Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:PHR:2024:590

Parket bij de Hoge Raad
31-05-2024
20-06-2024
23/01893
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1763
Verbintenissenrecht
-

Overeenkomstenrecht. Opzegging duurovereenkomst (franchise); voldoet neutrale grond voor opzegging (wijziging distributiebeleid) aan voorbehouden reden dat in redelijkheid van franchisegever geen voortzetting kan worden verlangd?; additionele schadevergoeding ondanks inachtneming redelijke opzegtermijn? Proceskosten.

Rechtspraak.nl

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 23/01893

Zitting 31 mei 2024

CONCLUSIE

G.R.B. van Peursem

In de zaak

Dampie B.V.,

eiseres tot cassatie in het principaal cassatieberoep,
verweerster in het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

tegen

Leen Bakker Nederland B.V.,

verweerster in het principaal cassatieberoep,
eiseres tot cassatie in het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

Partijen worden hierna verkort aangeduid als Dampie of franchisenemer, respectievelijk Leen Bakker of franchisegever.

1 Inleiding en samenvatting

1.1

Deze zaak hangt samen met drie andere zaken over de beëindiging van franchiseovereenkomsten, waarin ik vandaag ook concludeer. Franchisegever heeft franchiseovereenkomsten met haar vier franchisenemers opgezegd; zij stopt met de franchiseformule om bedrijfseconomische redenen1 – ook wel aangemerkt als opzegging op neutrale gronden, dus zonder dat daaraan ten grondslag ligt een verwijt aan het adres van de opgezegde partijen2. In de franchiseovereenkomsten was een opzeggingsbevoegdheid voor franchisegever voorbehouden met een opzegtermijn van 13 maanden en met als grond dat van haar in redelijkheid niet kon worden gevergd de franchiseovereenkomst te laten voortduren. Zowel kantonrechter als hof hebben geoordeeld dat de opzegging hier gerechtvaardigd is in verband met zwaarwegende bedrijfseconomische belangen. Het hof heeft, anders dan de kantonrechter, daarbij wel geoordeeld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de weg staan aan opzegging zonder betaling van een (schade)vergoeding en heeft franchisegever veroordeeld in de vorm van verwijzing naar de schadestaatprocedure. Tegen de opzeggingsoordelen worden in cassatie door de franchisenemers en franchisegever klachten gericht, die ik geen doel zie treffen. Ook richt franchisegever een klacht tegen het oordeel over het verband tussen de lengte van de in achtgenomen (verlengde) opzegtermijn en de (niettemin) aangenomen verplichting tot schadevergoeding, die ik evenmin doel zie treffen. Wel slaagt de klacht van de franchisenemers over de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

2. Feiten3

2.1

Leen Bakker exploiteert in Nederland 109 eigen winkels en in België 56 eigen winkels. Daarnaast heeft Leen Bakker vier franchisewinkels die worden geëxploiteerd door Belfurn B.V. (hierna: Belfurn), Bentja B.V., Dampie en [de B.V.] .

2.2

De vier franchisenemers hebben zich verenigd in een Franchise Vereniging Leen Bakker (hierna: de franchisevereniging) waarvan [betrokkene 1] (hierna: [de B.V.] ), directeur van [de B.V.] ., voorzitter is.

2.3

Franchisenemer heeft met ingang van 1 januari 1998 met franchisegever een franchiseovereenkomst gesloten op grond waarvan zij een detailhandelszaak in woninginrichting en aanverwante artikelen exploiteert onder gebruikmaking van het Leen Bakker-concept. Het concept houdt in dat gebruik wordt gemaakt van de handelsnaam, styling, reclame-uitingen en know how van Leen Bakker.

2.4

De franchiseovereenkomst tussen partijen (althans met de rechtsvoorganger van franchisenemer) van 28 juni 1997 (waartoe ook een aanhangsel en een allonge horen) is aangegaan voor een periode van 10 jaar, ingaande 1 januari 1998 tot en met 31 december 2007, met vervolgens een verlenging van telkens vijf jaar tenzij opzegging plaatsvindt.

2.5

In de franchiseovereenkomst van (de rechtsvoorganger van) franchisenemer staat ter zake opzegging (voor zover van belang) het volgende vermeld:

“10.2 Opzegging van de overeenkomst dient te geschieden per aangetekend schrijven of bij deurwaardersexploot met inachtneming van een termijn van zes maanden.

10.3

De franchisegever is slechts gerechtigd de overeenkomst op te zeggen, indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren. De opzegging dient op straffe van nietigheid schriftelijk met redenen te zijn omkleed.

10.4

De opzegtermijn wordt verlengd tot 13 maanden indien door de franchisegever bij wijze van verhuur of onderhuur bedrijfsruimte aan de franchisenemer ter beschikking is gesteld dan wel de franchisenemer met het oog op de exploitatie van de franchisezaak met derden daarvoor een huurovereenkomst heeft aangegaan waarvan de periode synchroon loopt met die van de franchiseovereenkomst.

(…)”.

2.6

Franchisenemer exploiteert de Leen Bakker winkel sinds januari 1998 aan de [a-straat 1] te [plaats] en heeft daartoe een onderhuurovereenkomst gesloten met franchisegever. In de onderhuurovereenkomst van 17 januari 1998 staat onder meer:

Bestemming

Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als detailhandelsruimte ten behoeve van het Leen Bakker assortiment binnen een franchise-organisatie van Leen Bakker Franchising B.V.

Huurtijd:

(…)

Gelet op de bestemming van het gehuurde, kan de huur in ieder geval worden opgezegd, indien de tussen huurder en Leen Bakker Franchising B.V. gesloten franchise-overeenkomst eindigt.”.

2.7

In de allonge bij de onderhuurovereenkomst van franchisenemer (zijdens franchisenemer getekend op 22 februari 2017) is het volgende vermeld:

Artikel 1

De onderhuurovereenkomst wordt per 1 januari 2018 voortgezet voor de duur van 5 jaar, derhalve lopende tot en met 31 december 2022. Na deze periode wordt de onderhuurovereenkomst voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar.

Artikel 2

In afwijking van artikel 3 lid 3 van de hoofdhuurovereenkomst dient onderhuurder een opzegtermijn van 13 maanden in plaats van 12 maanden in acht te nemen.”

2.8

In de periode van 2018 tot begin februari 2020 hebben franchisegever en de franchisevereniging gesproken over een update van de bestaande franchiseovereenkomsten vanwege de toen aanstaande Wet franchise. In verband daarmee hebben partijen concepten met elkaar uitgewisseld.

2.9

Bij e-mailbericht van 5 februari 2020 heeft [de B.V.] namens de franchisenemers aan franchisegever medegedeeld:

“(…) Alleen door een vergelijking van beide documenten is zichtbaar dat de verschillen tussen beide versies enorm groot zijn. In hoofdlijnen zijn er nog veel verschillen en zullen wij wat punten hieronder samenvatten want het is onmogelijk dit uitputtend te doen. Zo is er ook nog niet gesproken over de individuele afspraken die naast de huidige afspraken gelden. (…)”.

2.10

Als reactie daarop heeft franchisegever bij e-mailbericht van 17 februari 2020 medegedeeld dat zij zich eerst wil verdiepen in de nieuwe aanstaande wet, zij daarom meer tijd nodig heeft en een gesprek over aanpassing van de franchiseovereenkomsten later wil voortzetten.

2.11

Op 15 juli 2020 heeft franchisegever tijdens de franchisevergadering aan de franchisenemers medegedeeld te gaan stoppen met de franchise.

2.12

Bij brief van 28 juli 2020 heeft franchisegever de franchiseovereenkomst opgezegd met franchisenemer tegen 31 december 2022, waarbij als redenen het volgende is medegedeeld:

“Er is een belangrijk bedrijfseconomisch motief: eigen winkels genereren namelijk substantieel hogere filiaalbijdragen dan franchisewinkels. Vooropgesteld moet worden dat Leen Bakker in Nederland slechts vier franchisenemers kent op een totaal van 114 winkels. Voor die vier franchisenemers dient Leen Bakker dus een volledige separate organisatie, administratie en systemen in de lucht te houden. Dat is natuurlijk al lange tijd zo, maar het laten voortduren daarvan is niet langer houdbaar. Leen Bakker is voornemens om aanzienlijke vernieuwingen in de IT-systemen door te voeren. De investeringen in separate systemen op het gebied van administratie en IT zijn niet rendabel voor vier franchisewinkels. Bovendien zou de aangekondigde wetswijziging (die per 1 januari 2021 ook daadwerkelijk van kracht wordt) ook nog een aanzienlijke (administratieve) lastenverzwaring met zich meebrengen.

Verder passen de franchiseformule en de in dat kader gemaakte afspraken niet meer bij de huidige marktomstandigheden en de praktijk. Leen Bakker ziet dat de markt volop in beweging is naar een omnichannel klantbenadering dat gepaard gaat met grote investeringen. De verdere toename van de online verkopen en het voornemen van Leen Bakker om uit te breiden naar een online marktplaatsfunctionaliteit leggen druk op het huidige afrekenmodel en de afbakening van verzorgingsgebieden. Hierover hebben Leen Bakker en de franchisenemers geen dekkende afspraken gemaakt, wat sowieso lastig is (verdeling aandelen en overlap verzorgingsgebieden). De marketingmix is in de afgelopen jaren ook flink gewijzigd: van folders en televisie naar online marketing, radio en televisie. Het afrekenmodel van marketingkosten is daarmee moeilijk te onderbouwen in zowel kosten als effectiviteit. Het huidige systeem is immers gebaseerd op het aantal folders dat in het verzorgingsgebied wordt verspreid. Ook wil Leen Bakker streven naar uniformiteit in promoties en regelingen die naadloos aansluiten voor de klant. Franchisenemers zijn echter selectief in het toepassen van promoties. Afwegingen hierin zijn voornamelijk marge-gedreven. Dat geldt ook voor het actief voeren van het Stock kastenprogramma. Daarnaast komt het voor dat afwikkeling van webretouren moeizaam verlopen aangezien dit de franchisenemers geld kost. Dit sluit niet aan bij de uitgangspunten van het strategisch beleid van Leen Bakker.

Ook weegt voor Leen Bakker de eenheid naar buiten toe zwaar. Het beëindigen van de franchiseformule brengt mee dat die uniformiteit gewaarborgd kan worden, onder meer in het assortiment. Dat is nu niet het geval. In dit kader speelt ook een rol dat er tussen Leen Bakker en de franchisenemers onduidelijkheid/onenigheid bestaat over aankopen voor de zakelijke markt, die Leen Bakker exclusief wil voorbehouden aan de afdeling B2B.

Op basis van het voorgaande kan van Leen Bakker in redelijkheid niet worden gevergd dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren. Leen Bakker heeft daarom de strategische keuze gemaakt om te stoppen met de hele franchiseorganisatie. Zij is voornemens de vier franchisewinkels als eigen winkels te gaan exploiteren na het einde van de diverse contracten.

Middels deze brief zegt Leen Bakker dus de franchiseovereenkomst met Dampie op tegen 27 juni 2022, althans tegen 31 december 2022 en eindigt dus op één van deze data. Wat Leen Bakker betreft is de franchiseovereenkomst ingegaan op 1 januari 1998 en is de franchiseovereenkomst opzegbaar tegen 1 januari 2023.

(…)

Zoals gezegd is Leen Bakker voornemens om, na het einde van de franchiseovereenkomsten, de exploitatie van de winkels op dezelfde locaties voort te zetten. Zij zal dan ook op korte termijn met alle franchisenemers afzonderlijk contact opnemen om te overleggen over de voorwaarden voor overname.”.

2.13

Daarnaast heeft franchisegever in de brief van 28 juli 2020 de onderhuurovereenkomst met Dampie opgezegd tegen 31 december 2022 en daarover het volgende medegedeeld:

“Aangezien de franchiseovereenkomst eindigt, heeft Leen Bakker ook het recht om de onderhuurovereenkomst te beëindigen. Gelet op de bepalingen uit de franchiseovereenkomst moet Dampie de exploitatie van de winkel na 31 december 2022 staken en staat het haar niet vrij om na deze datum op deze locatie een meubel- en interieurwinkel te exploiteren. Middels deze brief zegt Leen Bakker dan ook de onderhuurovereenkomst op tegen 31 december 2022 (met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van 13 maanden). Ook de onderhuurovereenkomst eindigt dus op 31 december 2022. De onderhuurovereenkomst wordt opgezegd wegens dringend eigen gebruik van het gehuurde door Leen Bakker ex artikel 7:296 lid 1 sub b BW en tevens op grond van de belangenafweging ex artikel 7:296 lid 3 BW. De belangen van Leen Bakker bij beëindiging van de onderhuurovereenkomst wegen zwaarder dan de belangen van Dampie bij voortzetting van de onderhuurovereenkomst. (…)”.

