vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
zaaknummer / rolnummer: C/13/565151 / HA ZA 14-508
1. de vennootschap onder firma
[eiser sub 1]
,
gevestigd te [plaats],
2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiser sub 3],
wonende te [woonplaats],
4. [eiser sub 4],
wonende te [woonplaats],
5. [eiser sub 5],
wonende te [woonplaats],
6. [eiser sub 6],
wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mr. M.C.V. Dornstedt te Hellevoetsluis,
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. M.A.M. Euverman te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eisers gezamenlijk] en [gedaagde] worden genoemd. Eisers zullen in voorkomend geval respectievelijk [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3], [eiser sub 4], [eiser sub 5] en [eiser sub 6] worden genoemd, met dien verstande dat met [eiser sub 6] wordt bedoeld [eiser sub 6], de vader van eiser sub 6 die op 23 november 2009 is overleden.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 mei 2014 met producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- -
het tussenvonnis van 30 juli 2014 waarin een comparitie van partijen is gelast,
- -
het proces-verbaal van comparitie van 30 januari 2015 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1.
[eiser sub 1] exploiteert een muziekopnamestudio.[eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiser sub 4] zijn vennoten van [eiser sub 1]. [eiser sub 5] is componist, tekstschrijver en producer. [eiser sub 6] was dat bij leven ook. [gedaagde] runt een bestratingsbedrijf en is daarnaast levensliedzanger. De vennootschap 8Ball Music B.V. (hierna: 8Ball) is een platenmaatschappij.
2.2.
Op 29 augustus 2008 hebben [eiser sub 1], [eiser sub 5] en [eiser sub 6] tezamen met 8Ball als productieteam een samenwerkingsovereenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) gesloten met [gedaagde].
2.3.
[eiser sub 1], [eiser sub 5] en [eiser sub 6] hebben eveneens op 29 augustus 2008 met [gedaagde] een overeenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst) waarin, voor zover thans van belang, het volgende is opgenomen:
“(…)
In aanmerking nemende dat:
- Partijen (…) een artiestencontract met elkaar hebben gesloten;
- (…)
- De Maatschappij [[eiser sub 1], [eiser sub 5] en [eiser sub 6], rb] nadien diverse Opnamen heeft vervaardigd van Artiest [[gedaagde], rb] en 8Ball bereid heeft gevonden om met haar en Artiest een overeenkomst aan te gaan terzake de exploitatie van de carrière van Artiest in de breedste zin des woords.
(…)
Partijen komen overeen als volgt:
(…)
2. (…) Partijen [kunnen] de looptijd van deze Overeenkomst opzeggen. Bij gebreke van schriftelijke opzegging van deze Overeenkomst bij aangetekende brief door één van de Partijen met inachtneming van een opzegtermijn van 6 (zes) maanden voorafgaand aan het verstrijken van de looptijd, wordt deze Overeenkomst automatisch verlengd met telkens 1 (één) jaar.
(…)
4. De uit hoofde van de overeenkomst met 8Ball voortvloeiende bedragen
zullen door [eiser sub 1] worden ontvangen en binnen 7 dagen nadien op de hieronder omschreven wijze worden verdeeld.
Non-recording
Terzake inkomsten uit non-recording activities (optredens (…)) zal 8Ball 60% van de (100%) netto exploitatie inkomsten aan [eiser sub 1] doorbetalen: Deze 60% wordt als volgt tussen partijen verdeeld:
Artiest: 40% aldus (2/3) van de door [eiser sub 1] ontvangen bedragen
Maatschappij: 20% aldus (1/3) van de door [eiser sub 1] ontvangen bedragen
(…)
5. Indien Artiest in voorkomend geval zelfstandig bedragen van derden ontvangt zal de hierboven genoemde verdeling onverkort van toepassing zijn.
Partijen mogen over en weer ieders administratie op eigen kosten door een registeraccountant laten controleren (…). Indien de controle een discrepantie uitwijst van meer dan 5 (vijf) % in het nadeel van de onderzoekende partij , komen de redelijke accountantkosten van de controle voor rekening van de onderzochte partij.
