Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBAMS:2024:688

Rechtbank Amsterdam
27-02-2024
27-02-2024
13/997059-18
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Strafzaak 26Marengo. Veroordeling tot een jaar en negen maanden gevangenisstraf voor deelneming aan een criminele organisatie. Kroongetuige. PGP-bewijs. Redelijke termijn. Gewijzigde VI-regeling. Vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997059-18

Datum uitspraak: 27 februari 2024

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

niet gedetineerd.

Inhoudsopgave

1 Onderzoek

1.1

Onderzoek ter terechtzitting

1.2

Inleidende opmerkingen

1.2.1

Werkwijze van de rechtbank

1.2.2

Start van het onderzoek
1.2.3 Procesdossier Marengo

2 Tenlastelegging

3 Voorvragen

4 Waardering van het bewijs

4.1

De kroongetuige

4.1.1

Inleiding

4.1.2

Totstandkoming van de overeenkomst

4.1.3

Verweren betreffende de rechtmatigheid van de overeenkomst

4.1.4

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst

4.1.4.1 Onjuiste toepassing kroongetuigenregeling?

4.1.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan?

4.1.4.3 Samenvatting en conclusie

4.1.5

Betrouwbaarheid van de kroongetuige

4.1.5.1 Verweer van de verdediging

4.1.5.2 Oordeel van de rechtbank

4.1.6

Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU?

4.2

PGP-bewijs

4.3

PGP-identificatie

4.3.1

Identificatie e-mailadressen verdachten Marengo

4.3.2

Identificatie e-mailadressen overige gebruikers

4.3.3

Identificatie e-mailadres [verdachte]

4.4

Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie)

4.4.1

Standpunten

4.4.2

Oordeel van de rechtbank

4.4.2.1 Juridisch kader artikel 140 Sr

4.4.2.2 Gepleegde misdrijven

4.4.2.3 Wagenpark

4.4.2.4 Onderzoek Koper

4.4.2.5 Aangetroffen administraties

4.4.2.6 Verklaringen van [medeverdachte 1]

4.4.2.7 Conclusie ten aanzien van de criminele organisatie

4.4.2.8 Deelname aan de criminele organisatie

5 Bewezenverklaring

6 Strafbaarheid van het feit

7 Strafbaarheid van verdachte

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van het Openbaar Ministerie

8.2

Standpunt van de verdediging

8.3

Oordeel van de rechtbank

8.3.1

Ernst van de feiten en persoon van de verdachte

8.3.2

Redelijke termijn

8.3.3

Wet straffen en beschermen

8.3.4

Conclusie

8.3.5

Voorlopige hechtenis

9 Beslag

9.1

Standpunten

9.2

Oordeel van de rechtbank

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

11 Beslissingen

Bijlage 1 – Overzicht PGP-e-mailadressen en gebruikers

Bijlage 2 – Feitenvaststelling overige zaaksdossiers

Bijlage 3 – Bewijsoverwegingen criminele organisatie ten aanzien van de medeverdachten

Bijlage 4 – Standpunten en toelichting Openbaar Ministerie met betrekking tot beslag

1 Onderzoek

1.1

Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 28 november 2018, 6 februari 2019, 18 april 2019, 10, 11 en 12 juli 2019, 24 september 2019, 12 en 13 december 2019, 27 en 28 februari 2020, 11, 12, 13 en 27 augustus 2020, 3 september 2020, 28 en 29 oktober 2020, 3 november 2020, 13, 14 en 15 januari 2021, 11, 12 en 22 maart 2021, 7 en 16 april 2021, 29 en 30 juni 2021, 14, 15, 21 en 22 september 2021, 13 oktober 2021, 16, 17, 20 en 22 december 2021, 1 en 21 maart 2022, 17 en 20 mei 2022, 8, 9, 13, 14, 16, 20, 21, 23 en 28 juni 2022, 13 september 2022, 11 oktober 2022, 6 december 2022, 22 februari 2023, 27 en 29 maart 2023, 6 april 2023, 17 mei 2023, 14 juli 2023, 6 oktober 2023, 21 december 2023, 6 en 14 februari 2024.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie) en van wat verdachte en zijn verdediging (hierna: de verdediging) naar voren hebben gebracht.