2.14

Franchisegever heeft op 28 juli 2020 ook de franchiseovereenkomsten met de andere franchisenemers opgezegd op dezelfde opzeggingsgronden, maar tegen andere data.

2.15

Bij brief van 17 september 2020 heeft [de B.V.] namens de franchisenemers gereageerd op de opzegging en medegedeeld dat franchisegever niet gerechtigd is om de franchiseovereenkomsten op te zeggen.

2.16

Partijen hebben vervolgens onderzocht of zij overeenstemming konden bereiken over beëindiging van de relatie in onderling overleg. Bij brief van 24 december 2020 heeft de gemachtigde van franchisegever aan franchisenemer een voorstel gedaan. Franchisegever heeft aan franchisenemer voorgesteld het filiaal over te nemen per 1 februari 2021 tegen een vergoeding van € 43.000,- voor goodwill, overname van inventaris tegen boekwaarde, overname van de handelsvoorraad tegen de kostprijs en boekwaarde alsmede een vergoeding op basis van de geprognotiseerde brutowinst over de periode tussen 1 februari 2021 en 31 december 2022 met aftrek van reorganisatiekosten en behoud non-concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding.

2.17

Per 1 januari 2021 is de Wet franchise in werking getreden.

3 Procesverloop

3.1

Franchisenemer heeft franchisegever gedagvaard en gevorderd dat door de rechtbank:

Primair voor recht wordt verklaard:

- dat de opzegging van de franchiseovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de franchiseovereenkomst – tegen de thans geldende contractvoorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze franchiseovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

- dat franchisegever slechts gerechtigd is de franchiseovereenkomst op te zeggen indien van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren;

- dat de opzegging van de onderhuurovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de onderhuurovereenkomst – tegen de thans geldende voorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze onderhuurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

Subsidiair

- voor recht wordt verklaard dat, als de opzegging van de franchiseovereenkomst en/of de onderhuurovereenkomst rechtsgevolg heeft, franchisegever gehouden is tot betaling aan franchisenemer van een (schade)vergoeding;

- franchisegever alsdan wordt veroordeeld tot betaling van een (schade)vergoeding ter hoogte van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, welke (schade)vergoeding, zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 dan wel vanaf de dag van de dagvaarding;

Primair en subsidiair

- franchisegever wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens buitengerechtelijke kosten ad € 462,50 met veroordeling van franchisegever in de kosten van het geding, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2

Aan deze vordering heeft franchisenemer, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De door franchisegever gedane opzegging van de franchiseovereenkomst is niet rechtsgeldig, omdat zij geen (klemmende/dringende) reden heeft die maakt dat voortzetting van de franchiseovereenkomst in redelijkheid niet gevergd kan worden van haar. Indien de opzegging van de franchiseovereenkomst wel rechtsgeldig kan worden opgezegd, dan is de opzegging volgens franchisenemer in strijd met de redelijkheid en billijkheid en kan geen beroep op de opzegging worden gedaan. Ook het recht om de onderhuurovereenkomst met franchisenemer op te zeggen vervalt doordat de franchiseovereenkomst niet met franchisenemer kan worden beëindigd. Indien de franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst daadwerkelijk eindigen door opzegging, is bij de opzegging onvoldoende rekening gehouden met de belangen van franchisenemer en is een vergoeding (althans een redelijke goodwillvergoeding) op zijn plaats, aldus franchisenemer.

3.3

Franchisegever heeft gemotiveerd verweer gevoerd en in reconventie kort samengevat gevorderd dat door de rechtbank:

i. voor recht wordt verklaard dat zij de franchiseovereenkomst met franchisenemer per 31 december 2022 rechtsgeldig heeft beëindigd en dat de franchiseovereenkomst dus per die datum eindigt;

ii. franchisenemer wordt geboden om vanaf 1 januari 2023 het gebruik van de handelsnaam en de woord- en beeldmerken ‘LEEN BAKKER’ en de logo’s van franchisegever te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat zij niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;

iii. franchsienemer wordt geboden om voor doch uiterlijk op 15 januari 2023 alle schriftelijke, digitale en/of op andere wijze door franchisegever verstrekte informatie aan franchisegever te retourneren, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of dagdeel dat zij zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,-;

iv. de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] wordt beëindigd per 31 december 2022, althans een door het de kantonrechter in goede justitie te bepalen datum;

v. franchisenemer wordt veroordeeld per de datum van beëindiging conform (iv) de bedrijfsruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] , met alle daarin van harentwege aanwezige personen en/of zaken te ontruimen en leeg, bezemschoon, overeenkomstig de toepasselijke contractuele en wettelijke bepalingen en onder afgifte van alle sleutels ter beschikking te stellen van franchisegever, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,- om, zo franchisenemer mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de tenuitvoerlegging daarvan zelf te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm;

met veroordeling van franchisenemer in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.4

Franchisegever heeft aan haar vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. De franchiseovereenkomst en de onderhuurovereenkomst met franchisenemer zijn rechtsgeldig opgezegd waardoor deze tegen de opgezegde data eindigen. Franchisegever stelt dat franchisenemer bij beëindiging van de franchiseovereenkomst gehouden is tot nakoming van contractuele verplichtingen, bestaande uit het niet langer voeren van de naam Leen Bakker en teruggave van informatie en goederen.

3.5

Franchisenemer heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6

Bij vonnis van 29 december 2021 heeft de kantonrechter in conventie de vorderingen van franchisenemer afgewezen en franchisenemer in de proceskosten veroordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter, voor zover thans van belang, voor recht verklaard dat franchisegever de franchiseovereenkomst met franchisenemer rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 december 2022 en dat de franchiseovereenkomst per die datum eindigt, het tijdstip waarop de tussen franchisegever en franchisenemer bestaande huurovereenkomst eindigt vastgesteld op 31 december 2022 en franchisenemer veroordeeld in de proceskosten.

3.7

Franchisenemer is in (principaal) hoger beroep gekomen onder aanvoering van vier grieven. Franchisenemer heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover daarin de vorderingen in conventie zijn afgewezen en de vorderingen in reconventie zijn toegewezen. Franchisenemer heeft gevorderd dat het hof de in hoger beroep gewijzigde vorderingen in conventie alsnog toewijst, in die zin dat het hof

primair:

- voor recht verklaart dat de opzegging van de franchiseovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de franchiseovereenkomst – tegen de thans geldende contractvoorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze franchiseovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

- voor recht verklaart dat franchisegever slechts gerechtigd is de franchiseovereenkomst op te zeggen indien van haar in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij de franchiseovereenkomst laat voortduren;

- voor recht verklaart dat de opzegging van de onderhuurovereenkomst d.d. 28 juli 2020 zonder rechtsgevolg is geweest en dat de onderhuurovereenkomst – tegen de thans geldende voorwaarden en de toepasselijke wettelijke bepalingen – voortduurt tot het moment dat deze onderhuurovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

- voor het geval de vordering in het incident is afgewezen, franchisegever is overgegaan tot executie van het vonnis waardoor franchisenemer genoodzaakt is geweest om haar bedrijfsvoering te stoppen en de hiervoor geformuleerde eerste verklaring voor recht wordt toegewezen: franchisegever veroordeelt tot betaling van de door franchisenemer als gevolg van de voortijdige executie geleden schade welke schade zo nodig opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid van de schade;

subsidiair:

- voor recht verklaart dat, als de opzegging van de franchiseovereenkomst en/of de onderhuurovereenkomst rechtsgevolg heeft, franchisegever gehouden is tot betaling aan franchisenemer van een (schade)vergoeding;

- franchisegever alsdan veroordeelt tot betaling van een (schade)vergoeding ter hoogte van een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, welke (schade)vergoeding, zo nodig nader opgemaakt zal worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 dan wel vanaf de dag van de dagvaarding;

- voor het geval het hof oordeelt dat de opzegging van de franchiseovereenkomst rechtsgeldig is, voor recht verklaart dat franchisenemer niet aan het overeengekomen non-concurrentiebeding gehouden is en dat franchisegever geen beroep toekomt op art. 13.4 en 13.5 van de franchiseovereenkomst – al dan niet vanwege haar schadeplichtigheid jegens franchisegever – althans dat een beroep van franchisegever op deze bedingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is althans in strijd is met de redelijkheid en billijkheid;

- de vorderingen in reconventie alsnog volledig afwijst, althans in zoverre het arrest niet uitvoerbaar bij voorraad verklaart;

met veroordeling van franchisegever tot terugbetaling van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vonnis aan franchisegever heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, en met veroordeling van franchisegever in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.8

Franchisegever heeft in incidenteel hoger beroep zes grieven aangevoerd. Bij akte vermindering eis, heeft franchisegever gevorderd:

i) te verklaren voor recht dat franchisegever de franchiseovereenkomst met franchisenemer rechtsgeldig heeft beëindigd per 31 december 2022 en dat de franchiseovereenkomst dus per deze datum eindigt;

ii) franchisenemer te gebieden om vanaf 1 januari 2023 de exploitatie van een ‘Leen Bakker’ vestiging te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;

(iii) franchisenemer te gebieden om vanaf 1 januari 2023 het gebruik van de handelsnaam en de woord- en beeldmerken ‘LEEN BAKKER’ en de logo’s van franchisegever te staken en gestaakte te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 1.000.000,-;

(iv) franchisenemer te gebieden om voor doch uiterlijk op 1 april 2023 alle schriftelijke, digitale en/of op andere wijze door franchisegever verstrekte informatie, alsmede de ter beschikking gestelde printers aan franchisegever te retourneren, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,-;

( v) de tussen partijen bestaande huurovereenkomst (de Onderhuurovereenkomst franchisenemer) met betrekking tot de winkelruimte aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] te beëindigen per 31 december 2022, althans een door het hof in goede justitie te bepalen datum;

(vi) franchisenemer te veroordelen per de datum van beëindiging conform (v) de winkelruimte, gelegen aan de [a-straat 1] te ( [postcode] ) [plaats] , met alle daarin van harentwege aanwezige personen en/of zaken te ontruimen en leeg, bezemschoon, overeenkomstig de toepasselijke contractuele en wettelijke bepalingen en onder afgifte van alle sleutels ter beschikking te stellen van franchisegever, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag of dagdeel dat franchisenemer zich niet aan dit gebod houdt, met een maximum van € 100.000,- om, zo franchisenemer mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de tenuitvoerlegging daarvan zelf te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm;

(vii) te verklaren voor recht dat franchisenemer aansprakelijk is voor de schade die franchisegever lijdt, heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de voortzetting van een Leen Bakker-filiaal na de door de kantonrechter bepaalde (en door het hof te bevestigen) einddatum conform (i) hiervoor en franchisenemer te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

met veroordeling van franchisenemer in de proceskosten.

3.9

Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende geoordeeld:

De opzeggingsgrond in de franchiseovereenkomst

(…)

De opzeggingsgrond in de franchiseovereenkomst

(…)

6.6

De opzeggingsgrond in de franchiseovereenkomst zoals deze is vermeld in artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst bepaalt dat de franchisegever slechts gerechtigd is de overeenkomst op te zeggen “indien van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd de onderhavige overeenkomst te laten voortduren.” Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, Haviltex).

(…) [Het hof constateert in rov. 6.7 o.m. dat in confesso is dat over de opzegbepaling uit art. 10.3 niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is gesproken of onderhandeld, A-G].

6.8 (…)

De belangrijkste reden voor Leen Bakker om op te zeggen is dat Leen Bakker in zijn geheel wil stoppen met de franchiseformule en zich uitsluitend nog wil focussen op het exploiteren van eigen winkels. Deze strategische keuze onderbouwt Leen Bakker met verschillende bedrijfseconomische argumenten.

6.9.

