Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:PHR:2024:1190

Parket bij de Hoge Raad
08-11-2024
05-12-2024
23/04444
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:388
Burgerlijk procesrecht
-

Procesrecht. Sprongcassatie. WAMCA. Eisen aan procesinleiding in cassatie. Zelfde gebeurtenis als bedoeld in art. 1018d lid 1 Rv? Heeft verlenging dagvaardingstermijn op grond van art. 1018d lid 2 Rv algemene werking? Kostenveroordeling.

Rechtspraak.nl

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/04444

Zitting 8 november 2024

CONCLUSIE

M.H. Wissink

In de zaak

Stichting Consumenten Competition Claims

eiseres tot cassatie,

advocaat: P.A. Fruytier,

tegen

1. Apple Distribution International Limited

2. Apple Inc.

3. Apple Operations International Limited

4. Apple Holding B.V.

5. Apple Benelux B.V.

6. Apple Retail Netherlands B.V.

verweersters in cassatie,

advocaat: W.H. van Hemel,

en

7. Stichting Right to Consumer Justice

verweerster in cassatie,

niet verschenen,

en

8. Stichting App Stores Claims

verweerster in cassatie,

advocaat: R.L.M.M. Tan.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

Eiseres wordt hierna aangeduid als CCC. Verweersters onder 1 en 2 worden aangeduid als Apple Ierland1 en Apple Inc. en verweersters onder 1 tot en met 6 gezamenlijk als Apple c.s. Verweerster onder 7 wordt aangeduid als RCJ en verweerster onder 8 als ASC.

1.2

Deze zaak betreft een sprongcassatie van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 20232 (hierna: het vonnis) in een collectieve actie waarop de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: WAMCA) van toepassing is. RCJ, ASC en CCC willen daarin elk als belangenbehartiger opkomen voor gebruikers3 van door derden ontwikkelde4 softwareapplicaties die werken op een besturingssysteem van Apple (iOS-apps of apps), die deze gebruikers hebben gekocht in de App Store van Apple. Volgens RCJ, ASC en CCC heeft Apple een dominante positie op de markt voor distributie van iOS-apps, omdat gebruikers van iOS-apps voor iPhone, iPad en iPod Touch zijn aangewezen op de App Store, en heeft Apple misbruik van haar machtspositie gemaakt, onder meer door een te hoge provisie in rekening te brengen voor aankopen in de App Store.5

1.3.1

De rechtbank is nog niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak, omdat zij eerst had te beslissen over (onder meer) de vraag of CCC haar dagvaarding tijdig heeft uitgebracht.6 Deze vraag is gerezen tegen de achtergrond van de dagvaardingstermijn die met de WAMCA in Titel 14a Rv is opgenomen voor een dagvaarding in zaken betreffende een collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling.

1.3.2

Het exploot van dagvaarding waarmee een belangenorganisatie de collectieve vordering als bedoeld in art. 3:305a BW instelt, moet binnen twee dagen na de dag van dagvaarding zijn aangetekend in het centraal register voor collectieve acties als bedoeld in art. 3:305a lid 7 BW (hierna: centraal register) (art. 1018c lid 2 Rv). Binnen drie maanden na deze aantekening kan een andere belangenorganisatie een collectieve vordering instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de reeds ingestelde collectieve vordering betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke of rechtsvragen (art. 1018d lid 1 Rv). Deze termijn kan met maximaal drie maanden worden verlengd indien binnen een maand na de aantekening in het centraal register een andere belangenorganisatie ter griffie heeft laten aantekenen dat zij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de reeds ingestelde collectieve vordering betrekking heeft, maar dat de (initiële) termijn van drie maanden niet volstaat (art. 1018d lid 2 Rv).

1.3.3

Nadat RCJ in oktober 2021 Apple Ierland en Apple Inc. had gedagvaard en haar dagvaarding had ingeschreven in het centraal register,7 heeft de rechtbank op verzoek van ASC de dagvaardingstermijn met drie maanden verlengd tot 4 april 2022, waarna ASC Apple Ierland en Apple Inc. op 1 april 2022 heeft gedagvaard.8 CCC heeft zelf geen termijnverlenging gevraagd en haar dagvaarding op 31 maart 2022 uitgebracht. De rechtbank heeft CCC niet ontvankelijk verklaard. Zij oordeelde dat de collectieve vordering van CCC een collectieve vordering is voor dezelfde gebeurtenis(sen) als waarop de reeds ingestelde collectieve vordering van RCJ betrekking heeft over gelijksoortige feitelijke of rechtsvragen, en dat CCC haar dagvaarding niet binnen de initiële driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv heeft uitgebracht en ook niet om verlenging van die termijn heeft verzocht op de voet van art. 1018d lid 2 Rv.9 Hiertegen komt CCC in dit sprongcassatieberoep op.

1.4

Hierna volgt een weergave van de feiten (onder 2) en het procesverloop (onder 3).
Onder 4 bespreek ik drie verschillende kwesties met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Dit betreft (i) de vaststelling van het bestaan van overeenkomst tot sprongcassatie, (ii) de mogelijkheid om in het onderhavige geval cassatie in te stellen tegen een mede-eiser en (iii) de eisen die moeten worden gesteld aan een procesinleiding in cassatie in een WAMCA-zaak. Deze bespreking leidt niet tot de conclusie dat het beroep niet ontvankelijk zou zijn.

Onder 5 bespreek ik de klachten van het middel. Naar mijn mening heeft, anders dan onderdeel 1 betoogt, de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv geen algemene werking. Anders dan onderdeel 2 betoogt, kan het oordeel van de rechtbank dat, ondanks de verschillen in gedaagde partijen, achterban en grondslagen van de vorderingen, sprake is dezelfde gebeurtenis en gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als bedoeld in art. 1018d lid 1 Rv, de cassatietoets doorstaan. Onderdeel 3 klaagt naar mijn mening terecht dat de rechtbank CCC niet kon veroordelen in de proceskosten van ASC en RCJ.

2 Feiten

2.1

Met het oog op de vragen die in cassatie spelen, vermeld ik een deel van de door de rechtbank Amsterdam vastgestelde feiten.10

Apple, Apple-apparaten, iOS, de App Store en apps

2.2

Apple c.s. maken allen deel uit van het Apple-concern. Apple is een wereldwijd opererende onderneming die onder meer computers, telefoons en iOS-apps ontwerpt, produceert en verkoopt. Apple Inc. is de in de Verenigde Staten van Amerika gevestigde moedermaatschappij en staat aan het hoofd van het Apple-concern. De overige gedaagden zijn (indirecte) dochterondernemingen van Apple Inc.

2.3

Apple is de producent van een reeks draagbare apparaten, zoals de iPhone, iPad en iPod Touch (hierna gezamenlijk aangeduid als Apple-apparaten of iOS-apparaten) waarop iOS-apps kunnen worden geïnstalleerd. Deze apparaten draaien op het door Apple ontworpen iOS-besturingssysteem (hierna: iOS). Voor de iPad heeft Apple vanaf 2019 een specifieke versie van iOS uitgebracht (iPadOS genaamd). In deze zaak wordt onder iOS ook verstaan iPadOS. iOS is voorgeïnstalleerd op Apple-apparaten en wordt periodiek geüpdatet.

2.4

De App Store is een door Apple ontwikkeld en beheerd online verkoopplatform van iOS-apps dat sinds 10 juli 2008 bestaat. Sinds 2009 is de App Store standaard geïnstalleerd op Apple-apparaten met nieuwe versies van iOS. In de App Store worden gratis apps aangeboden en apps waarvoor dient te worden betaald door de gebruiker. In sommige apps zijn (digitale) in-app producten beschikbaar. Een in-app product is een functie, dienst of product dat binnen een app kan worden ontgrendeld of gekocht, zoals abonnementen, speluitbreidingen en andere digitale producten. Betalingen in de App Store (voor betaalde apps of betaalde in-app producten) verlopen in beginsel via het in 2009 geïntroduceerde App Store betalingssysteem van Apple (door RCJ aangeduid als IAP(-mechanisme) en door ASC aangeduid als ASPPS; hierna aan te duiden als IAP).

2.5

Na de introductie van de App Store kunnen op Apple-apparaten slechts apps worden gebruikt die beschikbaar zijn gesteld in de App Store. De apps die van andere bronnen worden gedownload werken niet, althans minder goed.

2.6

De iOS-apps in de App Store kunnen door Apple zijn ontwikkeld (native apps) of door derden. Op de Apple-apparaten wordt standaard een aantal native apps geïnstalleerd. Waar hierna over apps of iOS-apps wordt gesproken, worden uitsluitend de door derden ontwikkelde apps bedoeld. Die derden worden ontwikkelaars genoemd. Voor deze ontwikkelaars biedt de App Store de (enige) mogelijkheid om hun iOS-apps aan te bieden aan gebruikers. Daartoe sluiten zij een overeenkomst (Developer Program Licence Agreement of DPLA) met Apple Inc. De ontwikkelaar van een app is een jaarlijkse fee van USD 99,00 verschuldigd voor deelname aan Apple’s Developer Program.

2.7

De kosten voor een betaalde app of een in-app product betaalt de gebruiker aan Apple. Het betaalde bedrag keert Apple vervolgens onder aftrek van provisie (ook wel: commissie) uit aan de ontwikkelaar. Die provisie bedraagt – behoudens een aantal uitzonderingen – 30% over wat de gebruiker betaald heeft voor de iOS-apps en in-app producten.

De Nederlandse Autoriteit Consument & Markt en de Europese Commissie

2.8

De Nederlandse Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft op 11 april 2019 een rapport uitgebracht over een marktstudie uitgevoerd naar de app stores van onder meer Apple. Naar aanleiding van de marktstudie is ACM een onderzoek gestart naar de vraag of Apple misbruik maakt van de positie die zij heeft verworven met de App Store. De ACM heeft in een besluit van 24 augustus 2021 een last onder dwangsom opgelegd aan Apple wegens misbruik van haar machtspositie, bestaande uit het opleggen van onredelijke voorwaarden aan datingapp-aanbieders.

2.9

De Europese Commissie (EC) is op 16 juni 2020 een onderzoek gestart naar de mogelijke schending van het EU-mededingingsrecht door Apple. De EC onderzoekt of Apple belemmeringen opwerpt voor apps die wél direct concurreren met apps van Apple, zoals muziekstreamingapps. In een persbericht van de EC van 30 april 2021 staat dat de voorlopige bevindingen van de EC zijn dat Apple de mededinging heeft verstoord op de markt voor muziekstreamingapps en dat Apple haar dominante positie op die markt heeft misbruikt in de App Store. De voorlopige bevindingen van de EC hebben geresulteerd in een zogeheten Statement of Objections van de EC, waarop Apple kan reageren.

De stichtingen

2.10

RCJ is opgericht op 10 mei 2021. Artikel 2.1 van haar statuten luidt als volgt:

De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van de Gedupeerden die het slachtoffer zijn geworden van Frauduleus of concurrentieverstorend gedrag, bedrijfsmisdrijven, consumentenfraude, farmaceutische fraude, antitrustgedrag, schendingen van intellectueel eigendom en beleggersfraude, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:

(a) het vaststellen en het onderzoeken van de belangen van de Gedupeerden en het vertegenwoordigen van de Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;

(b) het wereldwijd behartigen van de belangen van de Gedupeerden in verband met de Claims;

(c) het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden stellen te hebben geleden;

(d) het behartigen van de collectieve belangen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;

(e) al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;

een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.

In de statuten van RCJ staat dat onder ‘Frauduleus of concurrentieverstorend gedrag’ en ‘Gedupeerden’ wordt verstaan:

- Frauduleus of concurrentieverstorend gedrag: elke frauduleuze, misleidende of oneerlijke handelspraktijk die verboden is volgens de wet, regelgeving of de wetgeving van de Europese Unie;

- Gedupeerden: (rechts)personen die het slachtoffer zijn geworden van concurrentieverstorend gedrag en/of markdominantie door de aankoop en het gebruikmaken van bedoelde producten, diensten, gedragingen en praktijken.

2.11

ASC is opgericht op 27 oktober 2021. Artikel 3.1 van haar statuten luidt als volgt:

De Stichting heeft ten doel:

a. het behartigen van de belangen van de desbetreffende Gebruikers die schade lijden, schade dreigen te lijden en/of schade hebben geleden ten gevolge van het handelen of nalaten van een of meer Apple Entiteiten (…);

b. het onderzoeken en vaststellen van de onrechtmatigheid en de directe dan wel indirecte aansprakelijkheid voor genoemde Claims en alle daaruit of anderszins voortvloeiende gevolgen ten aanzien van de gedragingen als hiervoor bedoeld in artikel 3.1 onder a;

c. het behartigen van de belangen van de desbetreffende Gebruikers in verband met een Vaststellingsovereenkomst waarvan de verbindendverklaring wordt verzocht aan het Gerechtshof krachtens de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (Wamca) en/of de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM);

d. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade welke de desbetreffende Gebruikers stellen te hebben geleden, een en ander met inachtneming van een Vaststellingsovereenkomst;

e. het verrichten van al hetgeen verband houdt met het bepaalde in artikel 3.1 onder a tot en met artikel 3.1 onder d, dan wel daaraan dienstig kan zijn, een en ander in de ruimste zin van het woord.

In de statuten van ASC staat dat de begrippen ‘Claims’ en ‘Gebruikers’ de volgende betekenis hebben:

Claims:

klachten, aanspraken en vorderingen van Gebruikers met betrekking tot vermeende schade die geleden is of zal worden geleden door de Gebruikers als gevolg van onder andere onrechtmatig handelen door (i) een of meer van de Apple Entiteiten, (ii) een of meer van de (…) Entiteiten; en/of (iii) andere (derde) partijen, vanwege hun betrokkenheid (al dan niet door nalaten) bij de handelingen die onderwerp zijn van het onderzoek van de Stichting, waaronder misbruik van een economische machtspositie door bijvoorbeeld het hanteren van excessieve prijzen.

Gebruikers:

de persoon of rechtspersoon, al dan niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, aan wie een bedrag in rekening is gebracht bij de aankoop via een App Store van betaalde apps en/of in-app aankopen, dan wel bij de afname via een App Store van andere goederen of diensten.

2.12

CCC is opgericht op 10 maart 2022. Artikel 2 lid 1 van haar statuten luidt als volgt:

De stichting heeft ten doel het behartigen van de belangen van Gedupeerden met betrekking tot iedere vorm van benadeling die de Gedupeerden stellen te hebben geleden of te (zullen) lijden als gevolg van elke frauduleuze, misleidende of oneerlijke handelspraktijk die onrechtmatig is volgens de geldende regelgeving, waaronder - maar niet beperkt tot - een of meerdere schending(en) van het (Europese, Nederlandse dan wel buitenlandse) mededingingsrecht of het (Europese, Nederlandse dan wel buitenlandse) consumentenrecht. De stichting heeft tevens tot doel al hetgeen te doen dat met het voorstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:

a. het behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met een specifieke Claim;

b. het behartigen van de (collectieve) belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;

c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden, waaronder Participanten, stellen te hebben geleden;

d. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;

een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.

In de statuten van CCC staat dat onder ‘Gedupeerden’ wordt verstaan:

alle natuurlijke personen of rechtspersonen, waaronder begrepen personen woonachtig in Nederland en de Europese Unie, die direct of indirect op welke manier dan ook geschaad of benadeeld zijn en belang hebben bij een of meerdere Claim(s).

3 Procesverloop

De collectieve vorderingen van de stichtingen

3.1.1

Zoals hiervoor (in 1.3.3) vermeld, heeft RCJ11 bij dagvaarding van 4 oktober 2021 thans verweersters in cassatie 1 en 2, Apple Ierland en Apple Inc., gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Amsterdam en de dagvaarding ingeschreven in het centraal register. In de dagvaarding heeft RCJ gesteld dat de gebeurtenissen waarop haar vorderingen betrekking hebben, worden bestreken door de WAMCA.

3.1.2

RCJ stelt de belangen te vertegenwoordigen van alle particuliere en zakelijke eindgebruikers van betaalde iOS-apps en in-app producten, die vanaf 10 juli 2008 via de Nederlandse App Store aan de Nederlandse markt zijn aangeboden (en de belangen van bepaalde ontwikkelaars).

3.1.3

Samengevat en voor zover in cassatie van belang, vordert RCJ (i) dat zij als exclusieve belangenbehartiger op grond van de WAMCA wordt aangewezen, (ii) verklaringen voor recht dat gedaagden misbruik van hun machtspositie hebben gemaakt en in strijd met het mededingingsrecht hebben gehandeld en onrechtmatig hebben gehandeld jegens gebruikers (en ontwikkelaars), en (iii) hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van schadevergoeding aan consumenten (en een bedrag uit hoofde van onverschuldigde betaling aan ontwikkelaars).

3.1.4

De twee overkoepelende verwijten van RCJ aan Apple12 zijn dat Apple misbruik maakt van haar machtspositie (overtreding van art. 102 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en art. 24 van de Mededingingswet (Mw)) en dat Apple handelt in strijd met het kartelverbod (overtreding van art. 101 VWEU).

3.2.1

ASC13 heeft op 1 november 2021 de rechtbank verzocht om verlenging met drie maanden van de in artikel 1018d lid 1 Rv genoemde termijn van drie maanden om een collectieve vordering in te stellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) als waarop de vordering van RCJ betrekking heeft. Bij rolbeslissing van 24 november 2021 heeft de rechtbank de termijn met drie maanden verlengd tot 4 april 2022. Dit uitstel is verleend aan ASC op grond van door haar gestelde feiten en omstandigheden over de juridische en feitelijke complexiteit van de materie van de (beoogde) collectieve vordering.

3.2.2

ASC heeft bij dagvaarding van 1 april 2022 thans verweersters in cassatie 1 en 2, Apple Ierland en Apple Inc., gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Amsterdam.

3.2.3

ASC stelt deze collectieve vordering in ten behoeve van alle particuliere en zakelijke gebruikers van iOS-apparaten die één of meer aankopen van een iOS-app of in-app product hebben gedaan in de Nederlandse versie van de App Store.

3.2.4

ASC vordert (i) dat zij als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, (ii) verklaringen voor recht dat gedaagden misbruik van hun machtspositie hebben gemaakt en onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gebruikers, en (iii) hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van een schadevergoeding.

3.2.5

ASC legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Apple misbruik heeft gemaakt van haar economische machtspositie sinds de oprichting van de App Store op 10 juli 2008. Door misbruik te maken van haar economische machtspositie heeft Apple in strijd gehandeld met artikel 102 VWEU en artikel 24 Mw. Concreet gaat het daarbij om mededingingsbeperkende maatregelen van Apple met betrekking tot de distributie van iOS-apps en digitale producten die daarin of daarmee kunnen worden gekocht en het systeem dat het downloaden en het daaropvolgende gebruik van iOS-apps op iOS-apparaten omringt.

3.3.1

CCC14 heeft bij dagvaarding van 31 maart 2022 thans verweersters in cassatie 1 tot en met 6 gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Amsterdam.

3.3.2

CCC behartigt de belangen van consumenten die woonachtig zijn in de EU en die vanaf 1 september 2009 apps hebben gekocht in de App Store en/of in-app aankopen hebben gedaan met IAP.

3.3.3

CCC vordert (i) dat zij als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, (ii) verklaringen voor recht dat Apple c.s. jegens de consumenten in strijd handelen met de art. 101 en 102 VWEU en de art. 6 en 24 Mw en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de consumenten hebben geleden en lijden, (iii) Apple c.s. te bevelen de onrechtmatige gedragingen te staken en (iv) hoofdelijke veroordeling van Apple c.s. tot betaling van de schade van alle consumenten.

