan twijfel oproepen over de eerlijkheid van het strafproces. Dergelijke verklaringen zijn immers naar hun aard vatbaar voor manipulatie en de mogelijkheid bestaat dat zij louter zijn afgelegd om de voordelen te krijgen die zijn aangeboden in ruil voor hun verklaring, of uit persoonlijke wraak. Het risico mag niet worden onderschat dat dergelijke verklaringen kunnen leiden tot een beschuldiging en berechting, terwijl het gaat om niet geverifieerde aantijgingen die niet noodzakelijkerwijs belangeloos zijn gedaan. Voorkomen moet worden dat valse verklaringen aan een veroordeling ten grondslag worden gelegd. Deze risico’s brengen mee dat toereikend onderzoek moet worden gedaan naar de betrouwbaarheid van dergelijke verklaringen. De verdediging moet daarbij, en ook voor het overige in de strafprocedure, de nodige ruimte worden geboden om de betrouwbaarheid van de verklaringen aan te vechten. Aan de inrichting van dit onderzoek en de waarborgen die dat biedt, worden met het oog op de beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel, hogere eisen gesteld naarmate het gewicht van de desbetreffende verklaringen in de bewijsvoering groter is. Bij zijn beoordeling moet de rechter oog hebben voor alle voordelen die de getuige heeft ontvangen in ruil voor het afleggen van verklaringen. De rechter moet daarbij zijn blik niet vernauwen tot alleen de voordelen in de strafzaak tegen de getuige die dan voorligt. Dat de rechter oog moet hebben voor alle voordelen is gebaseerd op de gedachte dat naarmate deze voordelen groter zijn, deze in toenemende mate voor de getuige aanleiding kunnen vormen om ongeacht welke verklaring af te leggen. Dat brengt mee dat de intensiteit van het betrouwbaarheidsonderzoek ook in verhouding moet staan tot de omvang van de voordelen die de getuige heeft ontvangen in ruil voor het afleggen van de verklaring. Volgens het EHRM kan ook van belang zijn of de beslissingen over afspraken met de getuige en de hem geboden voordelen tot stand komen in een zogenoemde single hierarchy, zonder externe toetsing.
28
In de Nederlandse praktijk is geen sprake van een single hierarchy bij de totstandkoming van kroongetuigenovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 226g, eerste lid, Sv, anders dan de verdediging veronderstelt. Deze overeenkomst wordt immers getoetst door de rechter-commissaris. Daarbij komt dat de zittingsrechter door de regeling van artikel 226g, vierde lid, Sv en de toevoeging daaraan door de Hoge Raad als het gaat om de ontnemingsvordering, voldoende zicht heeft op alle voordelen voor de getuige die van invloed kunnen zijn op zijn bereidheid tot het afleggen van een verklaring. De strafrechter heeft dan ook toereikend zicht op deze voordelen. Daar doet niet aan af dat de afspraken over de noodzakelijke beschermingsmaatregelen en de daarmee gemoeide kosten volgens de Nederlandse wettelijke regeling in beginsel buiten het zicht van de rechter blijven. Voor deze beperking bestaat een goede reden, namelijk dat het prijsgeven van informatie over dergelijke beschermingsmaatregelen ook iets kan zeggen over de inhoud van die maatregelen. Het bekend worden van die informatie kan afbreuk doen aan de effectiviteit van die beschermingsmaatregelen. Tegelijk is evident dat de kosten van dergelijke beschermingsmaatregelen steeds aanzienlijk zijn als de dreiging voor een getuige zodanig wordt ingeschat dat zijn veiligheid alleen kan worden gewaarborgd door hem een nieuwe identiteit te verschaffen in een nieuwe leefomgeving. Bij de waardering van een financiële tegemoetkoming die een getuige in zo’n situatie kan worden verschaft om zelf dat nieuwe bestaan vorm te geven, is een dergelijke tegemoetkoming voor de noodzakelijke beveiliging niet zozeer een voordeel, maar een compensatie van het nadeel dat bestaat in het levensgevaar als gevolg van het afleggen van verklaringen door de getuige. Ook dat draagt bij aan het oordeel van het hof dat ten aanzien van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] niet is gebleken ‘dat maatregelen zijn getroffen die in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als beschermingsmaatregelen, maar (louter) moeten worden aangemerkt als strekkende tot beloning in ruil voor het afleggen van een verklaring’.
