[huurder] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Bij eindarrest van 31 januari 20232 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor zover [huurder] daarin is veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de achterstallige huurtermijnen en heeft opnieuw rechtdoende de hierop betrekking hebbende vordering van [verhuurder] afgewezen. Voor het overige heeft het hof dat vonnis bekrachtigd. Voor zover in cassatie nog van belang, laten de dragende overwegingen van het arrest zich als volgt samenvatten:
De omvang van het geding in hoger beroep
a. Partijen hebben geen grieven of bezwaren aangevoerd tegen de beslissingen van de kantonrechter om de huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [huurder] te ontbinden en om de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen, zodat die beslissingen aan het oordeel van het hof zijn onttrokken. (onder 3.6)
De beoordeling door het hof
Achterstallige huurtermijnen
b. [huurder] heeft de huur vanaf januari 2019 niet meer betaald. [verhuurder] vordert betaling daarvan tot het moment van wederverhuur van de units aan een derde. (onder 3.8)
Het primaire verweer van [huurder]
c. Het primaire verweer van [huurder] dat een derde (namelijk [A] B.V., hierna: [A]) de huurovereenkomst met ingang van 1 januari althans 1 februari 2019 heeft overgenomen en dat [huurder] daarom geen huur meer behoeft te betalen, gaat niet op. De overname blijkt (ook) niet uit de e-mails waarop [huurder] zich beroept. In de e-mail van 12 mei 2019 dringt [verhuurder] er weliswaar bij [betrokkene 1] ( [huurder] ) op aan om de gehuurde units te ontruimen/op te ruimen/schoon te maken en om de (overige) sleutels van deze units bij [verhuurder] in te leveren, maar dat kan ook verband houden met het feit dat [huurder] de gehuurde units begin mei 2019 heeft verlaten. Datzelfde geldt voor het feit dat [verhuurder] de sloten van het gehuurde heeft vervangen. Ook dat is (onbetwist) gebeurd nadat [huurder] uit het gehuurde is vertrokken. [huurder] heeft na haar vertrek (onbetwist) bedrijfsruimte elders betrokken, zodat [verhuurder] de sleutels van de nieuwe sloten niet aan [huurder] hoefde te geven. (onder 3.9-3.20)
Het subsidiaire verweer van [huurder]
d. Volgens het subsidiaire verweer van [huurder] is zij geen huur verschuldigd, omdat [verhuurder] haar het huurgenot heeft ontnomen door erop aan te dringen het gehuurde te ontruimen en om de sleutels in te leveren en door de sloten van het gehuurde te vervangen en de sleutels van de nieuwe sloten niet aan [huurder] te geven. Voor zover [verhuurder] al het huurgenot heeft ontnomen, geldt dat [huurder] eerder in verzuim is komen te verkeren door de huur vanaf 1 januari 2019 niet te betalen. Van [verhuurder] kon daarom niet worden verwacht het huurgenot aan [huurder] te verschaffen. [huurder] had niet de bevoegdheid de huurbetalingen op te schorten. Ondanks dat [huurder] het gehuurde begin mei 2019 heeft verlaten, loopt de huurovereenkomst door en moet [huurder] de huur betalen tot het moment waarop [verhuurder] het gehuurde aan een derde heeft verhuurd. (onder 3.21 en 3.22).
Het meer subsidiaire verweer van [huurder]
e. Het meer subsidiaire verweer van [huurder] dat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden bij e-mail van haar advocaat van 17 juli 2019, treft geen doel. [huurder] is eerder in verzuim gekomen ten opzichte van [verhuurder] door de huur vanaf 1 januari 2019 niet te betalen dan [verhuurder] ten opzichte van [huurder] in verzuim had kunnen komen door [huurder] na 10 juli 2019 geen huurgenot te verschaffen. Vanwege het verzuim van [huurder] is van een toerekenbare tekortkoming van [verhuurder] op grond waarvan [huurder] de huurovereenkomst buitengerechtelijk zou kunnen ontbinden, geen sprake. (onder 3.23 en 3.24)
De contractuele boete
f. De door [verhuurder] gevorderde contractuele boete is toewijsbaar. (onder 3.27 tot en met 3.29)
Geen wettelijke rente over de achterstallige huurtermijnen, wel wettelijke rente over de boete
g. Omdat [verhuurder] betaling van de contractuele boete vordert en deze vordering wordt toegewezen, wordt de vordering van [verhuurder] tot betaling van de wettelijke rente over de achterstallige huurtermijnen afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over de contractuele boete is wel toewijsbaar. (onder 3.30 en 3.31)
De gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde schadevergoeding op te maken bij staat
h. Er is geen sprake van een onrechtmatige daad van [verhuurder] , zodat [huurder] geen recht heeft op schadevergoeding. Daarnaast heeft [huurder] haar stelling dat zij als gevolg van het (beweerdelijke) onrechtmatige handelen van [verhuurder] niet nader met stukken onderbouwd. De gevorderde verklaring voor recht en veroordeling van [verhuurder] tot schadevergoeding zijn niet toewijsbaar. (onder 3.32 en 3.33)