1.2

Inleidende opmerkingen

1.2.1

Werkwijze van de rechtbank

Het onderzoek Marengo heeft betrekking op zeventien verdachten. Zestien van hen worden verdacht van betrokkenheid bij een of meer moorden, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. Alle verdachten worden beschuldigd van betrokkenheid bij dezelfde criminele organisatie die gericht was op moorden, vuurwapendelicten en gekwalificeerde diefstal. In dit vonnis zijn de overwegingen en beslissingen opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. De rechtbank wijst vandaag ook vonnis in de zaken van de zestien andere verdachten die (grotendeels) gelijktijdig terecht hebben gestaan.

De rechtbank zal in plaats van de term ‘verdachte’ steeds de namen van de verdachten gebruiken: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 15] , [verdachte] en [medeverdachte 16] . De rechtbank gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere verdachten in het dossier dezelfde achternaam hebben en de hele voornaam als ze ook dezelfde voorletter hebben.

Omdat in de zaak van [medeverdachte 1] het onderzoek ter terechtzitting al was aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland treedt de rechtbank in zijn zaak op als de rechtbank Midden-Nederland. In de zaak van [medeverdachte 3] was het onderzoek ter terechtzitting met betrekking tot het onderzoek Zeilboot al aangevangen bij de rechtbank Midden-Nederland op het moment dat de zaak Marengo aanving bij de rechtbank Amsterdam. Dat is de reden dat er in de zaak van [medeverdachte 3] separate vonnissen worden gewezen.

Het onderzoek Marengo bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken die onderling met elkaar verweven zijn, door de daarop gebaseerde verdenking van het leidinggeven aan dan wel de deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte in zal gaan, maar waar nodig ook hetgeen is aangevoerd in de zaken van de andere verdachten (ambtshalve) in haar oordeel zal betrekken.

1.2.2

Start van het onderzoek

Op 14 januari 2017 heeft [medeverdachte 1] zich na overleg met zijn advocaat laten aanhouden en vanaf dat moment is een kroongetuigetraject gaan lopen. [medeverdachte 1] heeft in 41 kluisverklaringen verklaard over een aantal moorden of pogingen daartoe waar hij deels zelf bij betrokken is geweest. Op 27 december 2017 is dit uitgemond in een overeenkomst met [medeverdachte 1] als kroongetuige. Door zijn verklaringen en door ontsleutelde PGP-berichten is een groot aantal verdachten in beeld gekomen die ervan verdacht worden te behoren tot een organisatie die verantwoordelijk is voor tot op dat moment grotendeels onopgeloste levensdelicten. Het onderzoek dat hieruit voortkwam kreeg de naam Marengo. [medeverdachte 1] was op 5 september 2017, dus al voordat hij de overeenkomst sloot, als verdachte aangehouden in de zaak Roos/Doorn. Op 18 december 2017 is [medeverdachte 8] , op wie de nacht daarvoor een aanslag was gepleegd waarbij hij gewond is geraakt, als eerste verdachte aangehouden in het onderzoek Marengo. In de loop van 2018, 2019 en 2020 zijn de overige verdachten in het onderzoek Marengo aangehouden.1

1.2.3

Procesdossier Marengo

Het procesdossier bevat (zoveel mogelijk chronologisch) de volgende deelonderzoeken:

  1. Rudolf: de moord op [slachtoffer 1] op 9 september 2015 en het beramen van een ontploffing in de spyshop te Nieuwegein in de periode van 15 augustus 2015 tot en met 19 oktober 2015;