(…)
7. Partijen komen overeen dat, indien de Overeenkomst is beëindigd de Maatschappij aanspraak kan maken op een vergoeding over alle door de Artiest te ontvangen toekomstige bruto-inkomsten uit concerten, boekingen, evenementen en andere optredens (…) gedurende een periode van twee (2) jaar na beëindiging van onderhavige overeenkomst volgends de hierna genoemd staffel:
- 2% indien de overeenkomst eindigt na release van Album 1;
(…)
Na beëindiging van de onderhavige overeenkomst – ongeacht door welke partij of om welke reden dan ook, blijft de Maatschappij tot twee (2) jaar na beëindiging van de overeenkomst haar aanspraken op de vergoeding, zoals bepaald in artikel 4 en 5, behouden ter zake van alle inkomsten welke voortvloeien uit concerten, boekingen, evenementen en andersoortige optredens (…) die gedurende de duur van onderhavige overeenkomst tot stand zijn gekomen (…).
2.4.
Op 11 januari 2011 heeft 8Ball de samenwerkingsovereenkomst ontbonden vanwege uitblijvende successen.
2.5.
Bij brief van 15 februari 2012 heeft [gedaagde] aan [eiser sub 1], [eiser sub 5] en de weduwe van [eiser sub 6] – voor zover thans van belang – geschreven:
“(…)
Hierbij wil ik (…) per direct opzeggen de Overeenkomst getekend dd 29-08-2008
(…)
Verder verklaar ik hierbij geen noemenswaardige bedragen zelfstandig te hebben ontvangen voor optredens van een boeker of derden, waarvoor een verdeling van toepassing zou zijn.
(…)”
2.6.
Bij brief van 12 november 2012 heeft [eiser sub 1] namens [eiser sub 1], [eiser sub 5] en de weduwe van [eiser sub 6] aan [gedaagde] – voor zover thans van belang – het volgende geschreven:
“(…)
Wij hebben u (…) al meerdere malen (…) verzocht, ons een opgave te doen toekomen van alle “ non recording activiteiten” over de periode van 9 augustus 2008 t/m heden (…).
(…) Wij hebben (…) meerdere, aantoonbare optredens kunnen traceren.
- U hebt zelf meerdere malen mondeling aangegeven, dat u vaak meerdere optredens op één avond doet, en vaak dus ook meerdere keren per week optreedt.
- U heeft reeds enkele malen toegezegd een lijst van de door u gedane optredens te verstrekken .
We hebben u (…) ruim de gelegenheid gegeven genoemde lijst te verstrekken. en zelfs de gelegenheid gegeven om de zaak te schikken (…) Ook hierop heeft u niet meer gereageerd.
Gezien het bovenstaande en het feit dat u de afspraken uit onze overeenkomst volledig heeft genegeerd, en nog steeds niet nakomt, zien we ons genoodzaakt u bijgaande facturen te doen toekomen. Deze facturen zijn opgesteld op basis van de optredens die wij kunnen aantonen. (…)”
2.7.
Aan de hand van een door [eisers gezamenlijk] opgestelde lijst van 96 optredens (hierna: de Lijst) zijn aan [gedaagde] facturen gestuurd voor een totaalbedrag van € 28.560,00. Daarbij is uitgegaan van een bedrag van € 1.250,00 per optreden.
2.8.
Op verzoek van [eiser sub 1] heeft Waterland Accountants & Adviseurs (hierna: de accountant) een onderzoek ingesteld naar de inkomsten van [gedaagde]. Daartoe zijn de privé rekening-courant van [gedaagde] over de jaren 2008 tot en met 2012 en de zakelijke rekening-courant over de jaren 2009 tot en met 2011 bekeken. Bij brief van 6 juni 2013 heeft de accountant aan [eiser sub 1] – voor zover thans van belang – geschreven:
“(…)
Op de privé bankrekening (…) zijn de volgende ontvangsten te vinden.