3.3.4

CCC legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Apple al meer dan een decennium misbruik maakt van haar dominante positie in de markt voor app-distributie en betalingsverwerking op haar besturingssysteem iOS. Dit onrechtmatige gedrag vindt volgens CCC plaats sinds in elk geval 1 september 2009 en duurt nog steeds voort.15

Het verdere verloop van de procedure

3.4.1

In haar vonnis heeft de rechtbank(op p. 2) overwogen dat uit de WAMCA volgt dat sprake is van één zaak waarin drie stichtingen vorderingen hebben ingesteld (zie art. 1018d lid 3 Rv). Om administratieve redenen heeft de rechtbank aan de dagvaardingen namens CCC en ASC een afzonderlijk zaak- en rolnummer toegekend. Het vonnis betreft de tijdigheid van de dagvaarding van CCC, de rechtsmacht van de rechtbank en welke wetgeving op de collectieve actie van toepassing is (rov. 1.2).

3.4.2

De rechtbank heeft in dit vonnis CCC niet ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten van onder andere RCJ en ASC. De rechtbank heeft de vraag naar de positie van CCC beantwoord aan de hand van de procesrechtelijke regels van de WAMCA (titel 14A van Boek III Rv) en voor het overige nog in het midden gelaten of uiteindelijk de WAMCA op de in geding zijnde collectieve vorderingen daadwerkelijk van toepassing is of dat de vorderingen beoordeeld moeten worden op basis van artikel 3:305a (oud) BW (rov. 5.15).

3.4.3

In de resterende zaak tussen RCJ, ASC, Apple Ierland en Apple Inc. heeft de rechtbank in dit vonnis het voornemen uitgesproken prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU over haar rechtsmacht.16

3.5

CCC heeft vervolgens sprongcassatie als bedoeld in art. 398 aanhef en onderdeel 2 Rv ingesteld van het vonnis van de rechtbank. Aan RCJ is verstek verleend. Apple c.s. hebben een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. ASC heeft dit ook gedaan. CCC, Apple c.s. en ASC hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk toegelicht. CCC en Apple c.s. hebben respectievelijk gerepliceerd en gedupliceerd. ASC heeft afgezien van dupliek.

4 Kwesties met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1

In dit deel van de conclusie bespreek ik drie verschillende kwesties met betrekking tot de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Dit betreft (i) de vaststelling van het bestaan van een overeenkomst tot sprongcassatie, (ii) de mogelijkheid om cassatie in te stellen tegen een mede-eiser en (iii) de eisen die moeten worden gesteld aan een procesinleiding in cassatie in een WAMCA-zaak. De onder (i) en (ii) bedoelde kwesties stel ik ambtshalve aan de orde. CCC heeft de Hoge Raad verzocht zich uit te laten over de onder (iii) bedoelde kwestie.

Sprongcassatie

4.2

Het door CCC in cassatie bestreden vonnis van 16 augustus 2023 is een deelvonnis. In het dictum heeft de rechtbank CCC niet ontvankelijk verklaard, haar veroordeeld in de proceskosten van de overige partijen, de griffier opgedragen de zaak met het rolnummer dat aan de dagvaarding van CCC is toegekend door te halen, de zaak tussen RCJ, ASC, Apple Ierland en Apple Inc. verwezen naar de rol en iedere verdere beslissing aangehouden.17 Voor wat betreft CCC heeft de rechtbank in haar vonnis dus een einde aan die instantie gemaakt, zodat het vonnis in zoverre kwalificeert als een eindvonnis.18 De beroepstermijn tegen dit gedeelte van het vonnis begon te lopen op de dag na de uitspraak en voor het instellen van een rechtsmiddel ertegen is geen verlof van de rechtbank nodig.19 De sprongcassatiedagvaarding is tijdig uitgebracht.20

4.3

In de procesinleiding (p. 2) heeft CCC gesteld met verweersters in cassatie na het wijzen van het vonnis van de rechtbank te zijn overeengekomen dat op de voet van art. 398 Rv cassatieberoep kan worden ingesteld tegen dat vonnis en dat het hoger beroep kan worden overgeslagen. ASC heeft bevestigd dat zij heeft ingestemd met sprongcassatie (schriftelijke toelichting nr. I.14). Van de zijde van Apple c.s. is op dit punt geen opmerking gemaakt, maar wel ten gronde verweer gevoerd. Aan RCJ is verstek verleend. Tegen deze achtergrond bezie ik de eisen die worden gesteld aan sprongcassatie.

4.4

Partijen kunnen blijkens art. 398, aanhef en onderdeel 2, jo 333 Rv beroep in cassatie instellen van vonnissen die in eerste ressort op tegenspraak zijn gewezen, indien partijen nadien zijn overeengekomen het hoger beroep over te slaan. De voor sprongcassatie voorgeschreven overeenkomst is vormvrij.21 Zij kan dus uitdrukkelijk of stilzwijgend worden overeengekomen.
In dit opzicht bestaan relevante verschillen met het geval dat cassatieberoep wordt ingesteld tegen een tussenuitspraak en beoordeeld moet worden of de rechter daarvoor op de voet van art. 337 lid 2 of 401a lid 2 Rv toestemming heeft gegeven. Deze toestemming dient met het oog op de aan een tussentijds beroep verbonden termijn te blijken uit een uitspraak van de rechter.22 Deze uitspraak moet worden overgelegd,23 onder meer opdat de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in een aantal opzichten gecontroleerd kan worden.

4.5

De Hoge Raad moet kunnen vaststellen dat sprongcassatie is overeengekomen. Is dit niet overeengekomen, dan is eiser niet ontvankelijk in diens cassatieberoep.24 Dit wordt ambtshalve onderzocht.25 Daartoe bestaat ook aanleiding omdat met sprongcassatie partijen afstand doen van de door de wet geboden toegang tot de rechter in een tweede feitelijke instantie.26

4.6

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van eiser in het cassatieberoep, treedt de Hoge Raad op als feitenrechter voor wat betreft het bestaan van een overeenkomst van sprongcassatie. In dit verband gelden de gewone regels ter zake van het bestaan van een overeenkomst en het bewijs daarvan.

4.7

Eiser tot cassatie kan de instemming van de (al dan niet verschenen) verweerder met de sprongcassatie onderbouwen door de betreffende overeenkomst dan wel een andere blijk van instemming van de verweerder over te leggen.27

4.8

Indien de verweerder in een sprongcassatie is verschenen, kan diens uitdrukkelijke instemming met de sprongcassatie blijken uit een daartoe strekkende mededeling aan de Hoge Raad in het webportaal van de Hoge Raad of in de cassatiestukken.28 Stilzwijgende instemming kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de omstandigheid dat, zonder nadere opmerking over het karakter van sprongcassatie, ten gronde verweer wordt gevoerd29 en/of incidenteel cassatieberoep wordt ingesteld.30

4.9.1

Indien de verweerder in een sprongcassatie niet is verschenen, staat eventuele onduidelijkheid over de vraag of sprongcassatie is overeengekomen in vorderingsprocedures als zodanig niet aan verstekverlening in de weg. Het verstek wordt verleend als is geoordeeld dat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten – waaronder de betekening van het oproepingsbericht aan de verweerder (art. 407b lid 2 Rv) – zijn nageleefd.31

4.9.2

Ook indien de verweerder niet is verschenen, kan de enkele stelling van eiser tot cassatie dat sprongcassatie is overeengekomen voldoende bevonden worden om van het bestaan van de overeenkomst uit te gaan.32 Dit laatste strookt op zichzelf met de bepalingen omtrent stelplicht en bewijs, die van overeenkomstige toepassing zijn (art. 418a jo 139 e.v. Rv).33 Eiser in cassatie dient het bestaan van een overeenkomst van sprongcassatie volgens de hoofdregel van art. 150 Rv te stellen en zo nodig te bewijzen. Wanneer de regelmatig opgeroepen verweerder niet in de procedure verschijnt, kan de Hoge Raad tot het oordeel komen dat de door eiser gestelde overeenkomst tot sprongcassatie als onbetwist is komen vast te staan. Denkbaar is ook dat eiseres wordt verzocht haar stelling toe te lichten of te onderbouwen (vgl. art. 22 lid 1 Rv). Overigens kan een (informeel) verzoek daartoe ook worden gedaan door het parket bij de Hoge Raad in verband met de voorbereiding van de conclusie.

4.10

In dit geval heeft CCC gesteld met verweersters in cassatie na het wijzen van het vonnis van de rechtbank sprongcassatie te zijn overeengekomen. Dit blijkt ook uitdrukkelijk (voor wat betreft ASC) dan wel stilzwijgend (voor wat betreft Apple c.s.) uit de proceshouding van de verschenen verweersters. Ik zie in deze zaak geen aanleiding om nader te informeren naar de instemming van RCJ, tegen wie verstek is verleend.

Cassatieberoep tegen een mede-eiser

4.11

Het cassatieberoep is door CCC ingesteld tegen Apple c.s., RCJ en ASC. RCJ en ASC zijn mede-eisers in de WAMCA-zaak. De positie van mede-eisers in een WAMCA-zaak, die elk een eigen dagvaarding hebben uitgebracht, is niet in alle opzichten vergelijkbaar met de positie van mede-eisers die bij één dagvaarding een zaak aanhangig hebben gemaakt (zie hierna in 5.68 e.v.). Normaliter kan een partij haar cassatieberoep niet richten tegen mede-eisers, mede-gedaagden, mede-appellanten of mede-geïntimeerden.34 Op die regel moet voor dit geval een uitzondering worden aangenomen, reeds omdat de rechtbank in haar vonnis CCC heeft veroordeeld in de proceskosten van (ook) RCJ en ASC en onderdeel 3 daarover klaagt.35

Cassatieberoep in een WAMCA-zaak

4.12

In de procesinleiding werpt CCC de vraag op of de door Titel 14a Rv gestelde specifieke vereisten waaraan een dagvaarding in WAMCA-zaken volgens art. 1018c Rv moet voldoen – zie voor deze regels hierna in 5.5-5.10 –, ook gelden voor de appeldagvaarding en de procesinleiding in cassatie. Volgens CCC is dit niet het geval. Zij werpt deze vraag naar eigen zeggen ten overvloede op, omdat zij veiligheidshalve haar procesinleiding heeft ingericht conform het bepaalde in art. 1018c lid 1 Rv en deze heeft ingediend ter griffie van de rechtbank en heeft doen inschrijven in het centraal register voor collectieve acties op de voet van art. 1018c lid 2 Rv.36

4.13

Apple c.s. refereren zich aan dit verzoek voor zover het betreft de procesinleiding in cassatie, maar niet voor zover het betreft de appeldagvaarding. Volgens Apple c.s. leent deze zaak zich niet voor een afweging van mogelijk relevante belangen die voor een veel verder strekkend en meer algemeen oordeel nodig is en evenmin voor het verkrijgen van een goed overzicht van alle mogelijke gevolgen die aan een dergelijk oordeel verbonden zouden kunnen zijn. Zo’n oordeel in de onderhavige procedure zou volgens Apple c.s. dan ook onverwachte en ongewenste gevolgen kunnen hebben voor andere gevallen.37

4.14

ASC refereert zich aan het verzoek van CCC voor zover het betreft de procesinleiding in cassatie en de appeldagvaarding. ASC merkt daarbij op – onder verwijzing naar een artikel van Hoogervorst, Klaassen en Knigge38 – dat de vraag of, en zo ja in hoeverre, de eisen van artikel 1018c Rv gelden in cassatie en appel een complexe vraag is die zich mogelijk niet leent voor een digitaal antwoord.39

4.15

In deze zaak werpt CCC uitsluitend de vraag op of de voorschriften van art. 1018c, leden 1 en 2, Rv40 van toepassing zijn op een appeldagvaarding dan wel een procesinleiding in cassatie. Dit is een rechtsvraag waarover de Hoge Raad zich een oordeel kan vormen op basis van de tekst, systematiek en strekking van de relevante wetsbepalingen en hun parlementaire geschiedenis.41 Apple c.s. hinten op mogelijke belangen en gevolgen die voor de beoordeling relevant zouden kunnen zijn, maar lichten dit niet toe en het is mij niet duidelijk waaraan concreet gedacht zou moeten worden.42

4.16

De complicaties waarop ASC doelt betreffen de toepasselijkheid van titel 14A Rv in appel en cassatie in het algemeen. Hoogervorst, Klaassen en Knigge signaleren in dit verband een groot aantal punten. Over de toepasselijkheid van art. 1018c, leden 1 en 2, Rv twijfelen Hoogervorst, Klaassen en Knigge echter niet. Volgens hen is “[v]an art. 1018c lid 1 Rv op voorhand duidelijk dat het niet past bij de procedure in hoger beroep. Een appeldagvaarding is doorgaans een ‘kale’ dagvaarding, omdat de grieven op een later moment volgen. Dit zal onder de WAMCA niet anders (hoeven) te zijn.” En hoewel de auteurs aanbevelen om de appeldagvaarding (maar niet de memorie van grieven) in te schrijven in het centraal register voor collectieve acties, menen zij dat “[e]venmin (…) in hoger beroep een grond [bestaat] voor toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid als vermeld in art. 1018c lid 2 Rv in geval van (niet tijdig) aantekenen van de appeldagvaarding in het centraal register. Deze sanctie is immers ingegeven door het feit dat de aanhoudingstermijn gaat lopen zodra de eerste dagvaarding in het register is aangetekend, opdat andere belangenorganisaties ook een dagvaarding kunnen uitbrengen.43

4.17

A-G Snijders heeft onlangs in zijn conclusie in de zaak met nummer 23/04864 van Stichting Bureau Clara Wichmann e.a. tegen de Staat aandacht besteed aan het voorgaande (ECLI:NL:PHR:2024:1074, onder 3.2 e.v.). Hij heeft daarbij opgemerkt dat het voor de hand ligt dat de Hoge Raad zich uitdrukkelijk uitlaat over de hiervoor besproken kwestie. Naar zijn mening behoeven de appeldagvaarding en de procesinleiding in cassatie in een WAMCA-zaak niet te voldoen aan de vereisten van art. 1018c, leden 1 en 2, Rv. Ik sluit mij aan bij hetgeen A-G Snijders hierover in zijn conclusie heeft geschreven.

4.18

Voor het overige zal van geval tot geval moeten worden bezien in hoeverre de bepalingen van titel14A Rv zich in hoger beroep of cassatie lenen voor (overeenkomstige) toepassing.44

4.19

Voor het geval de Hoge Raad zou oordelen dat de vereisten van art. 1018c, leden 1 en 2, Rv wel van toepassing zijn in cassatie, rijst de vraag of CCC aan deze vereisten heeft voldaan. ASC betwist dit niet.45 Apple c.s. refereren zich op dit punt ‘vooralsnog’ aan het oordeel van de Hoge Raad.46
Ik meen dat, zo nodig, kan worden geconstateerd dat CCC aan deze vereisten heeft voldaan. Art. 1018c lid 1 Rv schrijft voor welke informatie de dagvaarding (in cassatie: de procesinleiding) moet bevatten. De procesinleiding van CCC bevat deze informatie. Aan art. 1018c lid 1 is daarom voldaan. Hiervan staat los de vraag of hetgeen waarop deze informatie betrekking heeft in een zaak nog tot inhoudelijk debat kan leiden. Voorts heeft CCC de procesinleiding ingeschreven in het register voor collectieve acties47 en voorts heeft zij (naar zij onbetwist heeft gesteld) deze ook ingediend ter griffie van de rechtbank, zoals vereist door art 1018c lid 2 Rv.

4.20

Ik zie dus al met al geen belemmeringen ten aanzien van de ontvankelijkheid van CCC in haar cassatieberoep.

5 Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding

5.1

De procesinleiding bevat onder B klachten in drie onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in de rov. 2.4, 5.18-5.22 en 5.24 dat CCC niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep, omdat een termijnverlenging als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv geen algemene werking heeft. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.15, 5.17 en 5.24 en stelt aan de orde het oordeel dat CCC een collectieve vordering heeft ingesteld voor de dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als bedoeld in art. 1018d lid 1 BW. Onderdeel 3 richt klachten tegen de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC in rov. 10.2 en 10.3.

5.2

Ik stel voorop dat de klachten van het middel niet specifiek zijn gericht tegen de overwegingen van de rechtbank in rov. 5.14-5.16 voor zover daarin is overwogen dat over de tijdigheid van de door CCC uitgebrachte dagvaarding kan worden beslist zonder dat eerst wordt beoordeeld welk actierecht op de collectieve vorderingen van de stichtingen (dat wil zeggen: RCJ, ASC en CCC) van toepassing is en zonder dat wordt beoordeeld of elke stichting aan de (inhoudelijke) ontvankelijkheidsvoorwaarden uit artikel 3:305a BW voldoet. Weliswaar valt onderdeel 2 ook rov. 5.15 aan, maar de klachten van het onderdeel zien in de kern op de beoordeling van art. 1018d lid 1 Rv in rov. 5.17 (zie hierna in 5.43).

5.3

Volgens voetnoot 7 van de procesinleiding is onbegrijpelijk de overweging in rov. 5.6 dat bij rolbeslissing van 24 november 2021 de in art. 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn van drie maanden is verlengd met drie maanden tot 4 april. Volgens CCC is kennelijk bedoeld tot en met 4 april.
Voor zover hierin een cassatieklacht moet worden gelezen, moet deze bij gebrek aan belang worden verworpen. CCC heeft haar dagvaarding op 31 maart 2022 uitgebracht. De bedoelde overweging is dus niet relevant voor de vraag of CCC haar dagvaarding tijdig heeft uitgebracht.

5.4

Ter inleiding van de onderdelen ga ik eerst in op de achtergrond van de WAMCA en de regeling van de art. 1018c en 1018d Rv.

WAMCA

5.5

De collectieve actie als bedoeld in art. 3:305a BW heeft per 1 juli 1994 een plaats in de wet gekregen met de zogenaamde Wet Collectieve Actie (WCA).48 Voordien was de mogelijkheid van een collectieve actie al aanvaard in rechtspraak van de Hoge Raad.49 Art. 3:305a lid 3 (oud) BW bepaalde dat een rechtsvordering als bedoeld in het eerste lid niet kon strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld.50
Mede hierom is in aanvulling op art. 3:305a lid 3 BW de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) op 27 juli 2005 in werking getreden.51 De WCAM voorziet in de mogelijkheid om een overeenkomst over de afwikkeling van een groot aantal gelijksoortige schadevorderingen (zogeheten ‘massaschade’) die is gesloten tussen een organisatie die de belangen van schuldeisers van die vorderingen behartigt en één of meer andere partijen die zich bij deze overeenkomst hebben verbonden tot vergoeding van deze schade, verbindend te laten verklaren voor de gehele groep van schuldeisers (zie onder meer art. 7:907-910 BW en art. 1013-1018 Rv).52

5.6

Op 1 januari 2020 trad de WAMCA in werking.53 Deze wet strekt tot invoering van een collectieve schadevergoedingsactie en heeft tot doel een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen.54 Daartoe bevat de WAMCA een grondige wijziging van art. 3:305a BW en de invoering van Titel 14a ‘Van rechtspleging in zaken betreffende een collectieve actie en collectieve schadeafwikkeling’ van Boek 3 Rv (art. 1018b-1018n Rv). De achtergrond hiervan is de overweging dat niet zou kunnen worden volstaan met het enkel schrappen van de onmogelijkheid om schadevergoeding in geld te vorderen (art. 3:305a lid 3 (oud) BW). Dit zou geen oplossing bieden voor het risico dat een collectieve schadevergoedingsactie voor de beoordeling van de causaliteit en de hoogte van de schade uitmondt in vele individuele procedures. Dit zou ook niet automatisch leiden tot een efficiëntere en effectievere afwikkeling van massaschade.55 Om te voorkomen dat deze actie of een andere collectieve actie als opmaat voor een collectieve vordering tot schadevergoeding onbehandelbaar wordt of ten onrechte wordt gebruikt, of lichtvaardig of uitsluitend met het doel de wederpartij te schaden, waren volgens de regering nadere regels nodig voor ontvankelijkheid. Art. 3:305a BW bevat de algemene ontvankelijkheidseisen voor het instellen van een collectieve vordering en ziet op de inrichting van de belangenorganisatie. Titel 14A beschrijft de inrichting van de procedure voor een collectieve actie en de daarin opgenomen eisen verlangen van de belangenorganisatie dat hij aantoont dat het instellen van een collectie schadevergoedingsactie effectiever en efficiënter is dan het voeren van een individuele procedure.56

Titel 14A Rv

5.7

De in titel 14A opgenomen artikelen 1018b, 1018c, leden 1 en 2, 1018d, leden 1 en 2, en 1018e Rv bepalen:

Art. 1018b Rv

1. Deze titel is van toepassing op procedures betreffende een vordering als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Met uitzondering van artikel 1018c, eerste lid, is deze titel niet van toepassing op zaken als bedoeld in artikel 254.

