5 Bewezenverklaring
De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen onder 4. bewezen dat:
1.
[naam bedrijf BV 3] B.V. in de periode van 29 mei 2012 tot en met 23 april 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk voor een ander een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak voor:
- -
[naam bedrijf BV 1] B.V.: eerste kwartaal 2012 en maart 2013; en
- -
[naam bedrijf BV 2] B.V.: eerste kwartaal 2012 en tweede kwartaal 2012,
onjuist heeft gedaan, immers hebben zij en de mededaders telkens opzettelijk op een bij de Belastingdienst ingeleverd aangiftebiljet voor de omzetbelasting over bovengenoemde tijdvakken een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, terwijl het feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
[naam bedrijf BV 3] B.V. op 22 april 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van
[naam bedrijf BV 1] B.V. over de periode 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012
onjuist heeft gedaan, immers hebben zij en de mededaders, opzettelijk op een bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet voor de vennootschapsbelasting over bovengenoemde periode een te laag bedrag aan verschuldigde vennootschapsbelasting opgegeven, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
[naam bedrijf BV 3] B.V. in de periode van 31 oktober 2012 tot en met 31 januari 2014 in
Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting ten name van
- -
[naam bedrijf BV 1] B.V. over april 2013 en juni 2013 en juli 2013 en september 2013 en oktober 2013 en november 2013 en december 2013 en
- -
[naam bedrijf BV 2] B.V. over derde kwartaal 2012 en vierde kwartaal 2012 en eerste kwartaal 2013,
niet of niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;
2. subsidiair
[naam bedrijf BV 3] B.V. in de periode van 17 mei 2010 tot en met 1 april 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk geschriften, te weten:
1. DOC-017, 36/65) de factuur "invoice 1240712" van [naam bedrijf BV 8] B.V. aan [naam bedrijf BV 4] B.V. gedateerd 31 juli 2012, en
2. ( DOC-017, 27/65) de factuur "62107124" van [naam bedrijf bv 10 international] B.V. aan [naam bedrijf BV 4] B.V. gedateerd 5 december 2011, met verwijzing naar de "Proforma Invoice" gedateerd 05-12-2011 (DOC-049), en
3. ( DOC-024, 37/48) de factuur " [naam bedrijf BV 4] -2012-89" van [naam bedrijf BV 16] B.V. (hierna: [naam bedrijf BV 16]) aan [naam bedrijf BV 4] B.V., gedateerd 10-02-2012, en
4. ( DOC-007-06) de factuur "13-1022" van [naam bedrijf BV 1] B.V. aan [naam bedrijf 1], gedateerd 02-09-2013, en
5. ( DOC-292-5) de factuur "26" van [naam bedrijf BV 1] B.V. aan [naam bedrijf BV 14] , gedateerd 18-03-2013, en
6. ( DOC-356, 1A) de factuur "AMN2010-201" van [naam bedrijf BV 5] B.V. aan [naam bedrijf 2] , gedateerd 01-02-2010, en
7. ( DOC-356-5A) de factuur "HE2011-9.05" van [naam bedrijf BV 5] B.V. aan [naam bedrijf BV 7] B.V., gedateerd 25-09-2011, en
8. ( DOC-258) de factuur "2012-001" van [naam bedrijf BV 2] B.V. aan [naam Groep BV] B.V., gedateerd 04-04-2012,
zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken
[naam bedrijf BV 3] B.V. in de periode van 17 mei 2010 tot en met 17 oktober 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk geschriften, te weten:
valse geschriften (te weten de hiervoor genoemde onder 1 tot en met 8) opzettelijk voorhanden heeft gehad, terwijl zij wisten dat deze geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken.
Voornoemde valsheden bestaan hieruit dat in die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is opgenomen, dat
- ad 1 tot en met 8: op de facturen genoemde artikelen voor genoemde geldbedragen in genoemde perioden zijn geleverd en/of dat genoemde werkzaamheden of diensten in genoemde perioden zijn verricht,
aan welk bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
3.
[naam bedrijf BV 3] B.V. in de periode van 3 mei 2010 tot en met 17 oktober 2016 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van haar bedrijf,
van EURO 2.646.799,00 te weten:
- -
inzake [naam bedrijf BV 1] B.V. EURO 206.290,00,
- -
inzake [naam bedrijf BV 2] B.V. EURO 670.700,00 en
- -
inzake [naam bedrijf BV 5] B.V. EURO 1.769.809,00
de herkomst heeft verhuld en die geldbedragen voorhanden heeft gehad, heeft verworven en heeft omgezet, terwijl zij en haar mededaders telkens wisten dat die geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf,
terwijl zij daarvan een gewoonte heeft gemaakt,
aan welk bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
4.
verdachte in de periode van 19 maart 2010 tot en met 17 oktober 2016 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en een rechtspersoon, bestaande uit verdachte en
[naam bedrijf BV 3] B.V.,
[medeverdachte 4] ,
[medeverdachte 2] en
[medeverdachte 1] ,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk
terwijl verdachte binnen die organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld.
8 Beslissingen
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.
Verklaart het onder 2 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen of niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van opzettelijk een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van gewoontewitwassen, begaan door een rechtspersoon
feitelijk leidinggeven aan medeplegen van gewoontewitwassen in de uitoefening van zijn bedrijf, begaan door een rechtspersoon
deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 10.000,- (tienduizend euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 85 (vijfentachtig) dagen.
Legt als bijkomende straf op aan verdachte:
Ontzetting van verdachte uit het recht tot de uitoefening van het beroep van administrateur, boekhouder en bestuurder – middellijk of onmiddellijk - van een rechtspersoon voor 6 (zes) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Dekkers, voorzitter,
mrs. M. Smit en J. Huber, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2021.