Ten overvloede moet worden opgemerkt dat, zelfs als een met een kroongetuige getroffen regeling zich op of over de grens beweegt van wat slechts als redelijke kosten in verband met beschermingsmaatregelen kan gelden, verdachte daarvan geen nadeel behoeft te ondervinden in termen van zijn recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Wel moet er dan sprake zijn van een passende intensiteit van de betrouwbaarheidstoetsing en behoedzaamheid bij het eventuele gebruik voor het bewijs, in samenhang met ondersteunend bewijs uit onafhankelijke bron.
Wat betreft de intensiteit en omvang van het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] moet worden gezegd dat een uitvoeriger onderzoek moeilijk denkbaar is. De verdediging is in dat verband gefaciliteerd in de onderzoekswensen die zij heeft aangedragen en heeft de beide kroongetuigen alle vragen kunnen stellen, met uitzondering van vragen over de beschermingsmaatregelen. In geen enkel stadium van de procedure is de verdediging iets in de weg gelegd bij het voeren van verweer ten aanzien van de kroongetuigen. Op de inhoud en de resultaten van dat betrouwbaarheidsonderzoek wordt hierna in paragraaf 2.5 ingegaan. Bij dat onderzoek is ook aandacht besteed aan de mogelijke invloed op de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen, die kan uitgaan van de wens om zich te (blijven) verzekeren van alle voordelen die de kroongetuigenovereenkomst en beschermingsmaatregelen hen bood. Zoals blijkt uit het voorgaande is uitvoerig onderzocht of (verkapte) toezeggingen van immuniteit, financieel (ontnemings)voordeel of strafeis-vermindering van die voordelen deel uitmaakten.
Kortom, in relatie tot de eisen die op grond van de rechtspraak van het EHRM op grond van artikel 6 EVRM worden gesteld aan het onderzoek naar de betrouwbaarheid van verklaringen van kroongetuigen, stelt het hof vast dat:
- de betrouwbaarheid van de (verklaringen van de) kroongetuigen op vele manieren uitvoerig is onderzocht, juist vanuit het besef van de risico’s die daaraan inherent zijn, zoals deze in de rechtspraak van het EHRM zijn verwoord;
- de verdediging in het verband van dat onderzoek alle ruimte is geboden haar ondervragingsrecht uit te oefenen en verweer te voeren, terwijl ook gehoor is gegeven aan de onderzoekswensen van de verdediging;
- ruimschoots aandacht heeft bestaan voor en voldoende zicht is gekomen op de voordelen die de kroongetuigen in ruil voor hun verklaringen hebben ontvangen.
Onder die omstandigheden werpt het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet reeds een formeel beletsel op voor het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , zodat de bruikbaarheid daarvan staat of valt met het oordeel over de betrouwbaarheid dat in paragraaf 2.5 aan de orde komt. Ook bij de vorming van zijn oordeel daarover is het hof zich terdege bewust van de risico’s die door het EHRM zijn benoemd die kleven aan verklaringen van kroongetuigen. Het hof zal de verklaringen van [betrokkene 5] ook niet als het enige concrete bewijs gebruiken voor betrokkenheid van verdachte bij hem ten laste gelegde feiten.”
29
5.5.8
Samengevat komt het oordeel van het hof erop neer dat, anders dan de verdediging stelt, in de Nederlandse praktijk bij de totstandkoming van de kroongetuigenovereenkomsten geen sprake is van single hierarchy omdat:
- de overeenkomst als bedoeld in art. 226g lid 1 Sv wordt getoetst door de rechter-commissaris en
- de zittingsrechter, door de regeling van art. 226g lid 4 Sv en de voorwaarde die door de Hoge Raad in het Passageproces is toegevoegd als het gaat om de ontnemingsvordering, voldoende zicht heeft op alle voordelen voor de getuige die van invloed kunnen zijn op zijn bereidheid tot het afleggen van een verklaring.