2. De tweede titel van het Eerste Boek is van toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald.

3. Artikel 93 is niet van toepassing.

Art. 1018c Rv

1. Onverminderd artikel 111, tweede lid, vermeldt de dagvaarding waarmee de collectieve vordering bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt ingesteld:

a. een omschrijving van de gebeurtenis of de gebeurtenissen waarop de collectieve vordering betrekking heeft;

b. een omschrijving van de personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering strekt;

c. een omschrijving van de mate waarin de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen gemeenschappelijk zijn;

d. een omschrijving van de wijze waarop voldaan is aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of van de gronden waarop het zesde lid van dat artikel van toepassing is;

e. de gegevens die de rechter in staat stellen om voor deze collectieve vordering een Exclusieve Belangenbehartiger aan te wijzen, voor het geval andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis overeenkomstig artikel 1018d worden ingesteld;

f. de verplichting van de eiser om van de zaak aantekening te maken in het register, bedoeld in het tweede lid, en om te vermelden wat ingevolge dit artikel de gevolgen zijn van die aantekening.

2. Op straffe van niet ontvankelijkheid wordt in afwijking van artikel 125, tweede lid, het exploot van dagvaarding ter griffie ingediend binnen twee dagen na de dag van dagvaarding, onder gelijktijdige aantekening van de dagvaarding in het centraal register voor collectieve acties als bedoeld in artikel 305a, zevende lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. De aantekening gaat vergezeld van een uittreksel van de dagvaarding.

(…)

Art. 1018d Rv

1. Binnen drie maanden na de aantekening in het register als bedoeld in artikel 1018c, tweede lid, kan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een collectieve vordering instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in artikel 1018c, eerste lid, betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, onder vermelding van de aantekening. De collectieve vordering wordt ingesteld bij dezelfde rechtbank als waar de eerder in het register aangetekende collectieve vordering is ingesteld. Artikel 1018c, eerste lid, is van toepassing.

2. De rechter kan de in het vorige lid bedoelde termijn met maximaal drie maanden verlengen indien binnen een maand na de aantekening een rechtspersoon als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ter griffie heeft laten aantekenen dat hij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in artikel 1018c, eerste lid, betrekking heeft, onder vermelding van de aantekening in het register, maar dat de termijn van drie maanden niet volstaat.

Art. 1018e Rv

1. De rechter wijst uit de eisers die overeenkomstig artikel 1018c of 1018d een collectieve vordering hebben ingesteld en voldoen aan de eisen voor ontvankelijkheid van artikel 305a, eerste tot en met derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de meest geschikte eiser aan als exclusieve belangenbehartiger, waarbij hij de volgende omstandigheden in aanmerking neemt (…).

2. De rechter beoordeelt daarnaast wat de collectieve vordering precies inhoudt, voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt en of de aan een bepaalde plaats gebonden aard van de collectieve vordering aanleiding geeft voor behandeling van de zaak bij een ander gerecht.

3. De eiser die als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, treedt in deze procedure op voor de belangen van alle personen in de nauw omschreven groep, bedoeld in het tweede lid, en als vertegenwoordiger van de niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers. De niet als exclusieve belangenbehartiger aangewezen eisers blijven partij in de procedure. De exclusieve belangenbehartiger verricht de proceshandelingen. De rechter kan bepalen dat ook de niet aangewezen eisers proceshandelingen mogen verrichten.

4. Als de aard van de collectieve vordering of van de eisers of de belangen van de personen voor wie zij opkomen daartoe aanleiding geven, kan de rechter ervoor kiezen om verschillende exclusieve belangenbehartigers in een collectieve actie aan te wijzen.

5. De uitspraak ingevolge dit artikel wordt door de exclusieve belangenbehartiger aangetekend in het in artikel 1018c, tweede lid, bedoelde register.

5.8

Uit deze bepalingen blijkt dat Titel 14A Rv een eigen procesrechtelijke regeling bevat over het starten van een collectieve actie als een civiele vorderingsprocedure. In de memorie van toelichting bij art. 1018b Rv is opgemerkt:57

“In artikel 3:305a BW wordt geregeld wie een collectieve vordering kan instellen en onder welke voorwaarden. Titel 14A regelt hoe deze vordering moet worden ingesteld en afgewikkeld. De collectieve actie en de collectieve schadevergoedingsactie zijn vorderingsprocedures. De algemene bepalingen uit de eerste titel van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de bepalingen voor vorderingsprocedures uit de tweede titel van het eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn daarmee in beginsel van toepassing op collectieve acties. Titel 14A bevat daarnaast een aantal bijzondere voorschriften voor collectieve acties om recht te doen aan de collectieve aard van de procedure. Doel van Titel 14A is om ook een massazaak op een effectieve en efficiënte wijze te kunnen afwikkelen.”

5.9.1

De regeling van art. 1018c, leden 1 en 2, Rv heeft verschillende doelen.

5.9.2

In de eerste plaats stelt de informatie als bedoeld in art. 1018c lid 1 onder a t/m d de rechter in staat om te beoordelen of de vordering zich leent voor een collectieve actie en of de eiser ook voldoet aan de eisen voor ontvankelijkheid die artikel 3:305a BW daaraan stelt.58 Het doel van de informatie als bedoeld in lid 1 onder e blijkt uit dat onderdeel: het eventueel kunnen aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger als bedoeld in art. 1018e Rv.59

5.9.3

Met dit laatste hangt samen het voorschrift van art. 1018c lid 2 Rv, dat aantekening van de dagvaarding in het centraal register vereist. Daarmee is beoogd andere belangenorganisaties te informeren over de collectieve actie en hen in staat te stellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) ook een collectieve actie in te stellen en zich eventueel op te werpen als Exclusieve Belangenbehartiger. Dit waarborgt een gecoördineerde afwikkeling en draagt bij aan het doel van efficiënte en effectieve afwikkeling van collectieve vorderingen. In de memorie van toelichting wordt daarover opgemerkt:60

“Lid 2 van artikel 1018c regelt dat de eiser op straffe van niet ontvankelijkheid binnen twee dagen na indiening van zijn procesinleiding daarvan een aantekening maakt in het centrale register voor collectieve acties. Het bestaan van dit nieuw in te richten register wordt geregeld in artikel 3:305a lid 7 BW, zie ook de toelichting op die bepaling. Doel is dat centraal wordt bijgehouden welke collectieve acties aanhangig worden gemaakt en dat deze voor geïnteresseerden eenvoudig terug te vinden zijn. Het register moet eenvoudig raadpleegbaar zijn om andere belangenorganisaties in staat stellen te bepalen of zij voor een ingestelde collectieve vordering als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen willen worden en zelf ook een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis willen instellen. Om andere belangenorganisaties een goede afweging te kunnen laten maken, wordt bij de aantekening van de ingediende collectieve vordering ook een uittreksel van de ingediende procesinleiding gevoegd. Daaruit kan worden afgeleid waartoe de collectieve vordering strekt, op welke feitelijke stellingen deze is gebaseerd, de namen van de eiser en de verweerder en een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de personen tot bescherming van wier belangen de collectieve vordering strekt. (…) Om het doel van een efficiënte en effectieve afwikkeling van collectieve vorderingen te kunnen bereiken is het belangrijk dat elke ingestelde collectieve vordering daadwerkelijk in het centrale register terechtkomt. Alleen zo kan een gecoördineerde afwikkeling worden gewaarborgd en kunnen andere belangenorganisaties daadwerkelijk de kans krijgen voor dezelfde gebeurtenis over soortgelijke feitelijke en rechtsvragen ook een collectieve vordering in te stellen. Dit rechtvaardigt dat de verplichting van de eiser om binnen twee dagen na indiening van zijn procesinleiding de aantekening in het register te maken, geldt op straffe van niet ontvankelijkheid van eiser in zijn collectieve vordering. Om zeker te stellen dat andere geïnteresseerde belangenorganisaties daadwerkelijk op de hoogte raken van een aantekening in het centrale register, zal het register eenvoudig online raadpleegbaar worden.”

5.9.4

Het Centraal register voor collectieve vorderingen als bedoeld in art. 3:305a lid 7 BW wordt gehouden door de Raad voor de rechtspraak61 en is te raadplegen via www.rechtspraak.nl.62

5.10

Art. 1018c Rv stelt andere belangenorganisaties in staat om eveneens een collectieve vordering in te stellen, maar daaraan is volgens art. 1018d Rv wel een termijn verbonden.

5.11.1

Art. 1018d lid 1 Rv neemt als uitgangspunt dat een rechtspersoon als bedoeld in art. 3:305a BW binnen drie maanden na de aantekening van de (eerste) dagvaarding in het centraal register een collectieve vordering kan instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in art. 1018c lid 1 Rv betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke vragen en rechtsvragen, onder vermelding van de aantekening.

5.11.2

De eis dat andere belangenorganisaties binnen drie maanden moeten dagvaarden, bevordert dat de gevolgen die eenzelfde gebeurtenis heeft voor een grote groep van personen zoveel mogelijk in één zaak worden afgewikkeld. De memorie van toelichting vermeldt hierover:63

“De bedoeling is om voor eenzelfde gebeurtenis die voor een grote groep van personen gevolgen heeft, deze gevolgen zoveel mogelijk in één zaak af te wikkelen. Dit geldt ongeacht of het gaat om een collectieve vordering tot schadevergoeding in geld of om een andere collectieve vordering op basis van artikel 3:305a BW. Door deze bepaling worden andere potentiële belangenorganisaties voor een collectieve vordering ten aanzien van deze gebeurtenis gedwongen te bepalen waarom zij geschikt zijn om voor deze gebeurtenis in rechte op te komen met een collectieve vordering.”

In de Nota n.a.v. het verslag wordt hieraan toegevoegd dat:64

“Doel van het wetsvoorstel is een efficiënte en effectieve afwikkeling van massazaken mogelijk te maken. Coördinatie, stroomlijning en finaliteit zijn daarin cruciale elementen. Het wetsvoorstel gaat daarom uit van coördinatie van collectieve vorderingen voor de dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als zij voldoende gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen betreffen.”

Met het oog op deze concentratie moet de andere belangorganisatie in haar dagvaarding vermelden bij welke ‘aantekening’ in het register zij aansluit65 en moeten de verschillende vorderingen bij dezelfde rechtbank worden ingesteld.66

5.11.3

Het voorgaande geldt indien het gaat om een vordering van een andere belangenorganisatie “voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in art. 1018c lid 1 Rv betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke vragen en rechtsvragen”, aldus art. 1018d lid 1 Rv. Dit vereiste is als volgt toegelicht:67

“Daarnaast is vereist dat het gaat om een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen. Gaat het om bijvoorbeeld misleidende informatie van een bedrijf, dan kan deze misleiding gevolgen hebben voor zowel beleggers (door een koersdaling) als voor consumenten (door bijvoorbeeld niet-waargemaakte claims t.a.v. een product). In beginsel is hier sprake van dezelfde gebeurtenis, ook al heeft deze gebeurtenis verschillende gevolgen voor verschillende groepen personen. Ook moet het gaan om gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen. In het genoemde voorbeeld is de vraag welke feitelijke informatie het bedrijf naar buiten heeft gebracht voor de verschillende soorten vorderingen van verschillende soorten gedupeerden in beginsel gelijk. De vraag of hierbij sprake is van misleidende informatie is een rechtsvraag die mogelijk verschillend wordt ingevuld, afhankelijk van de vraag of het gaat om een vordering wegens misleidende koersinformatie of wegens een oneerlijke handelspraktijk. Dit staat op zichzelf niet in de weg aan voldoende gelijksoortigheid. Het hoeft dus niet te gaan om precies dezelfde vordering. Als bijvoorbeeld de oorspronkelijke collectieve vordering gebaseerd is op wanprestatie, dan kan een andere belangenorganisatie ervoor kiezen voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering in te dienen die is gebaseerd op onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling, als zij meent dat dit de meer geëigende grondslag is. Waar het om gaat is of de collectieve vorderingen voldoende betrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, zodat het de voorkeur heeft deze als één zaak af te wikkelen.”

5.11.4

In de Nota n.a.v. het verslag wordt op dit voorbeeld gevarieerd:68

“In de memorie van toelichting is in de toelichting op artikel 1018d lid 1 het voorbeeld gegeven van misleidende informatie van een bedrijf. Die misleiding raakt mogelijk zowel consumenten als beleggers. Dat zijn voor hun collectieve vordering een iets afwijkende rechtsgrondslag kiezen, betekent niet automatisch dat er geen sprake meer kan zijn van voldoende gelijksoortigheid.

De vraag is steeds of de feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gelijksoortig zijn dat afwikkeling als één zaak de voorkeur heeft. Er zullen gevallen zijn waarin de collectieve vorderingen gebaseerd op dezelfde gebeurtenis zó verschillend zijn, dat niet efficiënt is om deze als één zaak af te wikkelen. Gesjoemel bij de productie van een auto-onderdeel kan worden gezien als één gebeurtenis maar kan leiden tot een grote diversiteit aan vorderingen bij een diverse groep aan personen en bedrijven. Dealers van de desbetreffende auto’s hebben mogelijk een heel ander soort vordering uit contract gebaseerd op andere feiten en met ander soort schade dan benadeelde consumenten. Mochten de feitelijke en rechtsvragen in de collectieve vorderingen onvoldoende gelijksoortig zijn, dan zal de rechter deze niet als één collectieve zaak behandelen maar als afzonderlijke massazaken. In dat geval is er ook geen risico op tegenstrijdigheden omdat de in beide massazaken aan de orde zijnde vragen niet dezelfde zijn. Ik verwacht dat de praktijk met de eis van gelijksoortigheid voldoende uit de voeten kan.”

5.12

Art. 1018d lid 2 Rv voorziet in een uitzondering op het uitgangspunt dat een andere belangenorganisatie een collectieve vordering voor, kort gezegd, dezelfde gebeurtenis binnen drie maanden moet instellen. Op grond van art. 1018d lid 2 Rv kan de rechter de in het eerste lid van 1018d Rv bedoelde termijn van drie maanden met maximaal drie maanden verlengen indien binnen een maand na de aantekening een andere belangenorganisatie ter griffie heeft laten aantekenen dat hij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen), maar dat de termijn van drie maanden niet volstaat. Deze bepaling is als volgt toegelicht:

“Lid 2 van artikel 1018d bepaalt dat de termijn waarbinnen andere belangenorganisaties voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering kunnen instellen, kan worden verlengd met maximaal drie maanden. Voorwaarde voor verlenging is dat een belangenorganisatie al wel heeft gemeld dat hij een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis wil instellen, maar dat de termijn van drie maanden voor hem niet volstaat. Deze melding moet hij doen ter griffie binnen een maand na de aantekening in het register en onder vermelding van de aantekening. De termijn van drie maanden in lid 1 is gekozen om geïnteresseerde andere belangenorganisaties in staat te stellen om hun eigen collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis voor te bereiden en in te dienen. Het kan voorkomen dat vanwege de aard van de collectieve vordering of vanwege het samenwerkingsverband dat organisaties willen aangaan om een gezamenlijke collectieve vordering in te dienen ingevolge dit artikel, meer dan drie maanden nodig is om de collectieve vordering voldoende voor te bereiden en in te dienen. Voor die gevallen maakt lid 2 het mogelijk om de termijn te verlengen. Om te voorkomen dat de behandeling van de collectieve vordering onnodig veel vertraging oploopt, is een verlenging beperkt tot maximaal drie maanden. Als zich binnen een maand na de aantekening in het centrale register niemand heeft gemeld, is na drie maanden duidelijk of er andere collectieve vorderingen voor dezelfde gebeurtenis zijn ingesteld. Heeft zich binnen een maand na aantekening wel een belangenorganisatie gemeld met de mededeling dat de termijn van drie maanden niet volstaat, dan is na uiterlijk zes maanden na de aantekening duidelijk welke andere belangenorganisaties voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingesteld. In dat geval mag worden aangenomen dat er in elk geval één andere collectieve vordering is ingediend, namelijk die van de belangenorganisatie die om verlenging van de drie maanden termijn heeft verzocht.”69

5.13

Indien er meerdere collectieve vorderingen zijn, dan worden deze voor de toepassing van het eerste Boek Rv na inschrijving op de rol als één zaak behandeld (art. 1018d lid 3 Rv). Dit is wenselijk geacht met het oog op de aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger en de behandeling van de collectieve vordering na die aanwijzing. Zijn er meerdere eisers, dan wijst de rechter in beginsel één van hen aan als Exclusieve Belangenbehartiger (art. 1018e Rv). De Exclusieve Belangenbehartiger heeft in de procedure over de collectieve vordering de leiding aan de zijde van eiser, draagt de verantwoordelijkheid om op te komen voor de belangen van de hele groep van personen voor wie de procedure over de collectieve vordering wordt gevoerd en is ook het aanspreekpunt voor de verweerder. De verwachting is dat de introductie van de figuur van de Exclusieve Belangenbehartiger bijdraagt aan het vergroten van de schikkingsbereidheid van aangesproken partijen.70

5.14

Tegen deze achtergrond bespreek ik hierna de onderdelen van het cassatiemiddel.

Onderdeel 1; heeft termijnverlenging als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv algemene werking?

5.15

Onderdeel 1 klaagt over de rov. 2.4, 5.18-5.22 en 5.24. Rov. 2.4 heeft een louter inleidend karakter. De dragende overwegingen zijn rov. 5.18 e.v. Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat CCC niet ontvankelijk is omdat zij niet tijdig binnen de in art. 1018d lid 1 BW bedoelde termijn van drie maanden haar dagvaarding heeft uitgebracht en de aan ASC verleende verlenging van die termijn op de voet van art. 1018d lid2 Rv geen algemene werking heeft. De rechtbank overwoog:

“5.18. Verder is de rechtbank van oordeel dat een termijnverlenging als bedoeld in artikel 1018d lid 2 Rv geen algemene werking heeft, zodat het aan ASC verleende uitstel niet eveneens geldt voor andere belangenorganisaties, zoals CCC. Daartoe is het volgende redengevend.

5.19

Zodra een belangenorganisatie een dagvaarding op de voet van artikel 1018c lid 2 Rv inschrijft in het centraal register, dwingt de driemaandentermijn van artikel 1018d lid 1 Rv andere potentiële belangenorganisaties tot actie. Zij dienen in beginsel binnen die termijn te dagvaarden. Als die termijn niet volstaat, kunnen zij op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv binnen één maand na de inschrijving verzoeken om verlenging. Die verlenging is niet vanzelfsprekend. De rechter beslist op basis van de aangevoerde argumenten van de reeds verschenen partijen (in dit geval de belangenorganisatie die om termijnverlenging verzoekt, de eerste belangenorganisatie en de gedaagden). De rechter heeft, gelet op het woord “kan” in artikel 1018d lid 2 Rv, een discretionaire bevoegdheid. Het gaat dus om een beslissing op verzoek van een specifieke partij tot het al dan niet verlengen van de termijn, die wordt genomen op grond van de dan bekende feiten en omstandigheden. Bij dit wettelijk systeem past niet dat (ook) een ten tijde van de beslissing nog niet in de procedure bekende (en in dit geval zelfs nog niet bestaande) belangenorganisatie zou mogen dagvaarden binnen de ten behoeve van een andere belangenorganisatie op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv verlengde termijn. Die belangenorganisatie zou daarmee buiten elke rechterlijke toetsing om een verlengde termijn in de schoot geworpen krijgen. Daarmee zou bovendien afbreuk worden gedaan aan de in de WAMCA en de wetsgeschiedenis neergelegde gedachte dat binnen drie maanden na de aantekening in het centraal register bekend is welke andere belangenorganisaties hebben gedagvaard dan wel om een termijnverlenging hebben verzocht en dat na uiterlijk zes maanden bekend is welke van die laatste belangenorganisaties ook daadwerkelijk gedagvaard hebben.

5.20

Uit de wetgeschiedenis kan, anders dan CCC heeft betoogd, niet worden opgemaakt dat het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest om algemene werking aan een termijnverlenging toe te kennen. CCC heeft een beroep gedaan op de Memorie van Toelichting (…). CCC verwijst naar de daarin gebruikte bewoordingen dat als ‘een belangenorganisatie’ – in dit geval ASC – zich heeft gemeld, ‘na uiterlijk zes maanden na de aantekening duidelijk [is] welke andere belangenorganisaties voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingesteld’ en dat ‘er in elk geval één andere collectieve vordering is ingediend, namelijk die van de belangenorganisatie die om verlenging van de drie maanden termijn heeft verzocht’. CCC duidt met name op het gebruik van enkelvoud en meervoud in deze passages.

5.21.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze letterlijke lezing niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat in tegenstelling tot de hiervoor onder r.o. 5.19 gegeven motivering de verlengde termijn algemene werking heeft. De rechtbank begrijpt uit de aangehaalde bewoordingen slechts dat de wetgever opmerkt dat het mogelijk is dat meerdere belangenorganisaties een vordering kunnen instellen en verder dat in dat geval binnen zes maanden duidelijk is welke andere organisaties tevens een vordering hebben ingesteld. Dat zij alle kunnen meeliften op de verlenging die door één andere organisatie is aangevraagd, volgt niet uit de tekst van artikel 1018d lid 2 Rv. Voorts vermeldt de wetgeschiedenis dat een belangenorganisatie zich kan melden omdat hij een collectieve vordering wil instellen, maar dat de termijn van drie maanden voor hem niet volstaat. Ook daaruit volgt dat de rechter die een verlenging van de termijn geeft, toetst of deze belangenorganisatie een verlengde termijn wordt gegund.

5.22.

Nu CCC geen verlenging heeft gevraagd, heeft zij haar dagvaarding te laat uitgebracht. Het gevolg daarvan is dat zij niet kan worden ontvangen in deze procedure. Het beroep van CCC op deformalisering en de door haar aangevoerde omstandigheid dat geen van partijen is geschaad door de termijnoverschrijding kunnen CCC niet baten. De termijnen in artikel 1018d Rv zijn ingevoerd mede met het oog op de rechtszekerheid. Met het systeem van de WAMCA verhoudt zich niet dat een uitzondering wordt gemaakt op de naleving van de wettelijke termijnen die gelden voor belangenorganisaties die onderdeel willen worden van een reeds lopende collectieve actie voor eenzelfde gebeurtenis. Van een belemmering van het recht op effectieve en efficiënte rechtsbescherming is, anders dan CCC heeft betoogd, in dit geval evenmin sprake. De in artikel 1018d Rv opgenomen termijnen zijn niet onredelijk kort, zodat niet kan worden gezegd dat door die termijnen de toegang tot de rechter wordt belemmerd.

(…)

5.24.

Uit al het voorgaande vloeit voort dat CCC niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij haar dagvaarding niet binnen de wettelijke termijn van artikel 1018d lid 1 Rv heeft uitgebracht en ook niet om verlenging van die termijn heeft verzocht op de voet van artikel 1018d lid 2 Rv. Dit heeft ook tot gevolg dat gedaagden 3 t/m 6, die uitsluitend door CCC zijn gedagvaard, geen partij (meer) zijn in deze procedure.”

5.16

Onderdeel 1 bevat vier subonderdelen. Subonderdeel 1.1 is inleidend en bevat geen klacht. Subonderdeel 1.2 klaagt dat de rechtbank miskent dat een op de voet van art. 1018d lid 2 Rv door de rechter verleende verlenging van de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv, naar aanleiding van een aantekening van een rechtspersoon in de zin van art. 3:305a BW dat zij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) als waarop de collectieve vordering in de zin van 1018c lid 1 Rv betrekking heeft, maar de driemaandentermijn niet volstaat, tot gevolg heeft dat iedere 305a-rechtspersoon binnen die door de rechter verleende (verlengde) termijn een dergelijke collectieve vordering kan instellen. Daarvoor is geen apart verzoek van laatstbedoelde art. 305a-rechtspersoon vereist. De door de rechter vastgestelde termijn geldt dus niet enkel jegens de 305a-rechtspersoon die de aantekening heeft laten maken/om verlenging heeft verzocht en op basis waarvan de rechtbank de termijn heeft verlengd, maar voor alle 305a-rechtspersonen die eenzelfde collectieve vordering willen instellen. De verlenging heeft – kort gezegd – algemene werking, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 1.3 klaagt dat de rechtbank miskent dat in geval de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv door de rechter op de voet van art. 1018d lid 2 Rv met de maximale termijn van drie maanden is verlengd en/of door het instellen van de collectieve vordering door een andere 305a-rechtspersoon binnen die verlengde termijn geen vertraging wordt veroorzaakt, die verlenging wel geldt jegens alle 305a-rechtspersonen die een vordering willen instellen over dezelfde gebeurtenis(sen) over gelijksoortige feitelijke of rechtsvragen als waarop de collectieve vordering betrekking heeft. Subonderdeel 1.4 bevat op de subonderdelen 1.2 en 1.3 voortbouwende motiveringsklachten.

5.17

De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij stellen aan de orde of een verlenging van de dagvaardingstermijn op de voet van art. 1018d lid 2 Rv algemene werking heeft, althans indien daardoor geen vertraging ontstaat. Ik meen dat deze klachten niet slagen, omdat zij berusten op een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank heeft naar mijn mening terecht geoordeeld dat de door ASC verzochte termijnverlenging niet ook voor CCC gold. In de rechtspraak wordt hierover verschillend geoordeeld.71

5.18.1

De tekst van art. 1018d, leden 1 en 2, Rv laat op zichzelf de lezing toe dat een verlenging van de termijn algemene werking heeft, zoals CCC betoogt.72

5.18.2

Volgens het tweede lid ‘kan’ de rechter ‘de in het vorige lid bedoelde termijn met maximaal drie maanden verlengen’. De driemaandentermijn van lid 1 geldt algemeen, behoudens verlenging op de voet van lid 2, en de verlenging van die termijn geldt, volgens CCC, dus ook algemeen.

5.18.3

De verlengingsbevoegdheid wordt, in de woorden van 1018d lid 2 Rv, geactiveerd ‘indien binnen een maand na de aantekening een rechtspersoon als bedoeld in artikel 305a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ter griffie heeft laten aantekenen dat hij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in artikel 1018c, eerste lid, betrekking heeft, onder vermelding van de aantekening in het register, maar dat de termijn van drie maanden niet volstaat’.
In CCC’s lezing van de wet vereist activering van de verlengingsbevoegdheid slechts dat een andere belangenorganisatie tijdig heeft gemeld dat de driemaandentermijn te kort is. Een verzoek daartoe is volgens CCC niet nodig en de rechter kan volgens CCC de termijn ook ambtshalve verlengen. Bij de beoordeling richt de rechter zich op objectieve factoren, zoals de complexiteit van de materie, het internationale karakter van het geschil of de omvang van het procesdossier.

5.19

Ik vind deze argumenten van CCC niet overtuigend. Hoewel art. 1018d lid 2 Rv niet met zoveel woorden bepaalt dat de daarin bedoelde termijnverlenging geldt voor de belangenorganisatie die daarom gevraagd heeft, verzet de tekst van deze bepaling zich niet tegen een dergelijke lezing. Een dergelijke lezing ligt ook meer voor de hand. De termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv betreft immers een uitzondering op de hoofdregel van art. 1018d lid 1 Rv. Een belangenorganisatie die in tijdnood komt, moet gemotiveerd om termijnverlenging verzoeken en de rechter kan in het licht van de omstandigheden van het geval een bepaalde termijnverlenging toekennen. Ik licht dit toe in 5.20-5.25.

5.20

Volgens de hoofdregel73 van art. 1018d lid 1 Rv moet een andere belangenorganisatie binnen drie maanden een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis instellen. Op die termijn kan de rechter een uitzondering maken, indien een andere belangenorganisatie binnen een maand melding heeft gedaan als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv. Het ligt voor de hand dat de termijnverlenging die de rechter vervolgens kan bepalen, geldt voor alleen die belangenorganisatie. Voor belangenorganisaties die geen melding als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv hebben gedaan, volstaat kennelijk de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv. Die termijn is niet onredelijk kort, aldus de rechtbank (in rov. 5.22, waartegen het middel geen specifieke klachten richt).

5.21

Hoewel de wettekst dat niet met zoveel woorden zegt, is aannemelijk dat de termijnverlenging door een belangenorganisatie niet slechts moet worden gemeld, maar ook moet wordt verzocht. In de toelichting bij art. 1018d lid 2 Rv (zie hiervoor in 5.11, slot) wordt immers opgemerkt dat “mag worden aangenomen dat er in elk geval één andere collectieve vordering is ingediend, namelijk die van de belangenorganisatie die om verlenging van de drie maanden termijn heeft verzocht” (onderstreping toegevoegd; plv.). De melding dat de termijn van art. 1018d lid 1 Rv niet volstaat, impliceert dus een verzoek om deze termijn te verlengen. In rechterlijke uitspraken en literatuur wordt de melding dan ook aangeduid als een verzoek.74 Dit activeert de bevoegdheid van de rechter tot termijnverlenging. De rechter gaat niet ambtshalve75 of ongevraagd tot termijnverlenging over.

5.22

In de toelichting bij art. 1018d lid 2 Rv (zie hiervoor in 5.11) wordt voorts opgemerkt dat “[v]oorwaarde voor verlenging is dat een belangenorganisatie al wel heeft gemeld dat hij een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis wil instellen, maar dat de termijn van drie maanden voor hem niet volstaat” (onderstreping toegevoegd; plv.). Ook hierin ligt besloten dat het moet gaan om een verzoek van een andere belangenorganisatie, en wel om een gemotiveerd verzoek waarin wordt uiteengezet waarom de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv voor deze belangenorganisatie (“hem”) niet volstaat.76

5.23

De rechtbank heeft een discretionaire bevoegdheid (‘kan’)77 om de termijn te verlengen, maar kan die bevoegdheid niet in het luchtledige toepassen. Anders dan CCC betoogt, volstaan algemene overwegingen over factoren als de complexiteit van de materie, het internationale karakter van het geschil of de omvang van het procesdossier niet. De verzoekende belangenorganisatie moet motiveren waarom de driemaandentermijn voor hem niet volstaat. Daarvoor moet worden beoordeeld wat factoren als complexiteit e.d. betekenen voor de mogelijkheid van de verzoekende belangenorganisatie om al dan niet binnen drie maanden te dagvaarden.78

5.24.1

De rechtbank overweegt (in rov. 5.19) daarom terecht (i) dat het gaat om een beslissing op verzoek van een specifieke partij tot het al dan niet verlengen van de termijn, die wordt genomen op grond van de dan bekende feiten en omstandigheden en (ii) dat de rechter beslist op basis van de aangevoerde argumenten van de reeds verschenen partijen, dus met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor.

5.24.2

Zo heeft de rechtbank in deze zaak in haar vonnis over de positie van ASC overwogen:

“5.6. ASC heeft op 1 november 2021 de rechtbank verzocht de in artikel 1018d lid 1 Rv genoemde termijn van drie maanden te verlengen met drie maanden. Bij rolbeslissing van 24 november 2021 heeft de rechtbank, nadat RCJ, Apple Inc. en Apple Ierland zich over het verzoek van ASC hebben kunnen uitlaten, de in artikel 1018d lid 1 Rv bedoelde termijn van drie maanden met drie maanden verlengd tot 4 april 2022. Uit rechtsoverweging 3.9 van die rolbeslissing volgt dat dit uitstel is verleend aan ASC op grond van door haar gestelde feiten en omstandigheden over de juridische en feitelijke complexiteit van de materie van de (beoogde) collectieve vordering.”

In rov. 3.9 van de genoemde rolbeslissing van 24 november 2021 is overwogen:

“De rechtbank volgt Stichting ASC. Redengevend is het volgende.

Stichting ASC is stellig over haar wens om ook een collectieve vordering tegen Apple in te stellen. Uit haar verzoek komt naar voren dat zij al veel werk heeft verricht, maar voor de afronding – de formulering en toelichting van haar collectieve vordering – nog enige tijd nodig heeft. Dat is begrijpelijk. De materie dient zich aan als feitelijk en juridisch complex. De inschakeling door Stichting ASC van een deskundige komt noodzakelijk althans wenselijk voor. De enkele omstandigheid dat de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt al relevant onderzoek hebben verricht maakt dit niet anders. Al met al maakt Stichting ASC voldoende aannemelijk dat zij meer dan de in artikel 1018d lid 1 Rv bedoelde drie maanden nodig heeft om haar collectieve vordering voldoende voor te bereiden en in te dienen. Voor verlenging met minder dan drie maanden ontbreekt het aan voldoende concrete aanknopingspunten.”

5.25

Dit alles wijst erop dat de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv slechts geldt voor de belangenorganisatie die daar gemotiveerd om heeft verzocht.

5.26

CCC ontleent aan de parlementaire geschiedenis drie argumenten voor haar standpunt dat de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv algemene werking heeft. Deze argumenten berusten naar mijn mening niet op een juiste lezing van de parlementaire stukken. Ik licht dit toe in 5.27.1-5.29.3.

5.27.1

In de eerste plaats beroept CCC zich op de volgende opmerking in de memorie van toelichting (zie hiervoor in 5.11): “Heeft zich binnen een maand na aantekening wel een belangenorganisatie gemeld met de mededeling dat de termijn van drie maanden niet volstaat, dan is na uiterlijk zes maanden na de aantekening duidelijk welke andere belangenorganisaties voor dezelfde gebeurtenis een collectieve vordering hebben ingesteld.” [onderstrepingen toegevoegd; plv.]

5.27.2

CCC leidt hieruit af dat ook belangenorganisaties die niet zelfstandig hebben aangegeven dat de termijn van art. 1018d lid 1 Rv niet volstaat, gebruik kunnen maken van verlengde termijn.79

5.27.3

Zo hoeft deze passage echter niet gelezen te worden. Voorafgaand aan deze passage wordt in de memorie van toelichting geschreven dat “[d]e termijn van drie maanden in lid 1 is gekozen om geïnteresseerde andere belangenorganisaties in staat te stellen om hun eigen collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis voor te bereiden en in te dienen” en aansluitend wordt gewezen op de mogelijkheid van verlenging op de voet van art. 1018d lid 2 Rv.
Uit de passage waarop CCC zich beroept blijkt daarom slechts dat, indien verlenging is gevraagd, na uiterlijk zes maanden duidelijk is welke andere belangenorganisaties ook een collectieve vordering hebben ingesteld. Dit ziet zowel op één of meer belangenorganisatie(s) die binnen de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv hebben gedagvaard als op één of meer belangenorganisatie(s) die termijnverlenging tot maximaal zes maanden hebben gevraagd en verkregen. Er is geen reden om aan te nemen dat de bedoelde passage in de memorie van toelichting uitsluitend betrekking zou hebben op partijen die na meer dan drie maanden hebben gedagvaard, ongeacht of zij zelf om verlenging hebben gevraagd. Ik zie in deze passage dan ook geen aanwijzing van een algemeen karakter van een termijnverlenging.

5.28.1

In de tweede plaats beroept CCC zich op de opmerking in de memorie van toelichting (zie hiervoor in 5.11) dat na het verstrijken van de verlengde termijn “in elk geval één andere collectieve vordering is ingediend, namelijk die van de belangenorganisatie die om verlenging van de drie maanden termijn heeft verzocht.”

5.28.2

CCC ontleent hieraan het argument dat de wetgever voor mogelijk houdt dat binnen de verlengde termijn niet alleen wordt gedagvaard door de partij die om de verlenging heeft verzocht (“in elk geval één”), maar ook nog door partijen die daarom niet hebben verzocht.80

5.28.3

Hiervoor geldt hetzelfde als is opgemerkt in 5.27.3. Er is geen reden om aan te nemen dat de bedoelde passage uitsluitend betrekking zou hebben op partijen die na meer dan drie maanden hebben gedagvaard, ongeacht of zij zelf om verlenging hebben gevraagd. De wetgever refereert aan de partij die verlenging heeft verzocht en binnen de verlengde termijn heeft gedagvaard (“in elk geval één”) en aan eventuele andere partijen die niet om verlenging hebben verzocht en dus binnen de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv hebben moeten dagvaarden.

5.29.1

In de derde plaats beroept CCC zich erop dat in de memorie van toelichting (zie hiervoor in 5.12) is verband met een termijnverlenging is gewezen op “de aard van de collectieve vordering of vanwege het samenwerkingsverband dat organisaties willen aangaan om een gezamenlijke collectieve vordering in te dienen”.

5.29.2

De aard van de collectieve vordering is volgens CCC voor alle belangenorganisaties identiek en hangt dus niet samen met een individuele belangenorganisatie. Bij een samenwerkingsverband is sprake van meerdere belangenorganisaties en het zou volgens CCC onpraktisch zijn als die afzonderlijk om termijnverlenging zouden moeten vragen.81 Dit zou pleiten voor algemene werking van de termijnverlenging.

5.29.3

Ook hier leest CCC in de memorie van toelichting naar mijn mening meer dan de wetgever heeft willen zeggen. Voor wat betreft de aard van de collectieve vordering verwijs ik naar hetgeen hiervoor in 5.23 is gezegd.
Uit de geciteerde passage blijkt voorts dat aan een verzoek om termijnverlenging ten grondslag kan liggen de wens om een samenwerkingsverband aan te gaan. Er kunnen ook andere gronden voor een dergelijk verzoek zijn. Art. 1018d lid 2 Rv laat dit open.82 Volgens De Monchy en Kluwen is het inmiddels een standaardoverweging in rolbeslissingen over termijnverlenging dat de WAMCA geen maatstaf bevat om dit verzoek te toetsen en dat de memorie van toelichting over deze bepaling beknopt is.83 De toelichting geeft voorbeelden.84 Er zijn vele redenen denkbaar waarom de termijn van drie maanden voor een belangenorganisatie niet volstaat.85 Denkbaar is dat die redenen specifiek voor één belangenorganisatie gelden.86
Het lijkt voorts niet bezwaarlijk dat belangenorganisaties die overwegen samen te gaan werken ieder voor zich dan wel gezamenlijk om termijnverlenging verzoeken.