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst met Dampie rechtsgeldig heeft opgezegd per 31 augustus 2021. De franchiseovereenkomst voorziet in de mogelijkheid van opzegging en bepaalt dat Leen Bakker mag opzeggen als voortzetting in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Aan dit criterium is, zoals hierna zal blijken, voldaan. Een franchisegever heeft als ondernemer het recht om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken. Partijen zijn het erover eens dat de opzegging dient te worden getoetst op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging (ex tunc toetsing). Ook het hof zal hiervan uitgaan. In artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst is bepaald dat de opzegging op straffe van nietigheid schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn. Gezien de opzeggingsbrief (6.1.12) stelt het hof vast dat aan dit vereiste is voldaan. Voor zover Dampie betoogt dat uitsluitend de argumenten genoemd in de opzeggingsbrief mogen worden meegewogen bij de beoordeling van de opzegging door de rechter indien de franchisenemer in rechte bestrijdt dat de opzegging rechtsgeldig is, volgt het hof Dampie daarin niet. Aan de bepaling dat de opzegging schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn, komt niet die verstrekkende betekenis toe. Dampie heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat een dergelijke uitleg aan artikel 10.3 van de franchiseovereenkomst moet worden gegeven. Ook andere argumenten zullen door het hof dus worden meegewogen bij de (uiteindelijke) beoordeling van de opzegging mits deze gebaseerd zijn op feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging.

6.10.1

Leen Bakker heeft haar keuze onder meer gemotiveerd door te stellen dat (i) er werkzaamheden voor de franchiseondernemers dienen te worden verricht die voor de eigen winkels niet nodig zijn, (ii) bij zelfexploitatie Leen Bakker meer inkomen zal genereren, (iii) een nieuw ICT- en ERP-systeem wordt ingevoerd, (iv) de Wet Franchise een lastenverzwaring voor Leen Bakker oplevert, (v) de marketingmix, en de (vii) zakelijke markt, (viii) de eenheid naar buiten toe voor Leen Bakker zwaar weegt.
Deze bedrijfseconomische en strategische argumenten zijn door Dampie gemotiveerd bestreden, maar hetgeen door Dampie in dit verband is aangevoerd, leidt er niet toe dat de opzegging niet rechtsgeldig is gedaan.
Het hof stelt hierbij voorop dat de rechter niet op de stoel van de ondernemer kan gaan zitten, in die zin dat de rechter dient te beoordelen of een andere keuze ook mogelijk was geweest. Aan de ondernemer komt immers een eigen beoordelingsruimte toe over hoe deze zijn organisatie wenst in te richten en welke strategie wordt gevoerd. De bedrijfseconomische en strategische argumenten van Leen Bakker voor opzegging dienen wel voldoende door haar aannemelijk te worden gemaakt. Het hof oordeelt dat dat het geval is op grond van het navolgende.

(…) [In rov. 6.1.10.2-6.1.10.6 bespreekt het hof vervolgens de argumentatie onder (i) t/m (vii), telkens oordelend dat dit argumenten kunnen zijn voor de strategische keuze van franchisegever om te stoppen met de franchiseformule, A-G.]

6.11.

De slotsom is dat Leen Bakker de franchiseovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is voldaan aan het criterium dat van Leen Bakker in redelijkheid niet kan worden gevergd de franchiseovereenkomst met Dampie te laten voortduren. In het bijzonder heeft Leen Bakker voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij een zodanig zwaarwegend bedrijfseconomisch belang heeft bij beëindiging van de franchiserelatie met Dampie dat opzegging van de overeenkomst gerechtvaardigd is, tegen de achtergrond dat zij in zijn geheel wil stoppen met de franchiseformule en zich uitsluitend nog wil focussen op het exploiteren van eigen winkels. Hiertegen weegt het belang van Dampie bij voortzetting van de franchiserelatie niet op (het hof gaat hierna, bij de behandeling van grief 2 in principaal hoger beroep, in op het beroep op redelijkheid en billijkheid van Dampie). Grief 1 in principaal hoger beroep faalt. Bij bespreking van de incidentele grief 1 mist Leen Bakker belang nu het hof na een eigen beoordeling tot de conclusie komt dat sprake is van een rechtsgeldige opzegging door Leen Bakker.

Redelijkheid en billijkheid

6.12.

Met grief 2 komt Dampie op tegen de verwerping van het beroep van Dampie op de beperkende respectievelijk de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid door de kantonrechter. Volgens Dampie is de uitoefening van de opzeggingsbevoegdheid door Leen Bakker zonder betaling van een toereikende compensatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dan wel vloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voort dat de opzegging gepaard had moeten gaan met het aanbod om schadevergoeding te betalen.

6.13.1.

De kantonrechter heeft bij de beoordeling of de door Leen Bakker gedane opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid de jurisprudentie van de Hoge Raad over opzegging van duurovereenkomsten van belang geacht, omdat de franchiseovereenkomst van Bentja daaraan gelijk gesteld kan worden. Volgens grief 2 in incidenteel hoger beroep van Leen Bakker mist de jurisprudentie van de Hoge Raad toepassing omdat partijen uitdrukkelijk afspraken hebben gemaakt over beëindiging van de franchiseovereenkomst. Deze grief kan niet slagen. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 [Goglio/SMQ, A-G], onder meer het volgende:

"3.6.2 Of en, zo ja, onder welke voorwoorden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. (Vgl. onder meer HR 28 oktober 2011, ECLl:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685 [De Ronde Venen/Stedin, A-G], rov. 3.6, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4I63, NJ 2013/341 [Auping/Beverslaap, A-G], rov. 3.5.1 en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450 [Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, A-G], rov. 4.4.2)

3.6.3

Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.

3.6.4

Een beroep op een uil de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (vgl. HR 10 juni 2016, ECL:NL:HR:2016:1134, NJ2016/450, [Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, A-G], rov. 4.4.2). (…)”.

Het hof acht deze algemene overwegingen van de Hoge Raad van belang voor de onderhavige zaak, meer in het bijzonder hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in 3.6.3- 3.6.4. Daarin worden immers die gevallen omschreven waarin een bevoegdheid tot opzegging van de overeenkomst bestaat, zoals ook ten aanzien van Bentja het geval is. Verder verwijst de Hoge Raad naar rov. 4.4.2 van zijn arrest van 10 juni 2016. In dat arrest is voor zover relevant opgenomen dat ook als een overeenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval in de weg kunnen staan aan respectievelijk opzegging, opzegging zonder zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment, of opzegging zonder aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. De hierna te noemen feiten en omstandigheden neemt het hof in aanmerking bij de beoordeling van het beroep van Bentja op de redelijkheid en billijkheid.

Aard en inhoud van de overeenkomst

6.13.2.

Partijen hebben op of omstreeks 28 juni 1997 met elkaar een franchiseovereenkomst gesloten. De franchiseovereenkomst wordt (steeds) stilzwijgend verlengd en eindigt dus niet van rechtswege. In de overeenkomst is voorzien in een opzeggingsmogelijkheid voor de franchisegever. Ten tijde van de opzegging op 28 juli 2020 was sprake van een samenwerking tussen partijen van ruim 23 jaar.

(…) [Het hof vervolgt met uitgebreide overwegingen over gewekte verwachtingen over voortzetting van de franchiserelatie (rov. 6.13.3-6.13.5), dat de samenwerking en onderlinge verhoudingen goed waren en Dampie geen enkel verwijt valt te maken (rov. 6.13.6), er sprake is van een financiële afhankelijkheid van Dampie van de franchiseformule en zij gebonden is aan een (geografisch en in tijd beperkt) non concurrentiebeding (rov. 6.13.7, A-G].

Aanbod tot vergoeding

6.14.

In de opzegging van 28 juli 2020 heeft Leen Bakker geen aanbod gedaan tot het betalen van enige vergoeding. (…) Bij brief van 24 december 2020 heeft de gemachtigde van Leen Bakker aan Dampie een voorstel gedaan. (…)

6.15.

Gelet op de jarenlange relatie tussen partijen, de verwachtingen bij Dampie tot het moment van de mededeling op 15 juli 2020 dat de franchiseovereenkomst niet zou worden beëindigd, de omstandigheid dat Dampie geen verwijt kan worden gemaakt van de opzegging en de afhankelijke relatie waarin Dampie zich bevindt, acht het hof de opzegging zonder deze te vergezellen van een (passend) aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Leen Bakker heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van Dampie bij haar opzegging. De opzegging is geheel gebaseerd is op de eigen strategische keuze van Leen Bakker en de wens om hetgeen zij misloopt bij voortzetting van de franchiseformule, Leen Bakker rept over 1,9 miljoen euro per jaar, als extra omzet toe te voegen aan haar eigen onderneming. De omstandigheid dat Leen Bakker een opzegtermijn van 29 maanden in acht heeft genomen, leidt niet tot een ander oordeel, nu uit de opzegging van 28 juli 2020 van Leen Bakker volgt dat ook Leen Bakker meent dat de franchiseovereenkomst eerst opzegbaar was tegen 1 januari 2023. Dat Dampie nu 16 maanden eerder op de hoogte was dan zij op grond van de voorgeschreven opzegtermijn van 13 maanden zou zijn geweest van de opzegging, betreft geen compensatie voor Dampie. Niet is gebleken dat Leen Bakker op enig moment een vergoeding heeft aangeboden. Het in gesprek gaan met de franchisenemer over overname van de vestiging en het doen van een daarop toegespitst aanbod kan niet als zodanig worden beschouwd. Dit oordeel betekent dat Leen Bakker in verband met de beëindiging van de franchiseovereenkomst is tekortgeschoten jegens Dampie. Op basis van deze tekortkoming kan Dampie jegens Leen Bakker aanspraak maken op een zekere (schade)vergoeding. Het hof zal de door Dampie subsidiair gevorderde verklaring voor recht toewijzen en de zaak verwijzen naar de schadestaat.

Al met al acht het hof het beroep van Leen Bakker op de opzeggingsbevoegdheid in de franchiseovereenkomst in de omstandigheden van dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De door Dampie gestelde belangen wegen niet op tegen het zwaarwegende bedrijfseconomische belang van Leen Bakker, zoals hiervoor vastgesteld, om de franchiserelatie te beëindigen. Dit betekent dat de primaire vordering van Dampie (weergegeven hiervoor in rov. 6.3) niet toewijsbaar – voor zover opgenomen achter het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje – is, bij de vordering achter het tweede gedachtestreepje heeft Dampie geen (zelfstandig) belang. Wel dient dus in de schadestaatprocedure de Dampie toekomende vergoeding te worden vastgesteld. In deze procedure zijn daarvoor onvoldoende gegevens voorhanden.

Onderhuurovereenkomst

6.16.

Met grief 3 komt Dampie op tegen de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de beëindiging van de onderhuurovereenkomst. Dat de kantonrechter artikel 7:295 lid 1 BW heeft miskend, kan het hof niet uit het vonnis afleiden. De verdere verwijzing naar grief 2 als toelichting op de grief kan niet als voldoende toelichting gelden. Reeds daarom faalt grief 3. Overigens is het hof van oordeel dat Leen Bakker de onderhuurovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd tegen 31 december 2022.

(…)

Slotsom

6.26.

De grieven 1 en 3 in het principaal hoger beroep falen. De grief 2 slaagt deels. Grief 4 mist zelfstandige betekenis. De grieven in het incidenteel hoger beroep 1, 2, en 6 falen. De grieven 3, 4 en 5 slagen deels. Zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep zijn partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk gesteld. Daarin ziet het hof aanleiding om de proceskosten in hoger beroep (in hoofdzaak en in het incident) tussen partijen te compenseren. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Partijen hebben ook niet althans niet voldoende concreet feiten te bewijzen aangeboden die indien bewezen tot andere beslissingen leiden.

Nu het vonnis grotendeels in stand blijft, heeft de kantonrechter Dampie terecht in de proceskosten van eerste aanleg (zowel in conventie als in reconventie) veroordeeld. De vordering van Dampie tot veroordeling van Leen Bakker tot terugbetaling van alles wat Dampie ter uitvoering van het vonnis aan Leen Bakker heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, is gelet op het voorgaande niet toewijsbaar. Het hof zal het vonnis om proceseconomische redenen vernietigen.

7 De Uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

7.1.

vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover dat is gewezen ten aanzien van Dampie, en opnieuw rechtdoende,

in conventie

7.2.

verklaart voor recht dat Leen Bakker gehouden is tot betaling aan Dampie van een (schade-)vergoeding;

7.3.

veroordeelt Leen Bakker tot betaling van een (schade-)vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 en bepaalt dat de schade in een procedure als bedoeld in artikel 612 Rv zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet;;

7.4.

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

7.5.

wijst het meer of anders gevorderde door Dampie af;

(…)”

3.10

Franchisenemer heeft tijdig cassatie ingesteld. Franchisegever heeft geconcludeerd tot verwerping en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Franchisenemer heeft geconcludeerd tot verwerping in het incidenteel cassatieberoep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. In het principaal cassatieberoep heeft franchisenemer gerepliceerd en heeft franchisegever gedupliceerd. In het incidenteel cassatieberoep heeft franchisegever afgezien van repliek en heeft franchisenemer gedupliceerd.