Daaraan doet volgens het hof niet af dat de afspraken over de noodzakelijke beschermingsmaatregelen en de daarmee gemoeide kosten volgens de Nederlandse wettelijke regeling in beginsel buiten het zicht van de rechter blijven:
- nu er een goede reden bestaat voor deze beperking: het prijsgeven van informatie over dergelijke beschermingsmaatregelen zou ook iets kunnen zeggen over de inhoud van die maatregelen en daarmee afbreuk kunnen doen aan de effectiviteit van die beschermingsmaatregelen en
- het feit dat de kosten van dergelijke maatregelen evident hoog zijn niet zozeer een voordeel is, maar een compensatie van het nadeel dat bestaat in het levensgevaar dat ontstaat als gevolg van het afleggen van een verklaring door de getuige, hetgeen volgens het hof bijdraagt aan het oordeel dat ten aanzien van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] niet is gebleken “dat maatregelen zijn getroffen die in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als beschermingsmaatregelen, maar (louter) moeten worden aangemerkt als strekkende tot beloning in ruil voor het afleggen van een verklaring”.30
5.5.9
Volgens de steller van het middel voldoet de Nederlandse wettelijke regeling met betrekking tot het aangaan van overeenkomsten met kroongetuigen niet aan de door het EHRM in dit verband vereiste duidelijke en voorzienbare (vooraf kenbare) procedure, waarin adequate en voldoende maatregelen zijn genomen om misbruik van de mogelijkheid belastende verklaringen af te leggen in ruil voor bepaalde voordelen tegen te gaan. Opgemerkt wordt dat daarbij niet wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat ziet op de zogenoemde verklaringsovereenkomst, maar wel op het oordeel dat betrekking heeft op de getuigenbeschermingsovereenkomst, die volgens het hof geen onderdeel uitmaakt van de in art. 226g lid 1 en 4 Sv bedoelde afspraken met die getuige. Dit brengt volgens de steller van het middel met zich dat wat de getuigenbeschermingsovereenkomst betreft:
“[…] tal van voor de kroongetuige voordelige single hierarchy beslissingen van het Openbaar Ministerie kunnen bijdragen aan de verklaringsbereidheid van de kroongetuige zonder dat daar enige rechterlijke toetsing op plaatsvindt (of kan vinden).”
31
5.5.10
De verdediging heeft bij het hof bepleit dat het oordeel van de Hoge Raad in het Passageproces, dat de toezeggingen die betrekking hebben op feitelijke bescherming van de getuige geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g lid 1 Sv bedoelde afspraak en ook niet als gunstbetoon als bedoeld in art. 226g lid 4 Sv worden beschouwd en dat de rechter-commissaris deze ook niet hoeft te toetsen,32 moet worden genuanceerd. Gesteld is dat dit leidt tot een categorische uitsluiting van door de feitenrechter in de oordeelsvorming te betrekken informatie en op gespannen voet staat met het in art. 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces, meer in het bijzonder het effectief kunnen onderzoeken en betwisten van belastend bewijsmateriaal.33 Uit het arrest van het EHRM in de zaak Adamčo tegen Slowakije, leidt de verdediging af dat alle voordelen die van invloed kunnen zijn geweest op de bereidheid van de getuige een verklaring af te leggen, dus ook de voordelen die in een getuigenbeschermingsmaatregel zijn vastgelegd, door de rechter in zijn toetsing dienen te worden betrokken.34
Behoeft de uitleg van de Hoge Raad van art. 226g Sv in het Passageproces heroverweging?
5.5.11
Het hof is in het bestreden arrest niet afgeweken van de lijn die de Hoge Raad in het Passageproces heeft uiteengezet met betrekking tot getuigenbeschermingsafspraken.35 De vraag die moet worden beantwoord, is of de uitgangspunten die de Hoge Raad op dit punt heeft geformuleerd, moeten worden herzien.