5.30

Ik bespreek hierna (in 5.31 e.v.) de overige argumenten die CCC heeft aangevoerd om te betogen dat de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv algemene werking heeft.

5.31.1

Ten eerste voert CCC nog aan dat de WAMCA beoogt bij te dragen aan een efficiënte bundeling van procedures en dat die bundeling geweld zou worden aangedaan als een termijnverlenging niet algemeen zou gelden. Een belangenorganisatie die in de door de rechter verlengde termijn zou dagvaarden, maar niet zelf die termijnverlenging heeft gevraagd, zou dan steeds niet-ontvankelijk zijn, zodat niets anders rest dan het entameren van individuele procedures, al dan niet na het doen van een opt out verklaring.87

5.31.2

Dit argument kan niet overtuigen, omdat de bedoelde belangenorganisatie de gelegenheid heeft om binnen de initiële termijn van drie maanden een dagvaarding uit te brengen, om zelf om een termijnverlenging te vragen en voorts steeds de mogelijkheid heeft om, al dan niet na een opt out verklaring, individuele procedures te entameren. Een niet algemeen werkende termijnverlenging is daarop niet van invloed.

5.32.1

Ten tweede wijst CCC erop dat door het toekennen van algemene werking aan een termijnverlenging geen aanvullende vertraging zou kunnen ontstaan – wat de wetgever met de regeling van art. 1018d leden 1 en 2 Rv heeft willen bereiken88 – zodat het beperken van de termijnverlenging tot de partij die daarom heeft verzocht, geen met art. 1018d lid 2 Rv of de WAMCA nagestreefd doel dient.89

5.32.2

Dit argument gaat voorbij aan het uitgangspunt dat is geformuleerd in art. 1018d lid 1 Rv: de WAMCA beoogt dat andere belangenorganisaties een collectieve vordering binnen de in dat artikellid bedoelde termijn van drie maanden indienen. De termijnverlenging vormt daarop een uitzondering in een concreet geval ten aanzien van een belangenorganisatie die daar gemotiveerd om heeft verzocht.

5.33.1

Ten derde voert CCC aan dat het vervolg van de WAMCA-procedure evenzeer pleit voor algemene werking van een termijnverlenging, omdat de rechter uit de groep van eisende partijen de meest geschikte partij als Exclusieve Belangenbehartiger aanwijst. Hoe groter de groep van eisende partijen, des te groter is de kans dat de rechter de meest geschikte partij als exclusieve belangenbehartiger kan aanwijzen.90

5.33.2

Deze redenering gaat eraan voorbij dat de aanwijzing van een Exclusieve Belangenbehartiger uitsluitend de eisende partijen die ontvankelijk zijn, kan betreffen. Daarvoor is niet vereist dat de groep van potentiële partijen die daarvoor in aanmerking zou kunnen komen, kan worden vergroot door aan een termijnverlenging op de voet van art. 1018d lid 2 Rv algemene werking te verlenen.

5.34.1

Ten vierde meent CCC dat de functie en inhoud van het centraal register pleiten voor algemene werking van een termijnverlenging. Zij verwijst naar de volgende passage uit de memorie van toelichting bij art. 1018c Rv:91

“Doel is dat centraal wordt bijgehouden welke collectieve acties aanhangig worden gemaakt en dat deze voor geïnteresseerden eenvoudig terug te vinden zijn. Het register moet eenvoudig raadpleegbaar zijn om andere belangenorganisaties in staat stellen te bepalen of zij voor een ingestelde collectieve vordering als Exclusieve Belangenbehartiger aangewezen willen worden en zelf ook een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis willen instellen. Om andere belangenorganisaties een goede afweging te kunnen laten maken, wordt bij de aantekening van de ingediende collectieve vordering ook een uittreksel van de ingediende procesinleiding gevoegd.”

CCC merkt op dat het centraal register de noodzakelijke informatie aanreikt voor de afweging of een andere belangenorganisatie een collectieve vordering wil instellen en de wijze waarop zij dit wil doen. Wanneer een termijnverlenging geen algemene werking zou hebben, zou dat een rem vormen op de uitdrukkelijk door de WAMCA geboden mogelijkheid om partij te worden in een collectieve actie en dit herbergt het gevaar in zich dat niet alle relevante partijen of grondslagen in de procedure zullen worden betrokken of aan de orde zullen worden gesteld.92

5.34.2

Dit argument ziet eraan voorbij dat algemene werking van de termijnverlenging mogelijk wel een geschikt middel is om het genoemde doel te bereiken (afgezien van aan dit middel klevende nadelen), maar daartoe niet een noodzakelijk middel is. Dit doel kan ook worden bereikt doordat belangstellende belangenorganisaties de mogelijkheid hebben om binnen drie maanden te dagvaarden (art. 1018d lid 1 Rv) dan wel om gemotiveerd termijnverlenging te verzoeken (art. 1018d lid 2 Rv).

5.35.1

Ten vijfde wijst CCC in verband met de functie en inhoud van het centraal register ook op de omstandigheid dat rechtbanken hun beslissing tot termijnverlenging doorgaans doen aantekenen in dat register, zonder dat daarvoor een basis in de WAMCA lijkt te bestaan. Andere belangenorganisaties kunnen kennis nemen van een door de rechter verleende termijnverlenging. Daarbij sluit volgens CCC aan dat die organisaties ook daadwerkelijk van deze voor hen kenbare termijnverlenging gebruik kunnen maken en deze termijn dus algemene werking heeft.93

5.35.2.

Dit argument is gebaseerd op een praktijk, maar niet op een wettelijk uitgangspunt94 (zoals CCC ook erkent). Bij de beslissing om de termijnverlenging in het centraal register te doen aantekenen, wordt in de rechtspraak gewezen op de aard en het doel van het centraal register.95 Zoals hiervoor (in 5.9.3) aan de orde kwam, heeft dit register onder meer een informatiefunctie. Niet blijkt dat de wetgever heeft bedoeld dat andere belangenorganisaties rechten zouden kunnen ontlenen aan een in het centraal register geregistreerd gegeven.

5.36.1

Ten zesde heeft CCC bij schriftelijke repliek nog aangevoerd dat het niet toekennen van algemene werking aan een termijnverlening tot gevolg heeft dat de rechter wordt ‘overladen’ met separate verzoeken tot verlenging van de driemaandentermijn, die de rechter afzonderlijk zal moeten beoordelen.96

5.36.2

CCC wijst niet op een praktijk waaruit blijkt dat dit verschijnsel zich in werkelijkheid voordoet. Nu een termijnverlenging binnen een maand dient te worden verzocht (art. 1018d lid 2 Rv), heeft de rechter vrij snel een overzicht van het aantal verzochte termijnverlengingen. Indien gewenst, kan de rechter deze gezamenlijk behandelen.
Dat een termijnverlenging voor de inbreng van derden in een prejudiciële procedure bij de Hoge Raad op grond van art. 3.3.8.1 Procesreglement van de Hoge Raad algemene werking zou hebben, zoals CCC nog aanvoert in haar schriftelijke repliek nr. 10, brengt niet mee dat de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv algemene werking zou hebben.

5.37.1

Ik wijs tot slot nog op enige praktische gevolgen van het standpunt van CCC dat termijnverlenging algemene werking heeft.

5.37.2

Als de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv algemeen zou gelden, zou dat ertoe leiden dat een andere belangenorganisatie die niet heeft verzocht om verlenging kan meeliften op een termijnverlenging, zonder dat zij heeft toegelicht waarom de initiële termijn van drie maanden voor haar niet volstaat en zonder dat de reeds verschenen partijen de gelegenheid hebben gehad hun standpunten daarover aan de rechter kenbaar te maken.97

5.37.3

Nu kan men wellicht menen dat dit maar voor lief moeten worden genomen door de reeds in de procedure betrokken andere eisers en de verweerders. De gedachte zou dan zijn dat het meeliften op een door een andere partij verzochte en verkregen termijnverlenging, op grond van de daaraan toe te kennen algemeen werking, praktisch gezien niet zoveel uitmaakt. De meeliftende belangenorganisatie moet haar dagvaarding binnen de verlengde termijn uitbrengen zodat dit per saldo niet tot vertraging van de procedure leidt. En als de meeliftende belangenorganisatie haar dagvaarding binnen de initiële driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv zou hebben uitgebracht, hadden de reeds in de procedure betrokken andere eisers en de verweerders daar ook niet vooraf over gehoord hoeven te worden. Kortom, de meeliftende belangorganisatie profiteert weliswaar van de inspanningen van de partij die verlenging heeft verzocht en verkregen, maar daaruit vloeit geen bloed voort, zo zou de gedachte kunnen zijn.

5.37.4

Bedacht moet echter worden dat de situatie ingewikkelder kan zijn dan hiervoor is geschetst. De rechter kan de termijnverlenging weigeren98 of kan minder verlengen dan is verzocht.99
Als de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv algemeen zou gelden, dan zou de wet voorzieningen moeten treffen voor bijvoorbeeld het geval dat (a) een verzoek wordt afgewezen, (b) een verzoek wordt toegewezen met een termijnverlenging van minder dan drie maanden of (c) het geval dat verschillende verzoeken tot termijnverlenging zijn gedaan en op deze verzoeken verschillend is beslist – of althans zou men verwachten dat de toelichting op de wet dit soort complicaties zou adresseren.
Heeft (a) de afwijzing van een verzoek algemene werking, zodat andere verzoeken niet meer gedaan kunnen worden? Belemmert (b) de algemene werking van een termijnverlening van twee maanden100 dat een andere belangenorganisatie nog een verlenging van drie maanden kan verzoeken? Hebben (c) beslissingen waarbij aan de ene partij een verlenging van twee maanden is gegund en aan een andere partij een verlenging van drie maanden is gegund beide algemene werking en, zo ja, waarop kunnen derden dan afgaan? Hetzelfde kan worden gevraagd indien het verzoek van de ene partij is toegewezen101 en het verzoek van een andere partij is afgewezen.
CCC betoogt alleen dat een termijnverlenging algemene werking heeft. Haar betoog roept bij mij echter ook de onder (a) –(c) bedoelde vragen op. Daaraan is in theorie misschien wel een mouw te passen, maar het punt is dat de wet en de toelichting in alle talen zwijgen over dergelijke complicaties die inherent zijn aan de door CCC gestelde algemene werking van een termijnverlenging. Ook dit wijst erop dat de termijnverlenging van art. 1018d lid 2 Rv geen algemene werking heeft.

5.38

Gelet op het voorgaande, falen de klachten van onderdeel 1.102Subonderdeel 1.2 faalt op de grond dat de termijnverlenging op de voet van art. 1018d lid 2 Rv geldt voor een belangenorganisatie die om verlenging heeft verzocht en aan wie deze verlenging door de rechter is verleend. De verlenging heeft geen ‘algemene werking’ ten aanzien van ook belangenorganisaties die zelf niet om verlenging hebben gevraagd. De subonderdelen 1.3 en 1.4 falen in het verlengde hiervan.

5.39.1

Tot slot betoogt CCC dat voor zover een termijnverlenging op grond van art. 1018d lid 2 Rv geen algemene werking zou hebben, niet-ontvankelijkverklaring van haar in deze zaak achterwege dient te blijven, omdat een zodanige betekenis niet duidelijk uit de wet en de parlementaire geschiedenis volgt, en voor CCC terecht onzekerheid bestond of ook zij de route van art. 1018d lid 2 Rv had moeten volgen en die onzekerheid niet voor rekening van CCC hoeft te komen.103

5.39.2

Gelet op het voorgaande deel ik de door CCC aangevoerde onduidelijkheid over de wet en de uitleg daarvan niet. Ik zie daarom geen aanleiding om niet-ontvankelijkheid van CCC in deze zaak achterwege te laten. Het betoog spreekt overigens ook niet aan om de reden dat CCC is opgericht op 10 maart 2022 (vonnis rov. 3.23), dus nadat de driemaandentermijn van art. 1018d lid 1 Rv in deze zaak reeds was verstreken.

5.40

Onderdeel 1 slaagt niet.

Onderdeel 2; dezelfde gebeurtenis en soortgelijke feitelijke en rechtsvragen?

5.41

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.15, 5.17 en 5.24. In rov. 5.15 heeft de rechtbank vooropgesteld dat de vraag naar de positie van CCC dient te worden beantwoord aan de hand van de regels van de WAMCA, en dat daaraan niet afdoet het antwoord op de vraag of uiteindelijk de WAMCA op de in geding zijnde collectieve vorderingen daadwerkelijk van toepassing is of dat de vorderingen beoordeeld moeten worden op basis van artikel 3:305a (oud) BW. In rov. 5.17 overweegt de rechtbank dat de collectieve vordering van CCC ziet op, kort gezegd, dezelfde gebeurtenis en soortgelijke feitelijke en rechtsvragen als bedoeld in art. 1018d lid 1 Rv:

“5.17. Vervolgens moet worden beoordeeld of CCC collectieve vorderingen heeft ingesteld voor dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als waarop de collectieve vorderingen van RCJ betrekking hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. De verschillen in achterban, in gedaagde partijen en in een gering deel van de (grondslagen van de) vorderingen, waarop RCJ heeft gewezen, zijn van onvoldoende betekenis. Die verschillen nemen niet weg dat de gestelde gebeurtenis(sen) waarop de collectieve vorderingen van RCJ en CCC betrekking hebben en de daarmee gemoeide feitelijke en rechtsvragen in wezen hetzelfde zijn. Dit blijkt ook wel uit het feit dat CCC in haar dagvaarding heeft verwezen naar de door RCJ aanhangig gemaakte zaak en dat CCC haar vorderingen heeft gegrond op dezelfde feiten als door RCJ gesteld.”

In rov. 5.24 concludeert de rechtbank dat de niet-ontvankelijkheid van CCC betekent dat verweersters 3-6 (Apple Operations, Apple Holding, Apple Benelux en Apple Retail) geen partij meer zijn in de procedure.

5.42

Het onderdeel bevat acht subonderdelen. Subonderdeel 1.1 is inleidend en bevat geen klacht. De klachten richten zich tegen de overweging van de rechtbank dat de verschillen in gedaagden (subonderdelen 2.2-2.5) en in achterban (subonderdelen 2.6-2.7) van onvoldoende betekenis zijn. Subonderdeel 2.8 bevat uitsluitend een voortbouwklacht.

5.43

Het onderdeel betreft dus het oordeel van de rechtbank dat CCC een collectieve vordering heeft ingesteld voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering van RCJ betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen (art. 1018d lid 1 Rv). Ik lees in het onderdeel, mede gezien de daarop gegeven toelichting,104 slechts klachten die zijn gericht tegen rov. 5.17 (en dus ook tegen de conclusie in rov. 5.24), maar geen klachten die specifiek tegen rov. 5.15 zijn gericht.

5.44

De maatstaf van art. 1018d lid 1 Rv is bepalend voor toepasselijkheid van de driemaandentermijn om te dagvaarden en, meer in het algemeen, de vraag of een belangenorganisatie met haar collectieve vordering dient aan te haken bij een eerder ingestelde collectieve vordering. Het tweede onderdeel betreft dus een kwestie die analytisch voorafgaat aan eerder besproken kwestie over de al dan niet algemene werking van de verlenging van de driemaandentermijn op de voet van art. 1018d lid 2 Rv.105

5.45

In de literatuur is geopperd dat het vereiste van eenzelfde gebeurtenis met gelijksoortige feitelijke vragen en rechtsvragen overeenkomt met het gelijksoortigheidsvereiste dat is neergelegd in art. 3:305a lid 1 BW.106 Ik denk dat het om verschillende toetsen gaat, zodat zij om die reden niet overeenkomen (al is niet uitgesloten dat bepaalde overwegingen bij beide toetsen een rol kunnen spelen). Het gelijksoortigheidsvereiste van in art. 3:305a lid 1 BW dient er toe te beoordelen of een zaak geschikt is voor een collectieve vordering, dat wil zeggen of de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd.107 De maatstaf van 1018d lid 1 Rv betreft de vraag of verschillende collectieve vorderingen gezamenlijk moeten worden behandeld.

5.46

De maatstaf van art. 1018d lid 1 Rv is naar mijn mening bedoeld als een flexibele maatstaf. Toepassing ervan vergt een waardering van de omstandigheden van het geval. De maatstaf lijkt in beginsel niet geschikt voor harde subregels.

5.47

Ten eerste blijkt dit uit de tekst van art. 1018d lid 1 Rv. Hierin wordt gesproken van ‘gelijksoortige’ feitelijke en rechtsvragen. Deze vragen behoeven dus niet identiek te zijn.

5.48

Ten tweede blijkt dit uit de passage in de (eerder in 5.11.3 geciteerde) memorie van toelichting, dat toepassing van art. 1018d lid 1 Rv staat in de sleutel van de vraag “of de collectieve vorderingen voldoende betrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, zodat het de voorkeur heeft deze als één zaak af te wikkelen” (cursiveringen toegevoegd; plv).
Met ‘de voorkeur’ wordt, zo begrijp ik, verwezen naar de doelstellingen van de WAMCA. De vraag is dan of behandeling van verschillende collectieve vorderingen in één zaak een efficiënte en effectieve afwikkeling ervan bevordert (vgl. hiervoor in 5.6 en 5.9.3).
De opmerking dat de collectieve vorderingen ‘voldoende’ betrekking hebben op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen voor dezelfde gebeurtenis, heeft kennelijk niet de strekking afstand te nemen van de tekst van art. 1018d lid 1 Rv, waarin het woord ‘voldoende’ niet voorkomt. Maar zij maakt wel de bedoelding duidelijk dat art. 1018d lid 1 Rv een meer flexibele maatstaf bevat.

5.49

Ten derde blijkt dit uit het voorbeeld dat wordt gegeven in de memorie van toelichting. Volgens dit voorbeeld kan aan de maatstaf van art. 1018d lid 1 Rv zijn voldaan, indien als gevolg van dezelfde gebeurtenis (het geven van misleidende informatie door een bedrijf), de collectieve vorderingen zien op verschillende groepen benadeelden (zoals beleggers en consumenten) en ook als de vordering en de grondslagen daarvan niet identiek zijn. De toelichting noemt als voorbeeld vorderingen gebaseerd op wanprestatie of onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling, en vorderingen wegens misleidende koersinformatie of wegens oneerlijke handelspraktijk.