  2. Ster: de moord op [slachtoffer 2] op 17 april 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] in de periode van 1 maart 2016 tot en met 17 april 2016;

  3. Aker: de moord op [slachtoffer 3] op 9 mei 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 3] in de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 januari 2016;

  4. Kreta: de moord op [slachtoffer 4] op 22 juni 2016 en het beramen van de moord op [slachtoffer 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in de periode van 17 april 2016 tot en met 22 juni 2016;

  5. Tennis: de poging tot moord op [betrokkene 5] op 11 oktober 2016;

  6. Plato: de poging tot moord op [betrokkene 6] op 5 december 2016;

  7. Zeilboot/Raspvijl: de poging tot moord en de moord op [slachtoffer 5] op 8 december 2016 en de poging tot moord op [slachtoffer 5] op 2 juli 2016;

  8. Roos/Doorn: de moord op [slachtoffer 6] op 12 januari 2017 en het beramen van de moord op [betrokkene 7] in de periode 1 december 2016 tot en met 14 januari 2017;

  9. De criminele organisatie in de periode van 16 juli 2015 tot en met 14 januari 2017.

Daarnaast bevat het dossier het onderzoek Alpine, dat gaat over een witwasverdenking tegen [medeverdachte 15] .

In het strafdossier van iedere verdachte is, behalve het gehele Marengo-dossier (met bovengenoemde negen deelonderzoeken), tevens gevoegd:

10. alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Marengo-verdachten (met uitzondering van de processen-verbaal van de terechtzittingen over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten en de processen-verbaal van de terechtzittingen waarin enkel is gepleit of gedupliceerd; deze processen-verbaal maken slechts deel uit van het strafdossier van de desbetreffende verdachte);

10. alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van een of meer van de verdachten zijn opgemaakt.

Alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de terechtzittingen maken dus deel uit van het procesdossier, ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het procesdossier voor elke verdachte (afgezien van de persoonsdossiers) gelijkluidend is.

2 Tenlastelegging

Aan [verdachte] is ten laste gelegd zoals op de zitting van 27 augustus 2020 nader is omschreven dat

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 14 januari 2017 te IJsselstein en/of Utrecht en/of Landsmeer en/of Zaandam en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of Laren en/of Huizen en/of Nieuwegein, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en/of (onder andere)

[medeverdachte 16] en/of

[medeverdachte 9] en/of

[medeverdachte 1] en/of

[medeverdachte 11] en/of

[medeverdachte 12] en/of

[medeverdachte 5] en/of

[medeverdachte 4] en/of

[medeverdachte 6] en/of

[medeverdachte 7] en/of

[medeverdachte 13] en/of

[medeverdachte 14] en/of

[medeverdachte 15] en/of

[medeverdachte 8] en/of

[medeverdachte 10] en/of

[medeverdachte 3] en/of

[medeverdachte 2]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht) en/of

- gekwalificeerde diefstal (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- bezit vuurwapens en/of munitie (artikel 26 Wet Wapens en Munitie).

3 Voorvragen

In zaken van medeverdachten is verweer gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Voor zover deze verweren het onderwerp ‘de kroongetuige’ betreffen, zijn de overwegingen en beslissingen van de rechtbank van belang in de zaken van alle verdachten. Deze zijn daarom ambtshalve in dit vonnis opgenomen in het hierop volgende hoofdstuk 4 met de titel ‘Waardering van het bewijs’. Voor wat betreft dit gedeelte van het vonnis is de tekst voor alle verdachten gelijkluidend. Als in hoofdstuk 4.1 over ‘de verdediging’ wordt gesproken, wordt daarmee de verdediging van enkele medeverdachten bedoeld.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten, het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

De kroongetuige

4.1.1

Inleiding

In dit onderdeel zal de rechtbank de rechtmatigheid beoordelen van de overeenkomst die de Staat der Nederlanden heeft gesloten met [medeverdachte 1] als kroongetuige en daarnaast een oordeel geven over de betrouwbaarheid van de verklaringen die hij heeft afgelegd.

