Inleiding
1. Bij arrest van 14 april 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 16 juni 2017 bevestigd, behoudens ten aanzien van de strafoplegging, zulks met partiële niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de in dit vonnis gegeven beslissingen tot vrijspraak ter zake van feit 3 en ter zake van feit 4 voor zover het de stortingen op de bankrekening op naam van [betrokkene 9] betreft, met enkele correcties in het vonnis en met aanvulling van bewijsoverwegingen over feit 4. Het hof heeft het vonnis ten aanzien van de strafoplegging vernietigd en opnieuw rechtdoende de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 81 maanden en beslissingen genomen over het beslag.
2. Bij het genoemde vonnis had de rechtbank Noord-Holland de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, en de verdachte veroordeeld voor (1) “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en/of 10a, eerste lid van de Opiumwet”, (2) “medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen”, (4) “medeplegen van gewoontewitwassen” en (5 primair) “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod”.
3. Er bestaat – met inbegrip van de voorliggende zaak – samenhang tussen de zaken [betrokkene 1] (23/01465), [betrokkene 2] (23/01510 P), [betrokkene 3] (23/01511), [betrokkene 3] (23/01513 P), [betrokkene 4] (23/01593), [betrokkene 5] (23/01604), [verdachte] (23/01614), [verdachte] (23/01616 P). In al deze zaken zal ik vandaag concluderen. In de zaak tegen [betrokkene 6] (23/01582), waarin geen middelen zijn ingediend, heeft de Hoge Raad op 14 november 2023 reeds arrest gewezen.
De megazaak Amber
4. De rechtbank heeft in het vonnis van 16 juni 2017 uitgebreide bewijsmotiveringen opgenomen. De rechtbank heeft daarbij niet alleen de inhoud van bewijsmiddelen weergegeven, maar ook – al dan niet naar aanleiding van bewijsverweren – in overwegingen haar bewijsoordelen uiteengezet en inzichtelijk onderbouwd. Het hof heeft er – naar ik vermoed: om die reden – voor gekozen deze bewijsoverwegingen (met relatief weinig correcties) over te nemen en tot de zijne te maken, alsook in (slechts) enkele gevallen aan te vullen.
5. Ter inleiding heeft de rechtbank in haar (in zoverre door het hof bevestigde) vonnis (p. 5-8) onder meer het volgende overwogen:
“Naar aanleiding van een Meld Misdrijf Anoniem (MMA) melding medio maart 2011, CIE informatie van juni 2011 en 7 december 2011 gecombineerd met de bevindingen uit de FIOD-onderzoeken Sienna en Yoghurt en voorts CIE informatie van september 2013 is op 25 november 2013 een opsporingsonderzoek gestart onder de naam 12RRAMBER. Het onderzoek richtte zich aanvankelijk op [verdachte] , [betrokkene 5] , [betrokkene 10] , [betrokkene 3] en [betrokkene 11] , die werden verdacht van in- en uitvoer van verdovende middelen, van deelneming aan een criminele organisatie en van witwassen. Gedurende het onderzoek zijn meer verdachten in beeld gekomen en is het onderzoek voortgezet onder de naam AMBER.
[verdachte] is verdachte in verschillende zaaksdossiers. Hij wordt verdacht van het deelnemen aan een criminele organisatie welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 en/of 10a van de Opiumwet en van welke organisatie hij de leider was (zaaksdossier 3), het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen (zaaksdossier 8), het medeplegen van het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van verdovende middelen (zaaksdossier 9), en het medeplegen van (gewoonte)witwassen (zaaksdossier 11). Tot slot wordt hem verweten dat hij samen met anderen een partij van 165 kilogram heroïne heeft afgeleverd of in elk geval voorhanden heeft gehad, subsidiair het medeplegen van de voorbereiding daarvan (zaaksdossier 15).
(…).
In het onderzoek Amber is gespreksverkeer en dataverkeer opgenomen en uitgeluisterd, dan wel gelezen, welk verkeer heeft plaatsgevonden met in het onderzoek bekend geworden telefoon- en IMEI-nummers. (…). De conclusie dat verdachte in de hierna volgende zaken iets zegt of schrijft in het onderschepte gespreks- en/of dataverkeer vloeit in beginsel voort uit de conclusie dat hij de gebruiker is van het betreffende nummer. Alvorens de afzonderlijke zaaksdossiers te bespreken, zal de rechtbank eerst aangeven welke telefoonnummers en IMEI-nummers zij aan welke verdachte toeschrijft en op grond waarvan.
Daarnaast is in het onderzoek Amber gespreksverkeer afgeluisterd dat heeft plaatsgevonden op verschillende locaties/afgesloten ruimtes (OVC’s). De OVC gesprekken werden zo goed als allemaal gevoerd in de Turkse taal. De gesprekken zijn door verschillende Turkse/Koerdische tolken, die langdurig bij dit onderzoek werkzaam zijn geweest, beluisterd en uitgewerkt. Deze verschillende Turkse/Koerdische tolken hebben afwisselend tapgesprekken dan wel diverse OVC's geluisterd en uitgewerkt. Naar aanleiding van bovengenoemde werkzaamheden hebben die tolken de diverse stemherkenningen kunnen doen zoals deze vermeld staan in alle bij dit onderzoek bijgevoegde OVC gesprekken.
Nu door en namens verdachten niet is betwist dat zij gebruik hebben gemaakt van voormelde
telefoonnummers en dat hij/zij deelnemer is geweest aan de met deze nummers gevoerde gesprekken, zal de rechtbank deze telefoonnummers en de daarmee gevoerde gesprekken aan hen toeschrijven. (…).
