Beoordeling
-
Bij tussenbeschikking van 6 maart 2023 is aan Bierens opgedragen te bewijzen dat de gebeurtenissen op 17 november 2022, die hebben geleid tot het ontslag op staande voet van [verweerder] , zich hebben voorgedaan op de wijze als omschreven door Bierens.
-
Bierens heeft ter uitvoering van de bewijsopdracht een USB-stick met camerabeelden in het geding gebracht en Bierens heeft verder [naam 1] (verder: [naam 1] ), [naam 2] (verder: [naam 2] ), [naam 3] (verder: [naam 3] ) en [naam 4] (verder: [naam 4] ) als getuigen doen horen.
3. De getuigen hebben, voor zover relevant, het volgende verklaard:
[naam 1] :
“(...) U vraagt mij naar de gebeurtenissen op 17 november 2022. (...) Ik zat zelf in een verhuizing en was niet de hele week op kantoor. Op vrijdag was ik afwezig. (...) [naam 4] ) vertelde mij dat [naam 2] contact met hem had opgenomen en hem over het voorval had geïnformeerd. Volgens [naam 4] had [verweerder] [naam 2] proberen te zoenen, bij herhaling. Ook had hij drugs gebruikt op kantoor. In dat gesprek werd cocaïne genoemd. [naam 4] zei tegen mij dat het voorval ging over cocaïne. (...) Aan het einde van de middag hadden wij een call met [verweerder] om zijn kant van het verhaal te horen. (...)
Voor mij had een [verweerder] een opvallende reactie. Zoals ik hem ken geeft hij een uitgesproken mening in woord en gebaar. Ik noem dat temperamentvol. Dat was hij nu alles behalve. En dat vond ik merkwaardig. Alles was ontkennend, het was zijn manier van humor. De voorvallen waren er wel geweest, maar verkeer geïnterpreteerd. Volgens [verweerder] ging zijn verhouding met [naam 2] verder dan die van normale collega’s. In een andere situatie had het meer met [naam 2] kunnen worden, zo zei hij. De cocaïne was het meest vermeden onderwerp in het gesprek, ondanks dat ik er specifiek meerdere keren naar vroeg. [verweerder] had het alleen over het relationele aspect, dat wat het zoenen betreft. Volgens [verweerder] had hij geen cocaïne op kantoor gebruikt. Cocaïne gebruikt hij sowieso niet, andere drugs wel. En over hun ervaringen daarmee spraken [verweerder] en [naam 2] wel eens. (...)
Later op de avond heb ik telefonisch [naam 2] gesproken. Toen was ik alleen. Zij heeft mij het hele verhaal uit de doeken gedaan. Dat het haar laatste werkdag was en dat zij dossiers zou overdragen aan [verweerder] . Dat zij naar de bovenste verdieping van kantoor was gegaan en dat zij samen aan een bureau hadden gezeten en over drugs hadden gesproken. Dat zij door twee collega’s werden onderbroken en dat die collega’s weer weg waren gegaan. Dat [verweerder] tijdens het gesprek was opgestaan, naar een bureau bij de trap midden in de kamer was gelopen, dat hij zijn mobiel had schoongemaakt bij de waterkoker met kokend water. Dat hij naar een werkplaats van een collega was gelopen en haar nogmaals (eerder ook al, maar wanneer weet ik niet meer) cocaïne had aangeboden. Dat [naam 2] dat had afgeslagen en dat zij geluiden had gehoord die op gebruiken duidden. Eerder had [verweerder] tegen haar gezegd “zullen wij iets
geks doen”. Daarna kwam [verweerder] terug bij waar zij zaten en ging tegenover [naam 2] zitten. Dat het zo dichtbij was, dat [naam 2] het ongemakkelijk vond. En dat hij haar probeerde te zoenen. Dat [naam 2] had gezegd” I am flattered” en ook “I don’t feel that way”. Dat [verweerder] het twee keer had geprobeerd en dat zij het had afgehouden. Dat zij vervolgens naar haar eigen werkkamer was gegaan en [verweerder] naar beneden om koffie te drinken of te roken. En dat [naam 2] naar [naam 3] was gegaan om haar verhaal te doen.
