vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/746438 / KG ZA 24-110 IHJK/MAH
Vonnis in kort geding van 13 maart 2024
[eiser]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser bij dagvaarding van 16 februari 2024,
advocaat mr. M. van Duijn te Den Haag,
de vereniging
[gedaagde]
,
gevestigd te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. L.R.J.M. Boer te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
1 De procedure
Bij de zitting van 28 februari 2024 waren aanwezig:
- [eiser] met mr. Van Duijn
- aan de kant van [gedaagde] : [naam 1] (secretaris) en [equity officer] (equity officer), met mr. Boer.
Tijdens de zitting heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties ingediend en een pleitnota.
Tenslotte is vonnis bepaald op 13 maart 2024.
2 De feiten
2.1.
[eiser] is lid van [gedaagde] , een Amsterdamse studentendebatvereniging met ongeveer 200 leden.
2.2.
De statuten van [gedaagde] (de Statuten) bepalen, voor zover relevant:
“Artikel 16.
1. De algemene vergadering kan en of meer reglementen vaststellen, wijzigen of opheffen.” (…)
“Artikel 19.
In alles waarin deze statuten of een in te voeren reglement niet voorzien, beslist het bestuur, met dien verstande dat de algemene ledenvergadering aan het bestuur opdrachten te dien aanzien zal kunnen geven.”
2.3.
Het Huishoudelijk Reglement (HH) van [gedaagde] bepaalt, voor zover relevant:
1.3
Bij ernstige, moedwillige overtredingen van het huishoudelijk reglement zoals geweldpleging en ernstige belediging, kan het bestuur sancties opleggen. Mogelijkheden hiertoe zijn het wegsturen van leden bij een activiteit of zelfs schorsing of een royement. Het bestuur gaat hier terughoudend mee om en legt bij sancties daarover verantwoording af op de eerstvolgende algemene ledenvergadering. Daar ligt tevens de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen een besluit van het bestuur.”
2.4.
In de ALV van 27 januari 2023 is een zogenoemde “equity procedure” opgenomen in artikel 20 HH, luidende:
“20. Sociale veiligheid
20.1
De vereniging dient een minimum van één en een maximum van drie equity-officer(s) beschikbaar te stellen voor haar leden. Indien mogelijk worden drie equity-officers geprefereerd.
20.1.1
De equity-officer is het eerste aanspreekpunt voor leden wanneer zij grensoverschrijdend gedrag door een ander lid ervaren. Zij kunnen, al dan niet anoniem, melding maken. De equity-officer bespreekt vervolgstappen en tracht ernaar het probleem in informele sfeer op te lossen. Indien dit niet mogelijk is, stapt de equity-officer naar het bestuur. Het bestuur bespreekt in samenspraak met de equity-officer vervolgstappen. In extreme gevallen kunnen er sancties op worden gelegd, middels artikel 6 lid 1 (schorsing
van maximaal 3 maanden) of artikel 5 lid 1 onder 4 (ontzegging lidmaatschap) van de statuten.
20.1.1.1. Grensoverschrijdend gedrag is elke vorm van gedrag of toenadering, in verbale, non- verbale, digitale of fysieke zin, die: door de persoon, die het ondergaat als gedwongen en/of ongewenst wordt ervaren; als doel of gevolg heeft de waardigheid van de persoon aan te tasten.
(…)”
2.5.
Daarnaast heeft het bestuur tijdens de bijeenkomst van 27 januari 2023 een Interne Gedragscode (‘Code of Conduct’) vastgesteld. Deze verbiedt elke vorm van ongewenste seksuele interactie, belediging of intimidatie en expliciteert dat positieve toestemming verplicht is bij gedrag van seksuele aard.
2.6.
Op 13 juni 2023 is [equity officer] als eerste equity officer benoemd.
2.7.
Namens [gedaagde] heeft een bestuurslid in een gesprek op 17 januari 2024, waarbij ook de equity-officer aanwezig was, [eiser] meegedeeld dat het bestuur hem twee sancties oplegt omdat meerdere mensen zich hadden beklaagd over seksueel intimiderend gedrag. Op 18 januari 2024 heeft het bestuurslid dat per Whatsapp als volgt aan [eiser] bevestigd:
“[…]
Due to past claims of sexual harassment against you made by multiple people, after careful consideration and investigation of the situation the board on advise of the equity committee has decided to put in place consequences.
These consequences are:
1. An official final warning. This means another breach of the Code of Conduct will mean not being a member of [gedaagde] anymore.