In de tapgesprekken in onderzoek Amber is meermalen gebruik gemaakt van bijnamen. [betrokkene 3] wordt ook [...] of [...] genoemd. [betrokkene 10] wordt ook [...] of [...] genoemd. (…). [verdachte] wordt ook [...] , [...] , [...] of [...] genoemd. (…).”
6. [betrokkene 7] is de echtgenote van de verdachte ( [verdachte] ). [betrokkene 9] heeft verklaard de minnares te zijn van de verdachte.
Het cassatieberoep en het middel
7. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
8. Met het middel wordt opgekomen tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van feit 4 (het medeplegen van gewoontewitwassen), en met name tegen het oordeel dat de betreffende geldbedragen “afkomstig waren uit enig misdrijf”. Het middel bevat (tevens) een klacht over het niet, dan wel onvoldoende responderen op het ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunt’ dat het doen van salarisbetalingen zonder dat daar werkzaamheden tegenover staan, niet de conclusie kunnen wettigen dat ‘het niet anders kan zijn dan dat die geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren’.
9. Aangezien in cassatie niet wordt opgekomen tegen de oordelen omtrent het onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde, mag in cassatie worden uitgegaan van hetgeen het hof in zoverre bewezen heeft geacht (zie vonnis p. 103-105).
De bewezenverklaring, de bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 4 (gewoontewitwassen) en een bewijsverweer
10. Onder 4 heeft de rechtbank ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat
“hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2012 tot en met 27 mei 2015 te Zaandam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt
immers hebben hij, verdachte en zijn mededader telkens van een voorwerp, te weten telkens een geldbedrag de herkomst verhuld,
immers hebben hij, verdachte en zijn mededader, in de periode van 1 februari 2014 tot en met 27 mei 2015 van de bankrekeningen van [A] VOF en/of [betrokkene 8] telkens geldbedragen met een totaal van 24.490 euro als loon voor werkzaamheden in dienstbetrekking overgeboekt en/of doen overboeken naar de ABN (betaal)rekening ten name van [betrokkene 7] met rekeningnummer [rekeningnummer 1] , zulks terwijl door [betrokkene 7] geen werkzaamheden zijn verricht en er van dienstbetrekkingen geen sprake was terwijl hij, verdachte telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf”.
11. Ter onderbouwing hiervan heeft de rechtbank in het – in zoverre door het hof bevestigde – vonnis (p. 72-78) het volgende overwogen (met weglating van voetnoten waarin verwijzingen naar de vindplaatsen van bewijsmiddelen zijn opgenomen):
Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 4
De rechtbank komt voor het overige tot een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.
Geldbedrag van in totaal € 24.490 als loon ontvangen op de bankrekening van [betrokkene 7]
Er is onderzoek gedaan naar de inkomens- en vermogenspositie van [verdachte] en zijn echtgenoot [betrokkene 7] . Uit gegevens van de belastingdienst over de periode 1 januari 2014 tot en met mei 2015 blijken van [betrokkene 7] de volgende dienstverbanden, brutoloon en ingehouden loonheffingen:
Het loon (het brutoloon verminderd met de loonheffing) bedraagt mitsdien € 24.490,-.
Uit de gegevens van de ABN AMRO bank blijkt dat [betrokkene 7] (onder meer) houder is van de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 1] . Deze bankrekening is in de jaren 2012–2015 onder meer gevoed met salarisontvangsten die (onder meer) afkomstig zijn van VOF [A] en [betrokkene 8] .
Met betrekking tot het ‘dienstverband’ en ‘salaris’ van [betrokkene 7] via (de kapperszaken van) [betrokkene 8]
Op 16 september 2014 wordt [verdachte] gebeld door [betrokkene 7] en zij bespreken het volgende:
(...)
[betrokkene 7] : Wat wilde ik zeggen... Ik heb met die [betrokkene 12] gesproken. Luister, zij huilde aan de telefoon.
[verdachte] : Waarom?
[betrokkene 7] : Ze zegt: we moeten even praten alsjeblieft.
[verdachte] : Je moet geen concessies doen.
[betrokkene 7] : Ze zegt: ik heb het moeilijk.
[verdachte] : Ik weet het. Ik heb vandaag om de sleutels van de zaak/winkel gevraagd. Ik haal ze maandag op zei ik.
[betrokkene 7] : wat gebeurt er dan met mijn loon?
[verdachte] : Er gebeurt niets. Ik laat het voor jou doorgaan.
[betrokkene 7] : [Bij] wie laat je het dan doorgaan?
[verdachte] : ik haal hem/haar daar weg
[betrokkene 7] : Maar dat verandert de naam en zo en gaat het weer fout met mijn werk/zaak.
[verdachte] : Er gebeurt niets. Je bent toch personeel. We laten je doorgaan.
[betrokkene 7] : Maar wie zal het overnemen?
[verdachte] : Ik moet kijken. Ik zet het op [betrokkene 10] zijn naam, ik zet het wel op iemand zijn naam.
(…)
Op 23 september 2014 vindt er een telefoongesprek plaats tussen [betrokkene 5] - en zijn vriendin [betrokkene 13] :
(...)
[betrokkene 13] vraagt waar [verdachte] is. [betrokkene 5] antwoordt dat hij ( [verdachte] ) naar huis is gegaan.
[betrokkene 5] zegt dat hij met [verdachte] erover heeft gehad of [betrokkene 13] in de kapperszaak kon werken en dat [verdachte] de afstand een probleem vond.
