vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
zaaknummers / rolnummers: C/13/705132 / HA ZA 21-687, C/13/712754 / HA ZA 22-71 en C/13/712812 / HA ZA 22-72
Vonnis van 16 augustus 2023
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. C. Jeloschek te Amsterdam,
1. de naamloze vennootschap
STELLANTIS N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STELLANTIS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GENERAL MOTORS LLC,
gevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,
gedaagden 1 tot en met 3,
advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres op de voet van artikel 1018d Rv,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen de hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde gedaagden en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
PSA AUTOMOBILES S.A.,
gevestigd te Poissy, Frankrijk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILES PEUGEOT S.A.,
gevestigd te Poissy, Frankrijk,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILES CITROËN S.A.S.,
gevestigd te Poissy, Frankrijk,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
ADAM OPEL GMBH,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
OPEL AUTOMOBILE GMBH,
gevestigd te Rüsselsheim am Main, Duitsland,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GENERAL MOTORS HOLDINGS LLC,
gevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GENERAL MOTORS COMPANY,
gevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,
gedaagden 4 tot en met 10,
advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,
11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 11] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 12] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO BHB B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 14] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 15] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 16] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO KLAVER 5 B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 18] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 19] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 20] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 21] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 22] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 23] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 24] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 25] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 26] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
27. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 27] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
28. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 28] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
29. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 29] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
30. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 30] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
31. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 31] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
32. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 32] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
33. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 33] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
34. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 34] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
35. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 35] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
36. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOBEDRIJF “GORCUM” B.V.,
gevestigd te Gorinchem,
37. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 37] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
38. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 38] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
39. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 39] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
40. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 40] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
41. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 41] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
42. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 42] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
43. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 43] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
44. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 44] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
45. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 45] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
46. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 46] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
47. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 47] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
48. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 48] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
49. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 49] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
50. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 50] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
51. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 51] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
52. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 52] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
53. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 53] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
54. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 54] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
55. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 55] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
56. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 56] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
57. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 57] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
58. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 58] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
59. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 59] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
60. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 60] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
61. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 61] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
62. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KAMP TWENTE B.V.,
gevestigd te Hengelo (Overijssel),
63. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 63] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
64. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 64] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
65. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 65] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
66. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 66] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
67. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MOTORHUIS B.V.,
gevestigd te Leiden,
68. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 68] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
69. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 69] ,
gevestigd te Tiel,
70. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OPEL CENTRALE SLIEDRECHT B.V.,
gevestigd te Sliedrecht,
71. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
OPELCENTRALE ALBLASSERDAM B.V.,
gevestigd te Papendrecht,
72. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ORANGE MOTORS B.V.,
gevestigd te Naaldwijk,
73. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 73] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
74. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STERN 5O B.V.,
gevestigd te Wormerveer,
75. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 75] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
76. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 76] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
77. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 77] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
78. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 78] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
79. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 79] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
80. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 80] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
81. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 81] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
82. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 82] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
83. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 83] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
84. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 84] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
85. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 85] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
86. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 86] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
87. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 87] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
88. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 88] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
89. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 89]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
90. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 90] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
91. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 91] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
92. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 92] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
93. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 93] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
94. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 94] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
95. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 95] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
96. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 96] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
97. de vennootschap onder firma
[gedaagde 97]
,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
98. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 98] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
99. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 99] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
100. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 100] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
101. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 101] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
102. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 102] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
103. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 103] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
104. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 104] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
105. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 105]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
106. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 106] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
107. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 107] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
108. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 108] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
109. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 109] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
110. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 110] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
111. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 111] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
112. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOHUIS DE POORT B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
113. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOHUIS DELFZIJL B.V.,
gevestigd te Delfzijl,
114. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 114] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
115. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 115] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
116. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 116] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
117. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 117] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
118. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 118] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
119. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 119] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
120. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 120] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
121. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 121] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
122. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 122] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
123. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 123] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
124. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 124] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
125. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTOPALACE ZWOLLE B.V.,
gevestigd te Zwolle,
126. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 126] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
127. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 127] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
128. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 128] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
129. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 129] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
130. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 130] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
131. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DAVO AUTOBEDRIJVEN B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
132. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 132] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
133. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 133] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
134. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 134] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
135. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 135] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
136. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 136] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
137. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CARABAS B.V.,
gevestigd te Papendrecht,
gedaagden 11 tot en met 137,
advocaat mr. M.J. van Joolingen te ’s-Hertogenbosch,
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres op de voet van artikel 1018d Rv,
advocaat mr. L.C.M. Berger te Amsterdam,
tegen de hiervoor onder 1 tot en met 137 genoemde gedaagden en tegen
138. de rechtspersoon naar buitenlands recht
VAUXHALL MOTORS LIMITED,
gevestigd te Luton (Verenigd Koninkrijk),
139. de rechtspersoon naar buitenlands recht
VAUXHALL FINANCE PLC,
gevestigd te Cardiff (Verenigd Koninkrijk),
140. de rechtspersoon naar buitenlands recht
IBC VEHICLES LIMITED,
gevestigd te Luton (Verenigd Koninkrijk),
141. de rechtspersoon naar buitenlands recht
PSA RETAIL UK LIMITED,
gevestigd te Coventry (Verenigd Koninkrijk),
gedaagden 138 tot en met 141,
advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam.
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Gedaagden 1 tot en met 10 en 138 tot en met 141 zullen hierna gezamenlijk Stellantis c.s. worden genoemd. Gedaagden 11 t/m 137 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd.
5 Rechtsmacht, samenhang met buitenlandse procedures en relatieve bevoegdheid
Inleiding
5.1.
Deze zaak heeft deels een internationaal karakter. Daarom moet de rechtbank (ook ambtshalve) beoordelen of zij rechtsmacht heeft.
5.2.
PSA Automobiles, Peugeot, Citroën, Opel Automobile en Adam Opel zijn gevestigd in de Europese Unie (hierna de ‘EU-gedaagden’). GM Company, GM Holdings en GM LLC zijn gevestigd in de VS (hierna ook wel: de ‘VS-gedaagden’) en PSA Retail UK, Vauxhall Motors, Vauxhall Finance en IBC Vehicles zijn gevestigd in het Verenigd Koninkrijk (hierna ook wel: de VK-gedaagden). De VS-gedaagden en VK-gedaagden zijn dus buiten de Europese Unie gevestigd (hierna gezamenlijk de ‘Buiten EU-gedaagden’).
5.3.
De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft moet ten aanzien van de EU-gedaagden worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis1. Het geschil valt materieel, formeel en temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening (artikel 1, 6 en 66 Verordening Brussel I-bis).
5.4.
De Verordening Brussel I-bis is vanwege de uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (‘Brexit’) niet van toepassing op het geschil tussen SDEJ en de VK-gedaagden. De procedure van SDEJ tegen deze gedaagden is op 18 januari 2022 ingesteld. Deze datum is gelegen na 31 december 2020, het einde van de overgangsperiode uit artikel 67 lid 2 van het Terugtrekkingsakkoord2. In deze zaak is het overgangsrecht op grond waarvan Verordening Brussel I-bis voor in het Verenigd Koninkrijk gevestigde gedaagden nog zijn gelding behield, daarom niet van toepassing.
5.5.
Voor de Buiten EU-gedaagden geldt dat de internationale rechtsmacht, bij gebreke van toepasselijke verordeningen of verdragen, moet worden bepaald aan de hand van de commune Nederlandse regels voor internationale rechtsmacht in de artikelen 1 tot en met 14 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Bij de uitleg van deze regels moet in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis. Dit is anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU.3
5.6.
De Verordening Brussel I-bis en Rv bevatten geen bijzondere regels voor de rechtsmacht in geval van collectieve acties, zodat de algemene regels van toepassing zijn. Bij de toepassing van die regels moet worden uitgegaan van de (groepen van) (rechts)personen voor wier belangen de Stichtingen stellen op te komen. Dat betekent dat de rechtbank de vraag naar haar internationale en relatieve bevoegdheid in deze procedure, waarbij de Stichtingen als eisende partijen optreden, beantwoordt met als uitgangspunt dat de (rechts)personen voor wier belangen zij stellen op te komen, zelf de betreffende rechtsvorderingen tegen de gedaagden zouden hebben ingesteld.4
5.7.
Zowel artikel 3:305a (oud) BW als artikel 3:305a (nieuw) BW bepaalt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.
5.8.
Niet alle vorderingen van de Stichtingen zijn ingesteld tegen dezelfde gedaagden. Ook verschillen de (groepen van) (rechts)personen wier belangen de Stichtingen stellen te behartigen. Deze verschillen zijn van belang voor de beoordeling van de rechtsmacht.
5.9.
SEC en SCC beogen volgens hun statuten de belangen te behartigen van, en stellen in hun dagvaardingen op te komen voor, (rechts)personen die in de periode tussen 1 september 2009 en 1 september 2019 een (of meer) nieuwe of gebruikte voertuig(en) met een verboden manipulatie-instrument in Nederland hebben gekocht of geleased. Op de zitting hebben SEC en SCC toegelicht dat zij uitsluitend opkomen voor Nederlandse gedupeerden, dat wil zeggen gedupeerden die op het moment dat zij de desbetreffende overeenkomst(en) aangingen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden en in Nederland hun voertuig (al dan niet bij een van de Autodealers) hebben aangeschaft.
SDEJ beoogt volgens haar statuten de belangen te behartigen van, en stelt in deze procedure op te komen voor, (rechts)personen die in de periode vanaf 1 september 2009 tot aan de datum van de in deze procedure te wijzen einduitspraak een (of meer) nieuwe of gebruikte voertuig(en) met een verboden manipulatie-instrument in Europa (inclusief het Verenigd Koninkrijk) of in Nederland hebben gekocht of geleased.
Vorderingen tegen de Nederlandse gedaagden
5.10.
Stellantis N.V., Stellantis Nederland B.V. en de Autodealers zijn gevestigd in Nederland. De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de door de Stichtingen ingestelde vorderingen tegen deze gedaagden. Die bevoegdheid berust immers op de hoofdregel van de woonplaats van de gedaagde (artikel 2 Rv respectievelijk artikel 4 Verordening Brussel I-bis). Over die bevoegdheid bestaat in zoverre tussen partijen ook geen discussie.
Naar de rechtbank overigens begrijpt, richten de vorderingen van SDEJ, voor zover zij die heeft ingesteld namens (rechts)personen die een voertuig buiten Nederland hebben gekocht of geleased, zich niet tegen Stellantis Nederland B.V. en de Autodealers, maar alleen tegen Stellantis N.V. (en de buitenlandse gedaagden).
Vorderingen tegen de EU-gedaagden, VS-gedaagden en VK-gedaagden
5.11.
De EU-gedaagden en de VS-gedaagden zijn – met uitzondering van GM LLC – uitsluitend door SCC en SDEJ gedagvaard. De VK-gedaagden zijn alleen door SDEJ gedagvaard.
5.12.
Op de rechtsmacht ten aanzien van GM LLC zal in 5.41 afzonderlijk worden ingegaan. Voor de andere VS-gedaagden, de EU-gedaagden en de VK-gedaagden betogen SCC en SDEJ dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van artikel 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis en artikel 7 lid 1 Rv, onder verwijzing naar (onder meer) Stellantis N.V. als zogenoemde ankergedaagde. SCC en SDEJ beroepen zich daarnaast op artikel 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis en artikel 6 onder e Rv, omdat de plaats waar hun Nederlandse achterban schade heeft geleden (het ‘Erfolgsort’) in Nederland is gelegen.
5.13.
De rechtbank zal hierna eerst onderzoeken of een nauwe band bestaat (artikel 8 Verordening Brussel I-bis) respectievelijk of er samenhang is in de zin van artikel 7 lid 1 Rv tussen de vorderingen van de Stichtingen tegen Stellantis N.V. enerzijds en de vorderingen van de Stichtingen tegen de EU-gedaagden, VS-gedaagden en VK-gedaagden anderzijds. Stellantis N.V. is gevestigd in het arrondissement Amsterdam en kan daardoor mogelijk ankergedaagde zijn.
Toetsingskader artikel 8 Verordening Brussel I-bis en artikel 7 Rv
5.14.
Op grond van artikel 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis kan een verweerder die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, indien er meer dan één verweerder is, worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van een van de verweerders, op voorwaarde dat tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting. Zo wordt vermeden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
5.15.
De door het HvJEU verstrekte uitleg van de voorlopers van deze bepaling5 geldt ook voor artikel 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis.6
5.16.
De bevoegdheidsregel van artikel 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.7 Omdat met deze bevoegdheidsregel wordt afgeweken van de hoofdregel van Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is (artikel 4), moet deze regel eng worden uitgelegd. Die uitleg mag zich alleen uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.8
5.17.
Uit de rechtspraak van het HvJEU blijkt in dit verband dat beslissingen niet reeds onverenigbaar kunnen worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil; daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.9
5.18.
Bij de beoordeling van de vraag of de tegen verschillende gedaagden ingestelde vorderingen zodanig samenhangend zijn dat in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat, moet rekening worden gehouden met alle noodzakelijke elementen van het dossier. Daarbij kan van belang zijn of de gedaagden onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen zal de rechter in zijn beschouwing moeten betrekken. De rechtsgrondslagen van de tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen (bijvoorbeeld het op die vorderingen toepasselijke recht) hoeven niet identiek te zijn voor toepassing van artikel 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, mits voor de gedaagden voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waarin ten minste een van hen zijn woonplaats heeft.10
5.19.
Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat, indien in dagvaardingszaken de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, hem ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
Artikel 7 lid 1 Rv is gebaseerd op (de voorloper van) artikel 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, zodat bij de uitleg van deze bepaling aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU, op grond waarvan de bepaling strikt moet worden uitgelegd. Daarom moet de Nederlandse rechter, als voorwaarde voor toepassing van artikel 7 lid 1 Rv, ten aanzien van een van de andere gedaagden rechtsmacht hebben op een andere grond dan vermeld in artikel 7 lid 1 Rv zelf. Als aan die voorwaarde is voldaan, geldt als tweede voorwaarde voor toepassing van artikel 7 lid 1 Rv dat de vorderingen tegen de andere gedaagde(n) voldoende samenhang vertonen met de vorderingen tegen de gedaagde ten aanzien van wie de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op een andere grond dan die vermeld in artikel 7 lid 1 Rv zelf.11
5.20.
Het HvJEU heeft in de arresten Kolassa en Universal Music ten aanzien van de voorloper van Verordening Brussel I-bis geoordeeld dat het gerecht waarbij een geschil aanhangig is gemaakt, in het kader van de toetsing van zijn bevoegdheid alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking moet nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de gedaagde. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid echter geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de bevoegdheidsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn.12 Hieruit volgt dat de rechter zich bij beantwoording van de bevoegdheidsvraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht (prima facie-oordeel).
Deze maatstaf geldt ook indien de Nederlandse rechter in het kader van de toepassing van de commune regels voor internationale rechtsmacht onderzoekt of hem bevoegdheid toekomt13, zoals in deze zaak ten aanzien van de Buiten EU-gedaagden.
Nauwe band tussen de vorderingen op Stellantis N.V. en de vorderingen op de EU-gedaagden?
5.21.
De vorderingen van SCC en SDEJ tegen PSA Automobiles, Peugeot, Citroën, Opel Automobile en Adam Opel (hierna ook: de Autofabrikanten) zijn gebaseerd op onrechtmatige daad en berusten op de stellingen dat deze gedaagden in strijd met de Kaderrichtlijn14 en de Emissieverordening15 hebben gehandeld. Volgens SCC en SDEJ hebben de Autofabrikanten een verboden manipulatie-instrument ontwikkeld en toegepast, voertuigen met een verboden manipulatie-instrument geproduceerd en op de markt gebracht, ten onrechte Euro 5 en Euro 6 typegoedkeuringen voor de betrokken voertuigen aangevraagd en ten onrechte een certificaat van overeenstemming voor deze voertuigen afgegeven.
5.22.
De vorderingen van SCC en SDEJ tegen Stellantis N.V. zijn eveneens gebaseerd op onrechtmatige daad en berusten onder meer op de volgende stellingen. Stellantis N.V. is als rechtsopvolger (al dan niet onder algemene titel) van PSA en General Motors, die de eigenaren waren van de Autofabrikanten, aansprakelijk voor de gedragingen van de Autofabrikanten. PSA en General Motors hebben destijds als moedermaatschappijen beslissende invloed uitgeoefend op de Autofabrikanten.
Verder heeft Stellantis N.V. als topholding beslissende invloed uitgeoefend op de Autofabrikanten en is zij op die grond hoofdelijk aansprakelijk voor de gestelde schade die is ontstaan door de productie en het op de markt brengen van dieselvoertuigen met een verboden manipulatie-instrument. De Stichtingen onderbouwen deze stellingen met jaarverslagen en rapporten van de (rechtsvoorgangers van de) Stellantis-groep waarin Stellantis N.V. (en haar rechtsvoorgangers) zich volgens de Stichtingen als beleidsbepaler hebben gepresenteerd.
5.23.
Stellantis N.V. heeft betoogd dat zij en haar rechtsvoorganger PSA geen operationele entiteiten zijn. Zij betwist dat zij of PSA betrokken is geweest bij het ontwikkelen, vervaardigen of verkopen van motoren en/of emissiecontrolesystemen. Ook bestrijdt Stellantis N.V. dat zij of PSA het operationele beleid van de dochtervennootschappen heeft bepaald. Volgens Stellantis N.V. verrichten haar werknemers enkel administratieve, financiële, juridische, fiscale en HR-gerelateerde werkzaamheden. Zij verwijst naar een schriftelijke verklaring van haar chief legal officer van 7 november 2022 waarin hij verklaart dat Stellantis N.V. en PSA niet betrokken waren bij het ontwerp, de ontwikkeling en de productie van voertuigen of het vervaardigen van emissiecontrolesystemen en het verkrijgen van typegoedkeuringen. Daarom is geen sprake van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, geen voorzienbaarheid dat de Autofabrikanten zouden kunnen worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter en is er geen gevaar voor onverenigbare beslissingen of een rechtsbedeling die gebaat is bij een gezamenlijke behandeling van de vorderingen. Een nauwe band tussen de vorderingen tegen Stellantis N.V. en de vorderingen tegen de EU-gedaagden kan dus niet worden aangenomen, aldus Stellantis c.s.
5.24.