5.5.12
Voor zover het middel klaagt over de uitleg die het hof, in navolging van de Hoge Raad in het Passageproces, heeft gegeven aan art. 226g Sv, op het (nieuwe) verweer dat de interpretatie van de Hoge Raad “een doorbreking van het primaat van de Tweede Kamer als wetgever oplevert”, slaagt het niet. Het hof heeft in het daartoe aangevoerde geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen dan de Hoge Raad in het Passageproces en in de motivering daarvan kan ik mij goed vinden.
Behoeft het oordeel van de Hoge Raad in het Passageproces nuancering in het licht van de rechtspraak van het EHRM?
5.5.13
Ik zal nu ingaan op de vraag of het hof naar aanleiding van het arrest van het EHRM in de zaak Adamčo tegen Slowakije, waarin het EHRM een schending van art. 6 EVRM heeft vastgesteld en dat is gewezen ná het arrest van de Hoge Raad in het Passageproces, de daarin geformuleerde uitgangspunten van de Hoge Raad had moeten herzien of moeten nuanceren, met name wat betreft de getuigenbeschermingsafspraken die met de kroongetuige worden gemaakt. Daarbij gaat het mij er vooral om te onderzoeken welke betekenis door het EHRM in de zaak Adamčo gegeven is aan de omstandigheid dat de beslissingen over afspraken met de getuige en de hem geboden voordelen tot stand zijn gekomen in een zogenoemde single hierarchy van de Slovaakse vervolgende instantie.
5.5.14
Aan de Adamčo-zaak lag het volgende feitencomplex ten grondslag. Adamčo werd in 2001 beschuldigd van medeplegen van een moord op K., omdat hij een ‘hitman’ naar het slachtoffer zou hebben gereden. Aanvankelijk werd Adamčo hiervan vrijgesproken, maar in hoger beroep werd hij veroordeeld op basis van een verklaring van getuige M., die beweerde dat hij de chauffeur was geweest en Adamčo de ‘hitman’. In beroep had de verdediging onder meer gesteld dat getuige M. niet geloofwaardig was omdat hij Adamčo had belast in ruil voor de belofte van de Slovaakse openbare aanklager dat hij niet zou worden vervolgd in verband met zijn betrokkenheid bij een andere moord, op O.
Adamčo heeft bij het EHRM onder andere geklaagd over het feit dat zijn veroordeling in strijd met art. 6 EVRM tot stand is gekomen omdat deze was gebaseerd op de getuigenissen van M., die een belangrijke motivatie had belastend tegen hem te getuigen vanwege de toezeggingen die hij van de openbare aanklager had gekregen.
5.5.15
Het EHRM heeft bij zijn oordeel dat de verklaringen van M. in strijd met art. 6 EVRM voor het bewijs zijn gebruikt, betrokken dat de toezeggingen die door de Slovaakse openbare aanklager aan de getuige M. waren gedaan “under the authority of the prosecution service and that the prosecution service is organised in Slovakia as a single hierarchy”. Wat dit betekent voor de toetsing aan art. 6 EVRM wordt in de navolgende passages van het arrest van het EHRM duidelijk:
“ 67. […] Moreover, the Court notes that the advantages M. obtained were extended to him under the authority of the prosecution service and that the prosecution service is organised in Slovakia as a single hierarchy (see paragraph 28 above). This presupposes a degree of coordination, which in the present case is further suggested by a certain personal overlap in the form of the involvement of Š., the prosecutor in the various proceedings (see paragraphs 13, 15 and 24 above). In the absence of any argument on the part of the Government to the contrary, the Court finds that the preliminary advantage M. had the benefit of at the time of the applicant’s trial cannot be dissociated from the overall advantage he received in relation to his own prosecution for the murder of K. in return for his testimony incriminating the applicant.
68. At the same time, the Court notes that it has been neither argued nor established otherwise that any particular consideration was given in the assessment of the evidence from M. in the applicant’s trial to the fact that it originated from a witness who was, by his own account, himself involved in the offence. To the contrary, it would rather appear that this evidence was examined and assessed by the domestic courts as any ordinary evidence would be.
69. In that regard, the Court notes that the intensity of scrutiny called for with regard to evidence from an accomplice has a correlation with the importance of the advantage that the accomplice obtains in return for the evidence he or she gives (see Erdem v. Germany (dec.), no. 38321/97, 9 December 1999). In the present case, the advantage obtained by M. went beyond a reduction of sentence or financial benefit, but practically meant impunity for an offence of unlawful killing.