[betrokkene 13] vraagt of [betrokkene 10] daar gaat werken.
[betrokkene 5] zegt dat hij ( [verdachte] ) de kapperszaak op naam van [betrokkene 10] gaat zetten en het (lees: de kapperszaak) aan [betrokkene 10] heeft gegeven.
[Woordelijk:]
[betrokkene 13] : Hij zet het op naam van [betrokkene 10] , zomaar. Waarom geeft hij het aan [betrokkene 10] ?
[betrokkene 5] : Nee, nee. Hij heeft het aan [betrokkene 10] gegeven, alleen er zal bij [betrokkene 14] , dinges [betrokkene 7] maandelijks 1700 lira op haar dinges worden gestort, iets van verzekering of zo.
[betrokkene 13] : Aan wie?
[betrokkene 5] : Aan [betrokkene 7] . De vrouw van [verdachte] .
[betrokkene 13] : Aan zijn vrouw.
[betrokkene 5] : Ja, ja.
[betrokkene 13] : Waarom?
[betrokkene 5] : En over het overige zegt hij: ' [betrokkene 10] , het is van jou.' Ze doen toch van dat ze opgeven als of iemand werkt.
[betrokkene 13] : Oke, maar ... dinges, wat ik wilde zeggen. [betrokkene 10] zal daar geen 1700 lira per maand verdienen, toch?
[betrokkene 5] : Ben je gek ofzo?! [onverstaanbaar] dat verdient bakken vol met geld.
[betrokkene 13] : Is het 1700 of 700?
[betrokkene 5] : 1700 lira.
(...)
[betrokkene 13] vraagt of ze het (de kapperszaak) van die man hebben afgepakt.
[betrokkene 5] antwoordt met ja en zegt dat hij (die man) een schuld had open staan.
[betrokkene 13] vraagt of ze hem (derde persoon) gezegd hebben: 'Betaal je schuld!’ en toen hij niet kon betalen gezegd heeft: 'De zaak mag van jullie worden.'
[betrokkene 5] : Ja. En hij heeft ook klappen gekregen.
[betrokkene 13] : Wat?
[betrokkene 5] : Hij heeft ook klappen gehad. (...)
Op 1 oktober 2014 wordt [betrokkene 10] gebeld door [betrokkene 7] en vindt het volgende gesprek plaats:
[betrokkene 7] spreekt [betrokkene 10] aan met [...] en vraagt hem wanneer haar salaris/loon wordt gestort.
[betrokkene 10] antwoordt dat deze maand op zijn (derde persoon) conto komt.
[betrokkene 7] zegt dat dat niet het geval is.
[betrokkene 7] zegt de vrouw van die persoon gebeld te hebben en dat die gezegd heeft dat die daar weg is.
[betrokkene 10] zegt dat die (derde persoon) nog alles van deze maand moet betalen en daarna pas weg is.
[betrokkene 7] zegt dat [betrokkene 10] dan tegen [betrokkene 8] moet zeggen dat hij haar loon/salaris moet betalen. [betrokkene 10] zegt dat hij nu daarnaar toe zal gaan.
[betrokkene 7] zegt dat het vandaag gestort had moeten worden.
Op 29 oktober 2014 wordt [betrokkene 10] gebeld door [betrokkene 7] en vindt het volgende gesprek plaats:
[betrokkene 7] noemt [betrokkene 10] ‘ [...] ’ en vraagt of [verdachte] bij [betrokkene 10] is.
[betrokkene 10] zegt dat [verdachte] geschoren/geknipt wordt.
[betrokkene 7] vraagt [verdachte] aan de telefoon.
[betrokkene 10] zegt dat hij in het koffiehuis is en naar hem toe moet gaan.
[betrokkene 7] zegt dat ze het ook aan [betrokkene 10] kan vragen.
"Jij gaat mijn loon voor de 11e maand, de volgende maand naar me overmaken, toch?", vraagt [betrokkene 7] .
[verdachte] (sh) komt aan de telefoon.
[betrokkene 7] noemt hem " [...] " (fon.) en zegt dat hij had gezegd dat de lonen vandaag en over twee dagen overgemaakt zouden worden. [betrokkene 7] vraagt waarom 'zij' het loon van over twee dagen storten/overmaken.
[verdachte] zegt dat [betrokkene 7] daar doorgaat.
"Waar?", vraagt [betrokkene 7] .
"Je bent nog daar. [betrokkene 10] heeft het nog niet overgenomen", zegt [verdachte] .
[betrokkene 7] zegt dat er vandaag 2 (lonen) in een keer zijn overgemaakt.
[verdachte] bevestigt dit.
[betrokkene 7] zegt dat die (derde persoon) het voor vorige en deze maand heeft gestort/overgemaakt en niet voor de volgende maand.
[verdachte] zegt dat hij nu geschoren/geknipt wordt en dat ze later praten.
Uit het mutatie overzicht van de bankrekening van [betrokkene 7] blijkt dat er op 29 oktober 2014 twee keer salaris is overgemaakt door [betrokkene 8] ter hoogte van € 1.750,-
Op 1 november 2014 wordt de éénmanszaak [B] met KvK-nummer [...] gestart. De hoofdvestiging, en tevens het bezoekadres, is de [a-straat 1] in [plaats] . Eigenaar van de éénmanszaak is [betrokkene 10] , geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] , Turkije. [A] VOF, waar [betrokkene 7] van 1 februari 2014 tot 30 november 2014 een dienstverband had, is op hetzelfde adres gevestigd.