De rechtbank maakt bij haar beoordeling onderscheid tussen enerzijds de vorderingen, voor zover die door SCC en SDEJ zijn ingesteld namens betrokkenen die in Nederland een voertuig hebben gekocht of geleased (hierna: de Nederlandse autobezitters), en anderzijds de vorderingen, voor zover die door SDEJ zijn ingesteld namens betrokkenen die buiten Nederland hun voertuig hebben gekocht of geleased (hierna: de buitenlandse autobezitters). De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 Verordening Brussel I-bis rechtsmacht heeft als het gaat om de ten behoeve van de Nederlandse autobezitters ingestelde vorderingen tegen de EU-gedaagden/Autofabrikanten. Rechtsmacht is er echter niet als het gaat om de ten behoeve van de buitenlandse autobezitters ingestelde vorderingen tegen de EU-gedaagden/Autofabrikanten. Daartoe is het volgende redengevend.
5.25.
De vorderingen tegen Stellantis N.V. en de Autofabrikanten zijn gebaseerd op dezelfde juridische grondslag: onrechtmatige daad. Stellantis N.V. wordt als rechtsopvolger van de voormalige moedermaatschappijen PSA en GM Holdings (zie hierna 5.35) en als beleidsbepaler mede verantwoordelijk gehouden voor het onrechtmatig handelen van de Autofabrikanten. Of Stellantis N.V. (en haar rechtsvoorganger PSA) zelf een operationele entiteit is, is dus in zoverre niet van belang. Aan de vorderingen tegen Stellantis N.V. en de Autofabrikanten ligt hetzelfde feitencomplex ten grondslag. Stellantis N.V. (of haar rechtsvoorgangers) en de Autofabrikanten maken deel uit van dezelfde keten, die volgens SCC en SDEJ is gericht op het ontwikkelen, produceren, op de markt brengen en leveren van dieselvoertuigen met een verboden manipulatie-instrument. Voor de beoordeling van de vorderingen moeten in essentie dezelfde feitelijke en juridische vragen worden beantwoord (waarvan de eerste is of een verboden manipulatie-instrument is ontwikkeld en toegepast). Ten aanzien van Stellantis N.V. moet in aanvulling daarop worden beoordeeld of zij als rechtsopvolger van de voormalige moedermaatschappijen en/of als beleidsbepaler mede aansprakelijk is.
5.26.
Voor het summierlijk oordeel waartoe de rechtbank zich bij de beantwoording van de rechtsmachtvraag kan beperken (zie 5.20), hebben de Stichtingen voldoende onderbouwd dat PSA als moedermaatschappij beslissende invloed heeft gehad op de betrokken economische activiteit van de Autofabrikanten. De verklaring van de chief legal officer van Stellantis N.V. is onvoldoende om het vermoeden dat PSA beslissende invloed heeft gehad op de Autofabrikanten op voorhand te ontkrachten. Verder betwist Stellantis N.V. niet dat zij op haar beurt aansprakelijk kan worden gehouden voor (mogelijke) onrechtmatige gedragingen van haar rechtsvoorgangers PSA en GM Holdings.
5.27.
Ondanks de mogelijkheid dat op de afzonderlijke vorderingen tegen de verschillende gedaagden verschillende rechtstelsels van toepassing kunnen zijn, is de omstandigheid dat sprake is van eenzelfde feitelijke grondslag én eenzelfde juridische grondslag (onrechtmatige daad) voldoende om aan te nemen dat sprake is van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.
5.28.
Als het gaat om de ten behoeve van de Nederlandse autobezitters ingestelde vorderingen was voor de Autofabrikanten ook voorzienbaar dat zij zouden kunnen worden gedagvaard voor de Nederlandse rechter. De Autofabrikanten moesten er immers rekening mee houden dat zij zouden kunnen worden opgeroepen voor een rechter van een lidstaat waarin de door hen geproduceerde voertuigen op de markt zijn gebracht.
5.29.
Als het gaat om de ten behoeve van de buitenlandse autobezitters ingestelde vorderingen ontbreekt de hiervoor genoemde voorzienbaarheid. De door de buitenlandse autobezitters gekochte of geleasede voertuigen zijn in andere landen dan Nederland op de markt gebracht en buiten Nederland gekocht of geleased. Anders dan SDEJ betoogt, kan de voorzienbaarheid niet worden gebaseerd op de omstandigheid dat Stellantis N.V. als (huidige) moedermaatschappij van de Autofabrikanten in Nederland is gevestigd. Stellantis N.V. is namelijk pas vanaf januari 2021 de moedermaatschappij. Daarvoor was het in Frankrijk gevestigde PSA de moedermaatschappij van de Autofabrikanten (en tot medio 2017 was dat het in de VS gevestigde GM Company voor de automerken Opel en Vauxhall). De beleidsbeslissingen zijn in de relevante periode dus buiten Nederland genomen. SDEJ heeft niet gesteld dat na januari 2021 nog voor de beoordeling van de vorderingen relevante beleidsbeslissingen zijn genomen. De conclusie is dan ook dat het voor de Autofabrikanten niet voorzienbaar was dat zij voor schadevergoedingsvorderingen van de buitenlandse autobezitters zouden worden opgeroepen voor de rechtbank van de vestigingsplaats van Stellantis N.V.
5.30.
Dit betekent dat voor de door SDEJ ten behoeve van de buitenlandse autobezitters ingestelde vorderingen tegen de EU-gedaagden niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis.
5.31.
Het beroep van SDEJ op artikel 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis (de plaats van het schadebrengende feit) slaagt in dit verband ook niet. De plaats waar de schade is ingetreden (het ‘erfolgsort’) bevindt zich voor de buitenlandse autobezitters immers niet in Nederland, terwijl er evenmin aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de plaats waar voor een buitenlandse autobezitter de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden (het ‘handlungsort’) in Nederland is gelegen.
5.32.
Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een andere grond voor rechtsmacht als het gaat om de ten behoeve van de buitenlandse autobezitters tegen de EU-gedaagden ingestelde vorderingen. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de door SDEJ ten behoeve van de buitenlandse autobezitters tegen de EU-gedaagden ingestelde vorderingen.
Samenhang tussen de vorderingen op Stellantis N.V. en de vorderingen op de VS-gedaagden?
5.33.
Alle Stichtingen hebben GM LLC gedagvaard. De Stichtingen stellen dat GM LLC mogelijk na de verkoop van de merken Opel en Vauxhall aan PSA in 2017 een deel van de aansprakelijkheid voor fouten uit het verleden heeft behouden.
SCC en SDEJ hebben daarnaast GM Holdings en GM Company gedagvaard, omdat ook zij mogelijk aansprakelijk zijn gebleven na de verkoop van Opel en Vauxhall aan PSA. Verder stelt SDEJ dat GM Holdings beslissende invloed heeft gehad op de Opel/Vauxhall-activiteiten.
5.34.
Stellantis c.s. heeft aangevoerd dat de VS-gedaagden geen concernrelatie met Stellantis N.V. hebben of hebben gehad. Dat ooit activiteiten zijn overgedragen aan PSA, waarvan de topholding in Frankrijk was gevestigd, maakt dat het voor deze gedaagden niet voorzienbaar was dat zij voor het gerecht van de vestigingsplaats van Stellantis N.V. konden worden opgeroepen. Daarom kan de in artikel 7 Rv vereiste samenhang tussen enerzijds de vorderingen tegen Stellantis N.V. en anderzijds de vorderingen tegen de VS-gedaagden niet worden aangenomen, aldus Stellantis c.s.
GM Holdings en GM Company
5.35.
Dit betoog van Stellantis c.s. slaagt niet ten aanzien van GM Holdings en GM Company, voor zover SCC en SDEJ opkomen voor Nederlandse autobezitters. Uit de door SDEJ overgelegde Master Agreement volgt dat GM Holdings de verkopende partij is bij de activa passiva-transactie waarbij de merken Opel en Vauxhall aan PSA zijn overgedragen. In deze Master Agreement zijn afspraken gemaakt over ‘Emission Matters’. Deze afspraken zijn niet openbaar gemaakt.
In de door SDEJ overgelegde jaarrekening (‘annual report’) van GM Company is vermeld dat Opel/Vauxhall in 2017 door middel van de Master Agreement aan PSA Group is verkocht en dat de door haar gecontroleerde verkoper (dus GM Holdings) ermee heeft ingestemd Stellantis te vrijwaren (‘idemnify’) voor onder andere claims voor ‘certain emissions and product liabilities’. Verder is vermeld dat GM Company aan Stellantis een garantie heeft afgegeven dat zij instaat voor de nakoming van de verplichting van GM Holdings om Stellantis te vrijwaren en dat aan deze vrijwaring bepaalde voorwaarden zijn verbonden.
Gelet op deze informatie kan niet uitgesloten worden dat GM Company en GM Holdings na de transactie met PSA aansprakelijk zijn gebleven voor mogelijke emissiefraude bij Adam Opel en Opel Automobile. Stellantis c.s. heeft hierover geen opheldering gegeven, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Bij deze stand van zaken zal gelet op het hiervoor in 5.20 genoemde uitgangspunt van een summierlijke beoordeling worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van SCC en SDEJ.
5.36.
Ook hier geldt dat de verwijten die aan Stellantis N.V., GM Company en GM Holdings worden gemaakt van elkaar verschillen en mogelijk naar verschillende rechtstelsels moeten worden beoordeeld, maar gebaseerd zijn op dezelfde feiten. Onderzocht zal moeten worden of Opel Automobile en Adam Opel voertuigen met een verboden manipulatie-instrument hebben geproduceerd en op de markt hebben gebracht en welke entiteit (Stellantis N.V., GM Company of GM Holdings) daarvoor na de activa passiva-transactie tussen GM Holdings en PSA als moedermaatschappij (mogelijk) mede aansprakelijk kan worden gehouden. Dit betekent dat tussen de vorderingen van SCC en SDEJ tegen Stellantis N.V. als rechtsopvolger van PSA en de vorderingen van SCC en SDEJ tegen GM Company en GM Holdings een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling van die vorderingen rechtvaardigen. Zo wordt voorkomen dat verschillende rechters die dezelfde vragen moeten beantwoorden, tegenstrijdige beslissingen geven over de aansprakelijkheid van Stellantis N.V., GM Company of GM Holdings voor de gedragingen van Opel Automobile en Adam Opel. Het was voor GM Company en GM Holdings ook redelijkerwijs voorzienbaar dat zij voor de Nederlandse rechter zouden kunnen worden gedaagd. Zij moesten er immers rekening mee houden dat zij konden worden opgeroepen voor een rechter van een lidstaat waarin de door hun voormalige dochtermaatschappijen geproduceerde voertuigen op de markt zijn gebracht. Het voorgaande betekent dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 7 lid 1 Rv en dat de rechtbank op grond daarvan bevoegd is kennis te nemen van de ten behoeve van Nederlandse autobezitters door SCC en SDEJ ingestelde vorderingen tegen GM Company en GM Holdings.
5.37.
Als het gaat om de door SDEJ ten behoeve van de buitenlandse autobezitters ingestelde vorderingen tegen GM Company en GM Holdings is niet voldaan aan het voorzienbaarheidsvereiste. Voor deze gedaagden was niet voorzienbaar dat zij voor schadevergoedingsvorderingen van de buitenlandse autobezitters zouden worden opgeroepen voor de rechtbank van de vestigingsplaats van Stellantis N.V. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor in 5.29 is overwogen.
5.38.
Dit betekent dat voor de door SDEJ ten behoeve van de buitenlandse autobezitters ingestelde vorderingen tegen GM Company en GM Holdings niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 lid 1 Rv.
5.39.
Het beroep van SDEJ op artikel 6 onder e Rv (de plaats van het schadebrengende feit) slaagt in dit verband ook niet. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor in 5.31 is overwogen.
5.40.
Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een andere grond voor rechtsmacht als het gaat om de ten behoeve van de buitenlandse autobezitters tegen GM Company en GM Holdings ingestelde vorderingen. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de door SDEJ ten behoeve van de buitenlandse autobezitters tegen de GM Company en GM Holdings ingestelde vorderingen.
5.41.
De door artikel 7 Rv vereiste samenhang ontbreekt als het gaat om de vorderingen van de Stichtingen tegen GM LLC. De Stichtingen hebben GM LLC uitsluitend mede gedagvaard voor het – naar zij zelf stellen – onwaarschijnlijke maar niet ondenkbare scenario dat bij de verkoop van Opel/Vauxhall aan PSA in 2017 enige aansprakelijkheid is achtergebleven. Enig concreet aanknopingspunt wat steun zou kunnen bieden aan dat scenario, is echter niet gesteld en ook niet gebleken. Zo is niet gebleken dat GM LLC als contractspartij betrokken was bij de verkoop van Opel/Vauxhall of bij het verstrekken van garanties. Verder hebben de Stichtingen niet toegelicht hoe de activiteiten van GM LLC samenhangen met het op de Europese en Nederlandse markt brengen van Opel- en Vauxhall-voertuigen met een vermeend verboden manipulatie-instrument. Uit de door SDEJ overgelegde informatie over GM LLC volgt ook niet dat GM LLC de moedermaatschappij was van Adam Opel of dat zij op andere wijze bij deze activiteiten betrokken was. Dit betekent dat de door artikel 7 lid 1 Rv vereiste samenhang tussen de vorderingen van de Stichtingen tegen Stellantis N.V. en de vorderingen van de Stichtingen tegen GM LLC niet kan worden aangenomen.
5.42.
Toepassing van de bevoegdheidsregel van artikel 6 onder e Rv kan de Stichtingen ten aanzien van GM LLC niet baten, omdat de Stichtingen niet hebben toegelicht welke specifieke onrechtmatige gedragingen GM LLC worden verweten en welke schade hun achterban daardoor heeft geleden. Hierdoor zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te bepalen dat de plaats waar de schade is ingetreden (het ‘erfolgsort’) of de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden (het ‘handlungsort’) in Nederland is gelegen.
5.43.
De rechtbank zal zich daarom ten aanzien van de vorderingen van de Stichtingen tegen GM LLC onbevoegd verklaren.
Samenhang tussen de vorderingen op Stellantis N.V. en de vorderingen tegen de VK-gedaagden?
5.44.
Beoordeeld moet worden of sprake is van samenhang als bedoeld in artikel 7 lid 1 Rv tussen de vorderingen op Stellantis N.V. en de vorderingen op de VK-gedaagden. Uitsluitend SDEJ heeft vorderingen tegen de VK-gedaagden ingesteld. De vorderingen tegen de VK-gedaagden, zo begrijpt de rechtbank, zijn uitsluitend ingesteld ten behoeve van een deel van de buitenlandse autobezitters, te weten degenen die in het Verenigd Koninkrijk een voertuig hebben gekocht of geleased.
5.45.
De VK-gedaagden – Vauxhall Motors, Vauxhall Finance, IBC Vehicles en PSA Retail UK – houden zich bezig met de verkoop, lease, marketing, distributie en verzekering van Vauxhall-voertuigen en de exploitatie van een autofabriek in het Verenigd Koninkrijk. Zij zijn nu onderdeel van de Stellantis-groep.
5.46.
Stellantis c.s. heeft aangevoerd dat de VK-gedaagden geen autofabrikant zijn en niet betrokken zijn bij de door de SDEJ verweten gedragingen. Zij heeft erop gewezen dat SDEJ ten aanzien van de VK-gedaagden geen feitelijke situatie heeft gesteld en dat het enkel deel uitmaken van het Stellantis-concern onvoldoende is om samenhang tussen de vorderingen tegen Stellantis N.V. en de vorderingen tegen de VK-gedaagden aan te nemen. Er is geen sprake van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, geen voorzienbaarheid dat de VK-gedaagden zouden kunnen worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter en geen gevaar voor onverenigbare beslissingen of een rechtsbedeling die gebaat is bij een gezamenlijke behandeling van de vorderingen, aldus Stellantis c.s.
5.47.
De rechtbank overweegt als volgt. Stellantis c.s. heeft terecht aangevoerd dat de VK-gedaagden geen fabrikant(en) van auto’s zijn. Over wat de rol is van elk van de VK-gedaagden binnen de door SDEJ gestelde keten en welke verwijten in dit verband aan elke VK-gedaagde worden gemaakt, heeft SDEJ geen concrete stellingen ingenomen. Reeds hierom kan niet op het eerste gezicht (zie 5.20) worden aangenomen dat sprake is van samenhangende vorderingen die een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Voor de VK-gedaagden was bovendien ook niet voorzienbaar dat zij voor schadevergoedingsvorderingen van autobezitters uit het Verenigd Koninkrijk zouden worden opgeroepen voor de rechtbank van de vestigingsplaats van Stellantis N.V. Daarvoor geldt hetzelfde als in 5.29 is overwogen.
5.48.
Aan de voorwaarden van artikel 7 lid 1 Rv is dus niet voldaan.
Ook het beroep van SDEJ op artikel 6 onder e Rv (de plaats van het schadebrengende feit) slaagt ten aanzien van de VK-gedaagden niet. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor in 5.31 is overwogen.
5.49.
Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een andere grond voor rechtsmacht als het gaat om de tegen de VK-gedaagden ingestelde vorderingen. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de door SDEJ tegen de VK-gedaagden ingestelde vorderingen.
Misbruik van bevoegdheid?
5.50.
Anders dan Stellantis c.s. heeft betoogd, kan het aanbrengen van de vorderingen ten behoeve van de Nederlandse autobezitters tegen de EU-gedaagden, GM Holdings en GM Company bij de Nederlandse rechter niet als misbruik van de bevoegdheidsbepalingen van artikel 8 Verordening Brussel I-bis en artikel 7 Rv worden beschouwd. Toewijzing van de vorderingen tegen Stellantis N.V. kan niet op voorhand uitgesloten worden geacht. Daarom kan ook niet worden geconcludeerd dat SCC en SDEJ de voorwaarden voor toepassing van deze bepalingen kunstmatig hebben gecreëerd.16
Beroep op litispendentie dan wel aanhouding wegens samenhang met buitenlandse procedures
5.51.
Voor het geval de rechtbank (deels) rechtsmacht zou aannemen voor vorderingen die ten behoeve van buitenlandse autobezitters zijn ingesteld, hebben de EU-gedaagden (de Autofabrikanten) en de VK-gedaagden zich subsidiair beroepen op litispendentie dan wel samenhang met buitenlandse procedure in de zin van de artikelen 29, 30, 33 en 34 Verordening Brussel I-bis en artikel 12 Rv. Volgens de EU-gedaagden en de VK-gedaagden zijn in Duitsland, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk eerder collectieve en individuele procedures aanhangig gemaakt tegen (een deel van) de EU-gedaagden en de VK-gedaagden.
5.52.
De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van het beroep op litispendentie dan wel samenhang met buitenlandse procedures door de EU-gedaagden en de VK-gedaagden. Uit de eerder gegeven beslissingen volgt immers dat er geen rechtsmacht is voor de door SDEJ ten behoeve van de buitenlandse autobezitters ingestelde vorderingen tegen deze gedaagden. Als het gaat om de buitenlandse autobezitters is er uitsluitend rechtsmacht voor zover ten behoeve van hen vorderingen zijn ingesteld tegen Stellantis N.V. Stellantis N.V. heeft zich echter niet beroepen op litispendentie of samenhang met buitenlandse procedures. Evenmin is gesteld of gebleken dat Stellantis N.V. (of haar rechtsvoorganger PSA) partij is in de procedures in Duitsland, Oostenrijk of het Verenigd Koninkrijk. Overigens, ook als dat laatste wel het geval zou zijn, is er in dit geval geen belang bij een beoordeling van het beroep op litispendentie of samenhang, omdat de rechtbank hierna in het kader van de ontvankelijkheid zal oordelen (zie hierna 7.15) dat SDEJ niet kan worden ontvangen in de ten behoeve van buitenlandse autobezitters tegen Stellantis N.V. ingestelde vorderingen.
5.53.
De rechtbank Amsterdam is op grond van artikel 99 lid 1 Rv ten aanzien van Stellantis N.V., Stellantis Nederland B.V. en de Autodealers, voor zover die in het arrondissement Amsterdam zijn gevestigd, ook relatief bevoegd. Met betrekking tot de niet in het arrondissement gevestigde Autodealers geldt dat zij zich niet op de voet van artikel 110 lid 1 Rv hebben beroepen op relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank. Deze rechtbank is daarom ten aanzien van ieder van hen eveneens relatief bevoegd.
7 De ontvankelijkheid van de Stichtingen onder artikel 3:305a (oud) BW
7.1.
De vraag of de Stichtingen ontvankelijk zijn, moet – zoals hiervoor is geoordeeld – worden beantwoord aan de hand van het oude collectieve actierecht (artikel 3:305a (oud) BW).
7.2.
In artikel 3:305a lid 1 (oud) BW is bepaald dat een stichting i) een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (het gelijksoortigheidsvereiste), ii) voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt (het statutenvereiste). In lid 2 is bepaald dat een belangenorganisatie niet ontvankelijk is, indien zij iii) in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde te bereiken door het voeren van overleg met de gedaagde(n) (het overlegvereiste) of indien iv) met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende zijn gewaarborgd (het waarborgvereiste).
7.3.
Op de Stichtingen rust de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast met betrekking tot de in artikel 3:305a lid 1 (oud) BW genoemde vereisten. Dat zijn immers de twee voorwaarden om als collectieve actie-organisatie een rechtsvordering te kunnen instellen. Daarentegen rust op gedaagden in beginsel de stelplicht en bewijslast dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3:305a lid 2 (oud) BW. Deze situaties vormen immers een uitzondering op lid 1 en het zijn de gedaagden die zich op het bestaan daarvan beroepen.
7.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Stichtingen voldoen aan het statutenvereiste en aan het overlegvereiste. De rechtbank heeft ook geen aanwijzingen om aan te nemen dat de Stichtingen niet aan deze twee vereisten voldoen. Partijen verschillen wel van mening of aan het gelijksoortigheidsvereiste en aan het waarborgvereiste is voldaan. Die twee vereisten komen hierna achtereenvolgens in 7.7 en verder en 7.75 en verder aan de orde.
Geen schadevergoeding in geld
7.5.
In artikel 3:305a lid 3 (oud) BW is bepaald dat de vordering niet kan strekken tot schadevergoeding in geld. Voor zover de vorderingen van de Stichtingen strekken tot betaling van schadevergoeding in geld, kunnen die dus niet in deze collectieve procedure worden ingesteld. SEC wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in vordering 4 en SDEJ in vorderingen VII en VIII. De vorderingen 8 en 11 van SCC en vordering VI.e van SDEJ zijn komen te vervallen.
7.6.
Stellantis c.s. en de Autodealers hebben aangevoerd dat artikel 3:305a lid 3 (oud) BW eveneens in de weg staat aan gevorderde verklaringen voor recht dat gehoudenheid bestaat tot vergoeding van schade. De rechtbank is met gedaagden van oordeel dat dergelijke verklaringen voor recht niet mogelijk zijn onder artikel 3:305a lid 3 (oud) BW. In zoverre is SEC deels niet-ontvankelijk in haar vordering 3.
Het gelijksoortigheidsvereiste
7.7.
Het gaat hier om de vraag of de door de Stichtingen ingestelde vorderingen strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is aan het vereiste van gelijksoortigheid voldaan als de belangen ter bescherming waarvan de vorderingen strekken, zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. De vorderingen lenen zich voor bundeling als daarover in één procedure geoordeeld kan worden zonder naar de bijzondere omstandigheden van de individuele belanghebbenden te kijken.22 Voldoende gelijksoortigheid van belangen hoeft niet mee te brengen dat de posities, achtergronden en belangen van degenen ten behoeve van wie een collectieve actie wordt ingesteld identiek of zelfs overwegend gelijk zijn. In een collectieve actie past dan ook een zekere abstracte toetsing.23
7.8.
Gedaagden hebben verschillende argumenten aangevoerd waarom geen sprake is van voldoende gelijksoortige en zich voor bundeling lenende belangen. De rechtbank gaat hierna eerst in op een aantal kwesties die van belang zijn voor meerdere vorderingen van de Stichtingen en vervolgens bespreekt de rechtbank de afzonderlijke vorderingen.
7.9.
Stellantis c.s. en de Autodealers hebben allereerst aangevoerd dat onduidelijk is voor welke belanghebbenden de Stichtingen opkomen. De samenstelling van de groep belanghebbenden voor wie de Stichtingen krachtens hun statuten opkomen, is afhankelijk van de vraag of het voertuig dat de belanghebbenden hebben gekocht of geleased, is voorzien van een beweerdelijk verboden manipulatie-instrument. Dat is geen duidelijk afgebakende groep, omdat die groep daarmee afhankelijk is van een juridische of technische beoordeling, aldus Stellantis c.s. en de Autodealers.
7.10.
Dit verweer slaagt niet. De stellingen van de Stichtingen gaan er vanuit dat in de voertuigen een verboden manipulatie-instrument aanwezig is. Dat zal, gelet op de betwisting van gedaagden, in de inhoudelijke fase inderdaad eerst beoordeeld moeten worden, maar het op dit moment ontbreken van een inhoudelijk oordeel op dit punt, dat inherent is aan deze fase van de procedure, maakt niet dat onvoldoende duidelijk is voor welke belanghebbenden de Stichtingen opkomen.
7.11.
Volgens Stellantis c.s. en de Autodealers maakt de insteek van de procedures door de Stichtingen een collectieve beoordeling onmogelijk. In dat verband hebben zij gewezen op meerdere verschillen. Op de aangevoerde verschillen gaat de rechtbank hierna in.
* Verschil in samenstelling achterban en verschil in toepasselijk recht
7.12.
Stellantis c.s. en de Autodealers hebben aangevoerd dat zodanige feitelijke en juridische verschillen bestaan tussen de leden van de gestelde achterbannen van de Stichtingen dat hiervan niet kan worden geabstraheerd in deze collectieve actie. Verschillend zijn volgens Stellantis c.s. en de Autodealers onder meer de context waarin een betrokken voertuig is aangeschaft, wat daarbij aan informatie is verstrekt, of een betrokken voertuig is doorverkocht en of het betrokken voertuig is gekocht of is geleased. Daarnaast heeft Stellantis c.s. aangevoerd dat op de vorderingen van de Stichtingen minstens dertig rechtstelsels van toepassing zijn die in tal van opzichten van elkaar verschillen. Daarom kan geen gemeenschappelijk oordeel worden gegeven over de vorderingen van de Stichtingen voor de gehele achterban.
7.13.
De rechtbank overweegt als volgt. De omstandigheid dat binnen de achterbannen van de Stichtingen verschillende groepen zijn te onderscheiden die op verschillende feitelijke en/of juridische punten ongelijksoortig zijn, neemt niet weg dat bepaalde belangen binnen die groepen voldoende met elkaar overeenstemmen om in een collectieve actie beoordeeld te kunnen worden. De leden van de achterbannen van de Stichtingen hebben in ieder geval met elkaar gemeen dat zij door koop of lease bezitter zijn of zijn geweest van een voertuig waarin volgens de stellingen van de Stichtingen een verboden manipulatie-instrument aanwezig is of was. Voornoemde verschillen staan in zoverre op zich niet in de weg aan bundeling. Zo nodig kan bovendien bij de beoordeling rekening worden gehouden met bepaalde verschillen. Of specifieke verschillen in de weg staan aan een collectieve beoordeling zal in relatie tot de concrete vorderingen worden beoordeeld (zie hierna 7.23).
7.14.
Voor mogelijke verschillen in het op de vorderingen toepasselijke recht geldt het volgende. Hierna onder 8.2 zal worden geoordeeld dat op de vorderingen van de Stichtingen het recht van toepassing is van het land waar een belanghebbende het voertuig heeft gekocht of geleased, omdat daar de schade wordt geleden. Voor benadeelden die het voertuig in Nederland hebben gekocht of geleased (de Nederlandse autobezitters), geldt dus dat Nederlands recht van toepassing is op de ten behoeve van hen ingestelde vorderingen. Voor de groep van Nederlandse autobezitters is dus hetzelfde rechtstelsel van toepassing.
7.15.
Het voorgaande ligt anders voor de vorderingen van SDEJ tegen Stellantis N.V. ten behoeve van de buitenlandse autobezitters.. Zij hebben (de gestelde) schade geleden in andere Europese jurisdicties (inclusief het Verenigd Koninkrijk). De vorderingen ten behoeve van de buitenlandse autobezitters op Stellantis N.V. strekken, zoals Stellantis c.s. terecht heeft betoogd, onvoldoende tot bescherming van gelijksoortige belangen. Op die vorderingen is immers steeds het recht van toepassing van het land waar deze belanghebbende het voertuig heeft gekocht of geleased. Dit brengt mee dat bij de buitenlandse autobezitters onderscheid zou moeten worden gemaakt in een groot aantal verschillende subgroepen, al naar gelang het land waar zij hun voertuig hebben gekocht of geleased. Dat leidt voor de buitenlandse autobezitters vervolgens tot een waaier aan toepasselijke rechtstelsels, dat wil zeggen voor elke subgroep een eigen rechtstelsel, met elk stelsel zijn eigen merites. Dat maakt de vorderingen in zoverre zodanig ongelijksoortig dat het voor de buitenlandse autobezitters in dit geval niet efficiënt en effectief is om deze vorderingen in één procedure te laten beoordelen. Dat SDEJ mede schending van het Europese recht, zoals de Emissieverordening, aan haar vorderingen ten grondslag legt, maakt het voorgaande niet anders. Behalve de Emissieverordening zullen immers ook andere juridische onderwerpen aan de orde komen die door het toepasselijke buitenlandse recht worden beheerst. SDEJ zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen tegen Stellantis N.V. voor zover die vorderingen zijn ingesteld ten behoeve van de buitenlandse autobezitters.
* Verschillende typen voertuigen
7.16.
Stellantis c.s. en de Autodealers hebben aangevoerd dat de door de Stichtingen ingestelde vorderingen betrekking hebben op een grote verzameling dieselvoertuigen. Die verzameling bestaat uit verschillende voertuigmodellen en uitvoeringen daarvan van verschillende producenten, met verschillende motoren en motorinhoud. Voor elk model en elke uitvoering moet volgens Stellantis c.s. en de Autodealers een aparte typegoedkeuring of ten minste een apart deelcertificaat worden afgegeven voordat deze in productie wordt genomen en op de markt wordt gebracht. Bovendien verschilt de door PSA ontwikkelde technologie van die van de General Motors-groep. De Stichtingen zullen daarom per merk, per model en per uitvoering moeten bewijzen dat door de desbetreffende autofabrikant ontoelaatbare emissiecontrolesystemen en motorbesturingssoftware zijn ontwikkeld en ingezet. Een generieke en collectieve beoordeling van die – gemeenschappelijke – vraag is niet mogelijk, omdat voor het beslissen op die vraag steeds naar de specifieke omstandigheden aangaande dat type voertuig zal moeten worden gekeken. Bundeling van gestelde daaraan te relateren belangen van de achterban in een collectieve actie is niet effectief en efficiënt, aldus steeds Stellantis c.s. en de Autodealers.
7.17.
De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat er verschillende typen voertuigen met verschillende typen dieselmotoren zijn, niet maakt dat deze procedure zich niet leent voor een collectieve beoordeling. Alle vorderingen zijn gegrond op de stelling dat in de voertuigen een verboden manipulatie-instrument zit, zodat de vorderingen op dit punt strekken tot bescherming van gelijksoortige belangen die collectief beoordeeld kunnen worden. Bij de beoordeling of sprake is van een verboden manipulatie-instrument kan, indien daartoe aanleiding zou bestaan, worden gedifferentieerd naar bijvoorbeeld type voertuig, merk, model en/of uitvoering.
* Verschillende groepen gedaagden
7.18.
Stellantis c.s. heeft aangevoerd dat sprake is van ongelijksoortigheid aan de zijde van de gedaagden. Binnen de heterogene groep van de gedaagden, die onder Stellantis c.s. vallen, bestaan volgens Stellantis c.s. onderling verschillen die in de weg staan aan een collectieve beoordeling van de vorderingen van de Stichtingen. De gedaagden staan als gevolg van de onderlinge verschillen in een andere feitelijke en juridische verhouding tot de belanghebbenden voor wie de Stichtingen stellen op te komen. Bij de beoordeling van de vorderingen en rechtsgrondslagen dienen deze verschillen volgens Stellantis c.s. steeds in aanmerking te worden genomen, waardoor een collectieve beoordeling van en beslissing op de vorderingen niet mogelijk is.
7.19.
Ook de Autodealers hebben betoogd dat zij een heterogene groep vormen. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. Zij verschillen onderling in omvang, omzet en activiteiten. Niet alle Autodealers hebben voertuigen van de merken Peugeot, Citroën en Opel verkocht. Ieder van de Autodealers staat alleen tot haar eigen klanten in een bepaalde rechtsverhouding, terwijl ook grote verschillen tussen die afzonderlijke rechtsverhoudingen bestaan. Een deel van de Autodealers treedt slechts op als agent van een andere autodealer. De contractuele wederpartij van de koper is in dat geval niet de agent, maar de autodealer voor wie die agent optreedt. Het gaat in totaal om ongeveer 12 agenten. Al die verschillen brengen met zich dat voor de beoordeling van de vorderingen van SCC en SDEJ telkens per transactie moet worden beoordeeld om welke autodealer het gaat. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van SCC en SDEJ niet collectief kunnen worden behandeld.
Bovendien ontplooien de Autodealers zelf geen leaseactiviteiten, zodat SCC en SDEJ in ieder geval niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun contractuele vorderingen die ten behoeve van lessees tegen de Autodealers zijn ingesteld. Aldus steeds de Autodealers.
7.20.
De rechtbank oordeelt over het betoog van Stellantis c.s. als volgt. Dat er verschillen bestaan tussen de gedaagden onderling die onder de Stellantis-groep vallen, dat zij een verschillende rol hebben en dat zij niet steeds in dezelfde verhouding staan tot een belanghebbende, staat aan een collectieve beoordeling niet in de weg. Zo nodig kan met die verschillen rekening worden gehouden bij de beoordeling van de vorderingen. Gedaagden wordt in de kern verweten dat zij voertuigen die niet voldeden aan de geldende regelgeving in het verkeer hebben gebracht door voertuigen met een verboden manipulatie-instrument te produceren, op de markt te brengen en daarin te handelen, zodat in zoverre sprake is van dezelfde feitelijke gebeurtenissen. Of voldoende is gesteld voor een succesvolle vordering op elk van gedaagden, is in deze fase van de procedure nog niet aan de orde.
7.21.
Over het betoog van de Autodealers oordeelt de rechtbank als volgt. Ook als van de juistheid van de door de Autodealers gestelde onderlinge verschillen wordt uitgegaan, staan die verschillen niet in de weg aan een collectieve beoordeling. De Autodealers zijn allen officiële dealers van de automerken Peugeot, Citroën, DS en Opel. Volgens SCC en SDEJ zijn in Nederland in de relevante periode in ieder geval honderdduizenden Peugeot-, Citroën-, DS- en Opelvoertuigen met een beweerdelijk verboden manipulatie-instrument verkocht of geleased. Nu de Autodealers in ieder geval gemeen hebben dat zij allemaal hebben gehandeld in voertuigen van één of meer van voornoemde automerken en de stelling is dat elk van die automerken voertuigen met een beweerdelijk verboden manipulatie-instrument heeft geproduceerd, kan ervan uit worden gegaan dat die ook door elk van de Autodealers verhandeld zijn. Indien een autodealer meent dat zij in de relevante periode geen enkel voertuig van Peugeot, Citroën, DS of Opel heeft verkocht of als agent heeft opgetreden, heeft zij de mogelijkheid om dat in de inhoudelijke fase te stellen en te onderbouwen. Vooralsnog kunnen de Autodealers als eenzelfde groep worden gezien.
7.22.
SCC en SDEJ zullen evenwel niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen tegen de Autodealers voor zover die strekken tot behartiging van belangen van (rechts)personen die in de relevante periode een dieselvoertuig van Peugeot, Citroën, DS en/of Opel door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen (‘leaserijders’). De Autodealers hebben toegelicht dat zij geen leaseovereenkomsten sluiten en dat lease-activiteiten zijn ondergebracht in aparte vennootschappen. Hierop hebben SCC en SDEJ niet gereageerd. Bij deze stand van zaken hebben SCC en SDEJ onvoldoende onderbouwd dat de vorderingen tegen de Autodealers, voor zover die zijn ingesteld ten behoeve van leaserijders, strekken tot gelijksoortige belangen. Hierdoor hebben SCC en SDEJ ook onvoldoende aangetoond dat er een groep leaserijders is die uiteindelijk baat zal hebben bij de collectieve actie als de vorderingen tegen de Autodealers worden toegewezen. SCC en SDEJ zullen in deze vorderingen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
De afzonderlijke vorderingen
7.23.