De rechtbank zal eerst de totstandkoming van de overeenkomst met [medeverdachte 1] beschrijven. Daarna zal zij de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen. Vervolgens komen de verweren aan bod die de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] betwisten. Hoewel de door de verschillende verdachten gevoerde verweren niet geheel overeenkomen en niet alle verdachten zich over en weer bij alle verweren hebben aangesloten, zal de rechtbank ze gezamenlijk bespreken, ook in de vonnissen van de verdachten namens wie geen verweer gevoerd is.

Het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigenovereenkomst ligt op grond van de wettelijke regeling primair bij de rechter-commissaris. Maar als de rechtmatigheid van deze overeenkomst uitdrukkelijk onderbouwd door de verdediging wordt bestreden, moet de rechtbank – als zij oordeelt dat de overeenkomst wel rechtmatig is – de redenen geven die daartoe hebben geleid (artikel 359 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)).

De rechtbank dient te beoordelen of de overeenkomst met [medeverdachte 1] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en/of de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst – in het licht van de gevoerde verweren – binnen de grenzen van het recht is gebleven.

4.1.2

Totstandkoming van de overeenkomst

[medeverdachte 1] is op 14 januari 2017 met een vuurwapen in Amsterdam aangehouden en vervolgens in voorlopige hechtenis genomen. Dit was een vooropgezet plan, waarover hij met zijn raadsman had overlegd. Na zijn aanhouding heeft hij verteld dat hij klem zat tussen twee groeperingen – de familie [familie van slachtoffer 6] en de groepering rond [medeverdachte 16] –, dat hij zelf betrokken was geweest bij verschillende liquidaties en dat hij bereid was daarover verklaringen af te leggen. In de dagen daarna hebben gesprekken plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] , bijgestaan door zijn raadsman, het Team Bijzondere Getuigen (TBG) en de aan dat team verbonden officier van justitie (de TBG-officier van justitie). In die gesprekken heeft [medeverdachte 1] gemeld over welke levensdelicten hij zou kunnen verklaren en zijn de voorwaarden voor het afleggen van kluisverklaringen besproken. Uiteindelijk heeft hij tussen 26 januari 2017 en 18 mei 2017 in totaal 41 kluisverklaringen afgelegd. In de maanden daarna heeft een verificatieonderzoek naar deze verklaringen plaatsgevonden.

In september 2017 is [medeverdachte 1] als verdachte aangemerkt in het onderzoek Roos en in zijn cel aangehouden. Deze aanhouding was niet gebaseerd op de kluisverklaringen van [medeverdachte 1] (die immers nog in de kluis lagen), maar op andere onderzoeksbevindingen. In november 2017 heeft [medeverdachte 1] een voorovereenkomst ondertekend. Op 20 december 2017 heeft het College van procureurs-generaal toestemming gegeven voor de voorgenomen overeenkomst. Op 27 december 2017 heeft [medeverdachte 1] een overeenkomst gesloten met de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door een officier van justitie, nadat de rechter-commissaris op dezelfde datum deze overeenkomst tussen de Staat der Nederlanden en [medeverdachte 1] had getoetst en rechtmatig had bevonden. De rechter-commissaris heeft deze beslissing op 29 december 2017 schriftelijk vastgelegd en ondertekend. De ondertekende overeenkomst is tekstueel gelijk aan de voorovereenkomst.

In de overeenkomst verbindt [medeverdachte 1] zich om als getuige verklaringen af te leggen met betrekking tot een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (hierna: de dealfeiten) en doet hij afstand van zijn verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Sv. Daarnaast verklaart [medeverdachte 1] dat de inhoud van zijn kluisverklaringen naar zijn beste weten volledig op waarheid berust. De officier van justitie verbindt zich om bij onverkorte nakoming door [medeverdachte 1] de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten te zullen stellen op twaalf jaren gevangenisstraf. Daarbij verklaart de officier van justitie dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige is, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van vierentwintig jaren zou inhouden.