4 Inleiding

Opzegging duurovereenkomsten 4

4.1

Het gaat in deze zaak om de opzegging van een duurovereenkomst tussen commerciële partijen op neutrale gronden. Er bestaat geen wettelijke definitie van duurovereenkomsten in het algemeen. Een duurovereenkomst wordt doorgaans omschreven als een overeenkomst die één of beide partijen verplicht tot opeenvolgende dan wel voortdurende prestaties. Tussen partijen ontstaat een rechtsverhouding die als een toestand kan worden gekarakteriseerd5. Voorbeelden zijn huurovereenkomsten, arbeidsovereenkomsten, maatschap, geldlening tegen rente, verzekering, overeenkomsten met concurrentieverbod6, distributieovereenkomsten en franchiseovereenkomsten. Er kan een onderverdeling worden gemaakt in (in de wet specifiek geregelde) benoemde duurovereenkomsten en onbenoemde duurovereenkomsten. De laatste categorie ontwikkelt zich met betrekking tot het opzegvraagstuk tegenwoordig voornamelijk in de sfeer van distributieovereenkomsten7. De franchiseovereenkomst kan worden gezien als een species van de distributieovereenkomst8. Uitleg van franchiseovereenkomsten gebeurt in beginsel aan de hand van de Haviltexformule9. Omdat Titel 7.16 (zie hierna in 4.7-4.8) de opzegging van de franchiseovereenkomst niet regelt, geldt voor franchiseovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan wat in de rechtspraak van de Hoge Raad over opzegging van duurovereenkomsten is bepaald10.

4.2

Bij beoordeling van de opzegbaarheid van een duurovereenkomst is relevant of er sprake is van een duurovereenkomst voor bepaalde11 of onbepaalde tijd12, en of in de overeenkomst een regeling is opgenomen over de bevoegdheid tot opzegging.

4.3

Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan voor onbepaalde duur en daarom is opzegging nodig om de overeenkomst te laten eindigen, tenzij andere beëindigingsgronden zich voordoen (zoals ontbinding)13. Het hof legt de franchiseovereenkomst in rov. 6.13.2 vanwege de stilzwijgende verlenging die steeds heeft plaatsgevonden uit als niet van rechtswege eindigend (hetgeen op een lijn is te stellen met een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd in vorenbedoelde zin), waarin voorzien is in een opzeggingsmogelijkheid voor de franchisegever.

4.4

De rechtspraak van de Hoge Raad leert dat wanneer de wet of een duurovereenkomst voorziet in zo’n bevoegdheid tot opzegging, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld (dus op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid). Die eisen kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een zwaarwegende grond bestaat, een bepaalde opzegtermijn in acht wordt genomen of de opzegging gepaard gaat met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding14. Of de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van een duurovereenkomst als de onderhavige in de weg staan aan opzegging zonder betaling van een (schade)vergoeding, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De aard van de betrokken belangen kunnen daarbij een rol spelen, zo volgt uit Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, al aangehaald. Het gaat dan bijvoorbeeld om omstandigheden die te maken hebben met een omschakelijking in de bedrijfsvoering of het terugverdienen van gedane investeringen15. De ratio hiervan is het geven van een mogelijkheid aan de wederpartij om haar bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe situatie ten gevolge van de opzegging. Ook kan een beroep op zo’n bevoegdheid tot opzegging op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid)16.

4.5

Het hof geeft dit stelsel weer in rov. 6.13.1 onder het citeren van rov. 3.6.2-3.6.4 uit het arrest Goglio/SMQ (hiervoor geciteerd in 3.9), onder verwerping van incidentele grief 2 van franchisenemer.

4.6

De vervolgens gekozen bewoordingen in rov. 6.15 hadden mogelijk scherper gekund, maar nauwkeurige lezing maakt wel duidelijk wat het hof hier beslist: opzegging had naar het oordeel van het hof hier niet gekund zonder schadevergoeding aan franchisenemer aan te bieden. Nu dat niet is gebeurd, is sprake van een tekortkoming zijdens franchisegever, die haar schadeplichtig maakt, zodat verwijzing volgt naar de schadestaatprocedure. Dat is het eerste deel van rov. 6.15. Vervolgens beslist het hof in het tweede deel van die overweging dat de verder gaande primaire positie van franchisenemer dat opzegging hier naar normen van redelijkheid en billijkheid überhaupt onaanvaardbaar zou zijn, niet kan worden gevolgd. Dat er voor de twee beslissingen allebei het woord ‘onaanvaardbaar’ wordt gebruikt in rov. 6.15, is mogelijk minder scherp dan had gekund: bedoeld is gelet op de voorafgaande overwegingen onmiskenbaar dat de eerste beslissing in de sleutel staat van art. 6:248 lid 1 BW: zonder schadevergoeding aan te bieden is opzegging hier niet aanvaardbaar, die moet er bijkomen en daartoe wordt franchisegever veroordeeld bij staat, maar van principiële onaanvaardbaarheid van haar beroep op de opzegbepaling is hier geen sprake (dus het beroep van franchisenemer op art. 6:248 lid 2 BW faalt17).

Wet franchise 18

4.7

Sinds 2021 bevat boek 7 BW een Titel 16 over franchiseovereenkomsten19, waarmee het een benoemde overeenkomst is geworden. Art. 7:911 lid 1 BW definieert een franchiseovereenkomst als de overeenkomst waarbij de franchisegever aan een franchisenemer tegen vergoeding het recht verleent en de verplichting oplegt om een franchiseformule op de door de franchisegever aangewezen wijze te exploiteren voor de productie of verkoop van goederen dan wel het verrichten van diensten. In lid 2 volgens definities van franchiseformule, afgeleide formule, franchisegever en franchisenemer.

4.8

Potentieel van belang20 zou kunnen zijn in kwesties als deze de regeling uit art. 7:920 BW over goodwill en non concurrentiebeding bij beëindiging van de franchise21, maar die geldt pas per 1 januari 2023 en als de opzegging per 31 december 2022 als zodanig stand houdt, speelt deze bepaling geen (directe) rol in onze zaak. Nu ik de cassatieklachten tegen de geldigheid van de opzegging geen doel zie treffen, laat ik het bij de volgende signalering: art. 7:920 lid 1 sub b BW bepaalt dat de franchiseovereenkomst moet regelen ‘op welke wijze goodwill die redelijkerwijs is toe te rekenen aan de franchisenemer bij beëindiging van de franchiseovereenkomst aan de franchisenemer wordt vergoed, indien de franchisegever de franchiseonderneming van de betreffende franchisenemer overneemt om deze onderneming zelfstandig voort te zetten (…)’. Daar wordt dus bij het in stand blijven van de opzegging per 31 december 2022 niet aan toegekomen.

4.9

Met deze zo begrepen beslissingen van het hof en gewapend met de besproken duurovereenkomstenrechtspraak van de Hoge Raad en hetgeen de wet inmiddels regelt over de benoemde franchiseovereenkomst, richten wij onze blik op de middelen.

5 Bespreking van het principaal cassatiemiddel

5.1

Het principale cassatiemiddel bestaat na een inleiding uit drie onderdelen met subonderdelen. Onderdeel 1 gaat over de opzegging van de franchiseovereenkomst en bestrijdt het oordeel dat de opzegging het beoogde rechtsgevolg heeft gehad. Onderdeel 2 ziet op de beëindiging respectievelijk het einde van de (onder)huurovereenkomst en onderdeel 3 betreft de slotsom en het dictum, met name de daarbij uitgesproken proceskostenveroordelingen.

Opzegging franchiseovereenkomst

5.2

Onderdeel 1 is met drie subonderdelen (i-iii) gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 6.9, 6.11 en 6.15.

5.3

Subonderdeel i is gericht tegen een (betrekkelijk ondergeschikte) passage uit rov. 6.9. In het kader van zijn oordeel dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd per 31 december 2022 is door het hof het standpunt van franchisenemer in appel verworpen dat dat niet (mede) zou kunnen aan de hand van opzeggingsgronden die niet in de opzeggingsbrief van 28 juli 2020 zijn genoemd22. Het hof oordeelt net als de kantonrechter dat ook andere argumenten kunnen worden meegewogen bij de (uiteindelijke) beoordeling van de opzegging, als deze maar zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging. Franchisenemer richt hier een rechtsklacht tegen en uit de uitwerking in de PI onder 5 maak ik op dat zij daaraan ten grondslag legt dat het hof hier de Haviltexmaatstaf niet zou hebben toegepast. Het hof heeft overwogen dat deze uitleg die franchisenemer aan het schriftelijke mededelingsvereiste uit art. 10 lid 3 wil geven ‘verstrekkend’ is, maar zou niet kenbaar hebben onderzocht in het licht van de betrokken stellingen van partijen wat de gemeenschappelijke bedoeling van partijen hiermee is (art. 3:33 en 3:35 BW). Verder klaagt de PI onder 5 dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend (art. 24 Rv) aangezien franchisegever heeft erkend dat art. 10.3 haar opzeggingsvrijheid beperkt tot ‘omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’23.

5.4

De klacht is tevergeefs en scheert in de eerste plaats langs de hoofdreden voor het hof om te oordelen dat hier sprake is van een rechtsgeldige opzegging, te weten dat is voldaan aan de opzeggingsgrond dat voortzetting in redelijkheid niet van franchisegever kan worden gevergd, omdat zij als franchisegever het recht heeft om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken in de vorm van het helemaal stoppen met de franchiseformule en zich alleen nog focussen op de exploitatie van eigen winkels (rov. 6.8 en 6.9).

5.5

Het hof heeft in rov. 6.6 vooropgesteld dat art. 10.3 van de franchiseovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf: geen zuiver taalkundige uitleg, omdat het immers aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.6

In rov. 6.9 heeft het hof aan zijn oordeel dat ook andere argumenten dan die genoemd in de opzeggingsbrief mogen meewegen bij de beoordeling van de opzegging ten grondslag gelegd dat (1) partijen het erover eens zijn dat de opzegging dient te worden getoetst op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging (ex tunc), (2) aan de bepaling dat de opzegging schriftelijk met redenen omkleed dient te zijn niet de door franchisenemer bepleite ‘verstrekkende’ (in de zin van: beperkende) betekenis toekomt, en (3) franchisenemer onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd. Dat dit geen Haviltex-onderzoek zou behelzen naar de partijbedoeling met dit beding, zie ik niet; dat lijkt mij bij uitstek wel het geval, zodat de Haviltexmaatstaf, die het hof ook voorop stelt in rov. 6.6, niet is miskend (in gelijke zin s.t. franchisegever 2.1.6). Het hof volgt alleen de beperkte uitleg van franchisenemer niet, nu die naar het feitelijke oordeel van het hof onvoldoende concreet is onderbouwd. In cassatie wijst franchisenemer ook niet op stellingen in feitelijke instanties die zouden maken dat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs deze beperkte betekenis aan art. 10.3 van de franchiseovereenkomst toekenden en zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat alleen de in de opzeggingsbrief genoemde argumenten mochten worden meegewogen; zij wijst in de hierna te bespreken motiveringsklacht alleen op getrokken parallellen met opzegbepalingen uit andere benoemde duurovereenkomsten (huur en verzekering). Dat beoordeelt het hof kennelijk als niet toereikend en daartegen is de rechtsklacht tevergeefs gericht.

5.7

Er is ook geen sprake van schending van art. 24 Rv hier, vanwege het gegeven dat franchisegever in hoger beroep zou hebben erkend dat art. 10.3 haar opzeggingsvrijheid heeft beperkt tot ‘omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’. In 3.24 van de MvA/MvG van franchisegever, waarnaar PI onder 5 ter adstructie verwijst, heeft franchisegever betoogd dat de toetsing ex tunc moet plaatsvinden en het haar vrij staat om in rechte een beroep te doen op nieuwe feiten en omstandigheden die zich vóór de beëindiging hebben voorgedaan. Dat met de in MvA/MvG 3.24 voorkomende stelling ‘Het gaat om omstandigheden waar de Franchisenemers mee bekend waren’, wordt gerespondeerd op de stelling van franchisenemer dat het om ‘omstandigheden [gaat] die zelfs in de optiek van (…) [franchisegever] niet de moeite waard waren om op te noemen in de opzegbrief’ uit MvG 11, klopt volgens franchisegever niet (zoals zij terecht bij s.t. 2.1.12. aanvoert): zij reageert daar bij MvA/MvG op met de stelling dat het ging om omstandigheden waar de franchisenemers mee bekend waren, zoals de samenwerking met Kwantum, en dat er geen reden of grond is om die omstandigheden, die al speelden ten tijde van de opzegging, verder buiten beschouwing te laten. Hiermee heeft franchisegever lijkt mij niet erkend, zoals de klacht ingang wil doen vinden, dat haar opzeggingsvrijheid beperkt was tot omstandigheden waarmee de franchisenemers bekend waren. Het hof is hier dan ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Ook dit deel van de rechtsklacht faalt.