Hierna zal per vordering worden beoordeeld of die vordering belangen betreft die zich voldoende laten veralgemeniseren. Hierbij geldt als uitgangspunt of bij de beoordeling van de collectieve vorderingen (voldoende) kan worden geabstraheerd van de bijzonderheden van individuele gevallen (zie hiervoor onder 7.7).
* De vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad tegen Stellantis N.V., Stellantis Nederland B.V, de Autofabrikanten, GM Company en GM Holdings
7.24.
De Stichtingen vorderen – kort samengevat – verklaringen voor recht dat ieder van de door hen gedagvaarde gedaagden onrechtmatig jegens de autobezitters heeft gehandeld en dat die gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg daarvan door de autobezitters geleden en nog te lijden schade. Dit betreffen de vorderingen van SEC onder 2 en 3, de vorderingen van SCC onder 6.i. t/m 6.iv en de vordering van SDEJ onder V.f.i.24.
7.25.
Aan de gevorderde verklaringen voor recht heeft SEC, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat de rechtsvoorgangers van Stellantis N.V. op grote schaal hebben gefraudeerd met de emissie-uitstoot door de wettelijke emissienormen te ontduiken met verboden manipulatie-instrumenten. Als importeur rust op (de rechtsvoorgangers van) Stellantis Nederland B.V. een eigen verplichting om te verifiëren dat de dieselvoertuigen aan de geldende emissienormen voldoen. Voor zover (de rechtsvoorgangers van) Stellantis Nederland B.V. niet op de hoogte waren van de fraude, zijn zij daarvoor risico-aansprakelijk. Zij zijn ook mede-verantwoordelijk voor reclame- en marketinguitingen, aldus SEC.
7.26.
SCC en SDEJ hebben aan hun vorderingen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat Stellantis c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door willens en wetens voertuigen op de markt te brengen die de emissienormen overschrijden. Stellantis c.s. heeft zich bediend van verboden manipulatie-instrumenten om dat te verhullen. Dat is in strijd met de Emissieverordening, de Kaderrichtlijn en ongeschreven zorgvuldigheidsnormen.
7.27.
Stellantis c.s. heeft aangevoerd dat deze vorderingen, voor zover gebaseerd op schending van ongeschreven zorgvuldigheidsnormen en misleidende reclame, niet collectief kunnen worden beoordeeld. Die rechtsgronden vergen naar hun aard een individuele beoordeling. Als eerste moet de vraag worden beantwoord of het type dieselvoertuig van een belanghebbende voldoet aan de Emissieverordening en de Kaderrichtlijn. Dat laat zich niet generiek vaststellen, maar zal steeds per type voertuig moeten worden beoordeeld. Er kan niet in algemene zin worden geoordeeld of onrechtmatig is gehandeld jegens een belanghebbende zonder daarbij ook de bijzondere omstandigheden van elke individuele belanghebbende in aanmerking te nemen, aldus Stellantis c.s.
7.28.
Naar het oordeel van de rechtbank strekken de gevorderde verklaringen voor recht dat Stellantis c.s. onrechtmatig jegens autobezitters heeft gehandeld tot bescherming van gelijksoortige belangen, zodat deze vorderingen collectief kunnen worden beoordeeld. Gelet op wat de Stichtingen aan deze verklaringen voor recht ten grondslag hebben gelegd, zal in de inhoudelijke fase moeten worden beoordeeld of de Euro 5 en Euro 6 dieselvoertuigen, die vanaf 1 september 2009 op de Nederlandse markt zijn gebracht en vervolgens door de autobezitters zijn gekocht of geleased, verboden manipulatie-instrumenten bevatten. Bij de beoordeling van de vraag of onrechtmatig is gehandeld, kan dus worden geabstraheerd van bijzondere omstandigheden aan de zijde van de autobezitters. Die omstandigheden zijn pas relevant bij vragen over bijvoorbeeld schade-omvang en causaal verband. Die vragen liggen in deze procedure nog niet voor en kunnen na een gegeven onrechtmatigheidsoordeel in individuele vervolgprocedures aan de orde komen. Dat verschillen bestaan tussen de autobezitters, doet hieraan dus niet af. De belangen van de autobezitters die door de verweten gedragingen stellen te zijn benadeeld, komen op dit punt met elkaar overeen en zijn dus bundelbaar.
7.29.
In deze collectieve actie kan dus in algemene zin een oordeel over de gestelde onrechtmatigheid worden uitgesproken. Dit geldt ook voor de verklaringen voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn.
* De vorderingen van SDEJ uit hoofde van onrechtmatige daad tegen de Autodealers
7.30.
Dit betreft de vorderingen van SDEJ onder V.f.i. en V.f.ii.
7.31.
SDEJ heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat de Autodealers zich niet of onvoldoende ervan hebben vergewist of de inhoud van het Certificaat van Overeenstemming juist was. Of de Autodealers ervan op de hoogte waren dat dat certificaat onjuist was, is volgens SDEJ niet relevant. Voor zover wetenschap wel zou zijn vereist, heeft SDEJ zich op het standpunt gesteld dat de Autodealers dat hadden behoren te weten, omdat hun bedrijfsvoering voor een groot deel, zo niet volledig, afhankelijk is van de verkoop van de getroffen dieselvoertuigen. De Autodealers hebben onvoldoende onderzocht of de voertuigen aan de wettelijke vereisten en de opgegeven specificaties voldeden.
7.32.
De Autodealers hebben het volgende aangevoerd. Elke dealer heeft een andere rechtspositie jegens elk van de belanghebbenden. Tegen elk van de dealers zal afzonderlijk moeten worden beoordeeld of onrechtmatig is gehandeld. Ook is onduidelijk wat SDEJ de Autodealers precies verwijt aan onrechtmatig handelen.
7.33.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van SDEJ onder V.f.1. en V.f.ii. collectief kunnen worden beoordeeld. De verwijten van SDEJ in dit verband zijn voldoende duidelijk en toegespitst op de vraag of en in hoeverre de Autodealers een onderzoeksplicht hebben gehad. De juistheid van de door SDEJ gemaakte verwijten behoeft geen individueel onderzoek, maar kan collectief worden beoordeeld.
* De vordering van SDEJ uit hoofde van groepsaansprakelijkheid
7.34.
Dit betreft de vordering van SDEJ onder V.f.iii.
7.35.
SDEJ vordert een verklaring voor recht dat Stellantis N.V., Stellantis B.V., de Autofabrikanten en de Autodealers zich schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatig handelen in groepsverband. Daartoe heeft SDEJ gesteld dat voornoemde gedaagden gezamenlijk een keten vormen en zijn te beschouwen als groep in de zin van artikel 6:166 BW. Meerdere deelnemers van de groep hebben een onrechtmatige daad gepleegd. De kans dat als gevolg van het groepshandelen schade zou ontstaan, had de leden van de groep van deelname aan het groepshandelen behoren te weerhouden. Ieder van de gedaagden was, als essentieel onderdeel van de keten, bij machte om de onrechtmatige daad te voorkomen en had dat ook moeten doen, aldus SDEJ.
7.36.
De vraag of de door SDEJ genoemde gedaagden als groep in de zin van artikel 6:166 BW kunnen worden gezien, kan pas worden beantwoord als zicht is gekregen op de vraag of en welke onrechtmatige gedragingen van de afzonderlijke gedaagden hebben plaatsgevonden. Hiervoor onder 7.28 is geoordeeld dat de verklaringen voor recht die zijn gericht op het vaststellen van onrechtmatig handelen van ieder van de gedaagden voldoende gelijksoortig zijn. Daaruit volgt dat de belangen in zoverre voldoende bundelbaar zijn. Daaruit vloeit voort dat ook de vraag of gedaagden als groep in de zin van artikel 6:166 BW onrechtmatig hebben gehandeld en daarvoor hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden, in een collectieve actie kan worden onderzocht. SDEJ is daarom in deze vordering ontvankelijk.
* De vorderingen van SDEJ uit hoofde van oneerlijke handelspraktijken
7.37.
Dit betreft de gevorderde verklaringen voor recht van SDEJ onder V.b.i. t/m V.b.iv. Daaraan is ook de gevorderde verklaring voor recht onder V.a. gekoppeld (reflexwerking van consumentenbescherming voor kleine zelfstandigen).
7.38.
SDEJ heeft zich op het standpunt gesteld dat Stellantis N.V., Stellantis B.V. en de Autofabrikanten zich schuldig hebben gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken, alsmede dat de gedragingen van voornoemde gedaagden ook zijn toe te rekenen aan de Autodealers. SDEJ doet een beroep op artikel 6:193g aanhef en onder a, d en i BW en op artikel 6:193c lid 1 aanhef en onder b BW. Deze vier bepalingen normeren het verstrekken van onjuiste, onvolledige dan wel anderszins onterechte informatie met betrekking tot een specifiek product.
7.39.
Stellantis c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vorderingen zich niet collectief laten beoordelen. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Over de gehele periode zal per type voertuig moeten worden beoordeeld welke informatie daarover is verstrekt in Nederland. Aangezien de leden van de verschillende achterbannen verspreid over een periode van tien jaar allemaal op verschillende momenten zelfstandig individuele overeenkomsten hebben gesloten, met verschillende wederpartijen en met betrekking tot een verzameling aan verschillende voertuigen, laat zich niet collectief beoordelen of bij al die transacties en dus jegens alle belanghebbenden sprake is geweest van een oneerlijke handelspraktijk. Bij die beoordeling zal namelijk steeds naar de specifieke situatie van desbetreffende belanghebbende moeten worden gekeken. Iedere autobezitter is immers op een ander moment in zijn of haar jurisdictie over zijn of haar voertuig geïnformeerd.
7.40.
De Autodealers hebben zich op het standpunt gesteld dat deze vorderingen zich niet lenen voor een collectieve beoordeling en daartoe het volgende aangevoerd. De bepalingen waarop SDEJ zich baseert, gaan over informatieverstrekking met betrekking tot het specifieke product dat door de consument is aangeschaft. De vraag welke informatie door een autodealer aan een belanghebbende is verstrekt, kan slechts individueel worden beantwoord. De Autodealers wijzen er verder op dat artikel 6:193j lid 3 BW - waarin staat dat een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, vernietigbaar is - vereist dat een individu de overeenkomst niet zou zijn aangegaan, indien hij op de hoogte was van de vermeende oneerlijke handelspraktijk. De vraag of daarvan sprake is dat kan slechts per individu worden beantwoord. Daarom leent art. 6:193j lid 3 BW zich ook niet voor een collectieve vordering tot vernietiging.
7.41.
De rechtbank acht de belangen van de benadeelden gelijksoortig voor zover het gaat om verwijten over de installatie en het verzwijgen van een verboden manipulatie-instrument. De vordering van SDEJ onder V.b.i. is dus in zoverre ontvankelijk. De vordering van SDEJ onder V.b.iii. tot vernietiging van de overeenkomsten op deze grond kan eveneens collectief worden beoordeeld. Datzelfde geldt voor de vraag naar de hoofdelijke aansprakelijkheid (vordering V.b.iv.).
Voor zover het gaat over door gedaagden verstrekte informatie over de voertuigen lopen de situaties van de gestelde benadeelden zo sterk uiteen dat de verwijten die daarop betrekking hebben zich niet lenen voor bundeling.
7.42.
Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de belangen van de benadeelden ook gelijksoortig voor zover het gaat om gedragingen van de Autofabrikanten en Stellantis B.V. die aan de Autodealers zouden zijn toe te rekenen (vordering van SDEJ onder V.b.ii.). Hetgeen SDEJ aanvoert over waarom gedragingen van de Autofabrikanten en Stellantis N.V. aan de Autodealers zijn toe te rekenen, namelijk vanwege de rol van een importeur en een autodealer in het productie- en verkoopproces en de maatschappelijke opvattingen daarover, vereist geen individuele beoordeling per autodealer, maar geldt voor alle autodealers. In zoverre is deze vordering dan ook ontvankelijk.
7.43.
Vordering V.a. van SDEJ, die ziet op de reflexwerking voor kleine zelfstandigen, laat zich niet collectief beoordelen. Voor beantwoording van de vraag of een zelfstandige een beroep kan doen op de aan consumenten toekomende bescherming op grond van de Wet oneerlijke handelspraktijken zijn de individuele omstandigheden van de betrokkene van belang, waaronder de vraag of het voertuig mede voor privégebruik is gekocht. In vordering V.a. is SDEJ dus niet-ontvankelijk.
7.44.
SEC en SCC hebben geen afzonderlijke vorderingen ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken geformuleerd, maar leggen aan hun vorderingen op grond van onrechtmatige daad wel mede handelen in strijd met de Wet oneerlijke handelspraktijken ten grondslag. Daarvoor geldt dan hetzelfde als hiervoor is overwogen. Dat betekent ook dat SCC niet-ontvankelijk is in haar vordering 5 (verklaring voor recht dat kleine zelfstandigen hebben te gelden als particulieren).
* Vorderingen van SCC en/of SDEJ die zijn gebaseerd op non-conformiteit en wanprestatie
7.45.
Dit zijn de vorderingen van SCC onder 7.i. t/m 7.iii en 9. Van SDEJ zijn dit de vorderingen onder V.d.i. t/m V.d.iv. Daaraan hebben SEC en SDEJ in essentie ten grondslag gelegd dat de getroffen voertuigen vanwege de aanwezigheid van het gestelde verboden manipulatie-instrument non-conform zijn. Daaraan verbinden zij vervolgens het recht op (gedeeltelijke) ontbinding, prijsvermindering en/of zaaksvervanging. Deze vorderingen zijn hoofdzakelijk gegrond op artikel 7:17 e.v. BW.
Verklaringen voor recht non-conformiteit
7.46.
In de eerste plaats vorderen SCC en SDEJ verklaringen voor recht dat de getroffen voertuigen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn (non-conform zijn).
7.47.
De Autodealers hebben betoogd dat de vorderingen uit hoofde van non-conformiteit zich niet lenen voor bundeling. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. Bij een beroep op non-conformiteit moeten de specifieke mededelingen van de Autodealers in de beoordeling worden betrokken. De vraag welke mededelingen de Autodealers hebben gedaan aan iedere belanghebbende en welke eigenschappen iedere belanghebbende mocht verwachten op grond van de met haar of hem gesloten overeenkomst, kan alleen op individuele basis worden vastgesteld. Er zijn namelijk allerlei verschillen aan te wijzen in de uitlatingen van de dealers en de inhoud van de individuele overeenkomsten. De vraag of de voertuigen de eigenschappen hebben die verschillende kopers op basis van de mededelingen van de Autodealers of de inhoud van de overeenkomst mochten verwachten, kan daarom niet in zijn algemeenheid worden beantwoord.
7.48.
De rechtbank overweegt dat indien het gestelde verwijt over de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument komt vast te staan, de posities van de autobezitters dan op dat (essentiële) punt met elkaar overeenkomen (zie 7.41). De rechtbank is verder van oordeel dat op voorhand niet kan worden uitgesloten dat de gestelde omstandigheid, dat een voertuig is voorzien van een verboden manipulatie-instrument en daardoor niet voldoet aan de geldende regelgeving, moet worden gekwalificeerd als non-conform. Of dat zo is, is een vraag die in zijn algemeenheid kan worden beantwoord. In dit verband is ook van belang dat over de aanwezigheid van het gestelde verboden manipulatie-instrument niets is medegedeeld aan de autobezitters. De informatie die door Autodealers wel is verstrekt en die inderdaad van geval tot geval verschillend kan zijn geweest, heeft in elk geval niet de strekking gehad dat werd gewaarschuwd voor de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument of dat werd medegedeeld dat het voertuig niet voldeed aan de toepasselijke regelgeving. Daarom staan de verschillen in wat aan de kopers en lessees is medegedeeld in zoverre niet aan bundelbaarheid in de weg. Dat betekent dat SCC ontvankelijk is in haar vordering onder 7.i. en SDEJ in haar vordering onder V.d.i.
Verklaringen voor recht redelijke termijn tot herstel of vervanging
7.49.
De vorderingen van SCC onder 7.ii. en van SDEJ onder V.d.ii. betreffen de verklaringen voor recht dat de redelijke termijn tot herstel of vervanging van de (gestelde) gebreken in de getroffen voertuigen ongebruikt is verstreken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zelfstandig herstel door de Autodealers in dit geval (technisch gezien) niet mogelijk is en dat de Autodealers niet hebben gereageerd op een verzoek van SCC van 21 oktober 2021 om tot herstel over te gaan. De juistheid van deze stellingen, die voor alle autobezitters gelden, kan naar het oordeel van de rechtbank worden beoordeeld zonder individuele omstandigheden in aanmerking te nemen. SCC is dus ontvankelijk in haar vordering 7.ii en SDEJ in haar vordering V.d.ii.
7.50.
SCC vordert dat de rechtbank de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomsten tussen de Autodealers en autobezitters zal uitspreken (vordering 9). SDEJ vordert een verklaring voor recht dat autobezitters de bevoegdheid hebben om hun overeenkomst te ontbinden (vordering V.d.iv.)
7.51.
Volgens de Autodealers zijn de vorderingen ter zake van de ontbinding op grond van artikel 6:265 BW niet vatbaar voor een collectieve beoordeling, omdat zowel de vraag of sprake is van verzuim als de vraag of de vermeende tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt, afhankelijk is van de individuele omstandigheden van elke afzonderlijke autobezitter. Ook ontbinding op grond van artikel 7:22 lid 1 sub a BW leent zich om vergelijkbare redenen niet voor een collectieve toepassing, omdat deze bepaling een equivalent kent van het verzuimvereiste (namelijk de klachtplicht uit artikel 7:23 BW) en eveneens vereist dat het gebrek de ontbinding rechtvaardigt. Verder kan volgens de Autodealers onder het oude collectieve actierecht geen vordering tot aantasting van rechtshandelingen worden gehonoreerd.
7.52.