Op 8 december 2014 hebben [verdachte] en [betrokkene 7] het volgende telefoongesprek:
(...) [betrokkene 7] zegt dat haar geld nog niet overgemaakt is.
[verdachte] zegt dat het wel overgemaakt is. [betrokkene 7] zegt dat ze net heeft gekeken. [verdachte] zegt dat [betrokkene 7] straks weer moet kijken.
Op 9 december 2014 om 13.09 uur belt [betrokkene 10] naar [betrokkene 8] en zij hebben het volgende gesprek:
(...) [betrokkene 10] vraagt of [betrokkene 8] het loon heeft overgemaakt/gestort.
[betrokkene 8] zegt dat hij het loon heeft overgemaakt/gestort.
[betrokkene 10] zegt dat het niet op de rekening is bijgeschreven.
[betrokkene 8] vraagt wanneer [betrokkene 10] dat heeft gevraagd.
[betrokkene 10] zegt dat ze het even van tevoren gevraagd hebben.
[betrokkene 8] zegt dat het onmogelijk is.
[betrokkene 10] zegt dat hij nog een keer gaat bellen.
Op dezelfde dag om 13.39 uur hebben [betrokkene 10] en [betrokkene 8] het volgende gesprek:
[betrokkene 10] zegt dat het niet gestort/overgemaakt is.
[betrokkene 8] vraagt hoe dat kan en zegt dat het gisteravond (...) gestort/overgemaakt is.
Vervolgens zegt [betrokkene 8] dat hij de foto ervan naar [betrokkene 10] gaat opsturen en vraagt [betrokkene 10] even te wachten.
[betrokkene 8] zegt op de achtergrond: [betrokkene 15] gelooft het niet. Hij zegt dat het loon van [betrokkene 7] niet gestuurd is.
Even later zegt [betrokkene 8] dat het wel gestuurd is en dat het 1750 is en dat het ’s ochtends om 10 uur is gestuurd.
[betrokkene 10] zegt dat hij het nog een keer gaat vragen. (…)
En in een daaropvolgend gesprek om 15.51 uur tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 8] :
(...) Ja, ja, het is gestort/overgemaakt, zegt [betrokkene 10] .
[betrokkene 8] zegt dat het ook zo moet zijn, ‘zoals het elke maand wordt gestort/overgemaakt’. (...)
Uit het mutatie overzicht van de bankrekening van [betrokkene 7] blijkt dat er op 9 december 2014 salaris is overgemaakt door [betrokkene 8] ter hoogte van € 1.750,-.
Diverse werknemers van (verschillende vestigingen van) [betrokkene 8] zijn als getuigen gehoord. Zij hebben verklaard dat zij [betrokkene 7] niet kennen.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 4
Beoordelingskader witwassen
De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het uit enig misdrijf afkomstig zijn van de in de tenlastelegging opgenomen bedragen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de hierboven genoemde redengevende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.
Kort samengevat betreft dit vermoeden het ontvangen van een geldbedrag van in totaal € 24.490,- op de bankrekening van [betrokkene 7] in de periode van januari 2014 tot en met mei 2015, welke gelden zijn ontvangen als loon voor werkzaamheden in dienstbetrekking van (kapperszaken van) [betrokkene 8] , terwijl [betrokkene 7] nimmer werkzaamheden voor [betrokkene 8] heeft verricht (zaaksdossier 10).
De rechtbank overweegt dat het doen van salarisbetalingen, terwijl daar geen werkzaamheden tegenover staan, een sterke aanwijzing oplevert dat de betalingen afkomstig zijn uit een criminele bron. Immers, dergelijke betalingen zijn naar hun aard verhullingshandelingen. De rechtbank stelt vast dat het dossier in elk geval geen handvat biedt dat hiermee iets anders is beoogd dan de criminele herkomst te verhullen.
Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [verdachte] een nauwe betrokkenheid had bij (de overname van) de kapperszaak en de betalingen die zijn gedaan. Uit de verschillende tapgesprekken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] omstreeks september 2014 een aansturende rol heeft gehad bij de overdracht van de kapperszaak van [betrokkene 8] aan [betrokkene 10] . Zo zegt [verdachte] tegen [betrokkene 7] op 16 september 2014 dat hij de sleutels van de zaak [de rechtbank begrijpt: de kapperszaak van [betrokkene 8] ] heeft gevraagd en de zaak op naam van [betrokkene 10] gaat zetten. Ook blijkt uit de tapgesprekken dat [verdachte] en [betrokkene 7] diverse keren spreken over de salarisbetalingen. Zo zegt [verdachte] op 16 september 2014 tegen [betrokkene 7] dat hij het loon voor haar laat doorgaan en op 29 oktober 2014 bevestigt [verdachte] aan [betrokkene 7] dat er die dag twee salarisbetalingen zijn gedaan. Ook op 8 december 2014 zegt [verdachte] tegen [betrokkene 7] – wanneer [betrokkene 7] zegt dat haar salaris nog niet is overgemaakt – dat het geld wel is overgemaakt, en dat zij straks nog een keer moet kijken. De rechtbank leidt uit deze gesprekken af – in samenhang met de overige aangehaalde bewijsmiddelen – dat [verdachte] zeggenschap had over die betalingen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat meergenoemde gelden uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat daarom van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.
[verdachte] heeft geen verklaring afgelegd. Hij is voortvluchtig. [betrokkene 7] heeft zich beroepen op haar zwijgrecht en – als getuige bij de rechter-commissaris – op haar verschoningsrecht.