5.8

De PI onder 6 bevat de hiervoor al gesignaleerde motiveringsklacht tegen dezelfde passage uit rov. 6.9 dat de uitleg die franchisenemer aan art. 10.3 van de franchiseovereenkomst geeft ‘verstrekkend’ is. Franchisenemer heeft ter adstructie van haar uitleg van de opzeggingsmaatstaf van art. 10.3 bij MvG onder 11 verwezen naar art. 7:273 lid 1 BW (gebondenheid aan gronden bij opzegging huur woonruimte), art. 7:295 lid 2 BW (idem bij opzegging van huur van middenstandsbedrijfsruimte) en voegt daar nu in cassatie art. 7:940 lid 3 BW aan toe (idem bij opzegging van verzekeringen), die de opzegger ook binden aan de opzeggingsgronden in diens opzeggingsbrief. In het licht daarvan is niet toereikend gemotiveerd dat de uitleg van franchisenemer ‘verstrekkend’ zou zijn volgens deze motiveringsklacht; deze is althans niet verstrekkender dan die van franchisegever, laat staan vergeleken met de (zuiver tekstuele) uitleg van het hof, die de ratio van de verplichting om de opzegging met redenen te omkleden (die de opzegger dwingt tot zorgvuldigheid en daarmee tot oog voor de belangen van de wederpartij bij (i) voortzetting van de overeenkomst en (ii) een goede beoordeling van haar kansen in een procedure) geweld aandoet met de implicatie dat de opzegger zijn opzegging later naar believen kan baseren op meer en/of andere redenen dan aanvankelijk verwoord, als deze maar te herleiden zijn tot feiten en omstandigheden ten tijde van de opzegging, waarmee de opzegger dus de belangen van de wederpartij kan negeren althans schenden. Door alleen te oordelen dat de uitleg van franchisenemer ‘verstrekkend’ is, geeft het hof onvoldoende inzicht in zijn kennelijke gedachte dat de argumenten van franchisenemer geen hout snijden, aldus de motiveringsklacht. Ook valt volgens de motiveringsklacht niet in te zien hoe franchisenemer haar positie concreter had kunnen onderbouwen dan door een verwijzing naar de ratio van een opzeggingsbepaling als art. 10.3.

5.9

Om met dat laatste te beginnen: het hof ziet Haviltexend juist niet dat die door franchisenemer bepleite ratio hier bij partijen heeft voorgezeten en mist daarvoor toereikende onderbouwing; de bepleite parallellie met opzegregelingen bij huur heeft het hof (begrijpelijkerwijs, zie hierna) niet meteen kunnen overtuigen. Dat deel van de motiveringsklacht faalt.

5.10

Over de verdere motiveringsklacht aangaande de kwalificatie ‘verstrekkend’ is in de eerste plaats de vraag of die kwalificatie wel dragend is voor het hofoordeel hier, nu ook wordt overwogen dat franchisenemer onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat de door haar verdedigde uitleg van art. 10.3 moet worden gegeven (zo s.t. franchisegever 2.1.7). Verder heeft hier te gelden dat de ingeroepen bepalingen gelden voor andere benoemde duurovereenkomsten en zich niet zo maar lenen voor analoge toepassing bij franchiseovereenkomsten. Dat is een andere benoemde duurovereenkomst dan huur en verzekering met bovendien als relevante bijzonderheid dat daarvoor in Titel 7.16 een regeling over opzegging geheel ontbreekt, zoals hiervoor is besproken. De bepleite analogie met specifieke opzeggingsregelingen voor hele andere benoemde duurovereenkomsten gaat dan een paar stappen te ver. Dat het hof heeft geoordeeld dat het aansluiten bij deze bepalingen ‘verstrekkend’ is, is een feitelijk oordeel dat niet onbegrijpelijk is, omdat daarin wordt afgeweken van het hoofdbeginsel zonder die restrictie. Anders gezegd: de bepleite binding aan opzeggingsgronden in de opzeggingsbrief bij franchise is (even) beperkend (als bij huur en verzekering) en daarom in die zin inderdaad ‘verstrekkend’, want afwijkend van de hoofdregel; dat is goed te volgen en behoefde mijns inziens geen nadere motivering. Dat dit niet verstrekkender zou zijn dan ‘de (zuiver tekstuele) uitleg van het hof’, zoals de klacht nog aandraagt, mist ten slotte feitelijke grondslag, omdat het hof (juist niet) zuiver tekstueel uitlegt, maar Haviltext, zoals hiervoor is besproken.

5.11

Subonderdeel 1.i is daarmee tevergeefs voorgesteld.

5.12

Subonderdeel ii 24 (PI onder 8-11) klaagt dat het oordeel in rov. 6.11 dat rechtsgeldig is opgezegd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd: als franchisegever op bedrijfseconomische gronden een strategisch besluit neemt om op te zeggen, kan niet, althans niet zonder nadere motivering, worden gezegd dat van franchisenemer in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de overeenkomst laat voortduren (PI onder 8). Partijen hebben vrijwillig als maatstaf aanvaard dat de franchisegever alleen de overeenkomst zal kunnen beëindigen als in redelijkheid niet langer van hem kan worden gevergd dat hij de overeenkomst laat voortduren. Deze maatstaf dwingt tot een belangenafweging en aan die maatstaf is pas voldaan als in de concrete omstandigheden het voortzettingsbelang van de franchisenemer het duidelijk aflegt tegen het beëindigingsbelang van de franchisegever. Een opzegging die slechts is gebaseerd op een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden heeft dan geen rechtsgevolg (PI onder 9)25. De PI vervolgt onder 10 met de klacht dat geen kenbare belangenafweging is gemaakt, maar dat het hof alleen lippendienst aan de belangen van franchisenemer bewijst, zodat het oordeel, zo als niet onjuist, in elk geval niet aan minimale motiveringseisen voldoet. De PI onder 11 zet het oordeel in rov. 6.11 af tegen dat in rov. 6.15, die onderling onverenigbaar zouden zijn. Het hof had moeten (en alleen begrijpelijk kunnen) beslissen dat de opzegging niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, omdat de strategische (louter door winstbejag ingegeven) keuze van franchisegever niet opweegt tegen het voortzettingsbelang van franchisenemer, zodat de opzeggingsdrempel van art. 10.3 niet is gehaald.

5.13

Dit kan geen doel treffen. Het hof komt in rov. 6.11 tot de ‘slotsom’ dat de franchiseovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd, een conclusie die het hof bereikt na een beoordeling van de terzake aangedragen bedrijfseconomische en strategische argumentatie in rov. 6.8-6.9 en de in rov. 6.10.1 opgesomde punten (i) tot en met (viii), die door franchisegever zijn aangedragen en door franchisenemer gemotiveerd bestreden en welke punten het hof vervolgens beoordeelt in rov. 6.10.2-6.10.6. Er is naar het feitelijke oordeel van het hof voldaan aan het criterium uit art. 10.3 dat van franchisegever in redelijkheid niet kan worden gevergd de franchiseovereenkomst te laten voortduren. Franchisegever heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij een zodanig zwaarwegend bedrijfseconomisch belang heeft bij beëindiging van de franchiserelatie dat opzegging van de overeenkomst gerechtvaardigd is en het belang van franchisenemer bij voortzetting van de franchiserelatie weegt hier naar het feitelijk oordeel van het hof niet tegen op. Dat in rov. 6.11 is geoordeeld dat aan de opzeggingsgrond is voldaan is niet onverenigbaar met het oordeel in rov. 6.15 dat uit art. 6:248 BW voortvloeit dat hier een schadevergoeding behoort te worden toegekend aan franchisenemer. Ik zou het hier bij kunnen laten, maar loop de specifieke klachten nog even na.

5.14

Voor zover in de PI onder 9 een andere maatstaf wordt geïntroduceerd, namelijk dat het voortzettingsbelang van franchisenemer het duidelijk af moet leggen tegen het beëindigingsbelang van franchisegever, of verder op die zo uitgelegde maatstaf uit art. 10.3 voortbouwt in de PI onder 10 , is dat niet de juiste maatstaf uit het contract. Franchisenemer verwijst niet naar vindplaatsen in stukken uit feitelijke instanties waar zij dit standpunt heeft ingenomen. Een dergelijke feitelijke stelling over de uitleg van de overeenkomst kan niet voor het eerst in cassatie worden betrokken.

5.15

Het hof heeft het standpunt van franchisenemer verworpen dat een opzegging gebaseerd op een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden geen rechtsgevolg kan hebben. Het hof heeft immers in rov. 6.9 overwogen dat een franchisegever als ondernemer het recht heeft om een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden te maken en het hof is na een belangenafweging in rov. 6.11 tot het oordeel gekomen dat het bedrijfseconomisch belang van franchisegever tot het stopzetten van de franchiseformule zwaarder weegt dan het belang van franchisenemer bij voortzetting (zij het met de kanttekening elders in het arrest dat franchisenemer recht heeft op een (schade)vergoeding). Dat deze belangen niet zouden zijn afgewogen, faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag; dat gebeurt wel in rov. 6.11. Dat een opzegging gebaseerd op een strategische keuze op bedrijfseconomische gronden nooit rechtsgevolg kan hebben, is ook geen rechtsregel die vanzelf spreekt: het feitelijk oordeel van het hof is dat de door het hof nagelopen bedrijfseconomische redenen om tot opzegging te komen voldoen aan het opzeggingscriterium uit art. 10.3 dat van franchisegever niet gevergd kan worden om de franchiseovereenkomst voort te zetten. Dat is het hof op begrijpelijke wijze nagegaan waarbij de belangen van partijen zijn afgewogen. In rov. 6.10.1-6.10.6 is het hof nagegaan of voldoende aannemelijk is gemaakt dat die bedrijfseconomische en strategische redenen aanwezig zijn die de beëindigingsgrond kunnen dragen en dat is zo volgens het hof. Voor de belangen van franchisenemer heeft het hof hier (bij wijze van vooruitverwijzing naar de bespreking van grief 2 in rov. 6.12-6.15 en meer in het bijzonder in rov. 6.13.2-6.13.7) oog gehad. Afweging en conclusie volgt in rov. 6.11: de belangen van franchisegever wegen hier naar feitelijk oordeel van het hof zwaarder dan die van franchisenemer. Dat is rechtens onjuist noch ontoereikend gemotiveerd.

5.16

Van innerlijke tegenstrijdigheid tussen rov. 6.11 en rov. 6.15, zoals de PI onder 11 aankaart, is geen sprake; ik verwijs voor hoe rov. 6.15 kan worden begrepen terug naar 4.6. Het kan wel degelijk tegelijkertijd zo zijn dat, zoals het hof in rov. 6.11 heeft geoordeeld, van franchisegever in redelijkheid niet kan worden gevergd de overeenkomst te laten voortduren en dat, zoals het hof in rov. 6.15 heeft geoordeeld, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals het doen van een aanbod tot betaling van schadevergoeding. Uit de besproken rechtspraak van de Hoge Raad volgt immers dat ook als een duurovereenkomst voorziet in een bevoegdheid tot opzegging, art. 6:248 lid 1 BW kan meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen moeten worden gesteld, zoals dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot schadevergoeding. Het laatste deel van de PI onder 11 hint op een hernieuwde belangenafweging ten gunste van franchisenemer, maar daartoe is geen plaats in cassatie.

5.17

Subonderdeel 1.ii is ook tevergeefs voorgesteld.

5.18

Subonderdeel iii klaagt in de PI onder 12 dat het oordeel in rov. 6.15 gelet op art. 6:248 lid 2 BW ook tot de conclusie moet leiden dat de opzegging niet het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, nu franchisegever immers geen schadevergoeding heeft aangeboden. Dan kan niet tegelijkertijd waar zijn dat het beroep op de opzeggingsbevoegd in de omstandigheden van dit geval niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zonder de (niet aangeboden) schadevergoeding is de uitoefening van de opzeggingsbevoegdheid dat immers wel.