De rechtbank heeft hiervoor (in 7.48) al geoordeeld dat de gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot non-conformiteit gelijksoortig zijn. De gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot ontbinding liggen in het verlengde daarvan, omdat ontbinding één van de remedies is bij non-conformiteit (zie artikel 7:22 lid 1 onder a BW). Op de voet van artikel 7:22 lid 1 onder a BW moet worden beoordeeld of een betrokken voertuig met een verboden manipulatie-instrument aan de overeenkomst beantwoordt. Of een betrokken voertuig dat een verboden manipulatie-instrument bevat, een afwijking van het overeengekomene vormt, die de gevolgen van ontbinding rechtvaardigt, kan naar het zich laat aanzien in het algemeen worden beantwoord. Individuele omstandigheden hoeven bij dit oordeel niet te worden betrokken. Ook is op voorhand niet uitgesloten dat in dit geval is voldaan aan het verzuim-vereiste op een grondslag die gezien de aard van het gestelde gebrek in de prestatie voor alle autobezitters geldt. De vraag of de Autodealers zich kunnen beroepen op de “tenzij-formule” van artikel 6:265 BW kan in individuele vervolgprocedures na een collectief oordeel over de non-conformiteit aan de orde komen. Dat betekent dat SCC ontvankelijk is in vordering 9 en SDEJ in vordering V.d.iv.
Vermindering van de koopprijs
7.53.
SCC vordert een verklaring voor recht dat bepaalde autobezitters bij een gedeeltelijke ontbinding bevoegd zijn de koopprijs te verminderen (vordering 7.iii).
7.54.
De Autodealers hebben zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van deze vordering, net als bij de andere vorderingen in relatie tot ontbinding, telkens de individuele omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, zodat die vordering niet collectief kan worden beoordeeld.
7.55.
De rechtbank volgt de Autodealers niet in dat standpunt. In het geval dat de verwijten van de Stichtingen terecht zijn, kan de vraag óf een koopprijsvermindering geboden is bij een op de gestelde non-conformiteit gebaseerde gedeeltelijke ontbinding, in algemene zin worden beantwoord. Niet uitgesloten is bovendien dat in dit geval ook over de omvang van een koopprijsvermindering vanwege de gestelde aanwezigheid van een manipulatie-instrument (welke omstandigheid voor alle autobezitters zou gelden) in zijn algemeenheid een oordeel kan worden gegeven. In dat geval kan worden geabstraheerd van individuele omstandigheden. SCC is daarom ontvankelijk in vordering 7.iii.
In het verlengde hiervan is SCC ook ontvankelijk in vordering 7.vi. die betrekking heeft op de verschuldigdheid van wettelijke rente over een prijsvermindering. De vraag of wettelijke rente is verschuldigd, laat zich namelijk ook in algemene zin beantwoorden.
7.56.
SDEJ vordert een verklaring voor recht dat de autobezitters gerechtigd zijn van Stellantis B.V. of de betreffende autodealer vervanging van het voertuig te vorderen (vordering V.d.iii.).
7.57.
SDEJ heeft aan die vordering het volgende ten grondslag gelegd. Nu de auto’s non-conform zijn, is sprake van een tekortkoming en hebben de kopers op grond van artikel 7:21 lid c BW recht op vervanging van de voertuigen. De afwijking van de overeenkomst rechtvaardigt de vervanging, terwijl bovendien sprake is van consumentenkoop zodat de ernst van de afwijking op grond van lid 4 van artikel 7:21 BW geen rol speelt. Eventuele terugroepacties wegen niet op tegen zaaksvervanging, nu onbekend en niet aannemelijk is dat die soelaas bieden.
7.58.
Stellantis c.s. heeft daartegen het volgende aangevoerd. Bij gebrek aan een contractuele verhouding is onduidelijk op welke grondslag SDEJ voor haar achterban aanspraak maakt op vervanging van de auto’s door Stellantis c.s. Daarnaast geldt voor deze vordering (ook) dat een generieke en collectieve beoordeling niet mogelijk is. Bij de beantwoording van de vraag of de Autofabrikanten en de Importeur verplicht zijn de getroffen voertuigen terug te nemen en te vervangen door een nieuw exemplaar zonder dat zij daarbij aanspraak kunnen maken op een vergoeding, dient steeds naar alle specifieke omstandigheden aangaande het type voertuig te worden gekeken. Bundeling van gestelde daaraan te relateren belangen van de achterban in een collectieve actie is dan ook niet effectief en efficiënt.
7.59.
De Autodealers hebben aangevoerd dat SDEJ in deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Deze vordering stuit volgens hen af op het gelijksoortigheidsvereiste.
7.60.
De rechtbank heeft hiervoor (7.48) al geoordeeld dat de gevorderde verklaringen voor recht met betrekking tot non-conformiteit gelijksoortig zijn. De gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot zaaksvervanging ligt in het verlengde daarvan, omdat vervanging één van de remedies is bij non-conformiteit. Voor zover de non-conformiteit is gegrond op de omstandigheid dat een voertuig een verboden manipulatie-instrument bevat, kan in beginsel in zijn algemeenheid worden beantwoord of die omstandigheid dan recht geeft op vervanging van het voertuig. Individuele omstandigheden hoeven daarbij in zoverre niet te worden betrokken. Dat betekent dat SDEJ ontvankelijk is in vordering V.d.iii.
De vraag naar de financiële gevolgen van zaaksvervanging komt hierna in 7.67 en verder aan de orde.
* Vorderingen van SCC en SDEJ die zijn gebaseerd op dwaling
7.61.
Dit betreffen de subsidiair gevorderde verklaringen voor recht van SCC onder 7.iv. en 7.v., alsmede de subsidiaire vordering tot gedeeltelijke vernietiging onder 10. Voor SDEJ is dit onder meer de gevorderde verklaring voor recht onder V.c.
7.62.
SCC en SDEJ hebben hieraan het volgende ten grondslag gelegd. De overeenkomsten tussen de autobezitters en de Autodealers zijn (gedeeltelijk) vernietigbaar op grond van dwaling. De autobezitters zijn van de onjuiste veronderstelling uitgegaan dat de voertuigen voldeden aan de wet en niet van een verboden manipulatie-instrument waren voorzien. SCC heeft daaraan toegevoegd dat ook is gedwaald over het ‘groene karakter’ van de voertuigen. Die zijn ten onrechte aangeprezen als milieuvriendelijk. Zowel het (niet) voldoen aan de wet als het milieu(on)vriendelijke karakter betreft een essentiële eigenschap. Volgens SCC en SDEJ is (in elk geval) sprake van wederzijdse dwaling (artikel 6:228 lid 1 sub c BW). SCC heeft zich verder op het standpunt gesteld dat onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt (artikel 6:228 lid 1 sub a en sub b BW). Bij een juiste voorstelling van zaken zouden de overeenkomsten niet zijn gesloten, althans niet onder dezelfde voorwaarden, aldus SCC en SDEJ.
7.63.
De Autodealers hebben zich op het standpunt gesteld dat een collectieve beoordeling van het beroep op dwaling niet mogelijk is. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd.
Het voor een geslaagd beroep op dwaling vereiste causaal verband tussen de onjuiste voorstelling van zaken en de aangegane rechtshandeling kan in beginsel slechts individueel worden beantwoord. De enige situatie waarin een collectieve beoordeling wellicht mogelijk zou kunnen zijn, is indien de eigenschap waarover men dwaalt zo essentieel is dat geen weldenkend mens bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst zou hebben gesloten. Daarvan is in dit geval geen sprake, ook niet als vast zou komen te staan dat de emissiecontrolesystemen niet aan de wettelijke eisen voldoen. De mate waarin men milieubewust handelt, verschilt per individu. Daarom kan niet collectief worden geoordeeld dat geen enkele autobezitter het voertuig had gekocht onder de door SCC en SDEJ gestelde ‘juiste’ voorstelling van zaken.
Andere vragen die spelen bij een beroep op dwaling en die per definitie alleen individueel kunnen worden beantwoord, zijn onder meer: i) welke autodealer was betrokken, ii) van welke kennis is de betrokken autodealer uitgegaan, iii) welke kennis had de betrokken koper of lessee, iv) welke informatie is verschaft en hoe mocht die verschafte informatie door de koper of lessee worden opgevat en vi) op welke momenten zijn de voertuigen aangeschaft.
Ook is voor een beroep op dwaling nodig dat tijdig is geklaagd op grond van artikel 7:23 BW. Of tijdig is geklaagd, kan alleen per individu worden vastgesteld.
7.64.
De rechtbank overweegt als volgt. In het algemeen vereist een beroep op dwaling een beoordeling van individuele omstandigheden aan de zijde van de belanghebbende en de invloed daarvan op de wilsvorming. In deze zaak gaat het echter bij alle autobezitters om precies dezelfde omstandigheid, namelijk de onbekendheid met de (gestelde) aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument bij aankoop van het voertuig en het als gevolg daarvan niet voldoen aan de toepasselijke Nederlandse en Europese wet- en regelgeving. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat deze omstandigheid zoveel gewicht in de schaal legt, dat deze ook zonder bijkomende individuele omstandigheden tot toewijzing van de gevraagde verklaring voor recht kan leiden. Datzelfde geldt voor de onbekendheid van de autobezitters met de (mogelijk) minder milieuvriendelijke prestaties van de voertuigen. De belangen van de autobezitters zijn dus in zoverre voldoende gelijksoortig om in een collectieve actie te worden beoordeeld. Of de aanwezigheid van een verboden Manipulatie-instrument en/of de minder milieuvriendelijke prestaties van een voertuig zulke essentiële eigenschappen zijn dat geen weldenkende koper bij wetenschap daarvan het betrokken voertuig zou kopen, zal in de inhoudelijk fase van de procedure worden beoordeeld. Of tijdig is geklaagd, kan mogelijk in algemene zin worden beantwoord, indien vast zou komen te staan dat het gestelde gebrek (de aanwezigheid van een verboden manipulatie-instrument) door een individuele koper redelijkerwijs niet kon worden ontdekt.
7.65.
De conclusie is dat de subsidiaire vorderingen van SCC onder 7.iv. en 10, alsmede de vordering van SDEJ onder V.c., bundelbaar zijn.
7.66.
SCC heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de autobezitters recht hebben op een prijsvermindering als gevolg van de gestelde dwaling (op grond van gedeeltelijke vernietiging). Deze vordering is eveneens bundelbaar, zodat SCC ook ontvankelijk is in haar subsidiaire vordering 7.v. Als het gaat om de omvang van de prijsvermindering na een geslaagd beroep op gedeeltelijke vernietiging geldt daarvoor hetzelfde als wat is overwogen in 7.55.
* Vorderingen van SDEJ met bepaling over vergoeding in verband met gebruik of waardevermindering
7.67.
Dit betreft de (primaire, subsidiaire en meer subsidiaire) vorderingen van SDEJ onder V.e. VI.a. tot en met VI.d. Al deze vorderingen strekken ertoe dat wordt vastgesteld dat de autobezitters bij vernietiging, ontbinding of zaaksvervanging geen vergoeding in verband met het gebruik van het voertuig of de waardevermindering daarvan verschuldigd zijn tegenover de Autofabrikanten, Stellantis B.V. of de Autodealers. Volgens SDEJ is het in alle gevallen onjuist en onredelijk om een gebruiks- of waardevergoeding toe te kennen vanwege de opzettelijke en structurele misleiding door de Autofabrikanten die aan ieder van de gedaagden kan worden toegerekend.
7.68.
Stellantis c.s. en de Autodealers hebben aangevoerd dat de vorderingen over het al of niet vaststellen van een gebruiksvergoeding een individuele beoordeling vergen. Dit vergt immers een beoordeling of de koper die gedurende verschillende jaren een voertuig heeft gebruikt, daardoor is verrijkt, of de partij aan wie het voertuig wordt terug geleverd daardoor is verarmd en of het vergoeden van schade wegens ongerechtvaardigde verrijking redelijk is. Dit zal van geval tot geval verschillen. De vraag of een gebruiksvergoeding is verschuldigd, hangt daarmee af van individuele omstandigheden, zoals het aantal jaren dat het voertuig is gebruikt en hoeveel kilometers daarmee is gereden. Het is duidelijk dat de verschillen in aantal jaren en mate van gebruik tussen de belanghebbenden enorm zijn, aldus Stellantis c.s. en de Autodealers.
7.69.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitsluitend het standpunt van SDEJ, dat het in alle gevallen onjuist en onredelijk is om enige gebruiks- of waardevergoeding toe te kennen vanwege de opzettelijke en structurele misleiding door de Autofabrikanten die aan ieder van de gedaagden zou zijn toe te rekenen, laat zich in zijn algemeenheid beoordelen. Aan dat standpunt ligt immers ten grondslag dat de specifieke omstandigheden van de individuele autobezitter er vanwege de opzettelijke misleiding niet toe doen. In zoverre lenen de hierop gebaseerde vorderingen van SDEJ zich voor bundeling.
7.70.
Voor het overige – dat wil zeggen voor zover in de hoofdzaak zou worden geoordeeld dat voornoemd standpunt van SDEJ niet wordt gevolgd – lenen voornoemde vorderingen zich niet voor collectieve beoordeling. Indien immers komt vast te staan dat bij het bepalen van de gevolgen van een (gedeeltelijke) vernietiging, ontbinding of zaaksvervanging gedaagden wel aanspraak kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het voertuig en/of de waardevermindering daarvan, dan moeten bij de vaststelling van de hoogte daarvan de individuele omstandigheden van autobezitter, zoals de staat van het voertuig, in aanmerking worden genomen.
7.71.
De conclusie is dat de belangen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, voldoende bundelbaar zijn. SDEJ is in zoverre ontvankelijk in haar vorderingen V.e. en VI.a. tot en met VI.d.
* Verzetten de Bovag-voorwaarden zich tegen een collectieve beoordeling van de vorderingen jegens de Autodealers?
7.72.
In het kader van de bundelbaarheid van de vorderingen hebben de Autodealers ten slotte gewezen op het verschil in contractuele verhoudingen tussen consumenten en zakelijke rijders. De Autodealers hebben zich op het standpunt gesteld dat op de rechtsverhoudingen tussen de Autodealers en individuele zakelijke rijders van toepassing zijn de Bovag-voorwaarden zakelijke markt 2008 en later de Bovag-voorwaarden zakelijke markt 2017. In die algemene voorwaarden staan volgens de Autodealers bepalingen die in de weg staan aan een collectieve beoordeling van de vorderingen tegen de Autodealers. Het gaat dan om een beperking van aansprakelijkheid voor schade, de uitsluiting van een beroep op non-conformiteit, een korte klachttermijn en een afwijzing van eventueel eigen algemene voorwaarden van de zakelijke koper of opdrachtgever.
Ook moet per individu worden beoordeeld of de algemene voorwaarden door de Autodealer ter hand zijn gesteld en op de overeenkomst van toepassing zijn.
7.73.
In hetgeen de Autodealers hebben aangevoerd over de Bovag-voorwaarden ziet de rechtbank onvoldoende reden om SCC of SDEJ in één of meer van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Als het gaat om de beperkte schadevergoedingsplicht geldt dat de omvang van schade in deze procedure niet aan de orde is vanwege de toepasselijkheid van het oude collectieve actierecht. Verder zal in de hoofdzaak moeten worden beoordeeld of (ook) de zakelijke kopers de rechten kunnen uitoefenen die de wet hen toekent bij non-conformiteit. Dat zal in elk geval voor een gedeelte collectief kunnen worden beoordeeld. Als het gaat om de termijn waarbinnen moet worden geklaagd, geldt dat in verband daarmee niet uitgesloten is dat daarvoor eveneens algemene vragen moeten worden beantwoord, zoals de vraag of kan worden gevergd dat wordt geklaagd. Het beroep van de Autodealers op de Bovag-voorwaarden betekent dus niet dat de beoordeling van één of meer vorderingen noodzakelijkerwijs en volledig beperkt is tot een beoordeling van de individuele omstandigheden van een betrokkene.
De conclusie over het gelijksoortigheidsvereiste
7.74.
De slotsom is dat de vorderingen van de Stichtingen – met uitzondering van de vorderingen die strekken tot betaling van schadevergoeding in geld – zich merendeels voor een collectieve beoordeling in deze procedure lenen.
7.75.
Artikel 3:305a lid 2 (oud) BW bepaalt onder meer dat een belangenorganisatie niet ontvankelijk is, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn. Dit zogenoemde waarborgvereiste heeft met name als doel om ondeskundige organisaties of organisaties met onzuivere motieven te weren. Het vereiste biedt de rechter een handvat om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie bij twijfel aan de motieven voor het instellen van de actie.
De vraag of met de collectieve actie de belangen van de betrokken personen voldoende zijn gewaarborgd, moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Die toets moet op grond van de situatie zoals die nu is (‘ex nunc’) plaatsvinden. Daarbij moeten volgens de wetsgeschiedenis in geval van betwisting twee centrale vragen worden beantwoord:
1. in hoeverre hebben de betrokkenen uiteindelijk baat bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen, en
2. in hoeverre mag erop vertrouwd worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren.
Gezichtspunten die hierbij in algemene zin een rol kunnen spelen zijn onder meer25:
a. welke overige werkzaamheden heeft de organisatie verricht om zich voor de belangen van betrokkenen in te zetten en heeft de organisatie in het verleden ook daadwerkelijk doelstellingen kunnen realiseren en,
b. indien sprake is van een ad hoc organisatie, is deze opgericht door een reeds bestaande organisatie die in het verleden succesvol de belangen van de betrokkenen heeft behartigd,
c. hoeveel benadeelden zijn aangesloten bij de organisatie en in hoeverre ondersteunen zij de collectieve actie; en
d. of de organisatie voldoet aan de principes uit de Claimcode.
7.76.
De Claimcode zoals bedoeld in gezichtspunt d, is een door de Commissie Claimcode in 2011 opgesteld en in 2019 herzien en aangevuld document waarin principes zijn uitgewerkt waaraan organisaties moeten voldoen die, zoals de Stichtingen, optreden op grond van artikel 3:305a (oud) BW. De Claimcode is een vorm van zelfregulering door betrokken marktpartijen, bedoeld om wildgroei van rechtspersonen die optreden overeenkomstig artikel 3:305a (oud) BW te voorkomen en ervoor te zorgen dat de belangen van de gedupeerden worden gewaarborgd en niet de (commerciële) belangen van de oprichters van deze rechtspersonen. Het voldoen aan de principes van de Claimcode is geen wettelijke voorwaarde voor ontvankelijkheid, maar de Claimcode heeft sinds 1 juli 2013 wel een indirecte verankering in de wet, via artikel 3:305a lid 2, laatste volzin, (oud) BW. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre erop mag worden vertrouwd dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de belangen te behartigen van de personen voor wie zij stelt op te komen, kan een aanwijzing zijn dat de organisatie voldoet aan de in de Claimcode opgenomen ‘principes’. Het wel of niet voldoen aan de principes van de Claimcode is dan ook een belangrijk gezichtspunt bij de beoordeling of de belangen van de benadeelden voldoende zijn gewaarborgd. Afwijking van de principes en uitwerkingen van de Claimcode kan onder bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd zijn.