Jaar datum optreden bedrag
(…)
Totaal: 5.911,90
In de jaren 2008, 2011 en 2012 hebben wij geen ontvangsten van optredens aangetroffen.
Wij hebben geen contracten ter inzage gehad om de juistheid van de ontvangen bedragen te kunnen vaststellen.
(…)”
2.9.
Op de website van LB Entertainment, een boekingskantoor via welk kantoor [gedaagde] is in te huren, staat een prijs van € 1.295,00 aan “gage” vermeld voor een boeking van [gedaagde].
3 Het geschil
3.1.
[eisers gezamenlijk] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – (i) een verklaring voor recht dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd jegens [eisers gezamenlijk], alsmede (ii) veroordeling tot nakoming van de overeenkomst, waaronder maar niet beperkt tot het door [gedaagde] conform artikel 4 van de overeenkomst (doen) produceren van een lijst van optredens zoals beschreven in de dagvaarding binnen uiterlijk één week na betekening van dit vonnis op straffe van een dwangsom, (iii) veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eisers gezamenlijk] van € 30.709,28, vermeerderd met rente en kosten, waaronder begrepen buitengerechtelijke incassokosten, en (iv) veroordeling tot betaling van [gedaagde] aan [eisers gezamenlijk] van € 605,00 aan deurwaarderskosten en € 1.391,50 aan accountantskosten, (v) met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eisers gezamenlijk] leggen aan hun vordering kort gezegd ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door het niet betalen van aan hen verschuldigde bedragen en het niet aanleveren van een lijst van optredens op grond waarvan de omzet kan worden bepaald.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat hij inkomsten met optredens heeft gegenereerd waarvoor uit hoofde van de overeenkomst een vergoeding verschuldigd is en als dat al zo zou zijn, stelt [gedaagde] dat niet hij, maar 8Ball moet worden aangesproken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Tussen partijen staat vast dat de overeenkomst op 9 augustus 2012 is geëindigd. De vraag die voor ligt is of [gedaagde] gehouden is uit hoofde van de overeenkomst bedragen aan [eisers gezamenlijk] te voldoen over de periode tot 9 augustus 2012. Het primaire verweer van [gedaagde] dat niet hij maar 8Ball zou moeten worden aangesproken, ziet in feite op de vordering van [eisers gezamenlijk] voor zover die is gegrond op artikel 4 van de overeenkomst. Nu ter gelegenheid van de zitting door [eisers gezamenlijk] is erkend dat er geen inkomsten worden gevorderd die vallen onder artikel 4, kan het antwoord op de vraag op wie de betalingsverplichting uit hoofde van dat artikel rust, verder in het midden blijven.
4.2.
Voor zover de vordering van [eisers gezamenlijk] haar grondslag vindt in artikel 5 van de overeenkomst, volgt de rechtbank [gedaagde] niet in zijn stelling dat het slechts zou gaan om inkomsten voortvloeiend uit contacten die tijdens de duur van de overeenkomst zijn gelegd, zoals in artikel 7 is bepaald. De bepaling uit artikel 7 ziet op de nawerking na einde van de overeenkomst en ziet niet op de situatie zoals beschreven in artikel 5. De rechtbank gaat in navolging van partijen ervan uit dat tot uitgangspunt strekt dat op artikel 5 de verdeling zoals die staat beschreven in artikel 4 van toepassing is. In de situatie waarin [gedaagde] zelfstandig bedragen van derden heeft ontvangen, is hij derhalve in beginsel gehouden een/derde daarvan aan [eisers gezamenlijk] af te dragen. Dat niet jaarlijks een evaluatie heeft plaatsgevonden, zoals beschreven in artikel 4, doet aan het voorgaande niet af, nu vast staat dat geen inkomsten worden gevorderd die vallen onder artikel 4. Ook overigens zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken die maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is [gedaagde] aan de overeengekomen verdeling te houden. Zijn beroep op artikel 6:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW) faalt derhalve.