70. As regards any judicial review of matters concerning M.’s plea‑bargain arrangements in the applicant’s own trial, as has been noted above, the review by the appellate court was inadequate (contrast Habran and Dalem, cited above, §§ 113 and 115), whereas the higher courts failed to respond to his argument altogether. Moreover, it is noted that all the decisions concerning the prosecution of M. were taken under the sole responsibility of the prosecution service with no element of any judicial control.
71. Accordingly, in view of the importance of the evidence from M. in the applicant’s trial, the Court finds that, on the specific facts of the present case, its use at the trial was not accompanied by appropriate safeguards so as to ensure the overall fairness of the proceedings (contrast Habran and Dalem, cited above, § 117).”
36
5.5.16
Ik leid uit deze overwegingen af dat vooral het gebrek aan rechterlijke toetsing, gelet op het gegeven “[…] that all the decisions concerning the prosecution of M. were taken under the sole responsibility of the prosecution service with no element of any judicial control” de doorslag heeft gegeven voor het vaststellen van een schending van art. 6 EVRM. In mijn ogen moet hetgeen het EHRM heeft vastgesteld in het kader van de single hierarchy positie van de Slovaakse vervolgende autoriteiten dan ook in deze context worden bezien, namelijk dat zij zonder enige rechterlijke controle zelfstandig bevoegd waren de toezeggingen aan de getuige M. te doen in ruil voor verklaringen.
5.5.17
De stelling van de verdediging in onderhavige zaak dat het openbaar ministerie als het gaat om de afspraken die gemaakt worden in het kader van de bescherming van de kroongetuige, kenmerken vertoont van een single hierarchy, omdat deze afspraken in de Nederlandse regeling buiten de rechterlijke toetsing vallen en behoren tot het domein van het openbaar ministerie, kan ik op zichzelf wel volgen. Maar ik denk dat dat nog niet betekent dat de gevolgde procedure in strijd is met art. 6 EVRM. Ik kan dat in ieder geval uit de hiervoor geciteerde overwegingen van het EHRM in de Adamčo-zaak niet afleiden. Dat in de zaak Adamčo de openbare aanklager als een single hierarchy functioneerde is weliswaar een aspect waarmee het EHRM rekening heeft gehouden, maar doorslaggevend was dat aan de getuige M. strafrechtelijke immuniteit voor zijn eigen betrokkenheid bij een moord was verleend zonder dat de betrokken rechters in de strafzaak tegen Adamčo dit gegeven op enige wijze bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van diens verklaringen leken te hebben betrokken.
5.5.18
Dat is niet vergelijkbaar met de Nederlandse situatie. In de eerste plaats functioneert het OM wat betreft het aangaan van de verklaringsovereenkomst, zoals het hof terecht heeft vastgesteld, niet als single hierarchy. In Nederland is de kroongetuigenregeling wettelijk vastgelegd en is er ook bepaald welke toezeggingen wel en niet mogen worden gedaan. De toezeggingen over strafvermindering worden vastgelegd in een wettelijk geregelde verklaringsovereenkomst die aan het strafdossier wordt toegevoegd en die door de rechter wordt getoetst.37 Ook toezeggingen met betrekking tot het afzien van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moeten aan de rechter kenbaar worden gemaakt.38 Daar komt bij dat art. 344a lid 4 Sv eist dat de rechter verklaringen van kroongetuigen met de nodige behoedzaamheid tegemoet dient te treden, vergelijkbaar met verklaringen afkomstig uit anonieme bron waar art. 344a Sv voor het overige op ziet. Verder legt art. 360 lid 2 Sv de rechter een verscherpte motiveringsplicht op voor het geval de rechter het bewijs mede op een verklaring van een kroongetuige baseert.
