In de roman komen de volgende passages voor:
Bladzijde 44/45:
“ ‘Ja, we hebben elkaar al eens ontmoet’, zei Tiny. ‘Niet hier. U woonde toen nog in [adres eiser]. Boven de viswinkel van [eiser ]. De lucht kwam langs de trap omhoog. Ik moest er bijna van overgeven.’
Het vrouwtje keek Tiny strak aan, en schudde het hoofd. ‘Ik heb nooit boven een viswinkel gewoond. Ik ken jou niet. Ik dacht eerst van wel, maar ik ben abuis’.
‘Gewoond misschien niet’, zei Tiny. ‘Maar ik ben bij u boven geweest. Het rook er naar gerookte paling. Zo zeker als wat.’
(…)
’Dat wijfje heeft vroeger hele erge dingen gedaan’, zei Tiny. (…) ‘Wat voor erge dingen?’ ‘dat zal ik je nog wel eens vertellen, als je wat ouder bent. Echt heel erge dingen, die het daglicht niet kunnen verdragen. Ik zou haar het liefst vermoorden.’ ”
Bladzijde 172:
“De vrouw deed haar zaakjes boven de viswinkel van [eiser ] in [adres eiser].”
Bladzijde 184:
“Diep in haar keel smachtte mijn moeder gorgelend naar ‘koele wijn’, ofschoon ze nooit iets alcoholisch dronk. Misschien had ze van de herinnering aan de mondspoeling met zeepsop dorst gekregen – tot ik begreep dat ze de naam van de viswinkel bedoelde, waarboven zich de praktijk van haar uitverkoren mevrouw bevond: [eiser ] in het [woonplaats eiser] stadsdeel [adres eiser].
In later jaren nam oom Hasje me er wel eens mee naartoe. Hij was bevriend met de zoon des huizes, die net een Nederlandse rock’n-rollhit had met Kom van dat dak af, waarop de oom van een klasgenootje van me saxofoon speelde. Ik kreeg er een veel te lange gerookte paling te eten, waarvan de scherpgetande wervelkolom onaangenaam langs mijn tong en lippen raspte. Langzaam maar zeker naderden mijn voortanden de kop, een perfecte miniatuuruitvoering van die van het Monster van Loch Ness, waar ik kort tevoren een prent van had gezien. Voordat ik ook daar in zou moeten bijten, nam mevrouw [eiser ] mij de paling, samen met het vetvrije papier, uit handen: ‘Zo is het wel genoeg. Je hebt goed je best gedaan.’ Ze hield het Monster van Loch Ness bij de staart vast, en plaagde er de kat mee, door hem ernaar te laten springen en dan mis te laten grijpen.
‘[eiser ], ja’, zei Tiny. ‘Boven die winkel ergens. Op de trap stonk het naar vis. Ook in de kamer van dat mens hing een vislucht. Jammer dat ik wist dat de stank van de zaak beneden kwam. Anders had ik nog iets anders geroken…onraad namelijk…en was ik ervandoor gegaan. Dat zou me een hoop ellende bespaard hebben.”
Bladzijde 185:
“Er werd daar niet alleen een zwangerschap onderbroken… er werd ook een mensenleven opgebroken. En dan heb ik het niet over de foetus, maar over de draagster ervan. Nou goed?’(…)
‘Dat wijf, blèrde Tiny verder, ‘had rouwranden onder haar nagels. Dat heb jij ook gezien, Han, toen je een afspraak voor me maakte, dat kan niet anders. Rouwranden van geronnen bloed. Ik wed dat je niet eens gevraagd hebt, Han, hoe ze haar abortussen uitvoerde… met wat voor instrumentarium… Het interesseerde je niet. Als je maar van het probleem Tineke verlost was. Ik zal je vertellen met wat voor gereedschap ze werkte, die vuile omsteekster. Het was niet eens een omsteekster, want zo iemand gebruikt tenminste nog een haaknaald, of iets wat daarop lijkt. Jouw mevrouw, Hanny, deed het met haar blote klauwen. Haar nakende tengels. Bijgevijlde nagels, dat waren haar instrumenten, Ze sleep ze met puimsteen, de helleveeg. Ze stond erom bekend.”
Bladzijde 189:
“We kregen niet uit haar waarom ze met de onstelpbare bloedingen niet ook bij Hanny aan was gaan kloppen, Hanny had die avond buiten de viswinkel van [eiser ] op haar zusje staan wachten – in een donkere portiek, zo ver mogelijk bij het licht van de straatlantaarns vandaan zich ten volle bewust van haar misdadige missie. Uit een openstaand raam op de bovenverdieping kon elk moment Tiny’s pijnkreet over de stille straat schallen.
(…)
‘Slap. Ik was liever nog wat op die sofa blijven liggen. Van de andere kant… ik werd misselijk van die vislucht.’”
Bladzijde 240:
“ ‘Ja, maar niet met de wrok’, zei ik. ‘Die zal haar overleven. Misschien wil ze er daarom uit stappen. Om een dosis haat in z’n puurste vorm aan de wereld na te laten. Zorgvuldig door haar gekweekt, in een engeltjesfabriek boven de viswinkel van [eiser ]. Een erfenis waar niemand de successierechten over zal willen voldoen.’ ”