5.19

Dit gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest, zoals hiervoor al is besproken in 4.6 en ook franchisegever bij s.t. 2.2.3-2.2.4 terecht uiteenzet: de geldigheid van de opzegging moet hier los worden gezien van de vraag of een (schade)vergoeding verschuldigd is. De geldigheid van de opzegging is hier niet afhankelijk van het aanbod tot schadevergoeding. Het is niet juist dat het achterwege laten van een redelijk aanbod tot schadevergoeding maakt dat de opzegging als zodanig ongeldig is26; de opzegging is hier rechtsgeldig gelet op de ingeroepen en naar ’s hofs oordeel ‘waargemaakte’ opzeggingsgrond, ook al is deze niet gepaard gegaan met een aanbod tot schadevergoeding. In de woorden van Vriend: de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid grijpt niet verder in dan noodzakelijk om een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geconstateerde onaanvaardbaarheid op te heffen27. Een ander oordeel leidt tot ongewenste rechtsonzekerheid. Het is voor (commerciële) partijen van belang om zekerheid te hebben dat een overeenkomst is beëindigd, zodat zij bijvoorbeeld nieuwe overeenkomsten kunnen aangaan28. Het manco lost zich vervolgens op in schadevergoeding. Het is hiervoor in de inleiding al besproken: het kan zo zijn dat de leden 1 en 2 van art. 6:248 BW tegelijkertijd een rol spelen: de opzegging kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar (beroep op art. 6:248 lid 2 BW slaagt niet), terwijl tegelijkertijd de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (ingevolge art. 6:248 lid 1 BW)29. Dat is onmiskenbaar hetgeen het hof hier heeft beslist – daargelaten de gekozen bewoordingen, die duidelijker hadden gekund.

5.20

Zodoende kan de opvatting van franchisenemer in de PI onder 13 niet worden gevolgd dat zij autonoom mocht beslissen welke remedie zij naar aanleiding van de tekortkoming van haar schuldenaar inzet en dat het hof haar keuze voor nakoming moest respecteren. Dat is nu juist in een stelsel van (in beginsel) opzegbaarheid van duurovereenkomsten niet zo30. Het primaire standpunt van franchisenemer was dat de opzegging zonder rechtsgevolg is geweest en voortduurt, omdat niet is voldaan aan de opzeggingsvereisten uit art. 10.3, althans dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en dus onrechtmatig was31. Het subsidiaire standpunt was dat voor het geval de opzegging stand houdt, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij recht heeft op onder meer schadevergoeding32. Nu het hof oordeelt dat aan de opzeggingsvereisten uit art. 10.3 is voldaan en de opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is de primaire vordering afgewezen. Aangezien tevens is geoordeeld dat deze op zich geldige opzegging zonder schadevergoedingsaanbod een tekortkoming oplevert, is de subsidiaire vordering toegewezen in de vorm van verwijzing naar de schadestaat.

5.21

Franchisenemer klaagt in de tweede alinea van de PI onder 13 nog dat zij recht heeft op het positieve contractsbelang en franchisegever haar in financiële zin moet brengen in de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming van franchisenemer achterwege was gebleven, in dit geval dus wanneer de overeenkomst niet was opgezegd. Voor zover de overweging van het hof dat franchisenemer recht heeft op ‘een zekere schadevergoeding’, moet worden begrepen als een beperking van haar recht op vergoeding van het positieve contractsbelang, is die overweging rechtens onjuist althans (ook voor de schadestaatrechter) onbegrijpelijk, aldus deze klacht.

5.22

Ook dit treft geen doel. Het hof heeft in rov. 6.15 niet geoordeeld over de omvang van de schadevergoeding, zodat deze klacht feitelijke grondslag mist. Het hof heeft de subsidiair gevorderde verklaring voor recht toegewezen en de zaak (blanco) verwezen naar de schadestaat.

5.23

Punt 14 van de PI bevat geen nieuwe klacht, maar een samenvatting en de voortbouwklacht onder 15 van de PI dat het slagen van delen van onderdeel 1 ook rov. 6.26, 7.6 en 7.7-7.13 aantast, deelt het lot van de hiervoor besproken klachten.

5.24

Onderdeel 1 kan zodoende niet tot cassatie leiden.

Onderhuurovereenkomst

5.25

Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 6.16 over de beëindiging van de onderhuurovereenkomst. Franchisenemer klaagt dat zij haar grief tegen de beslissing van de kantonrechter niet heeft gemotiveerd met enkele verwijzing naar grief 2, zoals het hof heeft overwogen. Zij heeft verwezen naar hetgeen zij in grief 2 heeft aangevoerd33, en niet valt in te zien waarom zij daar niet mee kon volstaan, maar haar al uitgeschreven belangen bij voortzetting van de rechtsverhouding met franchisegever zou hebben moeten herhalen. Het oordeel is onjuist, althans is onbegrijpelijk volgens deze klacht.

5.26

Rov. 6.16 kan niet los bezien worden van de beoordeling van de opzegging van de franchiseovereenkomst. Daarin heeft het hof geoordeeld dat de belangen van franchisenemer niet opwegen tegen het zwaarwegend geoordeelde bedrijfseconomische belang van franchisegever, zodat het beroep van franchisegever op de opzeggingsbevoegdheid in de overeenkomst in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Omdat in die beslissing al een afweging van de belangen van partijen is gemaakt ten detrimente van franchisenemer en franchisenemer in grief 3 alleen naar de door haar in het kader van grief 2 gestelde belangen heeft verwezen34, hoefde het hof niet nader te onderbouwen dat ook voor wat betreft de huurverhouding de belangen van franchisenemer van onvoldoende gewicht zijn om die rechtsverhouding te laten voortduren. De kantonrechter had in rov. 4.32 immers het lot van beide overeenkomsten met elkaar verbonden en daartegen heeft franchisenemer geen grief gericht. De duurbepalingen uit de betreffende franchise- en (onder)huurovereenkomsten zijn, zo volgt uit de vastgestelde feiten, ook op elkaar afgestemd. Een dergelijke lotsverbondenheid tussen franchise- en huurverhouding in de zin dat de huurovereenkomst eindigt als de franchiseovereenkomst eindigt vanwege de samenhang tussen beide komt in de praktijk en rechtspraak regelmatig voor35. Het oordeel van het hof moet dan ook zo worden begrepen dat franchisenemer onvoldoende heeft toegelicht waarom die belangenafweging voor de huurverhouding anders zou moeten uitpakken, dan bij de franchiseverhouding. Dat is niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat het hof hiermee zou hebben geoordeeld dat niet met bedoelde verwijzing kon worden volstaan, maar dat franchisenemer haar al uitgeschreven belangen bij voortzetting van haar rechtsverhouding met franchisegever op straffe van verwerping van haar grief 3 zou hebben moeten herhalen, mist feitelijke grondslag; dat valt volgens mij niet uit rov. 6.16 te begrijpen.

5.27

Ook de voortbouwklacht in de PI onder 17, dat beëindiging van de huurverhouding niet in stand kan blijven als de aanval op de geldigheid van de opzegging van de franchiseovereenkomst zou slagen, kan, nu dat zich hier niet voordoet, niet slagen, zodat onderdeel 2 tevergeefs is voorgesteld.

De proceskosten

5.28

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 6.26 en het dictum.

5.29

In rov. 6.26 heeft het hof geoordeeld dat zowel in het principaal als het incidenteel hoger beroep partijen deels in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, zodat aanleiding bestaat om de proceskosten in appel (in de hoofdzaak en het incident) te compenseren. Over de proceskosten in eerste aanleg is geoordeeld dat franchisenemer terecht in de proceskosten is veroordeeld (zowel in conventie als in reconventie), nu het vonnis grotendeels in stand blijft. Vervolgens heeft het hof aangegeven dat het wel het vonnis om proceseconomische redenen zal vernietigen. In het dictum heeft het hof: in 7.1 het vonnis in eerste aanleg vernietigd; in 7.2 in conventie voor recht verklaard dat franchisegever gehouden is tot betaling van een (schade)vergoeding; in 7.3 franchisegever veroordeeld tot betaling van een (schade)vergoeding; in 7.4 voor het overige het vonnis bekrachtigd en in onder 7.5 het meer of anders gevorderde afgewezen.

5.30

In de PI onder 18 klaagt franchisenemer dat het rechtens onmogelijk is om in 7.4 het vonnis dat het hof eerder in 7.1 heeft vernietigd ‘voor het overige’ te bekrachtigen. Ook is niet duidelijk waarom in 7.5 het meer of anders gevorderde zou moeten worden afgewezen. Mogelijk heeft het hof met de bekrachtiging voor het overige in 7.4 het oog gehad op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in conventie, maar dan nog blijft staan dat die veroordeling er wegens de vernietiging in 7.1 niet meer is. Dit dictum is dan ook onjuist of is vanwege deze tegenstrijdigheden onbegrijpelijk.

5.31

Het dictum van een uitspraak moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid36. Het gaat franchisenemer alleen om het dictum ten aanzien van de vorderingen in conventie. Aan de hand van het petitum en rov. 6.26 kan het dictum ten aanzien van de vorderingen in conventie worden uitgelegd. Het hof heeft het vonnis vernietigd (in 7.1) en daarna inhoudelijke beslissingen gegeven over de subsidiaire vordering van franchisenemer over de betaling van schadevergoeding (in 7.2 en 7.3). De twee inhoudelijke beslissingen over (schade)vergoeding wijken af van het oordeel van de kantonrechter, die de subsidiaire vorderingen – net als de primaire – in 5.1. had afgewezen. Het hof bekrachtigt vervolgens ‘voor het overige’ dat vonnis in eerste aanleg (in 7.4) en daarmee doelt het hof klaarblijkelijk op de afwijzing van de andere vorderingen van franchisenemer, te weten de primaire vorderingen over de opzegging van de franchise- en huurovereenkomst, en op de proceskostenveroordeling (kennelijk refererend aan de dicta 5.2-5.4 in prima). Het is evident dat het hof met ‘voor het overige’ in ieder geval het proceskostenoordeel overneemt, nu het hof in rov. 6.26 heeft geoordeeld dat de kantonrechter franchisenemer terecht in de proceskosten in eerste aanleg heeft veroordeeld; er is dus nog steeds grond voor betaling van die proceskosten.

5.32

De afwijzing in 7.5 van het meer of anders gevorderde door franchisenemer komt niet raadselachtig voor (zie ook s.t. franchisegever 2.5.5, laatste gedachtestreepje). In hoger beroep heeft franchisenemer immers haar eis gewijzigd en daarover heeft de kantonrechter in eerste aanleg natuurlijk niet kunnen beslissen, zodat het hof zich daarover nog moest uitlaten in het dictum. Dit is ook in lijn met hetgeen het hof in rov. 6.26 heeft overwogen over de vordering die franchisenemer bij vermeerdering van eis had ingesteld, namelijk dat de vordering van haar tot veroordeling van tot terugbetaling van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vonnis aan franchisegever heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, niet toewijsbaar is. Daarop stuiten deze cassatieklachten dan ook af.

5.33

In de PI onder 19 klaagt franchisenemer vervolgens dat de passage in rov. 6.26 dat de kantonrechter franchisenemer terecht heeft veroordeeld in de kosten van eerste aanleg in conventie en reconventie ‘nu het vonnis grotendeels in stand blijft’, onjuist is. Art. 237 lid 1 Rv bepaalt immers dat de partij die (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, moet worden veroordeeld in de proceskosten. De vraag welke partij (overwegend) in het ongelijk wordt gesteld, moet worden beantwoord door een vergelijking van het petitum met het dictum en niet door een vergelijking van het dictum van de uitspraak in hoger beroep met het dictum in eerste aanleg. Als het hof met de passage dat ‘het vonnis grotendeels in stand blijft’ moet worden geacht franchisenemer te hebben aangemerkt als de partij die in eerste aanleg overwegend in het ongelijk is gesteld, is rov. 6.26 onbegrijpelijk. Het hof had moeten beoordelen wat de toewijzing in hoger beroep (over de toekenning van een (schade)vergoeding) in plaats van afwijzing (daarvan) in eerste aanleg betekent voor de proceskosten in eerste aanleg in conventie. Het hof had volgens de klacht moeten beslissen dat franchisenemer in conventie overwegend in het gelijk is gesteld en had franchisegever moeten veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg – althans moeten oordelen dat partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk, respectievelijk ongelijk zijn gesteld en de proceskosten in eerste aanleg moeten compenseren.

