Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster om toegang tot opvang te krijgen tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Pak je kans (AMS 24/1814)
1.2.
Verzoekster heeft toegang gekregen tot het project Pak je kans! (hierna: PJK).1 Op 8 februari 2024 is - na verlenging - dit hulpverleningstraject geëindigd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Begeleid thuis (AMS 24/1805)
1.3.
Met het besluit van 5 maart 2024 is verzoekster toegelaten tot begeleid thuis. Verweerder heeft in het besluit aangegeven dat verzoekster op een wachtlijst wordt geplaatst, omdat zij nog niet in deze (woon)voorziening terecht kan. Verder houdt het besluit in dat verzoekster in aanmerking komt voor wachtlijstbegeleiding, zodat verzoekster reeds tijdens de wachttijd met een medewerker van een zorgaanbieder van start kan gaan met het werken aan haar herstel. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.4.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder en de broer van verzoekster [verzoekster] . Verzoekster heeft via beeldverbinding aan de zitting deelgenomen. Namens verweerder heeft mevrouw [naam 2] ( [functie 1] PJK) ook via beeldverbinding deelgenomen aan de zitting en de heer [naam 3] ( [functie 2] PJK) heeft telefonisch deelgenomen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster aannemelijk heeft gemaakt dat daar sprake van is. Gedurende het PJK traject had verzoekster een woonplek en begeleiding. Dit traject is op 8 februari 2024 beëindigd, waardoor zij haar kamer daar moest verlaten. Tegen het einde van dit traject, in december 2023, is een aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) gedaan. Inmiddels is er positief op die aanvraag beslist bij besluit van 5 maart 2024. Verzoekster heeft volgens het besluit recht op begeleid thuis, wat in haar geval inhoudt dat zij zelfstandig of in een groep zal gaan wonen bij HVO-Querido en begeleiding zal krijgen tijdens haar verblijf. Deze plek en begeleiding is nog niet beschikbaar. Verzoekster heeft nu geen woning en verblijft bij vrienden/kennissen. Het is een onstabiele situatie die niet langer houdbaar is en ze dreigt hierdoor op straat te komen staan. Dit heeft grote gevolgen voor haar. De GGD heeft immers vastgesteld dat verzoekster op meerdere leefgebieden niet zelfredzaam is. Zij is kwetsbaar en er is een aanzienlijke kans dat dakloosheid zal zorgen dat zij weer terugvalt in oude gewoontes en zal afglijden. De voorzieningenrechter heeft ook meegewogen dat de schuldhulpverlening door de dakloosheid en het niet hebben van een BRP inschrijving wordt doorkruist, terwijl dit volgens de GGD juist ook een van de leefgebieden is met ‘acute problematiek’.
Bevoegdheid van de voorzieningenrechter
4.1.
Verzoekster heeft aangevoerd dat ondanks dat het besluit van 5 maart 2024 een toewijzende beslissing is, zij tegen dit besluit moet kunnen opkomen.
4.2.
Verweerder heeft aangevoerd dat zij de gevraagde voorziening niet kunnen verstrekken. Verzoekster is door de GGD onderzocht en daarna is het toewijzende besluit genomen. De casus wordt dan afgesloten en wordt overgenomen door, in dit geval, HVO-Querido. Het besluit houdt in dat verzoekster op een wachtlijst komt te staan. Hoewel verweerder graag ziet dat er meteen plek is, moet er helaas eerst iemand uitstromen waarbij de gigantische woningnood een rol speelt. Verweerder kan de procedures bij partijen buiten de Wmo-opvangketen, zoals het HVO-Querido niet aansturen of versnellen. Daarbij kan verweerder verzoekster niet hoger op een wachtlijst plaatsen. Dit ligt buiten de macht en de bevoegdheid van verweerder. De voorzieningenrechter begrijpt dit standpunt van verweerder zo, dat zij (ook) meent dat verzoekster op dit punt geen bezwaar kan maken tegen het besluit.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in de uitspraak van 27 januari 2021 heeft overwogen dat de adequaatheid van de maatwerkvoorziening ter beoordeling aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd.2 Verzoekster meent dat plaatsing op de wachtlijst voor een woonplek geen bijdrage levert aan de verbetering van de zelfredzaamheid van verzoekster zoals bedoeld in artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster hiermee opkomt tegen de adequaatheid van de getroffen maatwerkvoorziening en dat het besluit ter beoordeling aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd.3 Dat betekent dat verzoekster bezwaar kan maken tegen het besluit.
4.4.
De voorzieningenrechter acht zich op grond van het voorgaande bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
5.1.
Verzoekster heeft erop gewezen, dat hoewel zij is toegelaten tot begeleid thuis, zij nu opvang noch begeleiding heeft. Sterker nog, zij staat op een wachtlijst voor wachtlijstbegeleiding. Dit is volgens verzoekster een uitholling van het recht. Zij verwijst naar een uitspraak van de Raad van 26 mei 20214, waaruit volgt dat een wijze van verstrekken die ertoe leidt dat cliënten niet weten hoeveel, naar tijdseenheden bepaalde, maatschappelijke ondersteuning verweerder verstrekt, in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel. Bovendien kan de toekomstige voorziening zoals deze is verstrekt geen bijdrage leveren aan de verbetering van de zelfredzaamheid en participatie van verzoekster zoals bedoeld in artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo. Het bestreden besluit voldoet volgens verzoekster ook niet aan de vereisten van artikel 2.6 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning.
5.2.