7.77.
Stellantis c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de Stichtingen niet ontvankelijk zijn, omdat geen van hen voldoet aan het waarborgvereiste. Stellantis c.s. heeft, behalve op de gezichtspunten a t/m d, ook gewezen op twee factoren die in de wetsgeschiedenis worden genoemd: i) of de Stichtingen optreden als gesprekspartner voor de overheid of als spreekbuis in de media en ii) of de Stichtingen een eventueel veroordelend vonnis daadwerkelijk ten uitvoer kunnen leggen tegen buitenlandse gedaagden. Verder heeft zij onder meer aangevoerd dat geen van de Stichtingen representatief is. De Autodealers hebben zich bij het standpunt van Stellantis c.s. en de onderbouwing daarvan aangesloten, voor zover het over de ontvankelijkheid van SCC en SDEJ gaat.
7.78.
De rechtbank zal hierna aan de hand van de gezichtspunten beoordelen of de Stichtingen voldoen aan het waarborgvereiste.
Gezichtspunten a en b (trackrecord en ad hoc organisatie)
7.79.
De Stichtingen hebben – heel kort samengevat – aangevoerd dat zij beschikken over voldoende ervaring en deskundigheid om zich in te zetten voor de belangen van de betrokkenen.
7.80.
Gedaagden hebben aangevoerd dat SEC en SDEJ nog niet of nauwelijks een trackrecord hebben en dat de Stichtingen ad hoc organisaties zijn.
7.81.
De rechtbank is van oordeel dat toetsing aan deze gezichtspunten voor geen van de Stichtingen een belemmering vormt voor het voldoen aan het waarborgvereiste. De omstandigheid dat de Stichtingen speciaal zijn opgericht voor het voeren van collectieve acties, maakt niet dat de Stichtingen niet voldoen aan het waarborgvereiste. Het is immers toegestaan om organisaties op te richten met als (voornaamste) doel het voeren van een collectieve actie.
7.82.
Een trackrecord strekt tot aanbeveling maar is geen voorwaarde om een collectieve actie te kunnen starten. Zowel SEC als SDEJ voert al enige tijd meerdere collectieve procedures. Beide hebben dus wel ervaring in het voeren van dit soort procedures. Dat SEC en SDEJ geen trackrecord hebben, in die zin dat de andere collectieve acties die zij aanhangig hebben gemaakt nog niet zijn afgerond, maakt niet dat zij niet voldoen aan het waarborgvereiste. Dat geldt eveneens voor de omstandigheid dat SEC in één van die andere procedures in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard vanwege overschrijding van de termijn van artikel 1018d Rv.
7.83.
SCC beschikt al over een aantoonbaar trackrecord. Zij heeft een procedure gevoerd tegen onder meer Volkswagen, hetgeen tot een eindvonnis heeft geleid.26
7.84.
Uit het overige dat door de Stichtingen is aangevoerd blijkt dat zij zich, naast het voeren van deze procedure, in voldoende mate inzetten voor de belangen van hun achterban, onder meer door samenwerking met consumentenorganisaties.
Gezichtspunt c (representativiteit)
7.85.
Als uitgangspunt geldt dat artikel 3:305a (oud) BW, anders dan het huidige artikel 3:305a lid 2 BW, voor ontvankelijkheid in een collectieve actie niet de eis stelt dat de belangenorganisatie voldoende representatief is. Wel kan (de mate van) representativiteit (of het ontbreken daarvan) van een belangenorganisatie worden meegewogen bij de beoordeling of is voldaan aan het waarborgvereiste. De wetsgeschiedenis benadrukt dat het aantal benadeelden dat is aangesloten bij een belangenorganisatie geen formeel vereiste is. Wel vormt het een belangrijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste. Verder geldt dat als de groep personen ten behoeve van wie de vordering is ingesteld van zodanige omvang is dat het procederen op naam eenvoudig te realiseren is, het instellen van een collectieve actie niet efficiënt en effectief is.
7.86.
De rechtbank is van oordeel dat de Stichtingen, gelet op het toetsingskader zoals weergegeven onder 7.75 tot en met 7.77 en 7.85, voldoende representatief zijn in het kader van het waarborgvereiste en overweegt daartoe als volgt.
7.87.
De Stichtingen hebben toegelicht dat de Nederlandse achterban waarvoor zij opkomen, bestaat uit honderdduizenden benadeelden. In de relevante periode zijn volgens SDEJ en SCC respectievelijk ongeveer 310.000 en ruim 300.000 dieselvoertuigen verkocht (of geregistreerd als nieuwe ‘Getroffen Voertuigen’) in Nederland. SEC heeft het aantal gedupeerden geschat op 394.000. Gelet op deze aantallen staat vast dat de groep van personen ten behoeve van wie de Stichtingen de vorderingen hebben ingesteld zodanig omvangrijk is dat het individueel procederen niet eenvoudig te realiseren is en dat het instellen van een collectieve actie juist efficiënt en effectief is.
7.88.
Verder hebben SEC, SCC en SDEJ op de zitting toegelicht dat bij hen op dat moment respectievelijk (afgerond weergegeven) 5.000, 8.000 en 12.000 Nederlandse betrokkenen zich geregistreerd of aangemeld hebben als benadeelden. Gedaagden hebben er bezwaar tegen gemaakt dat de Stichtingen voor het eerst op de zitting aantallen aanmeldingen hebben genoemd. Die aantallen zijn niet onderbouwd en de Stichtingen hebben geen participatie-overeenkomsten of aansluitovereenkomsten verstrekt, zodat niet kan worden vastgesteld hoeveel en welke eindgebruikers de collectieve acties steunen, aldus gedaagden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de genoemde aantallen te twijfelen. Mede gelet op het feit dat elk van de Stichtingen beschikt over een algemeen toegankelijke website en op die manier eenvoudig te vinden is, is aannemelijk dat zich een substantieel aantal autobezitters bij de Stichtingen heeft gemeld. Dat Stellantis c.s. en de Autodealers – naar zij stellen – tot op heden zelf nog geen (emissie-gerelateerde) klachten van gebruikers van dieselvoertuigen hebben ontvangen, hoeft uiteraard niet te betekenen dat betrokkenen zich niet bij de Stichtingen hebben gemeld. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat er een concrete achterban is die baat heeft bij toewijzing van de collectieve vorderingen en die deze collectieve actie ook daadwerkelijk steunt.
Het overleggen van participatieovereenkomsten of aansluitovereenkomsten is bovendien geen vereiste voor ontvankelijkheid. De Stichtingen voeren deze collectieve actie op eigen naam ter behartiging van de belangen van derden. Zij treden niet op als procesvertegenwoordiger van die anderen. De Stichtingen hoeven daarom niet gedocumenteerd te onderbouwen wie zich bij hen heeft aangesloten.
7.89.
Anders dan Stellantis c.s. en de Autodealers hebben betoogd, is voldoende duidelijk voor welke belanghebbenden elk van de Stichtingen opkomt. Verwezen wordt naar 5.9. Tot slot hebben de Autodealers aangevoerd dat de Stichtingen niets hebben gesteld over de samenstelling van hun achterban, zodat het onduidelijk is of en hoeveel vermeende belanghebbenden een voertuig hebben gekocht via een autodealer. De rechtbank overweegt dat in het kader van de representativiteit concrete aantallen op dit punt niet nodig zijn en dat dus niet hoeft te worden vastgesteld hoeveel vermeende belanghebbenden bij een (afzonderlijke) autodealer een voertuig hebben gekocht. Gelet op de omstandigheid dat onweersproken is dat de gedagvaarde Autodealers het volledige dealer-/distributienetwerk van Peugeot, Citroën, DS en/of Opel in Nederland vormen, ligt het voor de hand dat een groot deel van de (Nederlandse) autobezitters zijn voertuig heeft gekocht bij een gedagvaarde Autodealer. Dat is voldoende.
7.90.
Stellantis c.s. en de Autodealers hebben verder aangevoerd dat niet is gebleken dat SEC, SCC en SDEJ hebben opgetreden als gesprekspartner van de overheid of als spreekbuis in de media. Ook hebben de Stichtingen volgens gedaagden niet duidelijk gemaakt hoe een eventuele uitspraak tegen de buitenlandse gedaagden ten uitvoer kan worden gelegd.
7.91.
Voor het eerste punt, het optreden als gesprekspartner van de overheid of als spreekbuis in de media, geldt dat dit omstandigheden zijn die in de Memorie van Toelichting27 worden genoemd als een mogelijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste. Hieruit vloeit uiteraard niet het omgekeerde voort, namelijk dat wanneer hiervan geen sprake is, niet is voldaan aan het waarborgvereiste. De opsomming in de Memorie van Toelichting is niet cumulatief. Voor ontvankelijkheid is niet vereist dat aan alle door de wetgever geformuleerde gezichtspunten is voldaan. Ook bij afwijking van bepaalde gezichtspunten kan de belangenbehartiging door de belangenorganisatie voldoende gewaarborgd zijn. Voor zover één of meer van de Stichtingen op dit moment nog niet optreedt als gesprekspartner van de overheid en/of als spreekbuis in de media weegt dat voor de rechtbank niet zwaar.
Voor het tweede punt geldt dat van groot belang is dat een eventueel veroordelend vonnis ten uitvoer kan worden gelegd, omdat betrokkenen er anders geen baat bij hebben. In deze procedure zijn ook gedaagde partijen betrokken die gevestigd zijn in de EU en in de VS. Concrete onoverkomelijke problemen bij de erkenning en tenuitvoerlegging van een eventueel veroordelend vonnis in deze zaak (en in individuele vervolgprocedures) in de Europese lidstaten of de VS zijn de rechtbank niet bekend en die heeft Stellantis c.s. ook niet geconcretiseerd.
Gezichtspunt d (de principes van de Claimcode)
7.92.
Gedaagden stellen dat de Stichtingen niet voldoen aan de principes II, III, IV en VII van de Claimcode 2019.
7.93.
Principe II betreft de behartiging van collectieve belangen zonder winstoogmerk en luidt als volgt: “(...) Uit de statutaire doelstelling, de feitelijke werkzaamheid en de governance van de belangenorganisatie blijkt dat de belangenorganisatie en de aan de belangenorganisatie rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen geen winstoogmerk hebben bij de uitoefening van hun activiteiten.”
7.94.
Principe III betreft de externe financiering en luidt als volgt: “De belangenorganisatie kan ten behoeve van de financiering van haar statutaire werkzaamheden een overeenkomst aangaan met een solide externe financier. Het bestuur vergewist zich ervan dat individuele bestuurders en leden van de raad van toezicht, alsmede de door de belangenorganisatie ingeschakelde advocaat of andere dienstverleners zelfstandig en onafhankelijk zijn van de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen, alsmede dat de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen onafhankelijk zijn van de wederpartij in de collectieve actie. De overeenkomst voorziet in een regeling die de in de vorige volzin bedoelde zelfstandigheid en onafhankelijkheid waarborgt. Het bestuur ziet erop toe dat de financieringsvoorwaarden (waaronder begrepen de omvang en systematiek van de overeen te komen vergoeding) redelijkerwijs niet strijdig zijn met het collectieve belang van de (rechts)personen ten behoeve van wie de belangenorganisatie krachtens haar statutaire doelstelling optreedt.”
7.95.
Principe IV betreft de onafhankelijkheid en vermijding van belangentegenstelling. Dit principe luidt als volgt: “Het bestuur is zodanig samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar, de raad van toezicht, een eventuele externe financier en de belanghebbenden bij de belangenorganisatie, onafhankelijk en kritisch kunnen opereren.”
7.96.
Principe VII betreft de raad van toezicht en luidt als volgt: “De stichting kent een raad van toezicht, bestaande uit ten minste drie natuurlijke personen, waarvan er ten hoogste één benoemd is op voordracht van een eventuele financier. De raad van toezicht heeft tot taak het toezicht houden op het beleid en de strategie van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting. Hieronder wordt tevens begrepen het financieel toezicht en het uitoefenen van die taken en bevoegdheden die in deze code en de statuten van de stichting aan de raad van toezicht zijn toegekend. De raad van toezicht geeft op alle belangrijke punten het bestuur gevraagd en ongevraagd advies en richt zich bij de vervulling van zijn taak op de in de statutaire doelstelling van de stichting omschreven belangen.”
7.97.
De rechtbank stelt voorop dat elk van de Stichtingen zich blijkens de eigen statuten heeft gecommitteerd aan de bepalingen van de Claimcode. Ook heeft elk van de Stichtingen zich verbonden verantwoording af te leggen over de governance-structuur in relatie tot de eisen van de Claimcode (onder andere door middel van op de website gepubliceerde zogeheten claimcode compliance documenten).
* Bezwaren van Stellantis c.s. met betrekking tot de governance van SEC
7.98.
Volgens Stellantis c.s. is sprake van een belangentegenstelling in de governance van SEC vanwege de invloed van het Amerikaanse advocatenkantoor Hagens Berman Sobol Shapiro LLP (hierna: Hagens Berman ), dat als financier van SEC optreedt. Stellantis c.s. heeft gewezen op de invloed van [naam 2] , die oprichter, managing partner en aandeelhouder is van Hagens Berman en daarnaast lid is van de raad van toezicht van SEC. Aangezien Hagens Berman 25% van de eventueel te realiseren compensatie ontvangt, heeft [naam 2] een persoonlijk financieel belang bij de uitkomst van deze procedure. De positie van [naam 2] is daarmee volgens Stellantis c.s. ook in strijd met de artikelen 10.2 en 10.3 van de eigen statuten van SEC. Bovendien heeft SEC ten onrechte achterwege gelaten op haar website de meervoudige hoedanigheid van [naam 2] te vermelden.
Daarnaast vervullen volgens Stellantis c.s. meerdere bestuurders van SEC tevens een rol bij de financier. Daartoe heeft zij het volgende aangevoerd. Het bestuur van SEC wordt mede gevormd door [naam 3] (bestuursvoorzitter), [naam 4] en [naam 5] . [naam 3] en [naam 4] zijn bij een aan Hagens Berman gelieerde vennootschap in dienst en zijn dus niet zelfstandig en onafhankelijk. Zij hebben ook een belang bij het behalen van een zo groot mogelijk financieel voordeel voor Hagens Berman . [naam 5] heeft zowel zitting in het bestuur van SEC als in dat van een aan de financier gelieerde vennootschap, zodat ook bij hem sprake is van een conflicterende nevenfunctie.
7.99.
SEC heeft op de zitting weersproken dat [naam 3] en [naam 4] in het verleden een dienstverband met Hagens Berman of een daaraan gelieerde vennootschap hebben gehad. Volgens SEC hebben [naam 3] en [naam 4] via hun ondernemingen slechts op opdrachtbasis werkzaamheden verricht. Dat was voor een aan de financier gelieerde vennootschap ( Hagens Berman EMEA LLP). [naam 3] is overigens per 1 maart 2023 wel in dienst getreden van Hagens Berman en om die reden heeft hij op de bestuursvergadering van SEC van 23 februari 2023 ontslag genomen als bestuurder. Ook [naam 4] heeft per die datum ontslag genomen. Daarmee bestaat het bestuur van SEC nu niet meer uit vijf maar uit drie personen. Drie bestuurders zijn op grond van de statuten voldoende. Ten aanzien van [naam 5] heeft SEC erop gewezen dat [naam 5] nooit bestuurder van SEC is geweest, maar slechts een faciliterende rol had en was aangesteld als ‘non-voting and non-paid board member foundation director’. SEC maakt inmiddels geen gebruik meer van de diensten van [naam 5] . De positie van [naam 2] is volgens SEC in overeenstemming met de Claimcode en voor zover dat niet zo zou zijn, staat het SEC vrij om op dit punt van de Claimcode af te wijken.
7.100. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke invulling van het bestuur van SEC op gespannen voet staat met de Claimcode en de eigen statuten van SEC vanwege het bestuurslidmaatschap van [naam 3] en [naam 4] en de rol van [naam 5] binnen SEC enerzijds en hun werkzaamheden voor en rol bij de financier, althans daaraan gelieerde ondernemingen, anderzijds. Inmiddels is [naam 5] niet meer betrokken bij SEC en maken ook [naam 3] en [naam 4] geen deel meer uit van het bestuur van SEC. Dit maakt dat hun rol, wat daar verder ook van zij, onbesproken kan blijven. Op de zitting heeft Stellantis c.s. erop gewezen dat in het register van de Kamer van Koophandel [naam 3] en [naam 4] nog steeds staan vermeld als bestuurder. In reactie hierop heeft SEC gezegd dat het zou kunnen dat het terugtreden nog niet is verwerkt bij de Kamer van Koophandel, omdat de bestuursvergadering van 23 februari 2023 recent heeft plaatsgevonden. De advocaten van SEC hebben op de zitting verklaard bij de bestuursvergadering aanwezig te zijn geweest en zij hebben bevestigd dat [naam 3] en [naam 4] zijn teruggetreden. Gelet op die verklaring gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 3] en [naam 4] geen bestuurder meer zijn. Zij stonden, zo is niet in geschil, ten tijde van de zitting overigens ook niet meer op de website van SEC.
7.101. Ten aanzien van de rol van [naam 2] is de rechtbank van oordeel dat zijn positie niet onverenigbaar is met de eisen van een deugdelijke governance. [naam 2] is lid van de raad van toezicht van SEC en heeft tevens als bestuurder en aandeelhouder van Hagens Berman (en aan haar gelieerde vennootschappen) een invloedrijke positie bij de financier van SEC. [naam 2] heeft ook een persoonlijk belang bij de uitkomst van deze procedure, omdat hij via Hagens Berman meedeelt indien deze procedure tot een positief resultaat voor (de achterban van) SEC leidt. De positie van [naam 2] betekent echter niet dat de governance van SEC onvoldoende is gewaarborgd. De Claimcode staat (uitsluitend) ten aanzien van de raad van toezicht namelijk toe dat één van de leden daarvan (niet-zijnde de voorzitter) wordt benoemd op voordracht van de financier (zie principe VII, uitwerking 3, van de Claimcode). Daarmee staat de Claimcode een beperkte vorm van inspraak van de kant van de financier toe. Partijen verschillen erover van mening of de Claimcode ruimte laat voor de benoeming van (iemand van) de financier zelf in de raad van toezicht (in plaats van de benoeming van een derde op voordracht van de financier in de raad van toezicht). De rechtbank ziet hier niet een wezenlijk verschil, omdat de mate van zeggenschap vanuit de financier hetzelfde is, nu aangenomen mag worden dat ook een door de financier voorgedragen derde namens de financier spreekt. Van beslissende of onaanvaardbare invloed of zeggenschap van de financier is in dit geval met het lidmaatschap van de raad van toezicht van [naam 2] geen sprake. De raad van toezicht bestaat, naast [naam 2] , namelijk uit nog drie personen, die alle onafhankelijk zijn van de financier. Ook is [naam 2] niet de voorzitter van de raad van toezicht. Verder is het bestuur van SEC belast met het besturen van de stichting. De taak van de raad van toezicht is beperkt tot het houden van toezicht op het beleid en de strategie van het bestuur. De (huidige) bestuurders van SEC zijn onafhankelijk van de financier. Bovendien heeft SEC toegelicht dat in haar financieringsovereenkomst met Hagens Berman is opgenomen dat de zeggenschap over de proces- en schikkingsstrategie uitsluitend bij de belangenorganisatie ligt. Uit het voorgaande volgt dat SEC voldoende onafhankelijk van haar externe financier kan opereren. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de belangen van de benadeelden voldoende zijn gewaarborgd door de governance van SEC.
* Bezwaren van Stellantis c.s. en de Autodealers met betrekking tot de governance van SCC
7.102. Ten aanzien van SCC hebben Stellantis c.s. en de Autodealers aangevoerd dat i) SCC niet transparant is over haar externe financiering en dat ii) de onafhankelijkheid van de leden van het bestuur en de raad van toezicht van SCC niet te verifiëren is. Dat zorgt voor strijd met principes II, III, IV en VII van de Claimcode. Dit is weersproken door SCC.
7.103. De rechtbank oordeelt als volgt. Anders dan Stellantis c.s. en de Autodealers hebben betoogd, is duidelijk wie de financier van SCC is. In haar dagvaarding staat dat Fortress haar financier is en SCC heeft daarover niet anders verklaard. Gedaagden zijn er dus ten onrechte vanuit gegaan dat Labaton de financier van SCC zou zijn en zij hebben tegen Labaton allerlei bezwaren aangevoerd. Die bezwaren kunnen onbesproken blijven. Op de zitting is vervolgens toegelicht door SCC dat de financieringsovereenkomst is gesloten met een onder Fortress vallende operationele entiteit, CF ND Car Ltd., gevestigd op de Kaaimaneilanden. Daarmee is ook voldoende duidelijk hoe de financiering heeft plaatsgevonden. Stellantis c.s. heeft in reactie daarop aangevoerd dat zij de governance van SCC niet kan beoordelen, omdat de operationele entiteit onder het toepasselijke recht van de Kaaimaneilanden bijvoorbeeld aandelen aan toonder kan uitgeven waardoor aandeelhouders anoniem kunnen blijven. Op die manier is oncontroleerbaar of bestuurders of commissarissen van SCC zelf een financieel belang hebben middels een belang in de financier, aldus Stellantis c.s. De rechtbank overweegt dat Stellantis c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat de bestuurders of aandeelhouders van de financier banden hebben met SCC. Dat de financierende entiteit aandelen aan toonder kan uitgeven, betekent niet dat dat in dit geval ook is gebeurd. Concrete aanknopingspunten heeft Stellantis c.s. daarover niet verschaft. SCC heeft verklaard dat de financier geen leden voor de raad van toezicht of raad van bestuur heeft voorgedragen en dat geen sprake is van ontoelaatbare relaties met de financier vanuit het bestuur of de raad van toezicht van SCC. De rechtbank ziet, nu Stellantis c.s. haar stellingen niet nader heeft onderbouwd, geen aanleiding om de verklaring van SCC, die in lijn is met haar statuten, in twijfel te trekken.
* Bezwaren van Stellantis c.s. en de Autodealers met betrekking tot de governance van SDEJ
7.104. Met betrekking tot SDEJ hebben Stellantis c.s. en de Autodealers onder meer aangevoerd dat sprake is van een belangentegenstelling in de governance vanwege de invloed van [naam 6] . Nu op de zitting is gebleken dat [naam 6] is teruggetreden als lid van de raad van toezicht, zal de rechtbank de bezwaren tegen zijn verschillende rollen niet bespreken.
7.105. Verder hebben Stellantis c.s. en de Autodealers gewezen op de betrokkenheid van [naam 7] , één van de bestuurders van Corpocon Legal/Letselenschadeclaim.nl B.V. Die vennootschap is één van de oprichters van de financier van SDEJ, Consumer Justice Network B.V. (hierna: CJN). Volgens Stellantis c.s. en de Autodealers is [naam 7] zeer omstreden, maar naar het oordeel van de rechtbank is onduidelijk gebleven of de positie van [naam 7] hem invloed of zeggenschap zou geven ten opzichte van SDEJ. Nu van invloed of zeggenschap niet is gebleken, gaat de rechtbank aan de stellingname van Stellantis c.s. en de Autodealers voorbij.
7.106. Daarnaast hebben Stellantis c.s. en de Autodealers op de zitting gesteld dat CJN als financier van SDEJ een vergaande invloed heeft op de proces- en schikkingsstrategie van SDEJ. Zij baseren dit standpunt op een financieringsovereenkomst tussen CJN en Ius Omnibus - een Portugese claimorganisatie - die in een Portugese collectieve procedure over vermeende dieselemissiefraude is overgelegd. In die financieringsovereenkomst, die Stellantis c.s. voorafgaand aan de zitting heeft toegezonden, zijn onder meer bepalingen opgenomen, die volgens Stellantis c.s. en de Autodealers inhouden dat de Portugese claimorganisatie geen schikking mag aangaan zonder dat met CJN is overlegd, dat de vordering niet zonder toestemming van CJN mag worden verminderd en dat CJN toestemming moet geven voor een advocaatwissel.
7.107. SDEJ heeft hiertegenover verklaard dat de financieringsovereenkomst tussen SDEJ en CJN niet dezelfde inhoud heeft als de financieringsovereenkomst tussen de Portugese claimorganisatie en CJN. De beslismacht over de proces- en schikkingsstrategie ligt volgens SDEJ alleen bij haar, terwijl de financier slechts een consultatierecht heeft. In de financieringsovereenkomst met SDEJ staat niet dat de financier toestemming moet geven voor een advocaatwissel en daarin staat ook niet dat zonder toestemming van de financier geen schikking mag worden aangegaan, aldus SDEJ.
7.108. De rechtbank overweegt dat de financieringsovereenkomst tussen CJN en de Portugese claimorganisatie weliswaar een andere overeenkomst is dan de financieringsovereenkomst tussen CJN en SDEJ, maar aangezien het om dezelfde financierende partij gaat, roept dat wel de vraag op of CJN als financier dezelfde of soortgelijke voorwaarden heeft bedongen tegenover SDEJ ten aanzien van de proces- en schikkingsstrategie. Uit principe III van de Claimcode volgt dat de zeggenschap over de proces- en schikkingsstrategie bij (het bestuur van) de belangenorganisatie moet liggen. Gelet op de gemotiveerde stellingname van Stellantis c.s. en de Autodealers ligt het in dit geval op de weg van SDEJ om haar betwisting, dat haar financieringsovereenkomst met CJN op dit punt een andere inhoud heeft, (nader) te onderbouwen.
7.109. Aangezien Stellantis c.s. en de Autodealers eerst op de zitting deze kwestie naar voren hebben gebracht, zal SDEJ in de gelegenheid worden gesteld de relevante bepalingen uit haar financieringsovereenkomst met CJN bij akte in het geding te brengen en aan de hand daarvan (nader) toe te lichten dat de zeggenschap over de proces- en schikkingsstrategie uitsluitend bij (het bestuur van) SDEJ ligt. Met de relevante bepalingen wordt bedoeld alle bepalingen in de financieringsovereenkomst waarin iets is opgenomen over de zeggenschap (in de breedste zin van het woord) van SDEJ, alsmede alle bepalingen waarin iets is opgenomen over de rechten en bevoegdheden (in de breedste zin van het woord) van de financier, steeds in relatie tot de proces- en schikkingsstrategie.
* Bezwaren met betrekking tot de vergoeding voor de Stichtingen
7.110. Ten slotte hebben Stellantis c.s. en de Autodealers aangevoerd dat de Stichtingen onvoldoende transparant zijn over de vergoedingen aan de externe financiers en dat niet duidelijk is welk deel van het percentage dat zij inhouden in geval van een uiteindelijke schadevergoeding wordt gebruikt om gemaakte kosten te vergoeden.
7.111. De Stichtingen hebben in hun deelnemingsovereenkomsten met hun deelnemers opgenomen dat zij (onder omstandigheden) recht hebben op een vergoeding voor de door hen gemaakte kosten (indien het hen niet lukt om de door hen gemaakte kosten onderdeel te maken van een schikking of een rechterlijk oordeel). SDEJ hanteert als enige een vergoeding van maximaal 27,5%, dat is 2,5% procent meer dan SCC en SEC. De vergoeding die SCC en SEC maximaal in rekening brengen, is gelijk aan de bovengrens van de eerder in de rechtspraak aangenomen bandbreedte van 10% tot 25% (zie gerechtshof Amsterdam 13 juli 2028, ECLI:NL:GHAMS:2018:2422), zoals ook is opgenomen in de toelichting bij de Claimcode. De vergoeding voor SDEJ ligt daar zelfs boven. SDEJ heeft hiervoor desgevraagd een summiere uitleg gegeven. De rechtbank is er nog niet van overtuigd dat een percentage van 27,5% gerechtvaardigd is. Naarmate het percentage van de door een claimstichting in rekening te brengen vergoeding hoger is, kan het lastiger zijn een schikking te treffen. Dat is niet in het belang van de achterban van SDEJ. Bovendien is onduidelijk welk gedeelte van het percentage dat de Stichtingen op de eventuele schadevergoeding zullen inhouden, wordt gebruikt om door hen gemaakte kosten te vergoeden. Op dit moment is dit echter nog geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring van SDEJ of de andere stichtingen, omdat dit onderwerp pas ten volle aan de orde is bij het algemeen verbindend verklaren van een eventuele schikkingsovereenkomst in een WCAM-procedure (artikel 7:907-910 BW en 1013-1018a Rv). In een WCAM-procedure kan alsnog worden geoordeeld dat de belangen van de achterban van de Stichtingen om de hiervoor genoemde redenen onvoldoende gewaarborgd zijn. De rechtbank zal er in deze procedure, waarin de collectieve vorderingen van de Stichtingen vanwege de toepasselijkheid van het oude collectieve actierecht verklaringen voor recht betreffen en geen schadevergoeding in geld, geen gevolgen aan verbinden. De rechtbank geeft SDEJ wel in overweging haar vergoeding in lijn te brengen met de eerder in de rechtspraak aangenomen brandbreedte.
Conclusie met betrekking tot ontvankelijkheid
7.112. De conclusie van het voorgaande is dat SEC en SCC als belangenorganisatie ontvankelijk zijn. De beslissing over de ontvankelijkheid van SDEJ wordt aangehouden in afwachting van de nader door haar te verstrekken informatie over de inhoud van haar financieringsovereenkomst met CJN (zie 7.109).
13 De beslissing
De rechtbank
13.1.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van SEC, SCC en SDEJ tegen GM LLC,
13.2.
compenseert de proceskosten tussen SEC, SCC en SDEJ enerzijds en GM LLC anderzijds, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
voorts in de zaak met nummer C/13/712812 / HA ZA 22-72 van SDEJ:
13.3.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van SDEJ tegen Vauxhall Motors, Vauxhall Finance, IBC Vehicles en PSA Retail UK,
13.4.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de ten behoeve van buitenlandse autobezitters door SDEJ ingestelde vorderingen tegen PSA Automobiles, Peugeot, Citroën, Opel Automobile, Adam Opel, GM Company en GM Holdings,
13.5.
compenseert de proceskosten tussen SDEJ enerzijds en de EU-gedaagden, de VK-gedaagden en GM Company en GM Holdings anderzijds, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
13.6.
verwijst de zaak naar de rol 13 september 2023 voor een akte door SDEJ als bedoeld in 7.109, waarna Stellantis c.s. en de Autodealers daarop vier weken daarna bij antwoordakte mogen reageren (alle aktes maximaal vijf pagina’s),
voorts in de zaak met nummer C/13/705132 / HA ZA 21-687 van SEC en in de zaak met nummer C/13/712754 / HA ZA 22-71 van SCC:
13.7.
verwijst de zaken naar de rol van 22 november 2023 voor beslissing over voortprocederen,
voorts in alle drie de zaken:
13.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. M. Wouters, rechters, bijgestaan door mr. P. Palanciyan, griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2023.
“Het uw Rechtbank behage om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Verzoek aanwijzing Exclusieve Belangenbehartiger
1. Voor zover de WAMCA op de onderhavige vorderingen van toepassing is; de Stichting
aan te wijzen als Exclusieve Belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv;
2. Te verklaren voor recht dat een ieder van Gedaagden onrechtmatig jegens Gedupeerden heeft gehandeld;
3. Te verklaren voor recht dat Gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de als gevolg van hun onrechtmatig handelen door Gedupeerden geleden schade en gehouden zijn die schade te vergoeden;
Vordering tot veroordeling tot schadevergoeding en vergoeding van proceskosten
4. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door Gedupeerden geleden schade;
5. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder
de nakosten, althans - voor zover de WAMCA van toepassing is en uw rechtbank een
uitspraak doet ingevolge artikel 1018i Rv - de door uw rechtbank nader vast te stellen
redelijke en evenredige kosten die Stichting in verband met het instellen van deze
procedure heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1018l lid 2 Rv, en al deze kosten te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak van het in deze
procedure te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.”
“Dat het de rechtbank behage bij vonnis, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ontvankelijkheid en exclusieve belangenbehartiger
1. voor recht te verklaren dat Car Claim ontvankelijk is in deze collectieve actieprocedure;
2. indien en voor zover ook SDEJ ontvankelijk is, SDEJ aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv en te bepalen dat het Car Claim wordt toegestaan zelfstandige proceshandelingen te verrichten, een en ander zo veel mogelijk afgestemd met de exclusieve belangenbehartiger;
3. indien en voor zover SDEJ niet-ontvankelijk is of niet zal worden aangewezen als exclusieve belangenbehartiger, Car Claim aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv;
4. te bepalen dat:
i. iedere Autobezitter met woonplaats of verblijf in Nederland gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak waarbij Car Claim als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 1 Rv);
ii. iedere Autobezitter zonder woonplaats of verblijfplaats in Nederland gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak waarbij Car Claim als exclusieve belangenbehartiger wordt aangewezen, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 5 slotzin Rv);
5. voor recht te verklaren dat natuurlijke personen die werkzaam zijn als zelfstandigen zonder personeel en eenmanszaken met slechts één werknemer, in de in deze procedure te wijzen vonnissen ook hebben te gelden als Particuliere Partijen;
6. voor recht te verklaren dat:
i. PSA c.s. en Stellantis Nederland onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Autobezitters;
ii. PSA c.s. en Stellantis Nederland hoofdelijk aansprakelijk zijn voor vergoeding van de door de Autobezitters geleden en nog te lijden schade;
iii. de door Autobezitters geleden schade ten minste gelijk is aan de door de rechtbank in goede justitie vast te stellen prijsvermindering onder respectievelijk 7(iii) en 7(v);
iv. PSA c.s. en Stellantis Nederland over de aan de Autobezitters te betalen schadevergoeding wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf de datum dat de desbetreffende Autobezitters de koopprijs, leaseprijs of bijtelling hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
7. voor recht te verklaren dat:
primair
i. de Getroffen Voertuigen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn, althans dat de Getroffen Voertuigen andere dan gebruiksbepalende eigenschappen bezitten die niet aan de Overeenkomsten voldoen;
ii. de redelijke termijn van de Handelaren tot herstel en/of vervanging van de gebreken in de Getroffen Voertuigen ongebruikt is verstreken;
iii. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Koopovereenkomsten op grond van gedeeltelijke ontbinding te verminderen op een nader door de rechtbank vast te stellen wijze;
subsidiair
iv. de sub 7(i) genoemde gebreken en de omissies aan de Getroffen Voertuigen zo essentieel zijn dat weldenkende kopers bij een juiste voorstelling van zaken de Overeenkomsten niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zouden hebben gesloten;
v. Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B bevoegd zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde van de Koopovereenkomsten op grond van gedeeltelijke vernietiging te verminderen op een nader door de rechtbank vast te stellen wijze;
primair en subsidiair
vi. de respectieve Handelaren over de prijsvermindering onder 7(iii) en (v) jegens de Particuliere Partijen A en B wettelijke rente, en jegens de Zakelijke Partijen A en B wettelijke handelsrente verschuldigd zijn vanaf de datum waarop de desbetreffende Autobezitters de koopprijs aan de betreffende Handelaren hebben voldaan;
Vordering tot ongedaanmaking, terugbetaling en schadevergoeding
Jegens PSA c.s. en Stellantis Nederland
8. PSA c.s. en Stellantis Nederland hoofdelijk te veroordelen aan de Autobezitters de schade te vergoeden die zij hebben geleden, door middel van betaling aan hen van een nader door de rechtbank vast te stellen schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Jegens de Handelaren
primair
9. de gedeeltelijke ontbinding van de Koopovereenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
10. de gedeeltelijke vernietiging van de Koopovereenkomsten tussen de Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B en de desbetreffende Handelaren uit te spreken;
11. de respectieve Handelaren te veroordelen tot betaling aan Particuliere Partijen A en B en Zakelijke Partijen A en B van dat deel van de koopprijs dat deze Autobezitters aan de betreffende Handelaren te veel hebben betaald voor de Getroffen Voertuigen (de prijsvermindering), in geval van Particuliere Partijen te vermeerderen met wettelijke rente en in geval van Zakelijke Partijen wettelijke handelsrente, vanaf de datum dat de desbetreffende Autobezitters de koopprijs hebben voldaan, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Collectieve schadeafwikkeling
12. indien en voor zover Car Claim als exclusieve belangenbehartiger zal worden aangewezen, te bepalen dat alle door Gedaagden aan Autobezitters verschuldigde vergoedingen aan Car Claim zullen worden betaald onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden van collectieve schadeafwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 1018i lid 2 Rv;
Buitengerechtelijke kosten en (proces)kosten (art. 6:96 BW en art. 1018l lid 2 Rv)
13. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan Car Claim van:
i. de volledige door Car Claim gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
ii. de volledige proceskosten van Car Claim, waaronder de kosten van haar procesfinancier, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
iii. indien en voor zover Car Claim als exclusieve belangenbehartiger zal worden aangewezen, de kosten die Car Claim zal maken in verband met de handelingen die Car Claim in haar hoedanigheid van exclusieve belangenbehartiger tot aan het eindvonnis geacht zal worden uit te voeren, waaronder maar niet beperkt tot kosten ex artikel 1018f lid 3 BW;
iv. indien en voor zover Car Claim als exclusieve belangenbehartiger zal worden aangewezen, de volledige kosten van Car Claim die zij in verband met de schadeafwikkeling zal maken vanaf het in deze procedure te wijzen eindvonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; en
v. de kosten die Car Claim zal maken ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
een en ander met dien verstande dat indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat op het onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen sub 2, 3, 4, 8, 11, 12, 13(iii) en (iv) van dit petitum komen te vervallen.”