5.34

Deze klacht lijkt mij te slagen. De vorderingen in eerste aanleg en in hoger beroep in de hoofdzaak zijn nagenoeg gelijk, zodat het onbegrijpelijk is waarom het hof wat betreft eerste aanleg tot het oordeel komt dat franchisenemer (overwegend) in het ongelijk is gesteld, terwijl in hoger beroep partijen deels in het gelijk, deels in het ongelijk zijn gesteld. In hoger beroep waren bovendien nog incidentele vorderingen door franchisenemer ingesteld, die het hof bij tussenarrest van 26 april 2022 heeft afgewezen37.

5.35

Volgens mij kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door ook de proceskosten in eerste aanleg (in conventie en reconventie) te compenseren.

5.36

Nu de zo-even besproken klacht slaagt, geldt dat ook voor de voortbouwende klacht in de PI onder 20 dat de voortbouwende beslissingen in rov. 6.26 en 7.5 van het dictum onjuist zijn dat de vordering van franchisenemer tot veroordeling van franchisegever tot terugbetaling, met rente, van alles wat franchisenemer ter uitvoering van het vernietigde vonnis aan franchisegever heeft betaald, niet toewijsbaar is. Als een vonnis in een hogere instantie wordt vernietigd, dan ontstaat een vordering uit onverschuldigde betaling ex art. 6:203 BW. Al hetgeen op grond van dat vonnis is betaald, kan worden teruggevorderd38. Daarnaast is wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip dat aan franchisegever is betaald39.

6 Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel

6.1

Het incidenteel cassatiemiddel bevat twee onderdelen en een voortbouwklacht. Onderdeel 1 betreft een onvoorwaardelijke klacht over het verband tussen de gehanteerde opzegtermijn en de schadevergoedingsveroordeling en onderdeel 2 behelst een voorwaardelijke klacht over de innerlijke consistentie tussen rov. 6.11 en rov. 6.15.

6.2

Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel in rov. 6.15 dat de opzegging van de franchiseovereenkomst zonder die te vergezellen van een (passend) aanbod tot een (schade)vergoeding, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof heeft overwogen dat dit niet anders wordt doordat franchisegever een opzegtermijn van 29 maanden in acht heeft genomen – meer dan het dubbele aan opzegtermijn die contractueel was overeengekomen. Uit de opzegging van 28 juli 2020 blijkt namelijk dat ook franchisegever meent dat de franchiseovereenkomst eerst opzegbaar was tegen 1 januari 2023. Dat franchisenemer nu 16 maanden eerder van de opzegging op de hoogte was dan zij op grond van de voorgeschreven opzegtermijn van 13 maanden zou zijn geweest, is volgens het hof geen compensatie voor franchisenemer.

6.3

Franchisegever klaagt dat dit onjuist of ontoereikend gemotiveerd is. Bij de beoordeling of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een overeenkomst is opgezegd zonder aanbod tot (schade)vergoeding, zijn alle relevante omstandigheden van het geval van belang40. Een relevante omstandigheid is ook de lengte van de gehanteerde opzegtermijn, en – in het verlengde daarvan – dat een langere opzegtermijn is gehanteerd dan is overeengekomen. Immers: hoe langer de opzegtermijn, hoe minder snel er grond zal bestaan voor (schade)vergoeding41. Dat geldt ook als de lengte van de gehanteerde opzegtermijn lang is – hier langer is dan overeengekomen – maar dat geen gevolgen heeft voor de datum waartegen wordt opgezegd. Dat laatste neemt immers niet weg dat er een lange(re) opzegtermijn is gehanteerd. Door die lange(re) opzegtermijn is franchisenemer er vroegtijdig, en eerder dan op grond van de overeenkomst vereist was, van op de hoogte geraakt dat de overeenkomst tegen een bepaalde datum wordt opgezegd42, waardoor zij langer de mogelijkheid heeft gehad om haar bedrijfsvoering aan te passen. Dat is van belang bij de beoordeling of de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat toch óók een (schade)vergoeding moet worden betaald (en zo ja: hoeveel)43. Het hof heeft dit miskend door bij de beoordeling of de eisen van redelijkheid en billijkheid in dit geval meebrengen dat een vergoeding moet worden betaald, niet van belang te achten dat er een lange(re) opzegtermijn is gehanteerd, nu die lange(re) opzegtermijn niet heeft geresulteerd in een latere datum waartegen wordt opgezegd. Heeft het hof dat niet miskend, dan heeft het hof zijn oordeel waarom in dit geval de langere in acht genomen opzegtermijn (16 maanden extra) geen compensatie vormt, c.q. niet maakt dat de opzegging zonder aanbod tot (schade)vergoeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

6.4

Hoewel de hier aangevallen motivering mogelijk scherper had gekund, zie ik geen ruimte voor cassatie op dit punt om de volgende redenen.

6.5

Voor zover franchisegever ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de lengte van de opzegtermijn niet van belang is bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding, lijkt mij dat geen juiste lezing van het arrest. In rov. 6.15 is alleen geoordeeld òf de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat hier schadevergoeding moet worden betaald. Er wordt niet(s) geoordeeld over de hoogte daarvan.

6.6

Het hof heeft in rov. 6.12-6.15 een aantal omstandigheden gewogen bij de vraag of termen aanwezig zijn tot toekenning van een (schade)vergoeding aan franchisenemer hier bij opzegging. Het hof heeft gelet op de jarenlange relatie tussen partijen, de verwachtingen bij franchisenemer tot het moment van de mededeling op 15 juli 2020 dat de franchiseovereenkomst niet zou worden beëindigd, dat franchisenemer geen verwijt kan worden gemaakt van de opzegging en de afhankelijke relatie van franchisenemer. Geoordeeld is dat franchisegever zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de in geding zijnde belangen van franchisenemer, terwijl de opzegging geheel is gebaseerd op de eigen strategische keuze van franchisegever en de wens om hetgeen zij misloopt bij de voortzetting van de franchiseformule als extra omzet toe te voegen aan haar eigen onderneming. Dat maakt dat het hof termen ziet voor toekenning van een (schade)vergoeding en daar doet volgens het hof de omstandigheid dat franchisenemer eerder dan contractueel overeengekomen op de hoogte was van de opzegging niet (voldoende) aan af. Dat biedt volgens het hofoordeel geen toereikende compensatie: in deze omstandigheden van het geval heeft de opgezegde franchisenemer ondanks dat zij eerder op de hoogte was van de opzegging (niettemin ook) aanspraak op schadevergoeding.

6.7

De klacht ziet op het verband tussen een in acht genomen (ruimere dan contractueel voorziene, redelijke) opzegtermijn en de mate van (additionele) schadevergoeding. Schelhaas bepleit dat er bij regelmatige opzegging met een redelijke opzegtermijn in beginsel geen ruimte zou moeten zijn voor additionele schadevergoeding. Er wordt al toereikend rekening gehouden met de belangen van de opgezegde partij door het in acht nemen van een redelijke opzegtermijn, ook al heeft de opzegging nadelige consequenties44. Uit het al wat oudere arrest Mattel/Borka volgt weliswaar dat ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat niettemin termen bestaan voor (additionele) schadevergoeding45. Van omstandigheden die maken dat naast een redelijke opzegtermijn een schadevergoedingsverplichting bestaat kan volgens Schelhaas echter niet snel sprake zijn en met name moet worden gedacht aan een beperkte vergoeding voor extra kosten die het gevolg zijn van de opzegging zelf, zoals onderhandelings- of administratiekosten, of investeringen die juist met het oog op dit contract zijn verricht en nog niet zijn terugverdiend46. Houben betoogt dat de opzegging in zijn geheel moet worden beschouwd en dat het vereiste van een zwaarwegende grond, de lengte van de opzegtermijn of de hoogte van de aangeboden compensatie niet geïsoleerd getoetst moeten worden aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, maar juist in samenhang met elkaar47. Dat laatste onderschrijf ik graag. Resumerend lijkt mij dat er (al dan niet beperkte) ruimte kan zijn voor schadevergoeding, ook als een redelijke opzegtermijn is gehanteerd.

6.8

Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de lengte van de opzegtermijn in de omstandigheden van dit geval niet maakt dat er geen schadevergoedingsverplichting bestaat. Of deze qua omvang beperkter moet worden geacht dan wanneer de contractuele opzegtermijn zou zijn gehanteerd, zal voorwerp van debat (kunnen) zijn in de schadestaatprocedure. Van belang hierbij is onder meer wat in rov. 6.13.3-6.13.5 is overwogen over de overname van de aandelen in de onderneming, dat er door franchisegever niet is besproken dat er een opzegging in de lucht hing en het handelen van franchisenemer dat was afgestemd op de verwachting dat niet binnen afzienbare tijd zou worden opgezegd, zoals het meegaan met de formulewijziging. De hier door het hof gemaakte afweging dat ondanks de ruime opzegtermijn aanspraak bestaat op aanvullende schadevergoeding voor franchisenemer, is in hoge mate feitelijk is en in cassatie maar beperkt toetsbaar en de figuur van additionele schadevergoeding ook al is een (meer dan) redelijke opzegtermijn in acht genomen, is geen onbekende in ons recht. De door Houben bepleite niet-geïsoleerde beschouwing geniet de voorkeur, het zijn communicerende vaten. Dus hoewel de klacht een punt heeft in die zin dat de franchisenemer doordat zij eerder op de hoogte was van de opzegging langer de mogelijkheid heeft gehad om haar bedrijfsvoering aan te passen, is het niet onjuist dat het hof heeft geoordeeld dat het eerder op de hoogte zijn van de opzegging geen compensatie betreft voor de franchisenemer. De datum waartegen werd opgezegd was immers niet later dan contractueel overeengekomen, zodat niet kan worden gezegd dat de langere opzegtermijn heeft geleid tot extra tijd voor de franchisenemer om de investeringen genoemd in rov. 6.13.3-6.13.5 terug te verdienen. Dit lijkt mij typisch materie die voldoende aan bod kan komen in de schadestaatprocedure, waar naar is verwezen. Van ontoereikende motivering lijkt mij ook geen sprake. Door de uitvoerige afweging van de belangen, waaronder die genoemd in rov. 6.13.3-6.13.5, die gedane investeringen betreffen met het oog op voortzetting van de overeenkomst en dus in dit geval zwaarwegend zijn, heeft het hof voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang hier dat plaats is voor schadevergoeding naast een ruime opzegtermijn. Dat sluit als gezegd (bepaald) niet uit dat de lengte van de opzegtermijn in de schadestaatprocedure vervolgens van invloed kan zijn op de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding.

6.9

Het onvoorwaardelijke incidentele middel 1 zie ik zodoende geen doel treffen.

6.10

Franchisegever voert als onderdeel 2 een klacht aan onder de voorwaarde dat enige klacht van onderdeel 1 in principaal cassatieberoep slaagt. Aan deze voorwaarde is in mijn ogen niet voldaan.

6.11

Ten overvloede: de betreffende incidentele klacht is het spiegelbeeld van subonderdeel 1.iii van het principaal cassatieberoep en struikelt ook over de dubbele ‘onaanvaardbaar’ uit rov. 6.15, maar ziet een spiegelbeeldige innerlijke tegenstrijdigheid tussen rov. 6.11 en 6.15: het kan niet zo zijn dat tegelijkertijd rechtsgeldig is opgezegd (rov. 6.11), maar toch is tekortgeschoten door op te zeggen zonder aanbod tot een (schade)vergoeding. Zoals hiervoor in 5.19 onder verwijzing naar 4.6 is besproken, is hier van onverenigbaarheid of innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake, zodat de klacht inhoudelijk tevergeefs is voorgesteld.

6.12

De louter voorbouwende klacht van onderdeel 3 dat bij gegrondbevinding van enige (voorwaardelijk) incidentele klacht ook de voortbouwende oordelen in rov. 6.15, 6.26 en het dictum niet in stand kunnen blijven, behoeft geen afzonderlijke bespreking.

6.13

Ik kom tot de conclusie dat het incidenteel cassatiemiddel niet tot cassatie kan leiden.

7 Conclusie

7.1

Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot afdoening als hiervoor onder 5.35 vermeld.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Samengevat inhoudende: (i) voor de 4 franchisenemers zijn werkzaamheden nodig die niet nodig zijn voor de eigen winkels, (ii) afspraken over online-verkopen (een kwart van de omzet in 2021) zijn lastig te maken met franchisenemers en dat geldt ook voor (iii) de marketingmix, (iv) de zakelijke markt en (v) de eenheid naar buiten toe. Verder (vi) bestaat zijdens franchisegever de wens zo min mogelijk uitzonderingen te hoeven maken op een nieuw in te voeren ICT- en ERP-systeem en (vii) levert de Wet franchise een lastenverzwaring voor franchisegever op bij handhaving van de franchiseformule, terwijl (viii) zelfexploitatie i.p.v. franchise meer inkomsten genereert (zie in deze zin ook s.t. franchisegever 1.7).

