5.3.
Ten aanzien van vorderingen die gebaseerd zijn op een Gemeenschapsmodel bepaalt artikel 3 van de Uitvoeringswet E.G.-verordening inzake het Gemeenschapsmodel:
‘Voor alle vorderingen als bedoeld in artikel 81 van de verordening is in eerste aanleg uitsluitend bevoegd de rechtbank te 's‑Gravenhage en in kort geding, de voorzieningenrechter van die rechtbank.’
Artikelen 81, 90 en 93 van de GModVo bepalen:
‘
Artikel 81 Bevoegdheid terzake van inbreuk en geldigheid
De rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel hebben uitsluitende bevoegdheid terzake van:
a. a) alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en - indien naar nationaal recht toegestaan - dreigende inbreuk op Gemeenschapsmodellen;
b) rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk op Gemeenschapsmodellen, indien naar nationaal recht toegestaan;
c) rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel;
d) reconventionele vorderingen tot nietigverklaring van een Gemeenschapsmodel die zijn ingesteld in samenhang met rechtsvorderingen als bedoeld onder a).
Artikel 90 Voorlopige, inclusief beschermende, maatregelen
1. Aan de rechterlijke instanties, met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel, van een lidstaat kunnen voor een Gemeenschapsmodel dezelfde voorlopige en beschermende maatregelen worden gevraagd als het recht van die staat kent voor nationale modellen, zelfs indien een rechtbank voor het Gemeenschapsmodel van een andere lidstaat krachtens deze verordening bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.
2. In procedures inzake voorlopige en beschermende maatregelen mag de gedaagde, op andere wijze dan bij reconventionele vordering, de nietigheid van een Gemeenschapsmodel opwerpen. Artikel 85, lid 2, is evenwel van overeenkomstige toepassing.
3. Een krachtens artikel 82, leden 1, 2, 3 of 4, bevoegde rechtbank voor het Gemeenschapsmodel is bevoegd voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen die, onverminderd de procedure voor erkenning en tenuitvoerlegging overeenkomstig titel III van het Bevoegdheids- en Executieverdrag, van kracht zijn op het grondgebied van elke lidstaat. Geen enkele andere rechterlijke instantie heeft deze bevoegdheid.
Artikel 93 Aanvullende bepalingen inzake de bevoegdheid van andere nationale rechterlijke instanties dan de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel
1. In de lidstaat waar de rechterlijke instanties volgens artikel 79, lid 1 of lid 4, bevoegd zijn, worden andere rechtsvorderingen betreffende Gemeenschapsmodellen dan de in artikel 81 bedoelde ingesteld bij de rechterlijke instanties die absoluut en relatief bevoegd zouden zijn indien het rechtsvorderingen inzake een nationaal modelrecht van die lidstaat zou betreffen.
2. Indien op grond van artikel 79, leden 1 en 4, en lid 1 van dit artikel geen rechterlijke instantie bevoegd is voor een andere rechtsvordering betreffende een Gemeenschapsmodel dan de in artikel 81 bedoelde rechtsvorderingen, kan deze rechtsvordering worden ingesteld bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het Bureau is gevestigd.’
5.5.