2. Not being able to represent [gedaagde] at EUDC. We do not see it as suitable to send representatives of our society that have broken our code of conduct. The position of going to euros is honourable, long-term, and highly selective. We wish to showcase our moral standard by making sure that people that have not respected our code of conduct can not achieve such a position.
These consequences are the final decision of the board. During the meeting you inquired about the possibility to appeal – the decision of the board is final, however you can meet with the advisory board of [gedaagde] to discuss the case. The advisory board can give an official advice to the board on the matter based on the case, this can include making the consequences more severe. If you wish to get in touch with the advisory board you can contact […] within a month of us sending this message.”
2.8.
In de dagen erna hebben [eiser] en (leden van) het bestuur gecorrespondeerd. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen de sancties en met name tegen het feit dat hij gestraft is zonder te weten waarvoor en zonder zich te kunnen verdedigen. Het bestuur heeft geantwoord dat dit zo is besloten vanwege de privacy van de klagers en om een veilige omgeving te garanderen. Omstreeks 23 januari 2024 heeft [eiser] geschreven dat de sancties vernietigbaar zijn, maar dat hij voorstelt dat het bestuur alsnog een eerlijker procedure volgt opdat een gang naar de rechter niet nodig is.
2.9.
Op 28 januari 2024 heeft het bestuur aan [eiser] geschreven dat het de sancties handhaaft, maar meer informatie geeft over de procedure en de ‘violations’, te weten:
“1. Late december 2022/early january 2023: unconsentual touch of private body part of another [gedaagde] member and use of vulgar language.
2. February 2023: unconsentual touch of private body part of another [gedaagde] member and use of vulgar language.
3. September 2023: unconsentual touch of private body part of another [gedaagde] member and use of vulgar language.
4. Unknown date: unconsentual touch of private body part of another [gedaagde] member and use of vulgar language.”
Bij het bericht is een overzicht gevoegd van de vanaf 2023 door de equity officer en het bestuur genomen stappen in deze kwestie. Tot slot is [eiser] gewezen op de mogelijkheid om voor 30 januari 2024 beroep in te stellen bij de algemene ledenvergadering (ALV).
2.10.
[eiser] heeft hierover dezelfde dag per Whatsapp aan bestuurslid [naam 1] zijn ongenoegen kenbaar gemaakt, waarna zich wederom een conversatie per Whatsapp heeft ontsponnen (die niet leidde tot een oplossing).
2.11.
Bij brief van 31 januari 2024 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd het sanctiebesluit in te trekken. Daarop is geen inhoudelijke reactie gekomen.
4 De beoordeling
ontvankelijkheid
4.1.
[gedaagde] voert aan dat [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk is omdat hij eerst conform artikel 5.3 van de Statuten in beroep had moeten gaan bij de ALV. Het is twijfelachtig of deze beroepsmogelijkheid openstaat – laat staan verplicht is voordat het geschil aan de rechter kan worden voorgelegd – tegen het besluit waar het hier om gaat. Het besluit houdt in een waarschuwing en daarnaast uitsluiting van deelname aan het EUDC-toernooi, maar het beroep op de ALV staat volgens artikel 5.3 (en artikel 6) Statuten slechts open tegen besluiten tot ontzetting (of schorsing). Daarbij komt dat het bespreken van de beschuldigingen met alle leden van de vereniging, mede gelet op het feit dat de privacy van meerdere betrokkenen in het geding is, niet als een serieuze beroepsmogelijkheid kan worden beschouwd. Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen, zodat deze hierna inhoudelijk zullen worden beoordeeld.
4.2.
Een vordering tot schorsing van een verenigingsbesluit is toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter een vordering tot vernietiging zou toewijzen en indien van eiser(es) niet kan worden gevergd dat hij/zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
4.3.
[eiser] stelt onder meer dat spoedig binnen [gedaagde] bekend zal zijn (of al is) dat sancties aan [eiser] zijn opgelegd. Dat tast zijn eer en goede naam aan. Ook is ter zitting besproken dat (het bestuur de selectie van kandidaten voor het EUDC-toernooi weliswaar eigenlijk al heeft afgerond, maar dat) de aanmelding bij het EUDC-toernooi pas over een paar maanden sluit, zodat [eiser] nog een kans maakt om geselecteerd te worden als het sanctiebesluit nu wordt geschorst. Al met al heeft hij voldoende spoedeisend belang bij zijn vorderingen.
Sanctiebesluit vernietigbaar?
4.4.