4.3.
Dan blijft over de vraag of, en zo ja hoeveel [gedaagde] aan inkomsten heeft ontvangen uit hoofde waarvan hij bedragen dient af te dragen aan [eisers gezamenlijk]
4.4.
[eisers gezamenlijk] stellen dat [gedaagde] in elk geval 96 optredens heeft gegeven. Uit het op verzoek van [eisers gezamenlijk] uitgevoerde boekenonderzoek is een twaalftal ontvangsten van – veelal – [café] op te maken. Voor zover [gedaagde] stelt dat die uitkomst ertoe leidt dat hij in elk geval niet meer dan twaalf optredens heeft gegeven, kan hij daarin niet worden gevolgd. De Lijst op zichzelf is door [gedaagde] niet nader betwist. Het daarin genoemde aantal van 96 valt niet te rijmen met het uit het boekenonderzoek afkomstige aantal van twaalf. Bovendien heeft [gedaagde] onvoldoende betwist dat hij zijn administratie niet op orde had, zodat niet is uit te sluiten dat niet alle optredens in zijn administratie waren terug te vinden. [gedaagde] heeft onvoldoende weerlegd dat artiesten via diverse boekingskantoren of zelf rechtstreeks aan optredens kunnen komen; het overleggen van een bericht van een enkel boekingskantoor is tegen de achtergrond van de door [eisers gezamenlijk] geproduceerde Lijst onvoldoende.
4.5.
Nu [gedaagde] de Lijst niet voldoende heeft betwist, moet de rechtbank als vaststaand beschouwen dat de daarop vermelde optredens hebben plaatsgevonden.
Ter zitting is uitdrukkelijk gedebatteerd over de einddatum van de overeenkomst, waarna partijen het eens zijn geworden dat 9 augustus 2012 als einddatum heeft te gelden. De rechtbank constateert dat op de Lijst tien optredens van na 9 augustus 2012 staan vermeld, waarvan negen betaalde optredens. De rechtbank is derhalve van oordeel dat die negen optredens van het aantal van 96 moeten worden afgetrokken en zal ervan uitgaan dat 87 optredens hebben plaatsgevonden in het relevante tijdvak.
4.6.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij voor zijn optredens geen geld heeft ontvangen. De rechtbank stelt voorop dat op grond van geldend bewijsrecht in beginsel op [eisers gezamenlijk] de bewijslast rust van hun stelling dat [gedaagde] betaalde optredens heeft gegeven, nu zij zich beroepen op het rechtsgevolg van die stelling, te weten afdracht van een percentage van de inkomsten uit die optredens. De rechtbank is echter van oordeel dat in de onderhavige situatie de eisen van redelijkheid en billijkheid tot een andere bewijslastverdeling nopen. Daartoe is het volgende redengevend. Ofschoon uit de overeenkomst geen expliciete administratieplicht volgt, vloeit uit het bepaalde in artikel 5 voort dat partijen inzichtelijk moeten kunnen maken wat zij aan inkomsten genereren. Evident is dat [eisers gezamenlijk] er belang bij heeft te weten welke optredens [gedaagde] heeft gegeven en wat hij daarmee heeft verdiend. [gedaagde] heeft onvoldoende betwist dat hij zijn administratie niet op orde had. Het voorgaande heeft reeds tot gevolg dat het risico van de omstandigheid dat uit de administratie van [gedaagde] niet zonder meer is af te leiden of, en zo ja hoeveel inkomsten hij met optredens heeft gegenereerd, voor rekening van [gedaagde] dient te komen. [gedaagde] is ook steeds degene geweest die de wederpartij was in de relatie tussen hem en de derde van wie hij gelden ontving en zal uit dien hoofde over onderliggende contracten en betalingsbewijzen beschikken. [eiser sub 1] stond hier volledig buiten. Ook dat noopt tot een andere risicoverdeling. Aldus vloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voort.