Op de volgende dag, de dinsdag, kwam [naam 4] later op kantoor. In de tussentijd heb ik toen [naam 3] gesproken om haar verhaal te horen. Om een lang verhaal kort te maken, het kwam een op een overeen met het verhaal van [naam 2] . Het was gedetailleerd en consistent. [naam 3] vertelde ook nog dat de vrijdag [naam 2] nog moest werken en hoewel [naam 3] vrij was, zij bewust naar kantoor was gekomen om [naam 2] niet alleen te laten zitten.
Dinsdagmiddag kwam [naam 5] naar voren. [naam 3] had dat bij mij gemeld, maar zonder naam. [naam 5] heeft bij mij haar verhaal gedaan in dat verhaal zat voor mij gelijkenis. Zij waren samen op kantoor, [verweerder] stelde voor een drankje te doen. [naam 5] heeft één drankje met [verweerder] gedronken en zei toen naar huis te gaan. [verweerder] was met haar meegelopen naar de metro en had geprobeerd haar te zoenen. [naam 5] heeft dat afgehouden, volgens mij zei ze dat zij hem had weggeduwd. Zij had geroepen je bent toch getrouwd. En wat ik mij herinner vertelde [naam 5] dat [verweerder] had geantwoord in de strekking van “wat niet weet, wat niet deert”. Volgens [naam 5] had [verweerder] het twee keer geprobeerd, gingen de deuren van de metro toen op en kon ze wegkomen. [naam 5] is een twintigjarige werkstudent bij ons. Ik herinner mij nog goed dat zij mij vertelde het aan haar twee mede werkstudenten te hebben verteld en aan haar moeder.
Haar moeder had haar gezegd waarom ga je dan ook iets drinken? Ik heb geprobeerd de
woorden van haar moeder af te zwakken en haar gezegd dat dat moest kunnen. De twee
werkstudenten heb ik ook gesproken en die bevestigde mij dat [naam 5] dit verhaal enkele
maanden ervoor had meegedeeld.
Dinsdag om 11 uur hebben [verweerder] , [naam 4] en ik met elkaar gesproken. (...) Het verhaal van [verweerder] was nog steeds ontkennend. Inmiddels had ik alles in detail van [naam 3] en [naam 2] gehoord. Wij hebben chronologisch het verhaal, alle momenten, stapsgewijs besproken. In het verhaal van [verweerder] , dat ook zeer gedetailleerd was, zat veel overlap maar op sommige punten niet. Hij vertelde uit eigen beweging dat hij zijn telefoon had schoongemaakt maar toen ik hem vroeg waarom hij dat met de waterkoker deed was hij duidelijk even in de war. Daarna zei hij dat het toch al kookte. Met [naam 2] was het de manier van omgaan met elkaar maar hij had nooit cocaïne op kantoor gebruikt. [naam 2] en hij deelde ervaringen over drugsgebruik en maakten grappen daarover. Zij hadden ook gesproken over wat het anders het kunnen worden tussen hen, aldus [verweerder] . Ook erkende hij wel dichtbij haar te hebben gezeten maar niet dat hij haar had geprobeerd te zoenen. (...) Gaandeweg het gesprek veranderde zijn houding hij werd naar mijn gevoel agressief en meer juridisch. Hij zei iets van “jullie hebben niet genoeg bewijs hiervoor”. (...) Aan het eind van het gesprek hebben wij hem op staande voet ontslagen.
(...)
Ik wil zelf graag nog genotuleerd zien dat ik op de dag van het voorval niet op kantoor
Amsterdam aanwezig was omdat ik naar Veghel was. (...)”
[naam 2] :
“(...) Voor mij ligt mijn verklaring die ik op 21 december 2022 heb afgelegd (productie 13 van de aanvullende producties). De inhoud klopt nog en ik blijf daarbij. Als wij door de verklaring gaan dan kan ik toevoegingen maken.