Artikel 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is, (a) wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, en/of (c) wegens strijd met een reglement.
4.5.
De voorzieningenrechter neemt het bestuursbesluit, zoals dat is vastgelegd in de Whatsapp-berichten van 18 en 28 januari 2024 (zie 2.7 en 2.9) tot uitgangspunt. Naar voorlopig oordeel is dat besluit vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, omdat aan het sanctiebesluit geen behoorlijke procedure is vooraf gegaan en in het bijzonder omdat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Dat wordt hierna toegelicht.
4.6.
[eiser] is op 17 januari 2024 met het bestuursbesluit geconfronteerd, niet wetende dat er al enige tijd onderzoek naar hem had plaatsgevonden. Daarbij werd hem slechts zeer beperkte informatie verstrekt over de klachten. Hij heeft pas op 26 februari 2024 kennis kunnen nemen van de inhoud van de beschuldigingen aan zijn adres, toen [gedaagde] in het kader van dit kort geding verklaringen van drie klaagsters overlegde. Voor die tijd moest hij het doen met de zeer vage omschrijvingen in de berichten van 18 en 28 januari 2024. Daarbij ging het om gebeurtenissen die al geruime tijd geleden zouden hebben plaatsgevonden. Hij heeft zich daardoor niet goed kunnen verdedigen tegen de – ernstige – aantijgingen. Op de kortgedingzitting is hij wel ingegaan op de overgelegde verklaringen (kort samengevat: (1) hij ontkent het door [naam 3] en [naam 4] beschreven ongepaste gedrag en (2) het contact tussen hem en [naam 5] had inderdaad regelmatig een seksuele lading maar dat kwam ook van haar kant en dat kan [eiser] aantonen met Whatsapp-berichten), maar toen waren de sancties al opgelegd. Op de vraag of het bestuur nog geïnteresseerd was in het hele verhaal van [eiser] , was het antwoord dat het daar nu te laat voor was.
4.7.
Het is duidelijk dat de equity officer en het bestuur, ondanks hun nog geringe ervaring met dit soort kwesties en hun eigen nieuwe regeling, hun best hebben gedaan om zo goed mogelijk rekening te houden met de belangen van zowel de klaagsters als [eiser] . Zij hebben echter onvoldoende gewicht toegekend aan het essentiële beginsel van hoor en wederhoor. En dat terwijl er geen dringende reden was om [eiser] niet, voordat het besluit werd genomen, gelegenheid te geven om te reageren op de verklaringen van de klaagsters. Dat de klaagsters liever anoniem wilden blijven en kennelijk niet wilden dat de details van hun klachten met [eiser] werden gedeeld is misschien begrijpelijk, maar dit maakt het voor [eiser] vrijwel onmogelijk op de beschuldigingen in te gaan en zich te verdedigen. Dat er sprake was van (gegronde) angst van de klaagsters voor [eiser] , zoals door [gedaagde] is aangevoerd, is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. Wel is duidelijk dat de klaagsters hun ervaringen onaangenaam vonden en dat een van hen zich nog steeds zich onprettig voelt als zijn naam wordt genoemd en contact met hem vermijdt.
4.8.
De conclusie is dat voldoende aannemelijk is dat een vordering tot vernietiging van het sanctiebesluit in een bodemprocedure zou worden toegewezen. Het besluit zal daarom worden geschorst. Deze beslissing geldt totdat een rechter anders beslist of partijen anders afspreken. Ter vermijding van een kostbare en tijdrovende bodemprocedure zou het bestuur ook een nieuw besluit kunnen nemen nadat een nieuwe, zorgvuldiger, procedure is doorlopen waarbij het beginsel van hoor en wederhoor in acht is genomen. Dat kan, maar hoeft niet per se, tot een andere uitkomst te leiden maar het betekent in ieder geval dat [eiser] ’s kant van het verhaal in de besluitvorming wordt betrokken. Het nieuwe besluit zou dan in de plaats komen van het huidige sanctiebesluit, dat dan zijn kracht verliest – en daarmee de schorsing ervan.
4.9.
De vordering zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
|
€
|
87,00
|
|
- salaris advocaat
|
€
|
1.107,00
|
|
- nakosten
|
€
|
178,00
|
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
|
Totaal
|
€
|
1.372,00
|
|
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
schorst het besluit van 18 (en 28) januari 2024 van [gedaagde] om [eiser] een laatste waarschuwing te geven en niet toe te staan dat hij [gedaagde] in het EUDC-toernooi vertegenwoordigt,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.372,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2024.1