De feiten van de hoofdzaak zijn voor een goed begrip van het wrakingsverzoek en het cassatiemiddel niet werkelijk van belang. Ik beperk mij daarom tot een weergave van het procesverloop, voor zover in cassatie relevant:2
(i) NIOC heeft haar wrakingsverzoek tegen de raadsheren mrs. Schreuder , Joustra en Speyart van Woerden ingediend ter zitting van 1 september 2023 bij het hof Den Haag. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 1 september 2023 heeft – voor zover van belang en samengevat – de navolgende correspondentie tussen partijen en het hof plaatsgevonden.
(ii) Na opgave van verhinderdata door beide partijen heeft het hof partijen bij e-mail van 21 maart 2023 bericht dat de mondelinge behandeling zal plaatsvinden op 14 juni 2023. Bij V2-formulier van 30 mei 2023 hebben de advocaten van NIOC zich onttrokken. Op 5 juni 2023 is dit bericht aan de griffie en de zittingscombinatie bekend geworden. Bij e-mailbericht van 6 juni 2023 heeft NIOC het hof verzocht de mondelinge behandeling van 14 juni 2023 aan te houden. Hiertegen heeft mr. Peters namens CGC c.s. (de wederpartij van NIOC in de hoofdzaak) bij e-mail van 7 juni 2023 bezwaar gemaakt. Mr. Peters heeft het hof verzocht de zitting doorgang te laten vinden. Op 8 juni 2023 heeft NIOC het hof per e-mail bericht dat zij bezwaar maakt tegen het verzoek van CGC c.s. om de zitting door te laten gaan. Mr. Peters heeft namens CGC c.s. nog diezelfde dag hierop een reactie aan het hof toegezonden.
(iii) Het hof heeft bij e-mail van de griffier van 9 juni 2023 aan partijen bericht dat de zitting op 14 juni 2023 niet doorgaat, dat de zitting nader wordt bepaald op 1 september 2023, dat het een eenmalig uitstel betreft en dat NIOC wordt aangeraden de deken aan te zoeken in het geval zij moeite heeft met het vinden van een advocaat. Verder is aangekondigd dat als partijen op 1 september 2023 verhinderd mochten zijn, de zitting eenmalig zal worden verdaagd naar een andere datum in september 2023.
(iv) Op 21 augustus 2023 heeft mr. A. Taheri-Bhajan zich als advocaat gesteld voor NIOC en gelijktijdig om aanhouding van de zaak verzocht. Daarbij heeft zij als motivering aangevoerd – kort samengevat – dat er onvoldoende tijd zou zijn om het uitgebreide dossier te bestuderen voor de zitting van 1 september 2023. Op 22 augustus 2023 heeft mr. Peters per e-mail bezwaar gemaakt tegen een eventueel uitstel van de zitting en heeft mr. Taheri-Bhajan een reactie op het bezwaar van mr. Peters aan het hof gezonden. Op 23 augustus 2023 heeft mr. Peters op zijn beurt weer gereageerd op de e-mail van mr. Taheri-Bhajan en heeft mr. Taheri-Bhajan op haar beurt weer gereageerd op de reactie van mr. Peters.
(v) Op 24 augustus 2023 heeft het hof partijen bericht dat de zitting op 1 september 2023 doorgang zal vinden.
(vi) Op 25 augustus 2023 heeft mr. M. Taheri, legal counsel van NIOC, wederom een verzoek tot aanhouding gedaan. Op deze mail heeft mr. Peters op 28 augustus 2023 gereageerd.
(vii) Op 28 augustus 2023 heeft het hof aan beide partijen bericht dat het blijft bij zijn beslissing de zitting op 1 september 2023 doorgang te laten vinden. Daarbij heeft het hof vermeld dat de zitting – mede om tegemoet te komen aan de beperkte voorbereidingstijd voor mr. Taheri-Bhajan – beperkt zal worden tot de procesrechtelijke voorvragen betreffende de ontvankelijkheid. Afhankelijk van de beslissing daarover zou in overleg met partijen worden bepaald of een tweede mondelinge behandeling over de inhoudelijke aspecten noodzakelijk was of dat de zaak – zo nodig – schriftelijk kon worden afgedaan.
(viii) Ter zitting van 1 september 2023 in de hoofdprocedure heeft mr. M. Taheri de gronden van het wrakingsverzoek opgegeven. Deze zijn letterlijk door de griffier genoteerd. Deze gronden luiden als volgt:
‒ ‘Door het voor laten lezen van het pleidooi van de wederpartij heeft uw hof de indruk gewekt dat dat pleidooi mede de beslissing van het hof op het door mij ter zitting gedane aanhoudingsverzoek kan beïnvloeden. Ik heb uw hof expliciet verzocht om – voordat het pleidooi wordt voorgelezen – een beslissing te nemen op het verzoek tot aanhouding. Dat wat de wederpartij gaat voorlezen is voor het hof dus van invloed op de beslissing op het aanhoudingsverzoek.
‒ Ik heb ter zitting het verzoek gedaan om vijf minuten te overleggen met mijn collega en dat is ook afgewezen.
‒ Uw hof heeft gezegd dat het voordragen van de pleitnota wellicht in het voordeel van NIOC is, omdat NIOC, mocht het aanhoudingsverzoek worden gehonoreerd, alvast over die tekst beschikt. Ik heb toen gezegd dat dat een keerzijde heeft, en daar is het hof aan voorbij gegaan.
‒ Dit alles terwijl ik aan het begin van de mondelinge behandeling heb aangegeven dat bij NIOC, door het niet aanhouden, de indruk bestaat dat uw hof al een beslissing klaar heeft over de ontvankelijkheid.
‒ Het hof heeft mij het woord in de eerste termijn gegeven en ik wilde toen een stuk uit een brief citeren. Daar kon geen bezwaar tegen gemaakt worden. Mr. Peters heeft mij echter het woord ontnomen door wel bezwaar te maken. Het hof vond dat geen probleem. Op het moment dat mr. Peters vervolgens het woord heeft en ik bezwaar wilde maken tegen een van zijn punten, heeft het hof mij tot stilte gemaand en gezegd dat partijen hun beurt moeten afwachten.
‒ In samenhang bezien wordt de indruk gewekt dat het niet uitmaakt wat NIOC aanvoert en heeft het hof kennelijk al een beslissing genomen waaraan het zich zal houden. Kennelijk is belangrijker wat de wederpartij aangeeft, dan het nemen van een korte beslissing op het aanhoudingsverzoek.
‒ Ik weet dat het gaat om een processuele beslissing. De motivering van het hof om het verzoek in de lucht te laten en mr. Peters zijn pleitaantekeningen te laten voordragen en hetgeen ik hierboven heb aangegeven versterken de indruk dat het hof vooringenomen is.
‒ Ik ga het wrakingsverzoek nader schriftelijk motiveren.’