5.50

Het ligt ook voor de hand dat de maatstaf van art. 1018d lid 1 Rv is bedoeld als een flexibele maatstaf en dat toepassing ervan een waardering van de omstandigheden van het geval vergt. Een eisende belangenorganisatie heeft immers invloed op de vraag hoe zij haar achterban, vorderingen en vorderingsgrondslagen omschrijft, en welke verweerders zij in rechte wil betrekken. Zouden verschillen op deze punten op zichzelf reeds voldoende zijn voor de conclusie dat geen sprake is van “een collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen als waarop de collectieve vordering bedoeld in artikel 1018c lid 1 Rv, betrekking heeft, over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen” dan zouden belangenorganisaties het er eenvoudig toe kunnen leiden dat hun vordering niet behoeft aan te haken bij de als eerste ingestelde collectieve vordering. Een dergelijke belangenorganisatie zou dan in feite de toepassing van de maatstaf van art. 1018d lid 1 Rv bepalen in plaats van de rechter. Dat strookt niet met de doelstelling van de WAMCA om een efficiënte en effectieve afwikkeling van verschillende collectieve vorderingen in één zaak te bevorderen.108

5.51

Voorts bevat de maatstaf van art. 1018d lid 1 Rv elementen met een feitelijk karakter. Het element ‘dezelfde gebeurtenis(sen)’ betreft de afbakening (in onder meer tijd en plaats) van de feiten en omstandigheden waarop de collectieve vordering betrekking heeft. Het element ‘gelijksoortige feitelijke vragen’ betreft feitelijke issues die relevant zijn voor de beoordeling van de collectieve vordering. Welke feitelijke issues dit zijn, wordt bepaald in het licht van de rechtsregels die ten grondslag liggen aan de ingestelde vorderingen. Daarom hangt het element ‘gelijksoortige feitelijke vragen’ samen met het element ‘gelijksoortige rechtsvragen’. Voor de beoordeling van een en ander is van uitleg van de gedingstukken vereist.109

5.52

Uit het voorgaande volgt, dat het oordeel van de rechtbank over de toepassing van de maatstaf van art. 1018d lid 1 Rv in dit geval, in cassatietechnische termen moet worden aangemerkt als een gemengd oordeel. De Hoge Raad kan onderzoeken of dit oordeel blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting en of het oordeel voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.

5.53

Ik bespreek eerst de subonderdelen 2.6 en 2.7 over het belang van het verschil in achterban.

5.54

Zoals blijkt uit de (in 5.11.3) geciteerde passage in de memorie van toelichting is een verschil in achterban – RCJ komt op voor Nederlandse consumenten, CCC komt op voor Nederlandse en Europese consumenten – een relevante omstandigheid bij de beoordeling aan de hand van art. 1018d lid 1 Rv.110 Maar het is niet meer dan dat.

5.55

Anders dan subonderdeel 2.6 aanvoert, heeft de rechtbank dit niet miskend dat het om een relevante omstandigheid gaat. De rechtbank gaat in rov. 5.17 uitdrukkelijk op deze omstandigheid in. Het subonderdeel faalt daarom bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dit geldt ook voor de motiveringsklacht van subonderdeel 2.7 voor zover ook deze klacht veronderstelt dat de rechtbank een verschil in achterban niet relevant acht.

5.56

Subonderdeel 2.7 klaagt voorts dat het oordeel in rov. 5.17 onvoldoende gemotiveerd is, omdat zonder nadere, ontbrekende, motivering niet valt in te zien waarom het onderscheid in achterban van onvoldoende betekenis is. CCC komt immers op voor een veel grotere en daarmee ook andere groep consumenten dan RCJ. Zonder nadere, ontbrekende, motivering valt in dat licht niet in te zien waarom CCC niet ten minste onafhankelijk van de collectieve vordering van RCJ namens de Europese Consumenten een collectieve vordering jegens Apple c.s. bij de Nederlandse rechter zou kunnen instellen. De omstandigheid dat RCJ een collectieve vordering instelt namens in Nederland woonachtige consumenten (en app ontwikkelaars) is in het licht van voornoemde verschillen in de achterban van CCC en RCJ in ieder geval onvoldoende om te concluderen dat de collectieve vordering van CCC namens de Europese Consumenten ziet op dezelfde gebeurtenis(sen) of op gelijksoortige feitelijke of rechtsvragen als de collectieve vordering van RCJ, aldus de klacht.

5.57

De relevantie van het verschil in achterban van RCJ en CCC moet worden beoordeeld in het licht van de vraag of hun vorderingen dezelfde gebeurtenis(sen) en gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen betreffen.111 Blijkens de memorie van toelichting kan daarvan sprake zijn ook indien er een verschil is in de aard van de achterban van de verschillende belangenorganisaties en, daarmee samenhangend, een verschil in vorderingsgrondslagen (zie hiervoor in 5.49).

5.58

In het onderhavige geval gaat het om een verschil in de omvang van de achterban, te weten Nederlandse dan wel ook Europese consumenten. De rechtbank heeft in rov. 5.17, in cassatie in zoverre onbestreden overwogen dat (i) er geen relevant verschil is in de (grondslagen van de) vorderingen van RCJ en CCC, (ii) CCC in haar dagvaarding heeft verwezen naar de door RCJ aanhangig gemaakte zaak en (iii) CCC haar vorderingen op dezelfde feiten heeft gegrond als door RCJ gesteld.
Het subonderdeel wijst, behoudens het door de rechtbank verdisconteerde verschil in achterban, niet op stellingen die CCC in feitelijke instantie heeft aangevoerd waarop de rechtbank nader had moeten ingaan.
Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd is (en het oordeel geeft overigens ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting).

5.59

Anders dan het subonderdeel aanvoert, behoefde de rechtbank niet in te gaan op de vraag waarom CCC niet ten minste onafhankelijk van de collectieve vordering van RCJ namens de Europese Consumenten een collectieve vordering jegens Apple c.s. bij de Nederlandse rechter zou kunnen instellen. De rechtbank dient immers te toetsen aan art. 1018d lid 1 Rv. Indien die toets meebrengt dat het gaat om, kort gezegd, dezelfde gebeurtenis met soortgelijke feitelijke en rechtsvragen, dan moet CCC binnen de termijnen van art. 1018d Rv dagvaarden om aan te haken bij de collectieve actie van RCJ. Indien de toets aan art. 1018d lid 1 Rv uitwijst dat het niet gaat om dezelfde gebeurtenis met soortgelijke feitelijke en rechtsvragen, dan staat het CCC vrij om onafhankelijk van de collectieve vordering van RCJ namens de Europese Consumenten een collectieve vordering jegens Apple c.s. bij de Nederlandse rechter in te stellen.

5.60

Ik bespreek thans de subonderdelen 2.2-2.5 over het belang van het verschil in gedaagden.

5.61

Subonderdeel 2.2 betoogt, samengevat, dat als uitgangspunt geen sprake is van een collectieve vordering die ziet op dezelfde gebeurtenis(sen), althans dat deze vordering niet ziet op gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen als de eerste collectieve vordering, voor zover de latere vordering zich richt tegen andere rechtspersonen dan de rechtspersonen die reeds gedagvaard zijn. Subonderdeel 2.3 klaagt, samengevat, dat de rechtbank miskent dat indien (mede) andere rechtspersonen zijn gedagvaard, de ontvankelijkheid ten aanzien van de vorderingen jegens die rechtspersonen niet bepaald wordt door de regeling van art. 1018d Rv, maar als uitgangspunt in zoverre als de als eerste uitgebrachte dagvaarding kwalificeert.

5.62

De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De vraag welke partijen zijn gedagvaard is een potentieel relevante omstandigheid bij de beoordeling aan de hand van art. 1018d lid 1 Rv.112 De rechtbank heeft dit in rov. 5.17 onderkend. Voor zover het onderdeel betoogt dat de rechtbank dit zou hebben miskend,113 berust het op een onjuiste lezing van het vonnis.

5.63.1

Niet valt in te zien dat een verschil in gedaagde partijen op zichzelf beschouwd reeds tot de conclusie moet leiden dat (als uitgangspunt) geen sprake is van, kort gezegd, dezelfde gebeurtenis met soortgelijke feitelijke en rechtsvragen als bedoeld in art 1018d lid 1 Rv of dat art. 1018d lid 1 Rv daarop niet zou zien.

5.63.2

Dit laat zich eenvoudig illustreren. Stel dat A en B gezamenlijk misleidende mededelingen aan het publiek hebben gedaan. Belangenorganisatie X stelt ten behoeve van een bepaalde groep benadeelden een collectieve vordering tot schadevergoeding in en dagvaardt daartoe alleen A. Belangenorganisatie Y wil vervolgens, voor dezelfde groep, op dezelfde grondslag dezelfde vordering instellen, maar dan tegen B. Uiteraard wordt dit door art. 1018d lid 1 Rv bestreken en het oordeel zal hoogstwaarschijnlijk zijn dat Y moet aanhaken bij de collectieve actie van X.

5.63.3

De opvatting van de subonderdelen zou meebrengen dat, met name wanneer het gewraakte handelen potentieel kan worden toegerekend aan verschillende rechtspersonen binnen een groep, een belangenorganisatie eenvoudig de doelstelling van de WAMCA om een efficiënte en effectieve afwikkeling van verschillende collectieve vorderingen in één zaak te bevorderen, kan omzeilen door een extra (groeps)vennootschap te dagvaarden (zie hiervoor in 5.50).

5.64

CCC voert aan dat als niet de opvatting van het onderdeel wordt gevolgd,114 (aanvullende) gedaagde partijen buiten schot zouden blijven, het risico bestaat dat achteraf blijkt dat de verkeerde partijen zijn gedagvaard door de eerste belangenorganisatie of dat partijen zijn gedagvaard die geen verhaal blijken te bieden.
Dit betoog brengt niet mee dat de opvatting van het onderdeel moet worden gevolgd. Het staat een andere belangenorganisatie uiteraard vrij om, indien zij van mening is dat daarvoor goede argumenten bestaan, ook andere partijen te dagvaarden dan de partijen waartegen de collectieve actie van de eerste belangenorganisatie is gericht. Maar de andere belangenorganisatie moet dit wel doen binnen de termijnen van art. 1018d Rv als het gaat om, kort gezegd, dezelfde gebeurtenis met soortgelijke feitelijke en rechtsvragen.

5.65

De subonderdelen 2.2 en 2.3 berusten dus op een onjuiste rechtsopvatting en dienen te falen. Op deze rechtsopvatting bouwen voort de motiveringsklachten van subonderdeel 2.4 (over het verschil in gedaagde partijen) en subonderdeel 2.5 (over de mogelijkheid dat niet alle gedaagde partijen veroordeeld zullen worden dan wel verhaal zullen bieden). Deze subonderdelen moeten dus ook falen.

5.66

Gezien het voorgaande, faalt ook de voortbouwklacht van subonderdeel 2.8. De slotsom is dat onderdeel 2 niet slaagt.

Onderdeel 3: proceskostenveroordeling

5.67

Het derde onderdeel richt klachten tegen de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC (rov. 10.2 en 10.3). Het onderdeel bevat vier subonderdelen. Subonderdeel 3.1 is inleidend en bevat geen klacht.
Volgens subonderdeel 3.2 miskent de rechtbank dat een procespartij (op de voet van art. 237 Rv) slechts kan worden veroordeeld in de kosten van haar wederpartij – dat wil in casu zeggen: Apple c.s. en niet haar mede-eisers RCJ en ASC. Titel 14A kent voor een kostenvergoeding wegens niet-ontvankelijkverklaring van een der partijen evenmin een eigen regeling die grond biedt voor de veroordeling van een partij in de kosten van een mede-eiseres (of medegedaagde). De rechtbank heeft dat miskend voor zover zij van het bestaan van een dergelijke regeling is uitgegaan. Indien de rechtbank heeft geoordeeld dat ASC en RCJ in deze procedure als wederpartij van CCC kwalificeren, is dat oordeel volgens subonderdeel 3.3 onjuist. De 305a-rechtspersonen die eenzelfde collectieve vordering in de zin van titel 14A Rv hebben ingesteld kwalificeren immers niet als wederpartijen van elkaar, maar als elkaars mede-eisers (vgl. art. 1018e lid 3 Rv).

Subonderdeel 3.4 klaagt dat de rechtbank met haar proceskostenveroordeling in rov. 10.2 in ieder geval buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, omdat RCJ noch ASC hebben gevorderd CCC te veroordelen in de proceskosten. Blijkens hun petita hebben zij enkel gevorderd Apple Inc. en Apple Distribution te veroordelen in de proceskosten.

5.68

De subonderdelen 3.2 en 3.3 betogen dat CCC alleen kon worden veroordeeld in de kosten van verweerders Apple c.s., maar niet in de kosten van haar mede-eisers RCJ en ASC. Dit stelt de vraag aan de orde hoe enerzijds RCJ respectievelijk ASC en anderzijds CCC zich in processueel opzicht tot elkaar verhouden.

5.69.1

Indien een latere belangenorganisatie met haar collectieve vordering op grond van art. 1018d lid 1 Rv aanhaakt bij een eerdere collectieve vordering, worden na inschrijving op de rol115 de zaken voor de toepassing van het Eerste Boek Rv gezamenlijk behandeld116 als een zaak, dat wil zeggen als één zaak (art. 1018d lid 3 Rv). In overeenstemming hiermee is het vonnis van de rechtbank gewezen in ‘de zaak’ van RCJ tegen Apple Ierland en Apple Inc., en RCJ tegen Apple Ierland en Apple Inc., en CCC tegen Apple c.s. In cassatie zijn (naar mijn mening terecht)117 geen klachten gericht tegen de overweging van de rechtbank dat uit de WAMCA volgt dat sprake is van één zaak waarin drie stichtingen vorderingen hebben ingesteld.118

5.69.2

In deze ene zaak worden collectieve vorderingen van verschillende belangenorganisaties gecoördineerd behandeld.119 De WAMCA dwingt tot consolidatie ofwel samenvoeging ervan (art. 1018d Rv).120 Het doel van deze consolidatie is dat (in beginsel) één belangenorganisatie kan worden aangemerkt als Exclusieve Belangenbehartiger die in de procedure de andere eisende belangenorganisatie(s) zal vertegenwoordigen.121 De belangenorganisatie die niet als Exclusieve Belangenbehartiger is aangewezen, blijft partij in de procedure en de rechter kan haar toestaan zelf een proceshandeling te verrichten (art. 1018e lid 3 Rv).

5.69.3

In verband met deze gedwongen consolidatie van collectieve vorderingen – en de in dat verband relevante termijnen van art. 1018d Rv – wordt aangenomen dat de reguliere mogelijkheid tot voeging of tussenkomst op de voet van art. 217 e.v. Rv door een belangenorganisatie die een collectieve vordering wenst in te stellen in verband met dezelfde gebeurtenis(sen) over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen, niet mogelijk is.122 Zou dit wel mogelijk zijn, dan zou het stelsel van art. 1018d Rv kunnen worden doorkruist.

5.70

De gedwongen consolidatie van art. 1018d lid 3 Rv verschilt gezien het voorgaande van een voeging op de voet van art. 222 Rv of van een rolvoeging.123

5.71.1

Hoewel de collectieve vorderingen volgens art. 1018d lid 3 Rv gezamenlijk in één zaak worden behandeld, blijven de verschillende collectieve vorderingen als zelfstandige vorderingen bestaan.124

5.71.2

De rechtbank dient uiteindelijk te oordelen over de ontvankelijkheid van RCJ in haar collectieve vorderingen tegen Apple Ierland en Apple Inc. en over de toewijsbaarheid daarvan; over de ontvankelijkheid van ASC in haar collectieve vorderingen tegen Apple Ierland en Apple Inc. en over de toewijsbaarheid daarvan; en over de ontvankelijkheid van CCC in haar collectieve vorderingen tegen Apple c.s. en over de toewijsbaarheid daarvan (al zal het van dit laatste niet meer komen gezien het falen van de het eerste en het tweede onderdeel van het cassatiemiddel van CCC). Dit is onvermijdelijk waar de collectieve vordering onderling verschillen, bijvoorbeeld ten aanzien van de relevante achterban, de gedaagde(n),de grondslag van de vordering en de vorderingen zelf. Maar ook indien twee collectieve vorderingen op dit punt identiek zouden zijn, gaat het nog steeds om verschillende collectieve vorderingen die door verschillende belangenorganisaties zijn ingesteld.

5.71.3

Uit de rol van de Exclusieve Belangenbehartiger volgt niet iets anders. De Exclusieve Belangenbehartiger heeft aan de zijde van eisers de leiding in de procedure. Hij treedt daarbij op als vertegenwoordiger van de andere eisers, die ook partij blijven (art. 1018e lid 3 Rv). De rol van de Exclusieve Belangenbehartiger strekt zich dus ook uit tot de collectieve vorderingen van de andere eisers.

5.71.4

De situatie in een WAMCA-zaak lijkt daarmee enigszins op een geval van subjectieve cumulatie van vorderingen door meerdere eisers tegen één of meer gedaagden. Anders dan bij subjectieve cumulatie zijn de vorderingen echter niet bij één dagvaarding aanhangig gemaakt, maar bij meerdere dagvaardingen. Bovendien zijn de eisende belangenorganisaties gedwongen gezamenlijk op te trekken in de WAMCA-zaak, waarbij in hun onderlinge verhouding een rol speelt wie door de rechter is aangewezen als Exclusieve Belangenbehartiger.

5.72

De belangen en standpunten van de verschillende eisende belangenorganisaties behoeven niet parallel te lopen. Zo kunnen zij verschillende standpunten hebben over de ontvankelijkheid van een organisatie of over de vraag wie van de ontvankelijke organisaties moet worden aangewezen als Exclusieve Belangenbehartiger. Hoewel de verschillende belangenorganisaties geacht worden samen te werken na aanwijzing van de Exclusieve Belangenbehartiger, is een conflict tussen hen ook dan niet ondenkbaar. Dit kan ertoe leiden dat een belangenorganisatie de rechter vraagt om haar alsnog aan te wijzen als Exclusieve Belangenbehartiger.125

5.73

Wat betekent het voorgaande voor de vraag of de rechtbank in dit geval CCC kon veroordelen in ook de kosten van RCJ en ASC?

5.74

Indien sprake zou zijn van een verzoekschriftprocedure (wat niet het geval is; zie art. 1018b lid 1 Rv), zou de rechter op voet van art. 289 Rv de ruimte hebben om een kostenveroordeling uit te spreken ten gunste van elke partij ten laste van een andere partij, indien laatstbedoelde partij ten opzichte van eerstgenoemde partij kan worden aangemerkt als in het ongelijk gesteld. Bij verzoekschriftprocedures kunnen belanghebbenden immers onderling in zeker opzicht tegenover elkaar komen te staan.126

5.75

In deze zaak is art. 237 Rv van toepassing voor zover daarvan niet is afgeweken in titel 14a Rv. Titel 14a Rv bevat in art. 1018l Rv bepalingen over kosten die ten laste worden gebracht van een eisende belangenorganisatie indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken (lid 1) dan wel ten laste van gedaagde(n) indien de rechter een collectieve vordering tot schadevergoeding in geld toewijst (lid 2). Deze gevallen doen zich in deze zaak niet voor, zodat alleen art. 237 Rv geldt.

5.76.1

Art. 237 lid 1, eerste zin, Rv bepaalt als hoofdregel dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld in de kosten wordt veroordeeld.127

5.76.2

In een tweepartijenprocedure is duidelijk dat de kostenveroordeling ten goede komt aan de wederpartij van de in het ongelijk gestelde partij.128

5.76.3

Voor zover in een meerpartijenprocedure sprake is van verschillende, voor afzonderlijke berechting vatbare tweepartijenprocedures, wordt de veroordeling in de proceskosten daarop bij wijze van uitgangspunt afgestemd, in die zin dat in elke procedure de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten van haar wederpartij.129

5.76.4

Dit laatste geldt ook indien een van de gedaagden zich inhoudelijk aan de zijde van de eiser heeft geschaard, zoals in het door HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483 berechte geval. In een procedure over een noodweg waren verschillende omwonenden gedagvaard. Het debat ging over de vraag over wiens perceel de noodweg moest lopen, en bepaalde gedaagden stelden zich met eiser op het standpunt dat het perceel van een andere gedaagde daartoe aangewezen moest worden. Het hof had de gedaagde die de zaak verloor veroordeeld in de koste van de eiser en de kosten van de gedaagden die zich inhoudelijk aan de zijde van eiser hadden geschaard. Volgens de Hoge Raad was niet voldoende dat bepaalde gedaagden zich inhoudelijk aan de zijde van eiser hadden geschaard. Een dergelijke maatstaf zou tot grote onzekerheden kunnen leiden. Voor de vraag wie in het ongelijk was gesteld, is bepalend of de vordering van de eiser tegen een gedaagde al dan niet was toegewezen.130

5.77

Gezien het voorgaande voert CCC terecht aan dat ASC en RCJ in de aanhangige zaak mede-eisers zijn (dat wil zeggen ieder voor haar eigen collectieve vorderingen) en dat zij niet haar wederpartijen zijn. CCC heeft tegen RCJ en ASC geen vorderingen ingesteld. Dit wijst erop dat CCC in het vonnis waarin de rechtbank haar niet ontvankelijk heeft verklaard, heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij in haar verhouding tot Apple c.s., die door CCC zijn gedagvaard, maar niet in haar verhouding tot RCJ of ASC.