Namens [verdachte] is ter terechtzitting ter verklaring van de herkomst van de gelden gewezen op de aanwijzingen in het dossier dat [verdachte] geld verdiende met gokken. De rechtbank is van oordeel dat dit niet geldt als een concrete, min of meer verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld. Verder heeft de verdediging nog aangevoerd dat [verdachte] over een legaal inkomen beschikte vanuit België. Hoewel aan de verdediging kan worden toegegeven dat op grond van de stukken in het dossier kan worden aangenomen dat [verdachte] een bescheiden legaal inkomen heeft genoten in België, doet dit aan het bovenstaande niet af. Immers, niet kan (en behoeft te) worden vastgesteld dat de gelden afkomstig waren van [verdachte] .
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het vermoeden van witwassen niet is ontzenuwd. Op grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde betalingen van ‘loon’ met een totaal van 24.490,- euro – onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig zijn, en dat [verdachte] dat wist. Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn echtgenoot [betrokkene 7] .
De bewijsverweren worden aldus verworpen.
Verhullen
Wat betreft de ‘salarisbetalingen’ op de bankrekening van [betrokkene 7] is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van het ‘verhullen’ van de criminele herkomst van het geld.
Gewoonte
De rechtbank acht het aantal bewezenverklaarde witwashandelingen en de periode waarin deze zijn verricht van dien aard dat aldus is komen vast te staan dat [verdachte] zich tezamen met zijn echtgenote [betrokkene 7] heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen.”
12. Op de terechtzitting van het hof van 6 april 2023 heeft de raadsman blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting overeenkomstig zijn pleitaantekeningen (p. 45-46) onder meer het volgende aangevoerd tegen de bewijsoverwegingen van de rechtbank (dit betreft de passage waarop de steller van het middel wijst):
“129. De stelling van [verdachte] dat hij aanzienlijke bedragen heeft verdiend met gokken in een periode die voorafging aan de periode waarin de contante uitgaven zouden zijn gedaan die hebben geleid tot de kasopstelling, is een verifieerbare, op voorhand niet hoogst onaannemelijke verklaring die niet door enig onderzoek weerlegd is, sterker nog die bevestiging vindt in de bewijsmiddelen. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat die contante uitgaven tot een bedrag van € 58.746,- nog los van de hierboven geplaatste kanttekeningen bij de totstandkoming van dat bedrag geheel verklaard kunnen worden uit die legale inkomsten van [verdachte] .
130. De rechtbank lijkt dat (in de hoofdzaak) tot op zekere hoogte ook te hebben gevonden en kiest (daarom?) een andere weg door zich expliciet te richten op wat zij als verhullende handelingen ten aanzien van de stortingen voor [betrokkene 7] ziet. In dat verband worden diverse getapte telefoongesprekken opgevoerd waarin met name wordt gesproken over het overnemen van de kapperszaak van [betrokkene 8] , dat [betrokkene 10] die kapperszaak zou hebben gekregen en de betalingen van het maandelijks loon aan [betrokkene 7] , dit terwijl zij in die kapperszaak niet werkzaam zou zijn.
131. Daarmee gaat het er kennelijk voor de rechtbank niet meer zo zeer om of vastgesteld kan worden dat er op enigerlei wijze sprake is van uit misdrijf afkomstig geld, maar uitsluitend om het vaststellen van wat de rechtbank als verhullende handelingen ziet. Dat roept de vraag op of wanneer ik over legaal geld kan beschikken en ik kies er om mij moverende redenen voor dat geld als loon vanuit een winkel te laten overmaken aan een derde (als gevolg waarvan ik loonbelasting afdraag aan de Nederlandse staat), ik mij reeds daarmee schuldig heb gemaakt aan witwassen. Nog anders gezegd: is het enkele verhullen reeds voldoende om witwassen bewezen te verklaren of moet op zijn minst ook vastgesteld kunnen worden dat de voorwerpen die verhuld worden (in dit geval de geldbedragen) onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf?
132. Dat laatste is natuurlijk het geval. Het zal best dat de betalingen vanuit de kapperszaak een ogenschijnlijk schimmige constructie opleveren en dat op voorhand niet helemaal duidelijk is waarom iemand dat zo zou doen, maar mensen doen wel meer gekke dingen wanneer het om het naar de buitenwereld ophouden van een bepaalde indruk over vermogen en inkomsten betreft.
133. Misschien dat het valsheid in geschrift zou opleveren wanneer deze constructie aangeroepen zou worden in een stuk ter verkrijging van een hypotheek of een uitkering (hier niet aan de orde), maar wanneer zoals in dit geval door het Openbaar Ministerie niet aannemelijk is gemaakt dat het niet anders kan dan dat dat geld uit enig misdrijf afkomstig is, levert dat geen witwassen op.
134. Ik verzoek u de heer [verdachte] van dit laatste feit vrij te spreken.”
13. Als aanvullende bewijsoverweging heeft het hof met betrekking tot feit 4 het volgende opgenomen (arrest, p. 2-3):
“De verdediging heeft aangevoerd dat de stelling van [verdachte] dat hij aanzienlijke bedragen heeft verdiend met gokken in een periode die vooraf ging aan de periode waarin de contante uitgaven zijn gedaan die tot de kasopstelling hebben geleid een verifieerbare, op voorhand niet hoogst onaannemelijke verklaring is die niet door enig onderzoek is weerlegd en die bevestiging vindt in de bewijsmiddelen. Daarbij heeft de verdediging gewezen op start-informatie in het onderzoek en een verklaring van [betrokkene 9] bij de politie van 25 augustus 2015.