2 Zie daarover o.m. W.L. Valk, Opzegging van duurovereenkomsten na Gemeente/SNU en Stedin, NTBR 2012/25 n.a.v. de nieuwe lijn van de Hoge Raad over opzegging van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd met ingang van het in het in deze bijdrage bedoelde arrest: HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, JG 2012/4 m.nt. J.J. van der Gouw, JIN 2012/12 m.nt. N.J. Meuwese, JOR 2012/240, m.nt. A.J. Verdaas, AB 2012/85 m.nt. F.J. van Ommeren, Gst. 2012/49 m.nt. A.J. van Poortvliet, TBR 2012/58 m.nt. J.E. Brink - van der Meer en A.J. van der Vegt, NJ 2012/685 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (De Ronde Venen/Stedin). Vgl. ook J.M. Barendrecht, G.R.B. van Peursem, Distributieovereenkomsten, 1997, nr. 214 (verandering van distributiebeleid).

3 De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: Hof Den Bosch 28 februari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:661, rov. 6.1.1-6.1.17. zie ook de uitspraak in eerste aanleg: Rb. Zeeland-West-Brabant 29 december 2021, rov. 2.1. Zie voor een beknopte weergave het tussenarrest: Hof Den Bosch 26 april 2022, rov, 3.1.

4 Mijn recente conclusie van 19 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:441, bevat in 3.3-3.7 deels overeenkomstige inleidende opmerkingen over duurovereenkomsten. In die in die zaak staan andere aspecten centraal dan in de onderhavige zaak.

5 Asser/Sieburgh 6-III 2022/89; vgl. ook Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon BW nr. A5) 2017/4.26, die een duurovereenkomst omschrijft als een overeenkomst waar voortdurende of telkens terugkerende rechten en verplichtingen uit voortvloeien.

6 Asser/Sieburgh 6-III 2022/89.

7 A. van der Kruk en M.E.A. Möhring, GS Verbintenissenrecht, art. 6:248 BW, aant. 5.2.

8 Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/194 met verdere verwijzingen.

9 Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/214, met de aantekening van Houben dat ‘(h)ierbij (…) de vraag (kan) worden gesteld of in sommige gevallen, met name indien franchisenemers later ‘toetreden tot’ standaardcontracten, de meer objectieve variant van de Haviltexnorm zou dienen te worden toegepast.’

10 Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/219.

11 Een duurovereenkomst voor bepaalde tijd is in beginsel niet opzegbaar, tenzij anders is overeengekomen of de wet anders bepaalt, met als uitzondering het geval van onvoorziene omstandigheden volgens art. 6:258 BW, zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/408 onder verwijzing naar HR 21 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0483, NJ 1990/439 (Mondia/Calanda), HR 10 augustus 1994 ECLI:NL:HR:1994:ZC1428 ([…] / […]), NJ 1994/688 en HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2769, NJ 1999/132 ( /Kluwer).

12 Een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is, ook als wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van opzegging, in beginsel opzegbaar, zie Asser/Sieburgh 6-III 2022/408, met verwijzing naar het al aangehaalde arrest De Ronde Venen/Stedin.

13 A. van der Kruk en M.E.A. Möhring, GS Verbintenissenrecht, art. 6:248 BW, aant. 5.5.1.

14 Asser/Sieburgh 6-III 2022/408 met verwijzing naar HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, JIN 2013/137 m.nt. J.L. Naves, NJ 2013/341 (Auping/Beverslaap), rov. 3.6 (waarin wordt verwezen door de Hoge Raad naar De Ronde Venen/Stedin, al aangehaald) en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, JOR 2016/294 m.nt. P.G.M. Brouwer, PJ 2016/101 m.nt. E. Lutjens, NJ 2016/450 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Pensioenfonds/Alcatel-Lucent), rov. 4.4.2, onder verwijzing naar opnieuw De Ronde Venen/Stedin, Auping/Beverslaap en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660, AB 2016/229 m.nt. A.H.J. Hofman, BR 2016/84 m.nt. M. Hendriks, JOR 2016/189 m.nt. J.M. Blanco Fernández, NJ 2016/236 (Gooisch Natuurreservaat/Amsterdam of: Amsterdam/Provincie c.s.), rov. 4.4. Zie ook Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/219.

15 Zie rov. 3.6.2 uit De Ronde Venen/Stedin, al aangehaald: “Zij hebben niet aangevoerd bepaalde investeringen te hebben gedaan die nog moeten worden terugverdiend, of in hun bedrijfsvoering geen rekening te hebben gehouden, en te hebben kunnen houden, met eventuele omvangrijke kosten van verlegging in de toekomst, of anderszins tijd of kosten kwijt te zijn met de omschakeling naar de nieuwe situatie die door de opzegging ontstaat.” Zie ook Auping/Beverslaap, al aangehaald: van belang is dat Beverslaap en de aan haar gelieerde e-Bedding B.V. voor een groot deel afhankelijk waren van de omzet in Auping-producten en dat Beverslaap en Auping ten tijde van de opzegging al 8,5 jaar zaken met elkaar hadden gedaan. Zie hierover N.H. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26. vgl. ook: Asser/Houben 7-X 2019/128 en de NJ-noot van Tjong Tjin Tai onder 3 onder De Ronde Venen/Stedin, al aangehaald.

16 HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98, JIN 2018/57, m.nt. R.A.G de Vaan, JOR 2018/140, m.nt. G.J.M. Verburg (Goglio/SMQ), 3.6.4 onder verwijzing naar rov. 4.4.2 van Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, al aangehaald. Zie ook Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/219, waarin Houben dit zo verwoordt: ‘Onder omstandigheden kan dus op een contractuele opzeggingsbepaling in een franchiseovereenkomst geen beroep worden gedaan (art. 6:248 lid 2 BW). De daardoor ontstane leemte kan onder omstandigheden worden aangevuld (art. 6:248 lid 1 BW) met vereisten tot inachtneming van een (langere) opzegtermijn of het aanbieden van een vergoeding. Zie conclusie van A-G van Peursem, ECLI:NL:PHR:2022:679, met name 3.24-3.26 bij HR 11 november 2022, RvdW 2022/1057 [ECLI:NL:HR:2022:1610 (Spits c.s./Inpak Apotheek Tiel) A-G] (art. 81 RO).’

17 Mogelijk is hier ook de lezing dat het beroep van franchisenemer op het niet vervuld zijn van de opzeggingsgrond – in redelijkheid kan niet gevergd worden dat franchisegever de overeenkomst voortzet – wordt afgewezen.

18 Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/174 e.v.

19 Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de invoering van regels omtrent de franchiseovereenkomst, in werking getreden per 1 januari 2021, Stb. 2020, 493. Volgens de hoofdregel van art. 68a Ow NBW heeft de wet onmiddellijke werking, met uitzondering van (zie art. 209 Ow NBW) van art. 7:920 en art. 7:921 BW, die per 1 januari 2023 van toepassing zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35392, 3 (MvT), p. 50-51). De Wet franchise is van dwingend recht, art. 7:922 BW, zie Kamerstukken II 2019/20, 35393, 3 (MvT), p. 51 en Asser/Houben & Van Schaick 2023/184.

20 De Wet franchise bevat naast de besproken definities in art. 7:911 BW verder bepalingen over zorgplichten, goed franchisegever en goed franchisenemer (art. 7:912 BW), informatieplichten in de precontractuele fase met een stand-still periode van vier weken (art. 7:913-914 BW), onderzoeksplicht van de beoogd franchisenemer (art. 7:915 BW) en informatieplichten van de franchisegever gedurende de looptijd van het contract (art. 7:916 BW), alsmede de wijze waarop informatie moet worden verstrekt (art. 7:917 BW) en na een delegatiebepaling (art. 7:918 BW) in art. 7:919 BW een regeling over bijstand en ondersteuning door franchisegever en een bepaling over instemmingsrecht van de franchisenemer bij overschrijding van drempelwaarden in art. 7:921 BW, welke laatste bepaling ook pas per 1 januari 2023 in werking is getreden.

21 Zie daarover Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/220-221.

22 De PI verwijst onder 4 naar MvG 11.

23 Onder verwijzing naar MvA/MvG 3.24.

24 In de PI staat per abuis (iii).

25 Onder verwijzing naar MvG 12, 15-16, 59, 60 en 66, plta 6 en HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1706, NJ 1995/437, AA 1997/0513, m.nt. J.M. van Dunné ([…] / […]), een al weer wat oudere uitspraak over iets heel anders (ingebruikgeving om niet voor onbepaalde tijd van opstallen en grond) en met andere rechtsvragen. .

26 W.L. Valk, Opzegging van duurovereenkomsten na Gemeente/SNU en Stedin, NTBR 2012/25, onder 6; Asser/Houben 7-X 2019/130.

27 M. Vriend in GS Verbintenissenrecht, art. 6:2 BW, aant. 3.7 met verdere verwijzingen.

28 Zie in vergelijkbare zin N.H. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26, waar Schelhaas hetzelfde betoogt ten aanzien van de consequenties van een te vroege opzegging. In gelijke zin s.t. franchisegever 2.2.7.

29 Franchisegever verwoordt dat bij s.t. 2.2.5 zo: ‘Er is dus een verschil tussen het geval waarin opzegging als zodanig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en het geval waarin (dat niet het geval is, maar) het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat wordt opgezegd zonder aanbod tot (schade)vergoeding.’

30 W.L. Valk, NTBR 2012/25, t.a.p.

31 Inl. dgvd. 39-64; MvG 8-100 waarin grief 1 en 2 worden toegelicht. In de kern betoogt franchisenemer in appel dat niet is voldaan aan de vereisten voor opzegging in art. 10.3 (grief 1). Als daar wel aan zou zijn voldaan, is de opzegging onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (grief 2, zie punt 64).

32 Inl. dgvd. 72-88; MvG 95-99 waarin franchisenemer betoogt dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de opzegging gepaard had moeten gaan met het aanbod om schadevergoeding te betalen.

33 Onder verwijzing naar MvG 102 en 68-100.

34 Dat er licht zou zitten tussen een motivering door enkele verwijzing naar grief 2 enerzijds en verwijzing naar ‘hetgeen in grief 2 is aangevoerd ter zake van haar belangen bij voortzetting van de rechtsverhouding’ met franchisegever, zoals de PI onder 16 aanvoert, zie ik niet; met het eerste is het tweede bedoeld; dat hierin verschil zit, wordt ook niet verder toegelicht in de PI.

35 Zie daarover Asser/Houben & Van Schaick &-VIII 2023/226-229.

36 Vaste rechtspraak: HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:854, NJ 2022/219, rov. 4.1.2, onder verwijzing naar HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:369, RvdW 2016/369, rov. 3.4 met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.

37 Het tussenarrest van 26 april 2022 in het dictum. De beslissing over de proceskosten heeft het hof tot de einduitspraak in de hoofdzaak aangehouden.

38 Dit volgt uit: HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:728, NJ 2019/127, m.nt. A.I.M. van Mierlo, JBPR 2018/47, m.nt. I.M.A. Lintel, JIN 2018/116, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.M. Kuipers.

39 HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5863, NJ 2000/603, m.nt. H.J. Snijders.

40 Onder verwijzing naar het arrest Pensioenfonds/Alcatel-Lucent, al aangehaald, rov. 4.4.2 (slotalinea) en 4.4.3 (eerste volzin).

41 Onder verwijzing naar CvA 3.27; plta van 24 september 2021 4.6.

42 Onder verwijzing naar CvA 2.65, 3.15, 3.28; zittingsaantekeningen van 24 september 2021, p. 9; p-v van de mondelinge behandeling van 17 november 2022, p. 18; plta 17 november 2022 4.1.

43 Onder verwijzing naar het vonnis van 29 december 2021, rov. 4.30-4.31 en verder CvA 3.45, 3.49; plta van 24 september 2021 4.9.

44 N.H. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26, onder verwijzing naar (thans zal zijn bedoeld:) Asser/Houben 7-X 2019/130 (verwezen wordt in de monografie van Schelhaas uit 2017 naar Asser/Houben 7-X nr. 132).

45 HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291, NJ 1991/742, m.nt. P.A. Stein.

46 N.H. Schelhaas, t.a.p.

47 Asser/Houben 7-X 2019/130.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.