De voorzieningenrechter is ermee bekend dat over de vraag of de Haagse voorzieningenrechter exclusieve bevoegdheid toekomt voor vorderingen in kort geding aangaande een Uniemerk (en mutatis mutandis een Gemeenschapsmodel), een tweetal visies bestaat, zoals door [naam 2] weergegeven in zijn noot onder IER 2010, 66: Rb. Breda (vzr.), 27 mei 2010, ECLI:NL:RBBRE:2010:BM6004. Kort gezegd, is de eerste visie die zoals door het Amsterdamse Hof aangehangen wordt, namelijk dat er geen sprake is van exclusieve bevoegdheid omdat artikel 90 GModVo dwingend voorschrijft dat alle rechterlijke instanties van de lidstaat bevoegdheid hebben om over voorlopige maatregelen die op alleen Nederland zijn gericht, zoals in deze zaak aan de orde, te beslissen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen5:
6. De grief in incidenteel appel faalt. Het hof deelt de opvatting van Tommy Hilfiger dat uit de redactie van art. 99 lid 1, respectievelijk lid 2, van de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk volgt dat de voorzieningenrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage slechts bij uitsluiting bevoegd is om voorlopige en beschermende maatregelen te bevelen indien het gaat om maatregelen die van kracht zijn op het grondgebied van elke Lid-Staat. Hieraan doet het bepaalde in art. 3 van de Uitvoeringswet E.G. Verordening inzake het Gemeenschapsmerk, waarop The Sting zich beroept, niet af, nu, indien laatstgenoemd artikel al in strijd mocht zijn met art. 99 lid 1, respectievelijk 2, van de Verordening inzake het Gemeenschapsmerk, die Verordening rechtstreekse werking heeft en daarmee strijdige nationale wetgeving buiten toepassing moet blijven. Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van het Gemeenschapsmodel.
5.8.
De Nederlandse wetgever heeft in artikel 3 van de Uitvoeringswet bepaald dat alle vorderingen in kort geding ingevolge artikel 81 GModVo tot de exclusieve bevoegdheid van de Haagse voorzieningenrechter behoren. De wetgever heeft geen verschil aangebracht tussen EU-wijde vorderingen en alleen op Nederland gerichte vorderingen. Bij gebreke van dit onderscheid en gelet ook op het bezigen van de woorden ‘alle vorderingen’, lijkt op basis van de Uitvoeringswet geen andere conclusie mogelijk dan dat volgens onze nationale wetgever de Haagse voorzieningenrechter exclusief bevoegd is, zowel EU wijd als slechts nationaal. Het Amsterdamse Hof heeft evenwel zoals hiervoor weergegeven aangenomen dat die wetsbepaling voor zover daaronder ook de op slechts het Nederlandse territoir gerichte vorderingen vallen, onverbindend moet worden geacht omdat deze zou strijden met artikel 90 GModVo. Naar het oordeel van deze voorzieningenrechter is die conclusie onjuist gelet op het volgende.
5.8.1.
Ten eerste geldt dat artikel 90 GModVo niets beoogt te regelen omtrent welke ‘rechterlijke instanties’ nu precies bevoegd zijn, anders dan dat de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel in elk geval tot die kring van ‘rechterlijke instanties’ behoren. Dat betekent dat dit, met uitzondering van lid 3, is overgelaten aan de lidstaten. Dat is ook de gebruikelijke gang van zaken, zoals bijvoorbeeld in artikel 93 GModVo is gebeurd. Zoals [naam 2] in voormelde noot aangeeft, zal dit zien op de grotere lidstaten waar de wetgever dan kan bepalen dat ‘laagdrempelig’ een nationaal verbod kan worden verkregen. Zoals blijkt uit de Uitvoeringswet heeft onze wetgever daar echter niet voor gekozen.
5.8.2.
In artikel 93 GModVo is ten tweede verduidelijkt dat voor alle vorderingen die niet onder artikel 81 GModVo vallen, men terecht kan bij de “gewone” rechterlijke instanties die volgens de nationale regels absoluut en relatief bevoegd zijn. Hieruit kan worden afgeleid dat de Gemeenschapswetgever voor het overige juist niet heeft willen ingrijpen in de nationale regels betreffende absolute en relatieve bevoegdheid. Het lijkt immers niet logisch dat de Gemeenschapswetgever in het ene artikel (93) verwijst naar de nationale bevoegdheidsregels en in het andere artikel (90) die regels zonder omhaal van woorden (en zonder duidelijke reden: dwingend) opzij zet. Zo een nationale regel van relatieve bevoegdheid is als gezegd te vinden in artikel 3 Uitvoeringswet.
5.8.3.