In het dossier is een proces-verbaal van verdenking tegen – onder meer – [verdachte] van 25 november 2013 opgenomen (Map 03 - Start- en overdracht PV’s, p. 20). Hierin staat het volgende vermeld:
“ [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1978, is in april 2012 gecontroleerd op Schiphol. Hij vloog in vanaf Istanbul en was in het bezit van iets meer dan € 10.000 in contanten, een horloge van het merk Audemars Piquel met een geschatte dagwaarde van € 40.000 en een aantal bonnetjes van een casino waaruit bleek dat hij in 4 bezoeken zo'n € 50.000 had omgewisseld.”
[betrokkene 9] (Map 111, Aanvulling 7, p. 16-17) heeft verklaard dat [verdachte] zei dat het geld dat hij haar gaf afkomstig was van gokken. Op de vraag of ze geloofde dat het geld van gokken afkomstig was heeft ze geantwoord:
“Ik ben een paar keer.. Nou omdat ik samen met hem naar de casino ging .. Hij won echt grof geld waar ik bij was. Bijvoorbeeld een keer 29 duizend, een keer 50 duizend won hij. Ik bedoel, ik zag het met mijn eigen ogen. Bij roulette raadde hij goed, dacht ik.”
Het hof overweegt als volgt.
[verdachte] heeft nimmer een verklaring afgelegd naar aanleiding van de gerezen witwasverdenking. In eerste aanleg is betoogd dat het dossier aanwijzingen bevat voor gokken en is – onder meer – gewezen op het hiervoor genoemde proces-verbaal en de hiervoor genoemde verklaring van [betrokkene 9] . De rechtbank heeft geoordeeld dat dit niet geldt als een concrete, min of meer verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld. Thans is in hoger beroep door de verdediging de stelling ingenomen dat [verdachte] aanzienlijke bedragen met gokken heeft verdiend. Uit het genoemde proces-verbaal blijkt dat [verdachte] in 4 bezoeken aan het casino € 50.000,00 heeft omgewisseld. Hieruit blijkt dus niet dat [verdachte] dit bedrag in het casino heeft gewonnen. Dat dit wel het geval zou zijn, is ook overigens op geen enkele wijze geconcretiseerd. De verklaring van [betrokkene 9] op 25 augustus 2015 als verdachte (van witwassen) levert geen concrete en min of meer verifieerbare informatie op. Het hof betrekt hierbij dat [betrokkene 9] zich als getuige bij de rechter-commissaris op haar verschoningsrecht heeft beroepen, niet als getuige is verschenen ter terechtzitting van het hof van 29 maart 2021 en dat de verdediging bij die gelegenheid afstand van haar als getuige heeft gedaan.”
De toelichting op het middel
14. In de toelichting op het middel voert de steller ervan aan dat op de terechtzitting van het hof ter verdediging niet alleen naar voren is gebracht dat de verdachte in de voor de bewezenverklaring relevante periode over legale inkomsten heeft kunnen beschikken en dat daarmee een ‘concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ is gegeven omtrent de herkomst van de betalingen, maar dat bovendien verweer is gevoerd tegen de vaststelling van het witwasvermoeden, daartoe stellende dat de rechtbank dit witwasvermoeden (ten onrechte) heeft gebaseerd op het feit dat verhullende handelingen hebben plaatsgevonden (namelijk de salarisbetalingen), terwijl het OM heeft nagelaten aannemelijk te maken dat ‘het niet anders kan zijn dan dat de overgemaakte bedragen uit enig misdrijf afkomstig waren’. Tegen deze constructie is in het bijzonder ingebracht dat ook indien het zo zou zijn dat de betalingen vanuit de kapperszaken een ogenschijnlijk schimmige constructie opleverden, dit niet voldoende is om witwassen te bewijzen, omdat er andere redenen kunnen zijn om geldbedragen als loon te laten uitbetalen, terwijl het feit dat dit wellicht een schimmige constructie oplevert nog niet aannemelijk maakt dat de bron van het geld een criminele is.
15. Doordat het hof in zoverre heeft volstaan met het bevestigen van de bewijsoverwegingen van de rechtbank heeft het hof verzuimd om op dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt te reageren. Bovendien is de bewijsbeslissing ontoereikend gemotiveerd op de grond dat er geen gerechtvaardigd witwasvermoeden bestond en dat van de verdachte dus überhaupt geen verklaring mocht worden verlangd, aldus de steller van het middel.
Het beoordelingskader inzake ‘witwassen’ (art. 420bis Sr en volgende): in hoeverre mag de rechter voor het bewijs van witwassen gebruikmaken van de omstandigheid dat de verdachte geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor de herkomst van een voorwerp?