5.78.1

Hieraan doet op zichzelf niet af dat RJC en ASC wel belang hadden bij de vraag of CCC ontvankelijk is in haar vordering. De rechtbank heeft hen daarom in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of CCC haar dagvaarding tijdig heeft uitgebracht131 en in cassatie wordt dit niet bestreden.

5.78.2

Ten aanzien van de vraag of CCC ontvankelijk was, liepen de belangen van enerzijds CCC en anderzijds RCJ en ASC kennelijk uiteen. RCJ en ASC hebben zich namelijk op het standpunt gesteld dat CCC niet ontvankelijk verklaard dient te worden.132 De rechtbank heeft CCC kennelijk in de kosten van RCJ en ASC veroordeeld, omdat RCJ en ASC de ontvankelijkheid van CCC met succes hebben bestreden.

5.78.3

In zoverre kan men zeggen dat CCC in haar verhouding tot RCJ en ASC inhoudelijk in het ongelijk is gesteld. Dit komt echter neer op een kostenveroordeling die de processuele rolverdeling van partijen in een vorderingsprocedure negeert en die zich in plaats daarvan oriënteert op het inhoudelijke standpunt van een partij. Dit wordt niet anders door RCJ en ASC wederpartijen van CCC te noemen, uitsluitend omdat zij ten aanzien van de ontvankelijkheid van CCC een ander standpunt dan CCC hebben ingenomen.133
Een kostenveroordeling die zich oriënteert op het inhoudelijke standpunt van een partij kan, in het algemeen gesproken, leiden tot onzekerheid. Zo is denkbaar dat de eerste belangenorganisatie betoogt dat de andere belangenorganisatie wel ontvankelijk is – en dus in de proceskosten van de gedaagde kan worden veroordeeld indien de rechter anders beslist?

5.78.4

In het licht van het hiervoor (in 5.76.4) genoemde arrest van 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, wijst een en ander er mijns inziens op dat een kostenveroordeling van CCC ten gunste van RCJ en ASC niet mogelijk is. Als een verliezende gedaagde niet kan worden veroordeeld in de kosten van een medegedaagde die zich inhoudelijk aan de zijde van eiser heeft geschaard, ligt het voor de hand om aan te nemen dat evenmin een eiser kan worden veroordeeld in de kosten van een mede-eiser die zich inhoudelijk aan de zijde van een gedaagde heeft geschaard.

5.79

Ik meen dat er, voor wat betreft het onderhavige geval waarin het gaat om de beoordeling van de ontvankelijkheid van CCC, geen dwingende redenen zijn om hierover anders te oordelen in het licht van eventuele bijzonderheden van de WAMCA-procedure.

5.80.1

De hoedanigheid van CCC, RCJ en ASC als mede-eisers in één zaak berust op de werking van art. 1018d lid 3 Rv. De rechtbank heeft op die basis RCJ en ASC in de gelegenheid gesteld hun standpunt over de ontvankelijkheid van CCC kenbaar te maken. RCJ en ASC waren daarom niet genoodzaakt om zich op de voet van art. 217 Rv aan de zijde van Apple c.s. te voegen in de door CCC tegen Apple c.s. ingestelde collectieve vordering, teneinde de ontvankelijkheid van CCC te bestrijden – aangenomen dat deze mogelijkheid tot voeging juridisch bestaat.134

5.80.2

Zouden RCJ en ASC zich in de collectieve vordering tussen CCC en Apple c.s. wel aan de zijde van Apple c.s. hebben gevoegd, na een daartoe strekkend incident, dan zouden zij de positie van procespartij aan de zijde van Apple c.s. en tegenover CCC hebben verworven. Daarmee is niet gezegd dat zij in dat geval wel aanspraak zouden hebben kunnen maken op een proceskostenveroordeling ten laste van CCC.135
Verliest de partij aan wiens zijde de derde zich heeft gevoegd, dan is denkbaar dat de derde ook wordt veroordeeld in (een deel van) de kosten van de winnende partij.136 Door zich te voegen aan de zijde van de verliezende partij heeft de derde immers bijgedragen aan de kosten die de winnende partij heeft moeten maken. Wint de partij aan wiens zijde de derde zich gevoegd heeft, dan ligt echter niet in de rede dat de derde ook aanspraak kan maken op een kostenveroordeling ten laste van de verliezende partij. De derde heeft zich immers ongevraagd met de procedure bemoeid en zelf geen vordering ingesteld.137

5.81

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de subonderdelen 3.2 en 3.3 slagen. Nu CCC, RCJ en ASC mede-eisers zijn in de in art. 1018d lid 3 Rv bedoelde zaak, brengt art. 237 Rv mee dat CCC in het vonnis waarbij CCC niet-ontvankelijk is verklaard niet in haar verhouding tot RCJ en ASC kan gelden als de in het ongelijk gestelde partij.

5.82

Subonderdeel 3.4 faalt op de grond dat de kostenveroordeling moet worden uitgesproken, ook als deze niet uitdrukkelijk is gevorderd.138

5.83

De slotsom is dat subonderdelen 3.2 en 3.3 slagen.

Slotsom en afdoening van de zaak

5.84

Ik kom tot de slotsom is dat de onderdelen 1 en 2 van het middel falen. Daarmee blijft het oordeel van de rechtbank dat CCC niet ontvankelijk is overeind en is de collectieve vordering van CCC tegen Apple c.s. van de baan.

5.85

De klachten van onderdeel 3 over de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC slaagt. De Hoge Raad kan ermee volstaan het in cassatie bestreden vonnis te vernietigen uitsluitend voor zover het betreft de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC in het dictum onder 10.2 en 10.3.139 Het is in dit geval niet nodig dat de Hoge Raad zelf in de zaak voorziet door de proceskostenveroordeling uit te spreken die de rechtbank had dienen uit te spreken. Bij vernietiging als hiervoor bedoeld blijft de veroordeling door de rechtbank van CCC in de proceskosten van Apple c.s. in stand. Voor het overige bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

5.86

Er is geen aanleiding de zaak voor zover het betreft de collectieve vordering van CCC tegen Apple c.s., terug te wijzen naar de rechtbank Amsterdam dan wel te verwijzen naar een andere rechter.140 De zaak tussen CCC en Apple c.s. is immers tot een einde gekomen. In de zaak tussen RCJ, ASC, Apple Ierland en Apple Inc. is bij de rechtbank, los van het onderhavige cassatieberoep, voortgeprocedeerd.

6 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van het in cassatie bestreden vonnis uitsluitend voor zover het betreft de veroordeling van CCC in de proceskosten van RCJ en ASC in het dictum onder 10.2 en 10.3.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Plv.

1 In navolging van de rechtbank. In de procesinleiding wordt verweerster sub 1 aangeduid als Apple Distribution.

2 Rb. Amsterdam 16 augustus, ECLI:NL:RBAMS:2023:5310.

3 RCJ komt ook op voor bepaalde ontwikkelaars (niet zijnde Apple) van verkochte iOS-apps. Zie vonnis rov. 2.1, 3.10 en 4.1.1.

4 Vonnis rov. 3.10.

5 Vonnis rov. 2.1-2.2.

6 Vgl. vonnis rov. 2.3.

7 Vonnis rov. 5.4.

8 Vonnis rov. 5.6.

9 Rov. 5.24 van het vonnis.

10 Zie nader Rb. Amsterdam 16 augustus, ECLI:NL:RBAMS:2023:5310, rov. 3.1-3.25.

11 Zie nader vonnis rov. 1.1, 4.1-4.1.9, 5.1 en 5.4.

12 De rechtbank verstaat onder ‘Apple’ blijkens het vonnis (p. 2): ‘het Apple-concern’.

13 Zie nader vonnis rov. 1.1, 4.3-4.3.8, 5.6 en 5.7.

14 Zie nader vonnis rov. 1.1, 4.2-4.2.4, 5.8 en 5.9.

15 Zie over de vorderingen en grondslagen daarvan, alsook de achterban van CCC uitvoerig rov. 4.2-4.2.4 van het vonnis van de rechtbank.

16 Deze vragen zijn nadien gesteld bij vonnis van 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8330.

17 Vonnis rov. 10.1-10.6.

18 B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, Cassatie (BPP nr. 20) 2019/145 en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/77.

19 B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, Cassatie (BPP nr. 20) 2019/146 en Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/77. Vgl. ook nr. 67.

20 De procesinleiding is op 15 november 2024 bij de Hoge Raad ingediend. Voor sprongcassatie geldt geen afwijkende cassatietermijn (Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/67 en 90; B. Winters/S.M. Kingma, T&C Rv, commentaar op art. 398 Rv, aant. 9; concl. E.B. Rank-Berenschot 10 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:176, nr. 1.20, voetnoot 16 en vgl. HR 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9391, NJ 2003/164, rov. 3.1; HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2808, NJ 2000/341 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 2 en B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, Cassatie (BPP nr. 20) 2019/173). In dit geval is de cassatietermijn drie maanden, nu de wet voor het hoger beroep geen kortere termijn heeft voorgeschreven (art. 402 lid 1 jo lid 2 Rv). In een WAMCA-procedure zijn de zevende en elfde titel van Boek 1 Rv in beginsel van toepassing (Kamerstukken II 2017-2018, 34 608, nr. 6, p. 15 en 31), waarover ook E. Hoogervorst, C. Klaassen & A. Knigge, ‘Hoger beroep en cassatie in een collectieve actie op grond van de WAMCA: een blik vooruit’, TCR 2021/4, p. 111-112.

21 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/67; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, p. 61.

22 Althans sinds HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63 m.nt. H.J. Snijders, JIN 2022/9 m.nt. M.A.J.G. Janssen, JBPr 2022/22 m.nt. P.A. Fruytier en Y. Pletting, rov. 3.2.4 en 3.2.6.

23 In vorderingsprocedures op grond van art. 3.1.4.2 sub a en b Procesreglement HR.

24 Vgl. HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:910, NJ 2013/493, JBPr 2014/5 m.nt. A.E.H. van der Voort Maarschalk, rov. 3.2.

25 Vgl. bijvoorbeeld HR 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:910, rov. 3.2 en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G E.M. Wesseling-van Gent 21 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:40, nr. 2.4.

26 In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat een overeenkomst tot sprongcassatie neerkomt op een uitsluiting van hoger beroep. Zie Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 64 (nr. 6).

27 Zie HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 4 (noot 1) van A-G Hartkamp; HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:904, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1.9 (noot 1) van A-G L. Timmerman; HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:898, rov. 2 i.v.m. conclusie sub 1.8 (noot 1) van A-G L. Timmerman.

28 Zie bijvoorbeeld HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2370, rov. 2; HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2744, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 2.2 (noot 4) van A-G L. Timmerman; HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1.5 (noot 5); HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614, rov 2 i.v.m. de conclusie in 1.7 (noot 7); HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, rov. 2; HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9141, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1.12 (noot 3) van A-G Keus; HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5665, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 2.4 (noot 3) van A-G L. Timmerman; HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2808, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1.6 van A-G Langemeijer. Vgl. W.D.H. Asser, Civiele cassatie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, p. 61. Een verweerder in cassatie kan blijkens HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1691, NJ 1995/597 m.nt. H.E. Ras, rov. 4, ook nog uitdrukkelijk met sprongcassatie instemmen tijdens de mondelinge behandeling voor de Hoge Raad.

29 Zie kennelijk HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1726, rov. 2.4 i.v.m. de conclusie sub 2.16 van A-G E.M. Wesseling-van Gent; HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3571, rov. 1 i.v.m. de conclusie sub 4 van A-G Huydecoper; HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4118, rov. 2 en 3.3 i.v.m. de conclusie sub 1.14 (noot 3) van A-G Timmerman; HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7892, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1 van A-G L. Strikwerda; HR 19 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1110, rov. 1 i.v.m. de conclusie sub 1.5 van A-G F.F. Langemeijer; HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8946, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1.6 van A-G Keus; HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1431, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1.5 (noot 4) van A-G F.F. Langemeijer; HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3796, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 2.15 van A-G J. Spier.

30 Zie kennelijk HR 25 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1135, rov. 2.4 i.v.m. de conclusie sub 1.20 van A-G E.B. Rank-Berenschot; HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1.8 van A-G Keus; HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4134, rov. 2 en 3.3 (slotzin) i.v.m. de conclusie sub 2.5 van A-G L. Timmerman.

31 B.T.M. van der Wiel m.m.v. M.M. Stolp, Cassatie (BPP nr. 20) 2019/221 en 254; J.F. de Groot & A.E.H. van der Voort Maarschalk, Cassatie (BPP nr. 20), 2019/343.

32 Zie HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2257, rov. 2 en 3.2.3, i.v.m. de conclusie sub 1.16 (noot 7) van A-G E.M. Wesseling-van Gent. Vgl. in een verzoekschriftzaak HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, rov. 2 i.v.m. de conclusie sub 1.11 van A-G E.M. Wesseling-van Gent.

33 Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/43, 287 en 251. Zie ook B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, Cassatie (BPP nr. 20) 2019/138.

34 Zie bijvoorbeeld HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936, NJ 2018/305 m.nt. J. Hijma, rov. 3; HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81 m.nt H.B. Krans, JBPr 2017/38 m.nt. S.L. Mineur, rov. 3.5.5. Zie voorts B.T.M. van der Wiel e.a., Cassatie, 2019/177.

35 Vgl. voor gevallen waarin een derde op voet van art. 245 Rv in de kosten is veroordeeld HR 17 maart 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0677, NJ 1989/768 m.nt. JMBV, rov. 3.3; HR 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3826, NJ 2000/288 m.nt. JMBV (onder NJ 2000/289), rov. 3.2. Zie voorts E. van Geuns & M.V.E.E. Jansen, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 332 Rv, aant. 10; P. de Bruin, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 245 Rv, aant. 6; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2009/35 en 99.

36 Procesinleiding nr. C.2 en schriftelijke toelichting namens CCC nrs. 67 en 79.

37 Schriftelijke toelichting namens Apple c.s. nrs. 114 en 118.

38 E. Hoogervorst, C. Klaassen & A. Knigge, ‘Hoger beroep en cassatie in een collectieve actie op grond van de WAMCA: een blik vooruit’, TCR 2021/4, i.h.b. paragraaf 6 (p. 118-121).

39 Schriftelijke toelichting namens ASC nrs. 13 en 77.

40 Anders dan wordt opgemerkt in de schriftelijke toelichting namens Apple c.s. nr. 113, lijkt mij duidelijk dat de opgeworpen vraag alleen betrekking heeft op de leden 1 en 2 van art, 1018c Rv.

41 Hierop wijst ook CCC in haar schriftelijke repliek nr. 21.

42 In de schriftelijke dupliek nr. 26 wordt slechts verwezen naar een kamerbrief (Kamerstukken II, 2023–2024, 36 169, nr. 42, p. 2), waarin wordt geschreven dat de evaluatie van de WAMCA zich onder meer zal richten op de onduidelijkheden van de WAMCA in hoger beroep.

43 E. Hoogervorst, C. Klaassen & A. Knigge, ‘Hoger beroep en cassatie in een collectieve actie op grond van de WAMCA: een blik vooruit’, TCR 2021/4, p. 119 resp. p. 121.

44 Zie A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2024:1074, nr. 3.6: “Omdat de WAMCA-procedure allicht haar karakter van WAMCA-procedure niet verliest in hoger beroep en in cassatie, zijn de specifiek op dat karakter betrekking hebbende regels van de art. 1018b en verder Rv waarbij dat op zijn plaats is, wel van toepassing te achten in de procedure in hoger beroep en cassatie.”

45 Schriftelijke toelichting namens ASC nr. 13. Zij werpt wel de vraag op wat de sanctie is van schending van art. 1018c lid 1of lid 2 Rv. Vgl. daarover M.V.E.E. de Monchy en T. Kluwen, “De WAMCA leeft! In vogelvlucht door twee jaar rechtspraak”, MVV 2022/3, p. 84.

46 Schriftelijke toelichting namens Apple c.s. nrs. 114-115.

47 Zie https://www.rechtspraak.nl/Registers/centraal-register-voor-collectieve-vorderingen onder Right to Consumer Justice tegen Apple (4-10-2021).

48 Wet van 6 april 1994 houdende Regeling van de bevoegdheid van bepaalde rechtspersonen om ter bescherming van de belangen van andere personen een rechtsvordering in te stellen Stb. 1994, 269 en Stb. 1994, 391. Zie ook W.H. van Boom, ‘WCA  WCAM  WAMCA’, Tijdschrift voor Consumentenrecht en handelspraktijken 2019-4, p. 154.

49 Zie voor een analyse van deze rechtspraak paragraaf 3 van de Memorie van toelichting bij de WCA, Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 3-7. Voorts bevatte de wet verschillende specifieke bepalingen op basis waarvan een belangenorganisatie namens een groep gedupeerden met gelijksoortige belangen, een rechtsvordering kon instellen. Zie voor een overzicht paragraaf 3 van de Memorie van toelichting bij de WCA, Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 8-12. Zie voorts C.J.J.M. Stolker, T&C BW, commentaar op art. 3:305a BW, aant. 1 en 9. Vgl. A.W. Jongbloed, GS Vermogensrecht, art. 3:305a BW, aant. 4.

50 Volgens het wetsvoorstel gold dit niet voor zover een vereniging uitsluitend ten behoeve van haar leden optrad (Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 1, p. 1). Bij amendement van de leden Soutendijk-van Appeldoorn en Korthals is deze bepaling aldus gewijzigd dat de genoemde uitzondering voor een vereniging daarin niet meer was opgenomen. De gedachte achter dit amendement was onder andere dat de vraag of en in hoeverre een persoon jegens wie onrechtmatig zou zijn gehandeld, daardoor schade heeft geleden, slechts individueel kan worden beantwoord, en zich daarmee in algemene zin niet leent voor een collectieve vordering (Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 15). Vgl. Kamerstukken II 1991-1992, 22 486, nr. 3, p. 29.

51 Stb. 2005, 340 en Stb. 2005, 380, nadien gewijzigd Stb. 2013, 255 en Stb. 2013, 256. Kamerstukken II 2003-2004, 29 414, nr. 3, p. 5-6. Zie C.J.J.M. Stolker, T&C BW, commentaar op art. 3:305a BW, aant. 1, onder c.

52 Kamerstukken II 2003-2004, 29 414, nr. 3, p. 1.

53 Stb. 2019, 130 en Stb. 2019, 447.

54 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 1. Daarmee gaf de regering uitvoering aan de motie Dijksma c.s. (Kamerstukken II 2011-2012, 33 0000 XIII, nr. 14), voor zover die niet reeds door wijziging van de WCAM was uitgevoerd (Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 2 en 6).

55 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 6.

56 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 16.

57 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 31.