Ten derde zou volgens de redenering van het Amsterdamse Hof kennelijk elke ‘rechterlijke instantie’ volgens artikel 90 GModVo bevoegd zijn. Daaronder vallen dan ook kantonrechters, hoven, de Hoge Raad (let wel: beide in eerste aanleg) en ook administratiefrechterlijke colleges zoals het CBB, de AbRS en CRvB. Iedere absolute competentie verdeling door de nationale wetgever zou immers volgens dezelfde redenering even goed onverbindend moeten zijn, zolang het betreffende college maar als ‘rechterlijke instantie’ kwalificeert. Het komt de voorzieningenrechter voor dat de Gemeenschapswetgever dit toch echt niet op het oog zal hebben gehad.
5.10.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of deze zaak is te kwalificeren als een vordering in de zin van artikel 81 GModVo/artikel 3 Uitvoeringswet. Alleen dan is er immers volgens de Uitvoeringswet een exclusieve bevoegdheid voor de Haagse (voorzieningen)rechter. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend gelet op het volgende.
5.10.1.
Weliswaar is de stelling van [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] in de hoofdzaak dat Tinnus c.s. onrechtmatig handelt door derden/klanten van [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] aan te schrijven, maar de zaak heeft ten eerste naar de kern betrekking op de vraag of [eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident] inbreuk maakt op (onder meer) de aan een Gemeenschapsmodel verbonden rechten (waaronder begrepen de vraag of die rechten geldig zijn).6 Het is niet wenselijk dat die vraag door een andere rechter wordt beantwoord dan de exclusief bevoegde om de enkele reden dat het om een onrechtmatige daad-zaak zou gaan. De voorzieningenrechter vindt steun voor deze opvatting in de vaste rechtspraak dat een wapperverbod in beginsel wordt beschouwd als een zaak waarop 1019h Rv van toepassing is.7 De redenen in die rechtspraak genoemd waarom bij een wapperverbod sprake is van een zaak waarin de inbreukvraag aan de orde is (ook al is de zaak gebaseerd op 6:162 BW), gaan voor de bevoegdheid net zo op.
5.10.2.
Ten tweede is bij een reguliere inbreuk-zaak evengoed sprake van een beslissing over onrechtmatig handelen. Het is daarom deels een semantische discussie. Bovendien zal weinig kritiek ontvangen indien er wel exclusieve bevoegdheid wordt aangenomen voor bijvoorbeeld ‘uitlokken tot’ of ‘feitelijk leiding geven aan’ inbreuk op een Gemeenschapsmodel, welke vorderingen evenzeer op 6:162 BW zijn geënt. Het lijkt ten algemene niet juist dat door het beestje enkel een ander naampje te geven de exclusieve bevoegdheidsregels zouden kunnen worden omzeild.
5.10.3.
Ten derde heeft onze wetgever ‘alle vorderingen’ van artikel 81 GModVo in het exclusieve bereik van de Haagse (voorzieningen)rechter gebracht. Tot die vorderingen behoren ook de sub b genoemde ‘rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk op Gemeenschapsmodellen, indien naar nationaal recht toegestaan’. Het moge duidelijk zijn dat de Gemeenschapswetgever hiermee reeds heeft onderkend dat de inbreukmaker evenzeer een procedure kan starten en het dan niet wenselijk is dat om die reden de exclusieve bevoegdheid voor Gemeenschapsrechtbanken wordt doorkruist. Gegeven het hiervoor overwogene, geldt het voorkomen van doorkruising evenzeer voor de exclusieve bevoegdheid van de Haagse voorzieningenrechter in kort geding. Hoewel een verklaring van niet-inbreuk hier te lande in kort geding niet mogelijk is, ligt bijvoorbeeld een vordering tot gehengen en gedogen daar (zeer) dicht tegenaan. Een wapperverbod is wellicht net een slag anders maar naar voorlopig oordeel is dit niettemin op één lijn te stellen met een vordering als bedoeld in 81 onder b GModVo en artikel 3 Uitvoeringswet.