16. De tenlastelegging is toegesneden op de delictsomschrijvingen die zijn opgenomen in de artikelen 420bis lid 1 (witwassen) en 420ter Sr (gewoontewitwassen).1 Voor een bewezenverklaring is vereist dat vaststaat dat de in artikel 420bis Sr omschreven gedragingen betrekking hebben op een voorwerp dat – onmiddellijk of middellijk, geheel of ten dele – afkomstig is uit enig misdrijf. “Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen”, aldus de minister ter toelichting op het wetsvoorstel waarmee werd beoogd het witwassen van opbrengsten van misdrijven strafbaar te stellen.2
17. De Hoge Raad heeft met het oog op het bewijs van de criminele herkomst van een voorwerp ingeval er geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen dat voorwerp en een concreet misdrijf (en er dus geen specifiek brondelict bekend is), een beoordelingsschema opgesteld dat in een recent gewezen arrest als volgt is weergegeven:
“Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” (…), kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs.”3
18. Als ik het goed begrijp beoogt de Hoge Raad met dit beoordelingsschema duidelijkheid te geven over de reikwijdte van met name het nemo-teneturbeginsel (het daaruit voortvloeiende zwijgrecht), de onschuldpresumptie (de daaruit voortvloeiende bewijslasttoedeling) en over de vraag of – en, zo ja, onder welke condities – de rechter gevolgen mag verbinden aan het uitblijven van een bevrijdende verklaring van de verdachte voor de herkomst van het voorwerp ten aanzien waarvan hij handelingen heeft verricht die mogelijk als ‘witwassen’ kunnen worden aangemerkt.4
19. Uit de eerste hierboven aangehaalde overweging van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat bij afwezigheid van rechtstreeks bewijs voor de vaststelling dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, het de rechter vrijstaat deze vaststelling ‘indirect’ – d.w.z. met behulp van ervaringsregels c.q. typologieën – af te leiden uit (door het OM aangedragen en door de rechter vastgestelde) feiten en omstandigheden die in voldoende mate in deze richting wijzen en die een legale herkomst van het voorwerp (dus) zeer onwaarschijnlijk maken. Wanneer een gevolgtrekking over de criminele herkomst van een voorwerp zodoende is gebaseerd op indirect bewijs van voldoende gewicht, wordt deze gevolgtrekking door de rechter vaak onder woorden gebracht als: “het kan niet anders zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is” (onderstreping mijnerzijds).
20. Doorgaans zal de verdachte worden gevraagd of hij een – hem bevrijdende – verklaring kan geven voor de herkomst van een voorwerp ten aanzien waarvan hij handelingen heeft verricht die (mogelijk) als ‘witwassen’ kunnen worden getypeerd. Indien een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring uitblijft, kan de rechter dit betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs – doch, en dat is de crux van de aangehaalde rechtspraak – uitsluitend wanneer de door het OM aangedragen feiten en omstandigheden reeds “een vermoeden rechtvaardigen” dat – het niet anders kan zijn dan dat – het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
21. Over de vraag hoe sterk dat (witwas)vermoeden precies moet zijn alvorens aan de verdachte het uitblijven van een verklaring mag worden tegengeworpen, heeft de Hoge Raad zich niet uitgesproken. Het is daarom dat ik hier kort stilsta bij de betekenis van het begrip ‘verklaring’ en de rol die het ontbreken ervan in een bewijsconstructie vervult.
22. Wanneer de verdachte voor het bestaan van indirect bewijsmateriaal, bijvoorbeeld: feiten en omstandigheden die een witwasvermoeden rechtvaardigen, wordt gevraagd om een ‘verklaring’, gaat het de rechter er niet zozeer om dat de verdachte een verklaring (in de zin van: mededeling, in het Engels: statement) aflegt over feiten en omstandigheden. De rechter verlangt een verklaring (in de zin van: uitleg, in het Engels: explanation) voor feiten en omstandigheden die redengevend kunnen zijn voor het bewijs van een delictsbestanddeel. Zo’n uitleg bestaat uit de beschrijving van een toedracht of gang van zaken die een causale verklaring geeft voor vaststaande feiten en omstandigheden, en die – indien waarheidsgetrouw – onverenigbaar is met de bewezenverklaring van het onderwerpelijke delictsbestanddeel.
23. Om dat ‘bevrijdend’ effect te bewerkstelligen moet het gaan om een plausibele toedracht, dus om een aannemelijk ‘scenario’, waarin de vaststaande feiten en omstandigheden goed passen, en dat zodoende een adequaat alternatief vormt voor het scenario dat ten grondslag ligt aan de tenlastelegging. Bovendien moet het gaan om een scenario waarvan de verdachte weet heeft, omdat het zijn beweegredenen beschrijft. De enkele suggestie hoe een toedracht zou kunnen zijn verlopen is niet voldoende; de verdachte moet zich aan het scenario committeren. Als een dergelijk scenario ontbreekt en als het scenario dat aan de tenlastelegging ten grondslag ligt – mede als gevolg daarvan – veruit de beste verklaring geeft voor vaststaande feiten en omstandigheden, verheft dat de vaststelling dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan boven redelijke twijfel. Dat is geen rechtskwestie, dat is common sense.
24. Voor het echter zo ver is en voordat een dergelijke verklaring van de verdachte mag worden verlangd, moet (i) het indirecte bewijs reeds in ruime mate wijzen in de richting van het scenario dat ten grondslag ligt aan de tenlastelegging en moeten (ii) plausibele alternatieve scenario’s zich niet als vanzelf aandienen. Die twee eisen hangen nauw samen en beïnvloeden elkaar – als waren het communicerende vaten – over en weer. Kortom, het vermoeden van schuld moet voldoende krachtig zijn,5 juist (ook) omdat het alternatieve scenario’s in voldoende mate uitsluit. Onder die omstandigheden ‘roept’ indirect bewijs om een alternatieve verklaring (in de zin van ‘explanation’) zonder welke een vaststelling van schuld gewettigd is. Terug naar het witwasvermoeden.
25. In dit verband benadrukt de Hoge Raad dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet uit enig misdrijf afkomstig is. Het gaat er dus om dat de verdachte de gelegenheid krijgt om het gerezen vermoeden omtrent de criminele herkomst van het voorwerp – door het aanreiken van een plausibel (en verifieerbaar) alternatief scenario – te ontzenuwen, terwijl niet van hem mag worden gevergd om aannemelijk te maken, laat staan te bewijzen dat het alternatieve scenario waar is en het gerezen vermoeden (dus) onjuist is.