58 Kamerstukken II 2026-2017, 34 608, p. 36.

59 Zie nader Kamerstukken II 2026-2017, 34 608, p. 36-37.

60 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, p. 37-38. Zie p. 29-30 voor de toelichting op art. 3:305a lid 7 BW. Zie Stb. 2019, 446 en 2019, 447 voor het Besluit register collectieve vorderingen en de toelichting daarop.

61 Besluit register collectieve vorderingen, Stb. 2019, 446 en Stb. 2019, 447. In de toelichting op dit besluit is opgemerkt dat het doel van dit register is dat kenbaar is voor anderen, gedupeerden of belangenorganisaties, dat een collectieve vordering is ingesteld, zodat zij kunnen beoordelen of ook zij een collectieve vordering willen instellen voor dezelfde gebeurtenis (Stb. 2019, 446, p. 4 en 5).

62 https://www.rechtspraak.nl/Registers/centraal-register-voor-collectieve-vorderingen.

63 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 40.

64 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II, 2017–2018, 34 608, nr. 6, p. 30.

65 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 41.

66 Aanvullend bevat art. 1018c lid 6 Rv nog een bepaling voor het geval een collectieve vordering wordt ingesteld voordat voor een eerdere collectieve vordering de termijn van art. 1018d lid 1 Rv is gaan lopen. De zaken worden dan gevoegd behandeld.

67 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 40-41.

68 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II, 2017–2018, 34 608, nr. 6, p. 30-31.

69 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 41-42.

70 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, nr. 3, p. 42.

71 Geen algemene werking: Rb. Amsterdam, 22 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3586, JBPR 2022/61 m.nt. D. Barbiers, rov. 6.7-6.8. In deze zin ook A. Boitelle & P. Olden, ‘Een handleiding voor de WAMCA’, Ondernemingsrecht 2024/18, p. 114; A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, art. 1018d Rv, aant. 2, onder a.
We algemene werking: Hof Amsterdam 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2245, rov. 4.20-4.24; Rb Amsterdam 30 september 2020 (rolbeslissing) C/13/686493 / HA ZA 20-697, rov. 3.74 (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/RBAMS-Stichting-Diesel-Emissions-Justice-Daimler-AG-cs-rolbeslissing-2020-09-30.pdf).
De vraag of de termijnverlenging algemene werking heeft, wordt gesignaleerd (maar niet beantwoord) in B.M. Katan, ‘De WAMCA op je bord’, NTBR 2020/37, p. 271; B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, p. 71;C.J.M. van Doorn, ‘Nederlands Juristenblad, Drie-en-een-half jaar collectieve (schadevergoedings)acties’, NJB 2024/65, voetnoot 42; T.M. Alberga-Smits & T.H.W. Korvinus, Vereniging Corporate Litigation 2023-2024 (VDHI nr. 189) 2024/I.5.2.14.4; A. Knigge, L.F. Dröge & E.M. Hoogervorst, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 1018d Rv, aant. 2.

72 Schriftelijke toelichting namens CCC nrs. 6-10 en 14-15.

73 Hierop wijst terecht de schriftelijke toelichting namens ASC nr. 24.

74 Zie bijv. Rb Amsterdam 22 september 2021 (rolbeslissing) 705132 / HA ZA 21-687 (SEC/Stellantis) (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Rolbeslissing-22-september-2021-stell.pdf); Rb. Den Haag 28 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9857 (Repsol); Rb Noord-Holland 21 februari 2024 (rolbeslissing), C/15/347678 / HA ZA 24-6 (CCC/Samsung) (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/0221rolbeslissing.pdf). Zie ook rov. 5.6 van het in deze zaak bestreden vonnis van de rechtbank Amsterdam. Zie voorts B.M. Katan, ‘De WAMCA op je bord’, NTBR 2020/37, p. 271; B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, par. 3.2; M.V.E.E. de Monchy & T.D.A. Kluwen, ‘De WAMCA leeft! In vogelvlucht door twee jaar rechtspraak’, MvV 2022/3, p. 91; C.J.M. van Doorn, ‘Drie-en-een-half jaar collectieve (schadevergoedings)acties’, NJB 2024/65, p. 87.

75 Zie ook de schriftelijke dupliek nrs 13-14.

76 Vgl. aanbeveling 13 van de Aanbevelingen WAMVA (versie 19 april 2024), raadpleegbaar via https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/aanbevelingen-wamca.pdf: ”(…) Het uitstelverzoek vermeldt: (i) de reden voor uitstel, (ii) de termijn waarvoor uitstel wordt gevraagd.”.

77 Zie ook A. Boitelle & P. Olden, ‘Een handleiding voor de WAMCA’, Ondernemingsrecht 2024/18, p. 114.

78 Zie ook de schriftelijke toelichting namens ASC nr. 28.

79 Schriftelijke toelichting nrs. 11-12.

80 Schriftelijke toelichting nr. 13.

81 Schriftelijke toelichting namens CCC nr. 16.

82 De rechtspraak verwijst begrijpelijkerwijs veelal naar (een van) de in de toelichting genoemde omstandigheden. Zie bijv. Rb. Amsterdam 30 september 2020, C/13/686493 / HA ZA 20-697 (rolbeslissing), rov. 3.5; Rb Amsterdam 22 september 2021 (rolbeslissing) 705132 / HA ZA 21-687 (SEC/Stellantis), rov. 3.7; Rb. Amsterdam 24 november 2021, 708095/ HA ZA 22-1 (rolbeslissing), rov. 3.7; Rechtbank Den Haag 28 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9857 (Repsol), rov. 3.6; Rb Amsterdam 1 februari 2023 (rolbeslissing), 726782 / HA ZA 23-2 (St. Bureau Clara Wichmann), rov. 3.7 (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/RBAMS-rolbeslissing-allergan.pdf); Rb Amsterdam 8 november 2023 (rolbeslissing), 739486 / HA ZA 24-1 (St. besch. privacybelangen/Google c.s.), rov. 2.7 (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/GoogleII-rolbeslissing-centr-reg.pdf).

83 M.V.E.E. de Monchy & T.D.A. Kluwen, ‘De WAMCA leeft! In vogelvlucht door twee jaar rechtspraak ‘, MvV 2022/3, p. 91-92, met verwijzingen naar rolbeslissingen.

84 Aldus B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, p. 71. Vgl. A. Knigge, L.F. Dröge & E.M. Hoogervorst, SDU Commentaar Burgerlijk procesrecht, art. 1018d Rv, aant. 2 en A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, art. 1018d Rv, aant. 2, onder b.

85 Vgl. bijv. Rb. Amsterdam 30 september 2020, C/13/686493 / HA ZA 20-697 (rolbeslissing), rov. 3.5, waarin onder andere werd genoemd het wachten op een uitspraak van het Duitse Bundesgerichtshof en het HvJ EU; Rb. Den Haag 8 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9892 (rolbeslissing), rov. 3.8, waarin de termijnverlenging werd afgewezen, omdat de belangenorganisatie haar voornemen een collectieve vordering in te stellen liet afhangen van de uitkomst van een prejudiciële procedure bij de Hoge Raad.

86 Vgl. Rb Amsterdam 8 maart 2023 (rolbeslissing), 726782 / HA ZA 23-2 (St. Bureau Clara Wichmann), rov. 3.3, waarin het verzoek om verlenging was gegrond op ‘klemmende reden’ en ‘nieuwe urgente omstandigheden’, zijnde goed beschouwd het terugtreden van de advocaat van de belangenorganisatie, hetgeen voor risico van die organisatie werd gelaten (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/RBAMS-Beslissing%2008032023-allergan.pdf); Rb Amsterdam 20 december 2023 (rolbeslissing), 741774 / HA ZA 24-2, rov. 3.7-3.8, waarin meer tijd nodig was voor schadeberekening, verwerking recente relevante vonnissen en toelichting collectieve vordering (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rolbeslissing-nav-verlengingsverzoek.pdf); Rb. Noord-Holland 21 februari 2024 (rolbeslissing), C/15/347678 / HA ZA 24-6 (CCC/Samsung), rov. 3.7, waarin het verzoek verband hield met het nog moeten voldoen aan art. 3:305a BW, maar de rechtbank oordeelde dat in verband daarmee geen verlenging kan worden verzocht.

87 Schriftelijke toelichting nrs. 18-20.

88 CCC wijst op de passage in de memorie van toelichting (zie hiervoor in 5.11) dat, om te voorkomen dat de behandeling van de collectieve vordering onnodig veel vertraging oploopt, een verlenging is beperkt tot maximaal drie maanden.

89 Schriftelijke toelichting nrs. 21-24.

90 Schriftelijke toelichting nrs. 25-26.

91 Kamerstukken II 2016-2017, 34 608, p. 37-38. Zie p. 29-30 voor de toelichting op art. 3:305a lid 7 BW. Zie Stb. 2019, 446 en 2019, 447 voor het Besluit register collectieve vorderingen en de toelichting daarop.

92 Schriftelijke toelichting namens CCC nrs. 27-29.

93 Schriftelijke toelichting namens CCC nrs. 30-31.

94 Hierop wijst ook Apple c.s. schriftelijke toelichting nr. 23.

95 Rb Amsterdam 30 september 2020 (rolbeslissing) C/13/686493 / HA ZA 20-697 (SDEJ/Daimler), rov. 3.10 en de rolbeslissing van 24 november 2011 in deze zaak, onder 3.11. Zie ook A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, commentaar op art. 1018d Rv, aant. 2, onder b.

96 Schriftelijke repliek namens CCC nr. 8.

97 Zie ook schriftelijke toelichting namens ASC nrs. 27 en 31, de schriftelijke toelichting namens Apple c.s. nr. 28 en de reactie daarop in de schriftelijke repliek nr. 6.

98 Zie bijv. Rb Amsterdam 28 juli 2021 (rolbeslissing), 702849 / HA ZA 21-526 (SOM/TikTok) (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/RBAMS-rolbeschikking-tiktok-technology-limited.pdf); Rb Den Haag 8 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9892 (SMC/Airbnb); Rb Amsterdam 8 maart 2023 (rolbeslissing), 726782 / HA ZA 23-2 (St. Bureau Clara Wichmann) (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/RBAMS-Beslissing%2008032023-allergan.pdf) en Rb Noord-Holland 21 februari 2024 (rolbeslissing), C/15/347678 / HA ZA 24-6 (CCC/Samsung) (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/0221rolbeslissing.pdf).

99 Zie bijv. Rb Amsterdam 30 september 2020 (rolbeslissing) C/13/686493 / HA ZA 20-697 (SDEJ/Daimler) (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/RBAMS-Stichting-Diesel-Emissions-Justice-Daimler-AG-cs-rolbeslissing-2020-09-30.pdf), waarin twee van de drie verzochte maanden verlenging zijn toegewezen, en Rb Amsterdam 20 december 2023 (rolbeslissing), 741774 / HA ZA 24-2, waarin één maand verlenging is verleend (te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/rolbeslissing-nav-verlengingsverzoek.pdf).

100 CCC, schriftelijke toelichting nr. 24, bespreekt alleen het geval van een maximale termijnverlenging.

101 CCC, schriftelijke toelichting nr. 24 (slot), merkt op dat een verzoek om termijnverlenging niet kan worden afgewezen op de grond dat een eerder verzoek is gehonoreerd. Dat onderschrijf ik, maar dan wel dan op de grond dat de wet meebrengt dat elk verzoek op haar eigen merites moet worden beoordeeld.

102 In het voorgaande zijn m.i. de belangrijkste argumenten van Apple c.s. en ASC aan de orde gekomen. In de schriftelijke toelichting namens Apple c.s. worden ook argumenten ontleend aan art. 1018d lid 3 Rv (nr. 21), de positie van een belangenorganisatie die nog niet bestaat of nog niet weet of zij een vordering wil instellen (nrs. 24-25, 40 en 53-54 – waarover ook de schriftelijke repliek nrs. 3-5 en de schriftelijke dupliek nr. 3), aan de rechtszekerheid van gedaagde en een ongewenste claimcultuur (nrs. 26-27) en aan andere rechtsgebieden (nrs. 31-36). In de schriftelijke toelichting namens ASC worden argumenten ontleend aan de verplichting om een uitstelverzoek ter griffie te laten aantekenen (nrs. 25-26) en aan art. 1018d lid 3 Rv (nr. 33). Ik volsta met deze vermeldingen.

103 Schriftelijke repliek namens CCC nr. 14.

104 Zie schriftelijke toelichting namens CCC nr. 35.

105 Van tegenstrijdigheid in het standpunt van CCC is daarom naar mijn mening geen sprake (anders de schriftelijke toelichting namens ASC nr. 18).

106 E. Bauw, J. Biezenaar en J. Van Mourik, Commentaar & Context Wetgeving collectieve actie, 2020, p. 197.

107 HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756, NJ 2011/473 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2010/30 m.nt. W.P. Wijers (Plazacasa), rov. 4.2.

108 Hierop wijst terecht de schriftelijke toelichting namens Apple c.s. nrs. 76-79.

109 Die uitleg is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Zie Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/157 en 283 en Van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/44 en 68 (A.E.H. van der Voort Maarschalk) en 113 (Van der Wiel).

110 Vgl. ook B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, p. 70.

111 Hierop wordt terecht gewezen in de schriftelijke toelichting namens Apple c.s. nrs. 71-72 en 88, en in de schriftelijke toelichting namens ASC nr. 56.

112 Vgl. ook B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, p. 70.

113 Zie schriftelijke toelichting namens CCC nrs. 41 en 46-49.

114 Schriftelijke toelichting nrs. 42-45.

115 Zie art. 125 Rv.

116 In de MvT, Kamerstukken II, 2016-2017, 34608, nr. 3, p. 36, wordt ook gesproken van: “administreren als één zaak”.

117 Vgl. echter B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, p. 70, die ervan lijken uit te gaan dat de rechter eerst over de ontvankelijkheid van een concurrerende belangenorganisatie moet oordelen alvorens aan toepassing van art. 1018d lid 3 Rv wordt toegekomen.

118 B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, p. 70, voetnoot 18 merken op dat de tekst van art. 1018d lid 1 Rv alleen rekening lijkt te houden met tweede en latere belangenorganisaties, maar niet met de eerste belangenorganisatie. De bepaling dient gezien haar strekking n.m.m. zo niet opgevat te worden.

119 Vgl. MvT, Kamerstukken II, 2016-2017, 34608, nr. 3, p. 36.

120 Zie E. Hoogervorst, C. Klaassen en A. Knigge, “Hoger beroep en cassatie in een collectieve actie op grond van de WAMCA: een blik vooruit”, TCR 2021, p. 112 en 117. Zie ook A. Boitelle en P. Olden, “Een handleiding voor de WAMCA”, Ondernemingsrecht 2024/18, p. 101 en 113.

121 De consolidatie heeft voorts tot gevolg dat een verweerder slechts eenmaal hoeft te verschijnen om zich te verweren tegen de collectieve vorderingen en slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is. Zie MvT, Kamerstukken II, 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 42.

122 Zie de conclusie van A-G Snijders, ECLI:NL:PHR:2024:1074, nr. 3.5; E. Hoogervorst, C. Klaassen en A. Knigge, “Hoger beroep en cassatie in een collectieve actie op grond van de WAMCA: een blik vooruit”, TCR 2021, p. 119 (op p. 114-115 schetsen deze auteurs overigens een scenario waarin voeging van een in appel niet gedagvaarde belangenorganisatie wel mogelijk is); M.V.E.E. de Monchy en T. Kluwen, “De WAMCA leeft! In vogelvlucht door twee jaar rechtspraak”, MVV 2022/3, p. 91; A. Boitelle en P. Olden, “Een handleiding voor de WAMCA”, Ondernemingsrecht 2024/18, p. 113.

123 Anders kennelijk de schriftelijke toelichting namens CCC nr. 62. In een geval waarin art. 3:305a (oud) BW van toepassing werd geacht, ging de rechtbank daarom over tot rolvoeging van twee collectieve vorderingen. Zie Rb. Amsterdam 22 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3586, rov. 6.36. Zie voorts in het algemeen G. Snijders. GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 222 Rv, aant. 4-5.

124 Behoudens wanneer, bij uitzondering, sprake zou zijn van processueel ondeelbare rechtsverhoudingen. Dat is een rechtsverhouding waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Zie HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81 m.nt H.B. Krans, JBPr 2017/38 m.nt. S.L. Mineur, rov. 3.4.

125 Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II, 2017–2018, 34 608, nr. 6, p. 30. Zie ook MvT, Kamerstukken II, 2016–2017, 34 608, nr. 3, p. 44 e.v.; Nota n.a.bv. het nadere verslag, Kamerstukken II, 2017–2018, 34 608, nr. 9, p. 4; B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, p. 75-77; E. Hoogervorst, C. Klaassen en A. Knigge, “Hoger beroep en cassatie in een collectieve actie op grond van de WAMCA: een blik vooruit”, TCR 2021, p. 112 en 115.

126 HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0572, NJ 2013/60, JBPr 2013/27 m.nt. G. van Rijssen, rov. 3.5. Zie ook HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:329, NJ 2022/259 m.nt. E.J. Dommering, JBP 2022/29 m.nt. A.C. Hendriks, rov. 3.2.3.

127 Zie over art. 237 Rv o.a. Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/125 e.v.; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/249 e.v.; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/318.

128 Vgl. P. de Bruijn, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 16.

129 Zie Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/136; P. de Bruijn, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 13. Dit kan anders zijn in een geval van subjectieve cumulatie waarin appellanten dezelfde advocaat hadden die voor hen gezamenlijk een procedure heeft gevoerd waarbij individuele belangen slechts een ondergeschikte rol hebben gespeeld. Zie wnd. A-G Hammerstein, conclusie nr. 2.8 voor HR 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3039 (81 RO); P. de Bruijn, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 13.

130 HR 14 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1483, NJ 1995/564 m.nt. W.M. Kleijn, rov. 3.10. Zie ook de conclusie van A-G Asser nrs. 2.35-2.36

131 Zie rov. 5.9 van het bestreden vonnis en het vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2022 onder 9.

132 Zie resp. de rov. 5.10-5.12 van het bestreden vonnis.

133 Schriftelijke toelichting namens ASC nrs. 12 en 72.

134 Vgl. B.M. Katan & M.W. Wallinga, ‘WAMCA – exclusieve belangenbehartiger, inclusief complicaties’, TCR 2021/3, p. 70. Het is m.i. niet evident dat een dergelijke voeging het stelsel van art. 1018d Rv doorkruist (anders dan bij de voeging in het hiervoor in 5.69.3 bedoelde geval).

135 Ik heb hier niet over de kosten van het voegingsincident. Vgl. de schriftelijke repliek van CCC nrs. 18-19.

136 Zie bijvoorbeeld Rb. Zeeland-West-Brabant 17 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:4962.

137 Zie G. Snijders, GS Burgerlijke Rechtsvordering, paragraaf 3 Rv, aant. 5. Vgl. Rb. Gelderland 17 mei 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:2919, JBPr 2017/71 m.nt. M.O.J. de Folter. Vgl. anders Rb. Amsterdam 6 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1401, vermeld in HR H 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787, NJ 2019/451, JBPr 2020/6 m.nt. M.O.J. de Folter, rov. 2.1.6.

138 HR 28 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9604, NJ 1987/380, rov. 3.1; HR 26 januari 1933, ECLI:NL:HR:1933:71, NJ 1933 m.nt P. Scholten, p. 799-800. Zie ook P. de Bruijn, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 2.

139 Hierop wordt ook gewezen in de schriftelijke toelichting namens ASC nr. 78.

140 Beide varianten komen voor bij sprongcassatie. Zie HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4948, NJ 2011/372; HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5215, NJ 2011/597. Zie voorts B.T.M. van der Wiel e.a., Cassatie, 2019/376-377.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.