Verweerder stelt dat gedurende de wachttijd een wachtlijstbegeleider wordt toegewezen. Deze wachtlijstbegeleider gaat samen met verzoekster aan de slag op alle gebieden waarop dat nodig is en verzoekster krijgt hiermee de nodige ondersteuning. Ook heeft de GGD mogelijke opties met verzoekster besproken die een tijdelijke overbrugging zouden kunnen zijn tot aan de toelating tot begeleid thuis wonen. Zij had op een wachtlijst kunnen worden geplaatst voor winteropvang, of dag- en nachtopvang. Verzoekster heeft deze mogelijkheden niet willen benutten en ook daarom is er geen reden om nu een voorziening te treffen die inhoudt dat verweerder opvang moet verzorgen voor verzoekster.
5.3.
De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in haar stelling dat het besluit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De kern van het probleem ligt er niet in dat verzoekster niet weet hoeveel maatschappelijke ondersteuning er is verstrekt, maar ligt in het feit dat er wachtlijsten zijn waardoor er nu feitelijk geen uitvoering wordt gegeven aan het besluit.
5.4
De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat verzoekster terecht een beroep doet op artikel 2.3.5, vierde lid, van de Wmo. Door de wachtlijsten heeft verzoekster geen dak boven haar hoofd en ook geen begeleiding. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet heeft gemotiveerd hoe het besluit, dat ook volgens verweerder inhoudt plaatsing op een wachtlijst, een bijdrage levert aan de verbetering van de zelfredzaamheid en participatie van verzoekster. De voorzieningenrechter acht hierbij van belang dat het besluit vermeldt dat binnen twee weken contact met verzoekster zal worden opgenomen om haar te begeleiden tijdens de wachttijd, maar gedurende de zitting is gebleken dat verzoekster nog niets heeft vernomen. Verweerder werpt verzoekster vervolgens tegen dat zij de mogelijkheden voor opvang die de GGD met haar heeft besproken onvoldoende heeft benut. Terecht heeft verzoekster hier tegenover gesteld dat zij niet weet waar zij moet zijn. De winteropvang is dicht en de dag- en nachtopvang van PerMens is niet geschikt omdat zij kwetsbaar is en een traumatisch verleden heeft. Zij heeft verzocht om een plek in de noodopvang, maar geen reactie hierop ontvangen van verweerder. Op zitting is overigens gebleken dat dit ook geen optie is voor verzoekster omdat de noodopvang voor gezinnen is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ten onrechte stelt dat verzoekster nu door eigen toedoen dakloos dreigt te raken. Hier speelt mee dat uit de intake van de GGD ten aanzien van de Wmo aanvraag blijkt dat verzoekster trauma’s heeft en bezig is met die te verwerken. Ook blijkt dat zij op meerdere leefgebieden niet zelfredzaam is. Zij heeft bovendien geen steunend netwerk. De GGD concludeert dat verzoekster teveel ondersteuning en begeleiding nodig heeft om uit te stromen naar een Buurtteam. De voorzieningenrechter is hierdoor van oordeel dat verzoekster, die er praktisch alleen voorstaat, geen verwijt kan worden gemaakt dat ze geen plek heeft geregeld of mogelijkheden onvoldoende zou hebben benut. Bovendien is door het enkel plaatsen op de wachtlijst, ook niet gemotiveerd dat de met de GGD besproken opvangplekken voor verzoekster geschikt zijn. Dit terwijl de Wmo voorschrijft dat een maatwerkvoorziening op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon worden afgestemd.5
5.5.
De voorzieningenrechter acht verder van belang dat in het besluit van 5 maart 2024 staat vermeld dat indien iemand al bij een zorgaanbieder verblijft, die persoon de begeleiding houdt tot er een plek is. Verzoekster had reeds een plek in het PJK traject waarin zij begeleiding kreeg. Toch is deze plek beëindigd. Verzoekster valt daarom nu tussen wal en schip. Niet duidelijk is waarom er geen afstemming heeft plaatsgevonden tussen PJK begeleiders en de afdeling van de gemachtigde van verweerder, terwijl de Wmo aanvraag al tijdens het PJK traject is gedaan. Verweerder heeft dit onvoldoende in haar besluitvorming betrokken.
Conclusie en gevolgen
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoekster op grond van het voorgaande een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet hierin reden om een voorlopige voorziening te treffen.
6.2.
Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder er niet voor kan zorgen dat er een plek vrij komt bij HVO-Querido of verzoekster hoger op de wachtlijst kan plaatsen, kan wel van verweerder worden gevergd dat er onderdak voor verzoekster wordt geregeld. Het belang van verzoekster om niet op straat te komen staan weegt hierin zwaar mee, mede gelet op het intake advies van de GGD waaruit volgt dat verzoekster getraumatiseerd en kwetsbaar is en geen steunend netwerk heeft. De voorzieningenrechter acht het voldoende onderbouwd dat indien verzoekster dakloos raakt, zij zal afglijden en terugvallen in oude gewoontes die niet goed voor haar zijn.
6.3.
De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding in deze specifieke situatie de voorziening te treffen dat verweerder aan verzoekster (nood)opvang biedt. Hoe verweerder hier invulling aan gaat geven is zijn verantwoordelijkheid. De voorzieningenrechter geeft nog mee dat zij het van belang acht dat zo snel mogelijk contact wordt opgezet tussen verzoekster en een medewerker van een zorgaanbieder, zodat verzoekster, overeenkomstig het besluit van 5 maart 2024, ook daadwerkelijk begeleiding krijgt tijdens de wachttijd.
6.4.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
6.5.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoekster vanaf heden wordt toegelaten tot (nood)opvang, tot uiterlijk zes weken na de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2024.
griffier
|
voorzieningenrechter
|
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: