2.6.
Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft op 21 september 2010 een orthopedische expertise plaatsgevonden door F.R.A.J. de Meulemeester, orthopedisch chirurg, werkzaam bij Orthopedisch Expertise Centrum (hierna: OEC). In het definitieve rapport van 8 maart 2011 heeft de deskundige de volgende diagnose gesteld:
- -
trauma capitis met litteken ter hoogte van het voorhoofd;
- -
graad II gecompliceerde proximale eenderde tibiaschachtfractuur rechts;
- -
gecompliceerde proximale cruris articulair.
De orthopeed heeft beperkingen geduid ten aanzien van zitten (beperkt, lopen (niet tot licht beperkt), traplopen (niet tot licht beperkt), klimmen en klauteren (niet tot licht beperkt), tillen (licht beperkt), duwen en trekken (niet tot licht beperkt) en dragen (niet tot licht beperkt) en een percentage blijvende invaliditeit aangenomen van 3%.
2.9.
In 2018 hebben partijen overeenstemming bereikt over het laten verrichten van een psychiatrische expertise door WPEX Wettstein & Peterse Expertise (hierna: WPEX). In dat kader heeft psychiater J.W. Peterse (hierna: Peterse) onderzoek verricht. Op verzoek van Peterse heeft neuropsycholoog B. Appels (hierna: Appels) onderzoek verricht. Naar aanleiding van de conceptrapportage van 19 april 2019 heeft de advocaat van [verzoeker] per brief van 27 augustus 2019 vragen gesteld. Deze vragen hebben niet geleid tot aanpassingen van het definitieve rapport ten opzichte van het concept. In het definitieve rapport van
19 januari 2019 (de geneeskundige rapportage) staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:
Alcoholanamnese
Over zijn alcoholgebruik vertelt onderzochte het volgende: hij stelt vóór het ongeval in 2007 nooit dagelijks alcohol te hebben gedronken. Hij begon echter meer alcohol te drinken, door een (dakloze) meneer die twee maanden na het ongeval bij onderzochte in huis kwam wonen; deze man was alcoholist en dronk dagelijks excessief. Onderzochte legt uit dat hij met deze man “mee ging drinken”, omdat hij dat “wel gezellig” vond. Zijn eigen alcoholgebruik nam toe en hij dronk al vrij snel dagelijks.
(…)
In de periode dat onderzochte met deze man samenwoonde, en deze man veel dronk, is onderzochte mee gaan drinken. In deze periode is het alcoholgebruik meer geworden, uiteindelijk naar 5-6 halve liters per dag.
Vóór het ongeval (vanaf 2004-2005) werkte onderzochte, en als hij dan thuiskwam nam hij “ook wel wat halve liters”, ongeveer 2 per dag (in de namiddag/avond) om even te ontspannen na het werk. Hij werkte destijds 5 dagen per week, via een uitzendbureau.
(…)
Beschouwing en diagnostische overwegingen
Alles overziend betreft het een 53-jarige man, die ondanks dagelijks alcoholgebruik vanaf 2004-2005 van 4AE per avond geen problemen ondervond in het functioneren, tot hij in december 2007 een ongeval meemaakte. Onderzochte liep hierbij gecompliceerde beenbreuken op aan beide benen. Als gevolg van de lichamelijk klachten was hij lange tijd zeer beperkt in zijn mobiliteit waardoor hij niet kon werken. Er ontstonden financiële problemen en onderzochte raakte steeds meer geïsoleerd. Tevens nam zijn alcoholgebruik verder toe, naar ongeveer 5-6 halve liters bier per dag.
(…)
Er lijkt primair sprake van de Stoornis in alcoholgebruik, met secundair en daaruit voortkomend de anamnestisch gemelde stemmings- en angstklachten. Deze klachten zijn anamnestisch mild, worden bij psychiatrisch onderzoek niet gezien en moeten dan in ieder geval worden beoordeeld als voortkomend uit het alcoholprobleem. Zo ook de slaapklachten die onderzochte noemt.
De stoornis in alcoholgebruik is al voor het ongeval in 2007 ontstaan, in ieder geval al sinds 2004-2005. Het lijkt er niet op dat het huidige alcoholgebruik in kwantiteit significant hoger ligt dan het gebruik van voor het ongeval.
Daarnaast wordt een Beperkte neurocognitieve stoornis door alcohol (…) vastgesteld, zoals geconcludeerd werd in het aanvullend NPO dat werd verricht d.d. 19-02-2019. Door de klinisch neuropsycholoog werd hierbij gesteld dat het doorgemaakte ongeval in 2007 niet de oorzaak lijkt te kunnen zijn van de geobjectiveerde stoornis in de verdeelde aandacht, aangezien deze stoornis niet eerder [werd] vastgesteld bij neuropsychologische onderzoeken die na het ongeval zijn verricht, te weten in 2010 en 2011. Het werd aannemelijker geacht dat de invloed van langdurig en overmatig en nog actuele alcoholgebruik een rol speelt bij de stoornis in het verdelen van de aandacht.
(…)
In diagnostische zin kwalificeren de klachten, volgens de DSM-5 criteria, voor een Stoornis in alcoholgebruik, ernstig (code 303.90) en voor een Beperkte neurocognitieve stoornis door alcohol (code 291.89). Voor beide stoornissen geldt dat er geen relatie aanwezig wordt geacht met het doorgemaakte ongeval op 9 december 2007.”
2.11.
De advocaat van [verzoeker] heeft, zoals vermeld in 2.9, naar aanleiding van het conceptrapport van Peterse vragen aan hem gesteld. Deze vragen, cursief weergegeven, en de antwoorden daarop luiden, voor zover relevant, als volgt:
1 Geneeskundig rapport, pagina 12/21 'Alcoholanamnese':
In de 1e zin wordt over betrokkene vermeld "hij stelt vóór het ongeval in 2007 nooit dagelijks alcohol te hebben gedronken".
Vervolgens wordt echter in de 3e alinea van dezelfde pagina vermeld: "Vóór het ongeval (vanaf 2004-2005) werkte betrokkene, en als hij dan thuiskwam nam hij ook wel […]wat halve liters; ongeveer 2 per dag (in de namiddag/avond) om even te ontspannen na het werk".
De anamnese lijkt niet consistent. Bent u dat met mij eens? Had u (om die reden) niet door moeten vragen over het alcoholgebruik voor het ongeval? Zo nee, waarom niet?
Reactie WPEX:
De alcoholanamnese waaruit geciteerd wordt was zeker niet geheel consistent. Wel is er door onderzoeker voldoende teruggekomen op passages die niet aannemelijk of onbetrouwbaar leken, in het bijzonder op het gebruik voor ongeval, zoals in de 2e en 3e alinea te lezen is. Uit deze informatie blijkt dat wel degelijk reeds vóór het ongeval sprake was van overmatig gebruik van alcohol. Overigens heeft onderzoeker bij psychiatrisch onderzoek gesteld; "de anamnese op alcoholgebruik verloopt moeizaam, hij bagatelliseert het gebruik enerzijds enigszins, is er terughoudend over maar lijkt er anderzijds ook schaamte over te ervaren." Onderzoeker heeft dus gesignaleerd dat deze anamnese niet consistent was en heeft daarom juist doorgevraagd.
2 Zakelijk rapport, pagina 7/9, antwoord op vraag 2a (deel 1): "De stoornis in
alcoholgebruik is al voor het ongeval in 2007 ontstaan, in ieder geval al sinds 2004- 2005".
a) Ik lees hier niets over terug in de medische informatie. Kunt u toelichten op welke
medische informatie deze conclusie is gebaseerd? Voor zover deze conclusie niet op medische informatie is gebaseerd, bent u het dan met mij eens dat uw conclusie onvoldoende onderbouwd is? Zo nee, waarom niet?
Reactie WPEX:
Deze conclusie trekt onderzoeker naar aanleiding van het eigen onderzoek, de alcohol-anamnese in het bijzonder. Deze is voldoende uitgebreid geweest om te kunnen concluderen dat er ook voor het ongeval reeds fors gedronken werd. Enige steun voor deze visie vond onderzoeker in de medische informatie van psychiater van der Schaaf/psycholoog Geerlings, verbonden aan GGZ Centraal, Locatie JulianaOord, d.d. 11-03-2010 wordt weergegeven:
Voorgeschiedenis: Langdurige alcoholafhankelijkheid en matige zelfzorg. December 2007: opname traumatologie AMC na aanrijding met auto; patiënt is met zijn hoofd tegen het voorraam van de auto gekomen. Sindsdien is er een toename van passiviteit en middelengebruik.
Dit suggereert minstens dat er reeds voor 2007 sprake was van alcoholafhankelijkheid. Maar dit heeft geen doorslaggevend gewicht gegeven in de overwegingen van onderzoeker die de conclusie vooral trekt op basis van het eigen onderzoek.
b) Ik citeer (uit uw geneeskundig rapport, pagina 12/21) :"De anamnese op alcoholgebruik verloopt moeizaam, hij bagatelliseert het gebruik enerzijds, is er terughoudend over maar lijkt er anderzijds ook schaamte over te ervaren."
Indien uw conclusie "De stoornis in alcoholgebruik is al voor het ongeval in 2007 ontstaan, in ieder geval al sinds 2004-2005" is gebaseerd op enkel de anamnese, bent u het dan (mede in verband met de onder vraag 1 vermelde tegenstrijdigheid) met mij eens dat het niet vaststaat hoeveel betrokkene voor het ongeval dronk en het eerste gedeelte van uw antwoord op vraag 2a onvoldoende onderbouwd is? Zo nee, waarom niet?
Reactie WPEX:
Dat is onderzoeker niet met u eens. De alcohol-anamnese verliep moeizaam, daarover was onderzoeker zelf al duidelijk in het rapport, maar er is een voldoende consistent beeld ontstaan over het daadwerkelijke gebruik van onderzochte die -na aanvankelijk te hebben gesteld voor 2017 ("2017" betreft vermoedelijk een verschrijving en moet zijn "2007": toevoeging advocaat [verzoeker] ) niet dagelijks te hebben gedronken - toch een duidelijk beeld heeft geschetst van het overmatige gebruik vanaf 2004-2005. Er zijn geen redenen zijn bewering dat hij destijds na het werk wat halve liters nam om even te ontspannen, in twijfel te trekken.