5.5.19
Bovendien volgt noch uit de zaak Adamčo noch uit overige EHRM-rechtspraak zonder meer dat het openbaar ministerie volledige openheid moet betrachten over toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van kroongetuigen. Integendeel, uit het arrest van het EHRM in de zaak Habran en Dalem tegen België kan worden afgeleid dat de beperking van de openbaarmaking van bepaalde beschermingsafspraken met de kroongetuige in beginsel niet in de weg hoeft te staan aan een eerlijk proces. Het Hof van Cassatie in België heeft in nationale aanleg in deze zaak overwogen dat het recht op openbaarheid geen betrekking heeft op de maatregelen die zijn genomen ter bescherming van getuigen die represailles riskeren, omdat zij daardoor worden blootgesteld aan het gevaar dat die maatregelen juist moeten helpen voorkomen.39 Bovendien werd deze beperking volgens het Hof van Cassatie in voldoende mate gecompenseerd door de procedure die in feitelijke aanleg is gevolgd, waarin de jury evenmin beschikte over gegevens met betrekking tot de beschermingsmaatregelen.40 Gelet hierop was het Hof van Cassatie van oordeel dat het gebrek aan toezicht door een onafhankelijke en onpartijdige rechter op de procedure tot toekenning van de beschermingsmaatregelen aan de getuigen, geen gevolgen heeft gehad voor de eerlijke behandeling van de zaak.41 Dat oordeel werd door het EHRM juist geacht.42
5.5.20
Kortom: het arrest van het EHRM in de Adamčo zaak tegen Slowakije heeft naar mijn mening geen wezenlijke verandering gebracht in het Straatsburgse beoordelingskader voor het gebruik van kroongetuigenverklaringen, zoals dat door het hof is samengevat. Het betoog in de toelichting op het middel dat het oordeel van de Hoge Raad, dat toezeggingen in verband met maatregelen tot de feitelijke bescherming van getuigen geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g lid 1 en 4 Sv bedoelde afspraken, moet worden genuanceerd door de inzichten die kunnen worden ontleend aan de Adamčo zaak, volg ik dan ook niet.43
5.5.21
Uiteindelijk komt het aan op de beoordeling van de eerlijkheid van het proces als geheel. Daarbij is van belang:44
1. dat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld de kroongetuige te ondervragen teneinde de betrouwbaarheid van diens verklaringen te betwisten en in dit verband voldoende op de hoogte wordt gesteld van de inhoud van de afspraken die met de kroongetuige zijn gemaakt;
2. dat de nationale rechter de verklaringen van de kroongetuige enkel met de nodige behoedzaamheid voor het bewijs mag gebruiken wegens een verhoogd risico op onbetrouwbaarheid, zich rekenschap geeft van de gevoeligheid van dit instrument en daarbij oog heeft voor de (aard en verstrekkendheid van de) toezeggingen die de kroongetuige heeft ontvangen in ruil voor zijn verklaring. Hierbij kan van belang zijn of de geboden voordelen tot stand zijn gekomen in een zogenoemde single hierarchy zonder rechterlijke toetsing; en
3. het gewicht van de kroongetuigeverklaring binnen de bewijsconstructie: de noodzaak van compenserende maatregelen wordt groter naarmate het gewicht van de kroongetuigeverklaring in de bewezenverklaring toeneemt.
5.5.22
Aan deze criteria is in de strafrechtelijke procedure tegen de verdachte ruimschoots voldaan. Het oordeel dat toezeggingen in verband met maatregelen tot de feitelijke bescherming van getuigen geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g Sv bedoelde afspraken geeft gelet op het arrest van de Hoge Raad in de Passagezaak geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en levert als zodanig geen strijd op met de EHRM-rechtspraak.
5.5.23
Het hof heeft zich hiervan rekenschap gegeven door te overwegen dat niet is gebleken van maatregelen die in redelijkheid niet kunnen worden beschouwd als beschermingsmaatregelen, maar (louter) moeten worden aangemerkt als beloning in ruil voor het afleggen van een verklaring en daar nog (ten overvloede) aan toe te voegen:
“dat, zelfs als een met een kroongetuige getroffen regeling zich op of over de grens beweegt van wat slechts als redelijke kosten in verband met beschermingsmaatregelen kan gelden, verdachte daarvan geen nadeel behoeft te ondervinden in termen van zijn recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Wel moet er dan sprake zijn van een passende intensiteit van de betrouwbaarheidstoetsing en behoedzaamheid bij het eventuele gebruik voor het bewijs, in samenhang met ondersteunend bewijs uit onafhankelijke bron.”