4.7.
[eisers gezamenlijk] zijn uitgegaan van een bedrag van € 1.250,00 bij de door hen opgestelde facturen (zie hiervoor 2.7), hetgeen lager is dan het bedrag van € 1.295,00 dat volgens het door [gedaagde] gehanteerde boekingskantoor voor een boeking van [gedaagde] moet worden betaald (zie hiervoor 2.9). [gedaagde] wordt opgedragen te bewijzen dat hij per optreden van de 87 over de periode tot 9 augustus 2012 op de Lijst voorkomende optredens geen, dan wel een lagere vergoeding heeft ontvangen en hoe hoog die vergoeding was. De rechtbank realiseert zich dat bewijslevering kan uitwijzen dat bepaalde van de 87 optredens in het geheel niet hebben plaatsgevonden. Daarmee is echter (tevens) bewezen dat [gedaagde] voor deze “optredens” geen vergoeding heeft ontvangen. Dit noopt dan ook niet tot heroverweging van het oordeel onder 4.5, bij gebrek aan belang.
4.8.
De rechtbank overweegt reeds nu dat indien [gedaagde] niet – volledig – slaagt voornoemd bewijs te leveren, de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen. Datzelfde geldt voor het ten onrechte niet betaalde deel van de gevorderde hoofdsom, gebaseerd op het in artikel 4 van de Overeenkomst genoemde percentage. Ook de wettelijke rente daarover is toewijsbaar, nu daartegen geen zelfstandig verweer is gevoerd.
4.9.
De gevorderde veroordeling, op straffe van een dwangsom, tot nakoming van de overeenkomst waaronder het (doen) produceren van de lijst met optredens zal worden afgewezen, nu de in dit vonnis gegeven beslissingen het voldoen aan een dergelijke verplichting, voor zover die al uit de overeenkomst als zodanig is af te leiden, overbodig maakt.
4.10.
Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten overweegt de rechtbank dat, indien en voor zover [gedaagde] niet slaagt in zijn bewijsopdracht, het verzuim geacht moet worden te zijn ingetreden na 1 juli 2012, zodat het Besluit Vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De rechtbank stelt vast dat [eisers gezamenlijk] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassokosten zijn verricht, zodat het bedrag conform het in het Besluit bepaalde tarief toewijsbaar is. Het afzonderlijk gevorderde bedrag van € 605,00 aan deurwaarderskosten zal evenwel worden afgewezen, nu zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom voornoemd forfaitair bedrag niet tevens deze kosten betreft.
4.11.
Tot slot wordt reeds nu overwogen dat de gevorderde kosten van de accountant met betrekking tot het boekenonderzoek op grond van artikel 5 van de overeenkomst in principe voor toewijzing in aanmerking komen, nu [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat dit redelijke kosten van de accountantscontrole betreffen. Anders dan [gedaagde] betoogt kunnen deze kosten ook zien op het opvragen van stukken en contact met de opdrachtgever. Het gevorderde bedrag van € 1.391,50 inclusief btw zal dan ook in het geval dat [gedaagde] niet – volledig – slaagt in zijn bewijsopdracht en sprake is van een discrepantie van meer dan 5%, worden toegewezen.
4.12.
In afwachting van de bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1.
draagt [gedaagde] op te bewijzen dat hij voor de 87 over de periode tot 9 augustus 2012 op de Lijst voorkomende optredens geen, dan wel een lagere vergoeding heeft ontvangen en hoe hoog die vergoeding was;
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 april 2015 voor uitlating door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;
5.3.
bepaalt dat [gedaagde], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct op de genoemde roldatum in het geding moet brengen;
5.4.
bepaalt dat [gedaagde], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2015 direct op de genoemde roldatum moet opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald;
5.5.
bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.M. Korsten-Krijnen in het gerechtsgebouw aan de Parnassusweg 220;
5.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen;
5.7.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen, rechter, bijgestaan door mr. J.M. Sodderland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2015.1