3 Zakelijk rapport, pagina 7 /9, antwoord op vraag 2a (deel 2): "Het lijkt er niet op dat
het huidige alcoholgebruik in kwantiteit significant hoger ligt dan het gebruik van voor het ongeval".
a) Uit de medische informatie (van na het ongeval) die in uw geneeskundige rapportage wordt samengevat en het feit dat betrokkene (na het ongeval) in 2011 en 2014 een detox opname heeft ondergaan kan - in mijn ogen - worden afgeleid dat na het ongeval sprake is geweest van een behoorlijke toename van alcoholgebruik:
* brief 11 maart 2010 psychiater van der Schaaf /psycholoog Geerlings GGZ Centraal Juliana-Oord (uw geneeskundige rapportage pagina 7 /21):
"toename van passiviteit en middelengebruik" en;
* brief van psycholoog-psychotherapeut Odink d.d. 19 augustus 2010 (uw geneeskundige rapportage pagina 8/21): "Ik heb de heer [verzoeker] in de loop van 2009 gezien voor ondersteunende behandeling. Hoofdmoot van de gesprekken was vooral hoe de heer [verzoeker] zijn leven na het ongeval weer op de rit zou kunnen krijgen. Complicatie daarbij was dat hij in dat jaar ook meer alcohol was gaan drinken" en;
* het feit dat na het ongeval twee detox opnamen plaatsvonden (in 2011 en 2014) en;
* 21 januari 2014 Informatie gericht aan de huisarts van N. Aziz, arts en T. Tromp, verslavingsarts, verbonden aan Jellinek (onderdeel van Arkin GGZ): "huidig gebruik alcohol: 2-4 liter bier dagelijks sinds 2008".
Bent u dat met mij eens? Zo nee, waarom niet?
Reactie WPEX:
Het gaat hier dan om de definitie van "significant" in relatie tot de anamnestische en medische gegevens omtrent het kwantitatieve alcoholgebruik van onderzochte voor en na het ongeval. Het gebruik was voorheen duidelijk overmatig (1 liter per dag) en was dat na het ongeval nog steeds, mogelijk nam het toe. Inderdaad lijken de medische gegevens te suggereren dat het gebruik gemiddeld genomen verder toenam na het ongeval, waarbij onverminderd blijft staan dat onderzochte reeds vóór het ongeval overmatig alcohol dronk.
b) Hoe kan u de conclusie "Het lijkt er niet op dat het huidige alcoholgebruik in kwantiteit significant hoger ligt dan het gebruik van voor het ongeval" trekken als niet vaststaat (althans niet uit de medische informatie kan worden afgeleid) wat het alcoholgebruik van betrokkene in de periode voor het ongeval was? Bent u het met mij eens dat het tweede deel van uw antwoord op vraag 2a, pagina 7 /9 onvoldoende onderbouwd is? Zo nee, waarom niet?
Reactie WPEX:
Over het gebruik van alcohol in de periode voor het ongeval heb ik reeds uitvoerig uitgeweid in voorgaande vragen. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3a.
5 U trekt (in uw antwoord op vraag 2b, zakelijke rapportage, pagina 7/9) de conclusie
dat de huidige beperkingen zoals beschreven onder uw antwoord op vraag 1f gelijk zijn aan de beperkingen die voor het ongeval al aanwezig waren, met uitzondering van de beperking binnen het item "verdelen van de aandacht".
Hoe kunt u die conclusie trekken als er geen medische informatie voorhanden is over (eventuele) beperkingen die voor het ongeval al aanwezig zouden zijn en betrokkene een "blanco" voorgeschiedenis heeft (zoals ook door u bevestigd in uw geneeskundige rapportage, 3e alinea, 1 e zin op pagina 13/21)?
Reactie WPEX:
Hier is relevant dat onderzoeker van mening is, en dit blijkt ook uit de meegezonden informatie, dat onderzochte reeds voor het ongeval een stoornis in alcoholgebruik had, welke hij thans nog heeft. Deze conclusie trekt onderzoeker op basis van het eigen onderzoek (de alcoholanamnese, zie ook eerdere antwoorden) en op basis van de meegezonden gegevens, waaronder een brief van psychiater van der Schaaf/psycholoog Geerlings, GGZ Centraal, Locatie Juliana-Oord van 11 maart 2010 waarin al wordt gesproken over langdurige alcoholafhankelijkheid. De blanco psychiatrische voorgeschiedenis duidt op het feit dat onderzochte vóór het ongeval niet eerder bij een psychiater of psycholoog is geweest. Dit betekent niet dat er voordien geen psychische of psychiatrische problemen waren; er is eenvoudigweg geen medische informatie van de verslavingsproblematiek die destijds mogelijk al wel speelde. De stoornis in het verdelen van de aandacht werd niet eerder geobjectiveerd bij neuropsychologisch onderzoek, waardoor dit een beperking betreft die niet vóór het ongeval al aanwezig was.