26. Nog eens samengevat (en van een handzame nummering voorzien) geeft de Hoge Raad de feitenrechter bij wijze van beoordelingsschema de volgende handvatten (beoordelingselementen) voor de vraag of de feitenrechter de verdachte het uitblijven van een hem bevrijdende verklaring mag tegenwerpen in zijn overwegingen omtrent het bewijs:
(i). Rechtvaardigen de door het OM aangedragen feiten en omstandigheden ‘het vermoeden’ dat – het niet anders kan zijn dan dat – het betreffende voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is?
(ii). Zo ja, heeft de verdachte ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ gegeven waarin ligt besloten dat het voorwerp niet uit enig misdrijf afkomstig is? In dit verband valt op te merken dat van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat het voorwerp niet uit enig misdrijf afkomstig is.
(iii). Als de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het OM om daarnaar nader onderzoek te doen.
(iv). Op basis van de resultaten van dit onderzoek moet worden beoordeeld of de criminele herkomst van het voorwerp bewezen kan worden.
De bespreking van het middel
27. De rechtbank heeft in haar vonnis toepassing gegeven aan dit beoordelingsschema en het hof heeft het vonnis in zoverre bevestigd. Het hof heeft dus in navolging van de rechtbank met zoveel woorden geoordeeld dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat de geldbedragen die de ‘loonbetalingen’ uitmaakten, uit enig misdrijf afkomstig zijn (stap (i) in het beoordelingsschema), en “dat daarom van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld”.
28. Aan dit oordeel heeft de rechtbank de volgende – in cassatie niet aangevochten – vaststellingen ten grondslag gelegd:
- [betrokkene 8] heeft zijn kapperszaken onder druk van de verdachte (en na “enkele klappen”) moeten overdragen aan de door de verdachte aangewezen persoon [betrokkene 10] ;
- [betrokkene 7] (de partner van de verdachte) heeft als loon voor werkzaamheden in dienstbetrekking bij de kapperszaken op haar bankrekening geldbedragen van in totaal € 24.490,- ontvangen;
- [betrokkene 7] heeft in werkelijkheid nooit in die kapperszaken gewerkt;
- de verdachte heeft erop toegezien dat de geldbedragen aan [betrokkene 7] zouden worden overgemaakt.
29. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat dergelijke betalingen naar hun aard “verhullingshandelingen” zijn. Ook dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Wél wordt in cassatie opgekomen tegen de begrijpelijkheid van het oordeel dat dit verhullen “een sterke aanwijzing oplevert dat de betalingen afkomstig zijn uit een criminele bron” en “dat het dossier in elk geval geen handvat biedt dat hiermee iets anders is beoogd dan de criminele herkomst te verhullen.”
30. De steller van het middel wijst erop dat ten overstaan van het hof was aangevoerd dat met het enkele verhullen nog niet aannemelijk is gemaakt dat het niet anders kan zijn dan dat het geld waarop die verhullende handelingen betrekking hadden uit enig misdrijf afkomstig is, omdat er andere, de verdachte moverende redenen kunnen zijn om geldbedragen als loon te laten betalen, terwijl het feit dat dit wellicht een ogenschijnlijk schimmige constructie oplevert en dat op voorhand niet helemaal duidelijk is waarom iemand dat zo zou doen, nog niet aannemelijk maakt dat de bron van het geld een criminele is. Het hof had op dit standpunt moeten responderen, aldus de steller van het middel. Een gerechtvaardigd vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn, kan hierop immers niet worden gebaseerd (zodat ook de bewijsmotivering ondeugdelijk is).
31. Naar mijn inzicht falen deze klachten omdat het hof heeft kunnen oordelen dat de vastgestelde feiten en omstandigheden grond vormen voor het gerechtvaardigde vermoeden dat – het niet anders kan zijn dan dat – de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn (stap (i) in het beoordelingsschema). Uit de omstandigheid dat de verdachte een betalingsconstructie heeft opgetuigd waarin zijn partner onder het mom van ‘loonbetalingen voor werkzaamheden in kapperswinkels’ over eigen kapitaal zou beschikken, heeft het hof (in cassatie onbetwist) afgeleid dat het hier om een tot verhulling strekkende constructie gaat. Daaruit heeft het hof evenzeer kunnen afleiden dat er ook ‘iets’ te verhullen valt.
32. De vervolgstap dat het hier gaat om ‘iets’ dat het daglicht niet kan verdragen, heeft het hof m.i. eenvoudig kunnen zetten. Er is inderdaad geen goede reden te bedenken om een dergelijke betalingsconstructie, die ook nog eens loonbelasting kost, op te tuigen indien het hier om geld uit legale bron zou gaan. Bij gebreke van duidelijke en plausibele alternatieven heeft het hof mogen oordelen dat het op de weg van de verdachte ligt om over een alternatief scenario waarin hij een legale geldstroom heeft verhuld, opheldering te verschaffen. Het oordeel dat het ‘vermoeden’ van een criminele herkomst van de betreffende ‘loonbetalingen’ gerechtvaardigd is (stap (i)), acht ik dus niet onbegrijpelijk.
33. In de bewijsvoering ligt ook besloten dat en waarom het hof voorbij is gegaan aan het standpunt van de verdediging inhoudende dat die eerste stap niet gezet had mogen worden. De vraag of het aangevoerde bezwaarlijk anders dan als ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ kan worden verstaan, doet in cassatie dan niet meer ter zake.