Ik voeg aan mijn verklaring nog het volgende toe. (...) In de middag ging ik naar boven om met [verweerder] te spreken over de over te dragen zaken. Toen de collega’s [naam 6] en [naam 7] weg waren, door [verweerder] naar beneden waren gestuurd, legde hij zijn telefoon op de ketel. Later begreep ik dat het was om te ontsmetten. Hij pakte papier om zijn scherm droog te maken en zijn neus te snuiten. Later ging hij achter een kastruimte zitten. Voordat de collega’s naar bovenkwamen vroeg hij mij herhaaldelijk of ik ook coke wilde nemen, Ik bleef dat afwijzen, dat is niet mijn ding. Nadat hij achter de kastruimte vandaan was gekomen bood hij het mij weer aan, toen ik weer nee zei accepteerde hij dat. Hij kwam heel dichtbij mij zitten, zijn gezicht heel dicht bij de mijne. Ik draaide mijn gezicht weg en ik wilde dat het zou stoppen. Met ‘het’ bedoel ik dan dat hij mij wilde zoenen. ‘Nee’ zeggen probeerde ik, maar dat was niet genoeg. Ik begon allerlei excuses te maken.Hij zei dat hij zich tot mij voelde aangetrokken sinds Disney. Dat was een paar weken daarvoor. Toen ik zei dat het net uit was met mijn vriend, accepteerde hij dat. Toen stopte het en begon hij een sigaret te rollen. (...)
Wij hebben één keer over drugs gesproken op de voorlaatste dag, dat was toen hij mij cocaïne aanbood. Dat was de enige keer. Cocaïne is niet echt iets voor mij. Dat vertelde ik hem ook. (...)”
[naam 3] :
“(...) De verklaring die ik heb afgelegd (productie 16 bij de nadere stukken) klopt nog steeds en ik blijf bij de inhoud daarvan. (...)”
[naam 4] :
“(...) Ik was op vakantie in Spanje en zat in de auto toen ik gebeld werd door [naam 2] . Zij wilde mij het verhaal vertellen. U vraagt mij wat de kern was van het verhaal. Dat was, voor mij, twee keer grensoverschrijdend gedrag op kantoor en veel emotie bij [naam 2] . Het was op een donderdag of vrijdag. Het was een middag, volgens mij. Het ging over een poging haar te zoenen en gebruik van drugs op kantoor. [naam 2] zei cocaïne. Het was met [verweerder] op kantoor Amsterdam bovenin de attic zoals wij dat noemen. Het was een heel ding voor haar om het te vertellen. Zij moest het duidelijk kwijt. Het was een beetje een rommelig gesprek zo in de auto en het kostte wat moeite om haar verhaal duidelijk te krijgen, om te weten wat er was gebeurd. Ik denk dat duidelijk werd dat er was gebeurd. Ik vond het ook heel wat, ik maak het niet dagelijks mee. (...)
Wij hebben vervolgens twee keer met [verweerder] gesproken. Eerst met [naam 1] en [verweerder] via Teams, en later fysiek met [naam 1] en [verweerder] . In het eerste gesprek ontkende hij alles maar dat gesprek was via Teams en ik vond het nog te vroeg om te oordelen. Ik vond dat wij zorgvuldiger moesten zijn. Teams voelde niet goed daarvoor. De volgende dag hebben wij fysiek gesproken, daar was de sfeer anders dan het eerste gesprek. Ik heb het zo althans ervaren. In het eerste gesprek voelde [verweerder] zich overvallen en in het tweede gesprek gaf hij uitleg en had hij een idee over wat hij ging zeggen. Hij ontkende weer alles. Hij verklaarde het verhaal van [naam 2] met dat het zijn manier van doen was, zijn manier van praten, zijn humor. Het gesprek ging voor 90 procent over het fysiek grensoverschrijdend gedrag. Dat [naam 2] een verkeerde interpretatie van zijn gedrag had. Hij zei dat hij teleurgesteld was in [naam 2] , dat hij zich genaaid voelde. Zij konden het goed vinden, zei hij. En hij begreep niet hoe hij nu tegenover [naam 1] en mij zat.