45
5.5.24
Aan de hand van de hiervoor geschetste vereisten van de Straatsburgse jurisprudentie heeft het hof overwogen dat er alle ruimte is geweest voor de verdediging om de betrouwbaarheid van de (verklaringen van de) kroongetuigen uitvoerig te onderzoeken en haar ondervragingsrecht uit te oefenen, terwijl er voldoende zicht is gekomen op de voordelen die de kroongetuigen in ruil voor hun verklaringen hebben gehad. De conclusie van het hof dat onder die omstandigheden het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet reeds een formeel beletsel opwerpt voor het gebruik van de verklaringen van [betrokkene 5] en [betrokkene 4] , onderschrijf ik dan ook.
5.5.25
Het hof heeft er omstandig blijk van gegeven dat het zich bewust is geweest van de risico’s die kleven aan het gebruik van verklaringen van kroongetuigen en heeft de verklaringen van kroongetuige [betrokkene 5] ook niet als het enige concrete bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de hem ten laste gelegde feiten gebruikt.
5.5.26
Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat afspraken in het kader van het getuigenbeschermingstraject geen vormverzuim opleveren en evenmin een schending van art. 6 EVRM met zich brengen en dat dit oordeel niet hoeft te worden genuanceerd in het licht van de rechtspraak van het EHRM, meer in het bijzonder het arrest in de zaak Adamčo tegen Slowakije, niet onjuist, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.5.27
De klacht faalt.
Ten overvloede – Afspraak [verdachte] -weglatingen en ondervragingsrecht
5.5.28
Zoals eerder aangekondigd, zal ik ten overvloede de klacht bespreken die enkel in de toelichting wordt genoemd en die betrekking heeft op de kluisverklaringen die door [betrokkene 5] in het Passageproces zijn afgelegd.
5.5.29
De delen van de kluisverklaringen waarin [betrokkene 5] over de verdachte sprak, zijn op grond van een daartoe met de CIE-officier van justitie gemaakte afspraak aanvankelijk niet bekend gemaakt aan de procesdeelnemers in het Passageproces, dat wil zeggen: de rechter-commissaris, de rechtbank en de verdediging. Deze situatie is in het Passageproces aangeduid als de ‘weglatingsafspraak’ die heeft geleid tot de zogenoemde ‘ [verdachte] -weglatingen’. [betrokkene 5] heeft deze weglatingsafspraak onthuld toen hij op 3 oktober 2011 ter terechtzitting in eerste aanleg van het Passageproces als getuige werd gehoord.
5.5.30
De klacht in de toelichting op het middel is gericht tegen het oordeel van het hof over de gevolgen die de [verdachte] -weglatingen hebben gehad voor het recht van de verdediging de kroongetuige op een effectieve wijze te ondervragen.46
5.5.31
Het hof heeft ten aanzien van de rechtmatigheid van de afspraak over de [verdachte] -weglatingen vooropgesteld dat het tot hetzelfde oordeel komt als het hof in het Passageproces, te weten dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv. Het hof heeft voorts overwogen dat dit “vormverzuim […] deels hersteld [is] doordat de eerder weggelaten onderdelen van de verklaringen van [betrokkene 5] alsnog aan het dossier zijn toegevoegd. Voor een ander deel is dat vormverzuim voldoende gecompenseerd, doordat, mede aan de hand van getuigenverhoren van de betrokken rechercheurs en officier van justitie, de gang van zaken rondom deze weglatingsafspraak kenbaar en toetsbaar is geworden.47
5.5.32
Uit de overwegingen van het hof in het Passageproces, die door het hof in de onderhavige zaak zijn overgenomen, volgt dat met het vormverzuim dat is hersteld wordt gedoeld op het feit dat de [verdachte] -weglatingen die deel uitmaken van de kluisverklaringen die [betrokkene 5] heeft afgelegd in de periode van 11 september tot en met 2 november 2006, alsnog aan het dossier zijn toegevoegd in oktober 2011 (gespreid over enkele tranches), waardoor “volledige herstel [heeft] plaatsgehad in die zin dat al hetgeen [betrokkene 5] heeft gezegd over [verdachte] in de verhoren die hebben geleid tot de vijftien kluisverklaringen in het procesdossier is ingebracht.”48