“dat het de Rechtbank behage bij vonnis, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ontvankelijkheid en exclusieve belangenbehartiger
I. Voor recht te verklaren dat de Stichting ontvankelijk is in deze collectieve actieprocedure;
II. Te bepalen dat onderhavige collectieve actie op de navolgende groepen van personen en
juridische entiteiten betrekking heeft in de zin van artikel 1018d Rv: (hierna gezamenlijk: de
Nauw Omschreven Groep):
Particuliere Partijen A: Natuurlijke personen, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die op het moment dat de desbetreffende Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, en die een nieuw Getroffen Voertuig van een Handelaar hebben gekocht of via een Handelaar door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen.
Particuliere Partijen B: Natuurlijke personen, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die op het moment dat de desbetreffende Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, en die een tweedehands Getroffen Voertuig van een Handelaar hebben gekocht of via een Handelaar door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen.
Particuliere Partijen C: Natuurlijk personen, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die op het moment dat de desbetreffende Overeenkomst(en)
werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, en die een nieuw of gebruikt Getroffen Voertuig hebben gekocht van, of door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen via een andere partij dan een Handelaar, bijvoorbeeld in een particuliere transactie, bij een occasion dealer of andere leasemaatschappij.
Particuliere Partijen D: Natuurlijke personen, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die op het moment dat zij een Getroffen Voertuig kochten of leaseden hun gewone verblijfplaats buiten Nederland maar binnen de EU hadden, en die een nieuw Getroffen Voertuig van een binnen de EU gevestigde officiële dealer van één van de Autofabrikanten hebben gekocht of via een binnen de EU gevestigde officiële dealer van één van de Autofabrikanten leaseconstructie in gebruik hebben gekregen.
Particuliere Partijen E: Natuurlijke personen, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die op het moment dat zij een Getroffen Voertuig kochten of leaseden hun gewone verblijfplaats buiten Nederland maar binnen de EU hadden, en die een tweedehands Getroffen Voertuig van een binnen de EU gevestigde officiële dealer van één van de Autofabrikanten hebben gekocht of via een binnen de EU gevestigde officiële dealer van één van de Autofabrikantendoor middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen.
Particuliere Partijen F: Natuurlijk personen, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die op het moment dat zij een Getroffen Voertuig kochten of
leaseden hun gewone verblijfplaats buiten Nederland maar binnen de EU hadden, en die een nieuw of tweedehands Getroffen Voertuig hebben gekocht van, of door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen via een andere partij dan een binnen de EU gevestigde officiële dealer van de Autofabrikanten, bijvoorbeeld in een particuliere transactie, bij een occasion dealer of andere leasemaatschappij.
Zakelijke Partijen A: Niet-Particuliere Partijen die op het moment dat de desbetreffende Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, en die een nieuw Getroffen Voertuig van een
Handelaar hebben gekocht of via een Handelaar door middel van een
leaseconstructie in gebruik hebben gekregen.
Zakelijke Partijen B: Niet-Particuliere Partijen die op het moment dat de desbetreffende Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, en die een tweedehands Getroffen Voertuig van een
Handelaar hebben gekocht of via een Handelaar door middel van een
leaseconstructie in gebruik hebben gekregen.
Zakelijke Partijen C: Niet-Particuliere Partijen die op het moment dat de desbetreffende Overeenkomst(en) werd(en) aangegaan hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, en die een nieuw of gebruikt Getroffen Voertuig
hebben gekocht van, of door middel van een leaseconstructie in gebruik
hebben gekregen via een andere partij dan een Handelaar, bijvoorbeeld in
een particuliere transactie, bij een occasion dealer of een andere
leasemaatschappij.
Zakelijke Partijen D: Niet-Particuliere Partijen die op het moment dat zij een Getroffen Voertuig kochten of leaseden hun gewone verblijfplaats buiten Nederland maar binnen de EU hadden, en die een nieuw Getroffen Voertuig van een binnen de EU gevestigde officiële dealer van één van de Autofabrikanten
hebben gekocht of via een binnen de EU gevestigde officiële dealer van
één van de Autofabrikanten door middel van een leaseconstructie in
gebruik hebben gekregen.
Zakelijke Partijen E: Niet-Particuliere Partijen die op het moment dat zij een Getroffen Voertuig kochten of leaseden hun gewone verblijfplaats buiten Nederland maar binnen de EU hadden, en die een tweedehands Getroffen Voertuig
van een binnen de EU gevestigde officiële dealer van één van de
Autofabrikanten hebben gekocht of via een binnen de EU gevestigde
officiële dealer van één van de Autofabrikanten door middel van een
leaseconstructie in gebruik hebben gekregen.
Zakelijke Partijen F: Niet-Particuliere Partijen die op het moment dat zij een Getroffen Voertuig kochten of leaseden hun gewone verblijfplaats buiten Nederland maar binnen de EU hadden, en die een nieuw of gebruikt Getroffen
Voertuig hebben gekocht van, of door middel van een leaseconstructie in gebruik hebben gekregen via een andere partij dan een binnen de EU gevestigde officiële dealer van één van de Autofabrikanten, bijvoorbeeld in een particuliere transactie, bij een occasion dealer of een andere leasemaatschappij.
III. Te bepalen dat:
primair
de Stichting zal worden aangewezen als exclusieve belangenbehartiger; en
subsidiair
voor het geval de Stichting niet-ontvankelijk is of anderszins niet als EB zal worden
aangewezen, Car Claim zal worden aangewezen als exclusieve belangenbehartiger onder de
bepaling dat de Stichting bevoegd blijft om in die procedure als dan zelfstandig
proceshandelingen te verrichten;
Opt out en opt in
IV. Te bepalen dat:
a. iedere Autobezitter met woonplaats of verblijf in Nederland die behoort tot de Nauw
Omschreven Groep (de Nederlandse Partijen), gedurende een periode van drie
maanden na de aankondiging van de uitspraak op de wijze bedoeld in art. 1018f lid 3
Rv, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging van
diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken (opt-out, artikel 1018f lid 1
Rv);
b. iedere Autobezitter zonder woonplaats of verblijfplaats in Nederland die behoort tot de
Nauw Omschreven Groep (de Buitenlandse Partijen), primair gedurende een periode
van drie maanden na de aankondiging van de uitspraak op de wijze bedoeld in art. 1018f
lid 3 Rv, de griffie van de rechtbank schriftelijk kan laten weten zich van de behartiging
van diens belangen in deze collectieve vordering te onttrekken ( opt-out, artikel 1018f lid
5 slotzin Rv), subsidiair gedurende een periode van zes maanden na de aankondiging
van de uitspraak op de wijze bedoeld in art. 1018f lid 3 Rv, de griffie van de rechtbank
schriftelijk kan laten weten in te stemmen met de behartiging van hun belangen in deze
collectieve vordering (opt-in, artikel 1018f lid 5 eerste zin Rv);
Verklaringen voor recht
V. Voor recht te verklaren dat:
a. natuurlijke personen die werkzaam zijn als zelfstandigen zonder personeel en
eenmanszaken met slechts één werknemer, in de in deze procedure toe te wijzen
vonnissen ook hebben te gelden als Particuliere Partijen;
b. ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken:
i. de gedragingen van de Autofabrikanten en de Importeur als omschreven in het
lichaam van deze dagvaarding kwalificeren als een oneerlijke handelspraktijk en
mitsdien jegens de Particuliere Partijen, althans jegens de Nederlandse Particuliere Partijen, onrechtmatig zijn;
ii. de gedragingen van de Autofabrikanten en de Importeur als omschreven in het
lichaam van deze dagvaarding aan de Handelaren zijn toe te rekenen zodat de
oneerlijke handelspraktijken ook aan de Handelaren kan worden tegengeworpen
en hun gedragingen onrechtmatig zijn jegens de Particuliere Partijen, althans
jegens de Nederlandse Particuliere Partijen;
iii. de Overeenkomsten die tussen Nederlandse Particuliere Partijen enerzijds en de
Importeur of de Handelaren anderzijds tot stand zijn gekomen – althans voor 14
juni 2014 – tot stand zijn gekomen als gevolg van voornoemde oneerlijke
handelspraktijken, vernietigbaar zijn;
iv. de Handelaren, de Autofabrikanten en de Importeur gelet op de oneerlijke
handelspraktijken jegens de Particuliere Partijen, althans de jegens de
Nederlandse Particuliere Partijen, hoofdelijk schadeplichtig zijn.
c. ten aanzien van dwaling:
i. de Autobezitters bevoegd zijn de Overeenkomsten te vernietigen.
d. ten aanzien van conformiteit en wanprestatie:
i. dat de Getroffen Voertuigen niet aan de Overeenkomsten beantwoorden, althans
de Getroffen Voertuigen niet de eigenschappen bezitten die voor een normaal
gebruik nodig zijn, althans dat de Getroffen Voertuigen andere dan
gebruiksbepalende eigenschappen bezitten die niet aan de Overeenkomsten
voldoen;
ii. dat de redelijke termijn tot herstel of vervanging van de gebreken in de Getroffen
Voertuigen ongebruikt is verstreken;
iii. dat de Autobezitters, althans de Nederlandse Partijen, gerechtigd zijn van de
Importeur of de betreffende Handelaar vervanging van het onderhavige
Getroffen Voertuig te vorderen voor zover zij hun Getroffen Voertuig nog in hun
bezit hebben;
iv. dat de Autobezitters, althans de Nederlandse Partijen, de bevoegdheid hebben
om hun respectieve Overeenkomsten met de Importeur of de betreffende
Handelaar te ontbinden.
e. ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken, dwaling, non-conformiteit en
wanprestatie:
i. dat de Autobezitters, althans de Nederlandse Partijen, die op grond van de in het
kader van dit petitum toe te wijzen vorderingen, waaronder verklaringen voor
recht, vernietiging dan wel ontbinding van de Overeenkomst met de Importeur
of desbetreffende Handelaar vorderen, dan wel zaaksvervanging, bij toewijzing
daarvan geen vergoeding voor het gebruik van het betreffende Getroffen Voertuig
verschuldigd zijn;
f. ten aanzien van onrechtmatige daad:
i. dat ieder van de Autofabrikanten, de Importeur en de Handelaren, althans een of
meer van hen, jegens de Autobezitters, althans jegens de Nederlandse Partijen,
onrechtmatig hebben gehandeld;
ii. dat het onrechtmatig handelen van de Autofabrikanten en de Importeur jegens
de Autobezitters, althans jegens de Nederlandse Partijen, eveneens aan de
Handelaren kan worden tegengeworpen;
iii. dat ieder van de Autofabrikanten, de Importeur en de Handelaren, althans een of
meer van hen, zich jegens de Autobezitters, althans jegens de Nederlandse
Partijen, schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatig handelen in groepsverband
in de zin van artikel 6:166 BW;
Vorderingen tot vernietiging, ontbinding, zaaksvervanging en schadevergoeding
VI. Ten aanzien van de Autobezitters, althans de Nederlandse Partijen, die ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis nog in het bezit van hun voertuig zijn en die voor het in deze procedure te wijzen eindvonnis niet kenbaar hebben gemaakt hun Getroffen Voertuig te willen behouden, te oordelen als volgt:
a. primair:
i. de vernietiging van de Overeenkomst tussen de Autobezitters, althans de
Nederlandse Partijen, en de desbetreffende Handelaar uit te spreken, de
betreffende Handelaar te veroordelen de gehele koopprijs van het Getroffen
Voertuig terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken
op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de
waardevermindering daarvan.
b. subsidiair:
i. de betreffende Handelaar van wie de Autobezitter, althans de Nederlandse
Partijen, het Getroffen Voertuig heeft gekocht te veroordelen het Getroffen
Voertuig terug te nemen en te vervangen door een nieuw exemplaar van een
Vergelijkbaar Type, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken op een
vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de
waardevermindering daarvan.
subsidiair
ii. de Autofabrikanten en de Importeur hoofdelijk, althans de Autofabrikanten, te
veroordelen het Getroffen Voertuig terug te nemen en te vervangen door een
nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat deze daarbij aanspraak
zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het
Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan.
c. Meer subsidiair:
i. Te verklaren voor recht dat de Overeenkomsten die de Autobezitters, althans de
Nederlandse Partijen, met de desbetreffende Handelaren hebben gesloten zijn
ontbonden en deze gehouden zijn aan de betreffende Particuliere Partijen en de
Zakelijke Partijen, de koopprijs terug te betalen, zonder dat deze daarbij
aanspraak zal kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van
het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
d. Meer subsidiair:
i. Te verklaren voor recht dat de Overeenkomsten die de Autobezitters, althans de
Nederlandse Partijen, met de desbetreffende Handelaren hebben gesloten op
eerste verzoek daartoe van een Autobezitter, althans de Nederlandse Partijen, als
vernietigd dan wel meer subsidiair ontbonden hebben te gelden, waarna de
desbetreffende Handelaar gehouden is aan de betreffende Autobezitter de
koopprijs terug te betalen, zonder dat deze daarbij aanspraak zal kunnen maken
op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de
waardevermindering daarvan, althans dat de betreffende Autobezitters bevoegd
zijn om de door hen voor de Getroffen Voertuigen betaalde bedragen uit hoofde
van de Overeenkomsten op grond van gedeeltelijke vernietiging of ontbinding te
verminderen met een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag.
e. Meer subsidiair:
i. de Autofabrikanten en de Importeur en de Handelaren hoofdelijk, althans de
Autofabrikanten hoofdelijk, te veroordelen de Autobezitters, althans de Nederlandse Partijen, de schade te vergoeden die zij hebben geleden door middel van:
1. indien de Autobezitter daarvoor opteert en verzoekt – een schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door vervanging van het Getroffen Voertuig door een nieuw exemplaar van een Vergelijkbaar Type, zonder dat de Autofabrikanten en/of de Importeur en/of de Handelaren daarbij aanspraak zullen kunnen maken op een vergoeding in verband met het gebruik van het Getroffen Voertuig of de waardevermindering daarvan;
2. een schadevergoeding, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen.
VII. Ten aanzien van de Autobezitters die ten tijde van het in dezen te wijzen vonnis niet langer in het bezit van hun Getroffen Voertuig zijn dan wel die voor het in deze procedure te wijzen eindvonnis kenbaar hebben gemaakt hun Getroffen Voertuig te willen behouden:
de Autofabrikanten, de Importeur en de Handelaren hoofdelijk te veroordelen de
Autobezitters, althans de Nederlandse Partijen, de schade te vergoeden die zij hebben geleden, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen.
Wettelijke rente
VIII. In alle gevallen waarin op grond van bovenstaande vorderingen een geldvordering wordt toegewezen, deze te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment dat de Gedaagden, dan wel een of meer van hen, in verzuim zijn, waarbij de Stichting ten behoeve van de Zakelijke Partijen aanspraak maakt op wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW.
Collectieve schadeafwikkeling
IX. Te bepalen dat alle door Gedaagden aan Autobezitters verschuldigde vergoedingen aan de aan te wijzen exclusieve belangenbehartiger zullen worden betaald onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden van collectieve schadeafwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 1018i lid 2 Rv;
Buitengerechtelijke kosten en (proces)kosten (art. 6:96 BW en art. 1018l lid 2 Rv)
X. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan de Stichting van:
a. de volledige door de Stichting gemaakte buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen
met de wettelijke rente vanaf de datum van deze dagvaarding, althans het in deze
procedure te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken
bij staat en te vereffenen volgens de wet;
b. de volledige proceskosten van de Stichting, waaronder de kosten van haar
procesfinancier (de Funder), en inclusief, indien van toepassing, de redelijke en
evenredige kosten als bedoeld in artikel 1018l lid 2 Rv die de Stichting met het oog op
de procedure heeft gemaakt, zoals nader door de Rechtbank vast te stellen, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te
wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat
en te vereffenen volgens de wet;
c. de kosten die de Stichting zal maken in verband met de handelingen die de Stichting in
haar hoedanigheid van (mede) exclusieve belangenbehartiger tot aan het eindvonnis
geacht zal worden uit te voeren, waaronder maar niet beperkt tot kosten ex art. 1018f lid
3 Rv;
d. de volledige kosten van de Stichting die zij in verband met de schadeafwikkeling zal
maken vanaf het in deze procedure te wijzen eindvonnis, te vermeerderen met de
wettelijke rente vanaf de datum van het in deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan
de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens
de wet; en
e. de kosten die de Stichting zal maken ter vaststelling van de schade en de
aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het in
deze procedure te wijzen eindvonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig
op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
f. een en ander met dien verstande dat voor zover de rechtbank van oordeel is dat op het
onderliggende feitencomplex het collectieve actierecht van toepassing is zoals dat gold
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Afwikkeling Massaschade in een
Collectieve Actie, dan heeft te gelden dat de vorderingen onder sub VI.e. en IX van dit
Petitum komen te vervallen.”