Er zat overlap tussen zijn verhaal en dat van [naam 2] zoals het schoonmaken van telefoon en de ketel, dat zij samen boven waren en dat er mensen de zolder hadden verlaten. Ik kan mij niet herinneren of hij heeft gezegd welk gedrag precies [naam 2] verkeerd zou hebben geïnterpreteerd.
Wat mij opviel waren de verschillen, wij hadden de ondersteunende verklaring van [naam 3] maar ik twijfel er over of wij die derde collega hebben genoemd. Haar naam hebben wij zeker niet genoemd. (...)”
4. Volgens [verweerder] heeft Bierens het bewijs dat het incident op 17 november 2022 heeft plaatsgevonden zoals Bierens heeft gesteld niet geleverd. Samengevat en zakelijk weergegeven heeft [verweerder] daartoe het volgende aangevoerd:
- -
[naam 1] was op het moment van het vermeende incident niet op de zolder aanwezig en kan dus niet uit eigen wetenschap verklaren over het incident zelve. De verklaring van [naam 1] is ook onbetrouwbaar, nu hij bestuurslid is. Bovendien komt zijn verklaring niet overeen met die van [naam 2] . [naam 1] heeft verklaard dat [naam 2] hem zou hebben verteld dat [verweerder] haar bij herhaling zou hebben geprobeerd te zoenen. Later verklaart hij dat [verweerder] tweemaal heeft gepoogd haar te zoenen. Uit de verklaring van [naam 2] kan slechts worden opgemaakt dat [verweerder] één poging zou hebben gedaan. [naam 2] heeft niet gezien dat [verweerder] drugs gebruikte. [verweerder] verkeerde in shock toen hij van [naam 1] vernam waar hij van werd beschuldigd.
- -
Er waren ten tijde van het incident geen andere personen dan [naam 2] en [verweerder] in de ruimte. Dat maakt dat het haar woord tegen het zijne is. Volgens [verweerder] is hetgeen waarvan hij wordt beschuldigd niet gebeurd. [naam 2] heeft verklaard dat [verweerder] haar na de Disneytrip zou hebben verteld dat hij haar leuk vond. Dit is niet opgenomen in haar eerdere schriftelijke verklaring en wordt door [verweerder] betwist.
- -
[naam 3] was niet op zolder op het moment dat de beweerdelijke incidenten zouden zijn voorgevallen. Zij heeft een vriendschappelijke relatie met [naam 2] en zij kwamen regelmatig bij elkaar op de kamer. [naam 2] heeft slechts de aanname gemaakt dat [verweerder] drugs gebruikte. [naam 3] heeft verder verklaard dat [verweerder] [naam 5] in mei 2021 heeft geprobeerd te zoenen, waarna [naam 5] naar [verweerder] zou hebben geschreeuwd op het metrostation. [naam 5] heeft echter verklaard dat [verweerder] enkel zou hebben gevraagd of hij haar mocht zoenen. Ook ingeval van dit incident lopen de verklaringen op cruciale details uiteen.
- -
[naam 4] was niet op zolder op het moment dat de beweerdelijke incidenten zouden zijn voorgevallen en hij kan niet uit eigen wetenschap verklaren.
- -
De door Bierens in het geding gebrachte videobeelden tonen niets bijzonders. [naam 2] kijkt vrolijk en lacht op de beelden. Nergens blijkt uit dat zij angstig is of schrikachtig.
5. Bierens stelt zich op het standpunt dat zij het opgedragen bewijs overtuigend heeft geleverd. Volgens Bierens bewijzen en ondersteunen de getuigenverklaringen het feitenrelaas zoals Bierens dat ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag op staande voet. Daartegenover staat slechts een ongeloofwaardige ontkenning van [verweerder] .
6. De kantonrechter overweegt het volgende. Alle door Bierens voorgedragen getuigen hebben ieder afzonderlijk van elkaar verklaringen afgelegd die de lezing van Bierens van hetgeen is gebeurd op 17 november 2022 in grote mate ondersteunen. [naam 2] heeft onder ede en uit eigen waarneming verklaard dat [verweerder] haar herhaaldelijk heeft gevraagd cocaïne te nemen en dat hij heeft geprobeerd haar te zoenen. Uit de getuigenverklaringen van [naam 3] , [naam 1] en [naam 4] blijkt dat [naam 2] in de kern hetzelfde verhaal aan hen heeft verteld. Dat de getuigenverklaringen niet geheel eenstemmig zijn (zoals het punt of er één of twee zoenpogingen zijn geweest), maken de verklaringen niet onbetrouwbaar, mede omdat dit totaal ondergeschikt is aan de kern van de verklaringen. Die houdt immers in dat [verweerder] zich op 17 november 2022 ernstig heeft misdragen door [naam 2] drugs aan te bieden en in ieder geval één zoenpoging te doen. De afgelegde verklaringen stemmen op dit punt overeen en ondersteunen de getuigenverklaring van [naam 2] . [verweerder] heeft onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat aan de juistheid van de – onder ede afgelegde – verklaringen moet worden getwijfeld.
7. Bierens is er dus in geslaagd het opgedragen bewijs te leveren en vast is komen te staan dat [verweerder] [naam 2] heeft aangeboden drugs te gebruiken en dat hij haar heeft geprobeerd te zoenen op 17 november 2022. In het midden zal worden gelaten of [verweerder] ook daadwerkelijk drugs op kantoor heeft gebruikt, aangezien dat niet is waargenomen door [naam 2] . Echter kwalificeert het aanbieden van drugs aan een collega en deze collega vervolgens proberen te zoenen reeds als een voldoende dringende reden voor ontslag op staande voet. De verklaringen die zijn afgelegd over hetgeen is voorgevallen tussen [verweerder] en [naam 5] hoeven dan ook niet te worden meegewogen. Het argument van [verweerder] dat er geen dringende reden is voor ontslag op staande voet, omdat Bierens te snel en zonder deugdelijk onderzoek zou zijn overgegaan tot het ontslag, wordt door de kantonrechter gepasseerd. Bierens heeft [verweerder] tweemaal in de gelegenheid gesteld zijn kant van het verhaal te vertellen en Bierens heeft vervolgens op basis van de beschikbare informatie een besluit genomen. Niet gebleken is bovendien dat de overwegingen die voor Bierens aan het ontslag ten grondslag hebben gelegen niet juist waren of dat Bierens ten onrechte de beschuldiging aan het adres van [verweerder] onvoldoende heeft onderzocht. Een formeel onderzoek is ook niet vereist (ECLI:NL:HR:2023:1008).
Conclusie in de procedure 10267100 EA VERZ 23-13
8. Nu de opzegging van de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is, zal het verzoek van [verweerder] tot vernietiging van die opzegging worden afgewezen.
9. [verweerder] heeft subsidiair verzocht om Bierens te veroordelen een transitievergoeding te betalen op grond van artikel 7:673 lid 7 BW. Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Dat betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is en het verzoek van [verweerder] zal worden afgewezen.
Conclusie in de procedure 10265295 EA VERZ 23-6
10. Bierens heeft verzocht om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 7:677 lid 2 BW ter hoogte van € 8.425,62 met wettelijke rente.
10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet blijkt dat [verweerder] door schuld aan Bierens een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Bijgevolg is dat [verweerder] een vergoeding is verschuldigd ex artikel 7:677 lid 2 BW. Bierens heeft onbetwist aangevoerd dat deze vergoeding € 8.425,62 bruto bedraagt (twee maandsalarissen). Deze vergoeding is forfaitair, waardoor de vraag of Bierens daadwerkelijk schade heeft geleden ter hoogte van dit bedrag niet relevant is. Het verzochte bedrag is daarom toewijsbaar. De wettelijke rente is conform artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te weten 23 november 2022 tot de voldoening.
12. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [verweerder] veroordeeld in de proceskosten in beide procedures. Gelet op de samenhang en gelijktijdige behandeling van de procedures EA VERZ 23-13 en EA VERZ 23-6 zal slechts éénmaal een bedrag aan gemachtigdensalaris worden toegewezen en wel in de procedure EA VERZ 23-6. Ook zullen de nakosten maar éénmaal worden toegewezen, zoals hieronder bepaald.