5.5.33
Dat ligt anders met betrekking tot de verklaringen die [betrokkene 5] in de periode van 15 maart 2007 tot 3 oktober 2011 (na het afleggen van de kluisverklaringen) heeft afgelegd, omdat [betrokkene 5] in die periode in lijn met de toen niet-kenbare weglatingsafspraak heeft verklaard. Deze gang van zaken kon niet meer worden gerepareerd, maar werd naar het oordeel van het hof in het Passageproces (dat eveneens door het hof in de onderhavige zaak is overgenomen) in ruime mate gecompenseerd geacht door aanvullend onderzoek dat in eerste en tweede aanleg heeft plaatsgevonden. Na 3 oktober 2011 is [betrokkene 5] door de rechtbank diverse malen bevraagd (zowel voor als na het voegen van de [verdachte] -weglatingen bij de processtukken) over de rol van [verdachte] bij de verstrekking van opdrachten voor moorden. Verder zijn in zowel eerste als tweede aanleg documenten aan het dossier toegevoegd die betrekking hebben over de weglatingsafspraak en zijn de betrokken rechercheurs en officier van justitie hierover als getuigen gehoord.
5.5.34
Nieuw ten opzichte van de in het Passageproces gevoerde verweren is het argument van de verdediging over de specifieke gevolgen van de [verdachte] -weglatingen voor het ondervragingsrecht van de verdachte. Door de verdediging is betoogd dat de verdachte door de weglatingsafspraak pas dertien jaar na de betreffende gebeurtenissen [betrokkene 5] heeft kunnen ondervragen, waardoor de verdachte onherstelbaar nadeel heeft ondervonden, omdat [betrokkene 5] zich inmiddels niet veel meer kon herinneren. Daarbij is ook betrokken dat [betrokkene 5] in hoger beroep niet als getuige kon worden gehoord.
5.5.35
Het hof heeft dit (nieuwe) verweer verworpen en daartoe overwogen dat de vertraging in het moment waarop de verdachte in zijn strafzaak [betrokkene 5] heeft kunnen ondervragen niet het gevolg is van de weglatingsafspraak. Na het bekend worden van de verklaringen van [betrokkene 5] over de verdachte in 2011 is niet tot vervolging van de verdachte overgegaan. Die vervolging vond pas jaren later plaats toen ook anderen belastende verklaringen over de verdachte hadden afgelegd. Het oordeel van het hof dat “de gevolgen van die vertraging voor de kwaliteit van het verhoor […] niet [kunnen] worden aangemerkt als nadeel als gevolg van een vormverzuim”,49 vind ik dan ook niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt deze deelklacht.
5.5.36
De stelling in de toelichting op het middel dat het hof zou hebben verzuimd het voorgaande te betrekken bij het oordeel over de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 5] afgelegde verklaringen, althans dat het hof dit niet begrijpelijk zou hebben gedaan, volg ik evenmin. Het hof heeft dit aspect expliciet onderkend en daarbij ook aandacht gehad voor de omstandigheid dat [betrokkene 5] in hoger beroep niet als getuige is gehoord en tevens aangegeven dat hierop nader zal worden ingegaan in paragraaf 2.5 van het arrest. Het hof kondigt in dit verband reeds aan dat de omstandigheid dat [betrokkene 5] in hoger beroep niet als getuige kon worden gehoord niet betekent dat de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaring niet kan worden beoordeeld. Voor zover de deelklacht tevens is gericht op de begrijpelijkheid van dit oordeel zal ik ook dit onderdeel bespreken bij het tweede middel dat tegen het oordeel van het hof in paragraaf 2.5 van het arrest is gericht en gaat over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuigen.50
5.5.37
Het eerste middel faalt.
Terzijde - Toezichtonderzoek PG op het gebied van getuigenbescherming