In de overeenkomst is vastgelegd dat [medeverdachte 1] wordt vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan) en voorbereiding voor deze moord, het medeplegen van de moord op [slachtoffer 6] (hierna: [slachtoffer 6] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan, meer subsidiair voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 7] (hierna: [betrokkene 7] )), het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ) (subsidiair de medeplichtigheid daaraan en – de rechtbank begrijpt, meer subsidiair – voorbereidingshandelingen voor die moord) en de deelname aan een criminele organisatie die in het bijzonder tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties.

[medeverdachte 1] is na het sluiten van de overeenkomst nog tientallen keren, vaak hele dagen lang, verhoord. Vanaf maart 2018 is hij intensief verhoord door de (tactische) recherche. Op de terechtzitting van 11 juli 2019 is er een eerste gelegenheid geweest voor de verdediging om [medeverdachte 1] vragen te stellen. Verspreid over het eerste half jaar van 2020 is hij vervolgens veertien dagen verhoord door de rechter-commissaris, waarbij de verdediging hem voor het eerst uitgebreid vragen kon stellen. Vanaf december 2020 is [medeverdachte 1] meermaals ter terechtzitting verhoord, eerst door de rechtbank en vervolgens door diverse advocaten. Het laatste verhoor ter terechtzitting vond plaats op 6 februari 2024, in de zaak van [medeverdachte 9] . Het dossier bevat in totaal ruim 3.000 pagina’s aan verhoren van [medeverdachte 1] .

4.1.3

Verweren betreffende de rechtmatigheid van de overeenkomst

Er zijn diverse verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] , omdat de overeenkomst met [medeverdachte 1] niet rechtmatig is.

Zo is aangevoerd dat de huidige toepassing van de kroongetuigenregeling, zoals door de Hoge Raad is goed gevonden in het Passageproces, niet juist is in het licht van de wetsgeschiedenis. Uitgangspunt van de kroongetuigenregeling is dat een kroongetuige geen koopgetuige mag zijn, maar in de huidige praktijk is de beschermingsovereenkomst een vrijplaats voor het geven van een financiële beloning in ruil voor verklaringsbereidheid. Enig rechterlijk toezicht ontbreekt, terwijl artikel 226j lid 3 Sv daarvoor wel een aanknopingspunt biedt. In deze zaak zijn er door de iPhone-berichten van [medeverdachte 1] sterke aanwijzingen dat er een toezegging is gedaan van een buitenproportionele beloning. Uit die berichten blijkt dat [medeverdachte 1] geld wil zien en zelf een causaal verband legt tussen dat geld en zijn verklaringen. Dat is in strijd met de bedoeling van de wetgever en daarmee in strijd met de wet en dus onrechtmatig.

Doordat de verdediging geen inzicht wordt verschaft in de financiële inhoud van de beschermingsovereenkomst, een rechter hier geen kennis van heeft kunnen nemen en de vragen aan de kroongetuige over zijn financiële verwachtingen werden belet, kan niet worden volgehouden dat de verdediging een redelijke gelegenheid heeft gehad om de wederrechtelijkheid van de afspraken met de kroongetuige, waaronder de mogelijkheid van de beïnvloeding van de betrouwbaarheid van die getuige door die overeenkomst, te presenteren. Dit is een schending van de in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) vervatte ‘equality of arms’. Daar komt bij dat aannemelijk is dat de verklaringen van de kroongetuige, indien deze worden gebruikt, van doorslaggevend belang zullen zijn, maar er geen maatregelen zijn getroffen ter compensatie van het gebrek aan kennis van de verdediging over de totstandkoming van de overeenkomst.

Daarnaast is door de verdediging aangevoerd dat er aan [medeverdachte 1] ongeoorloofde toezeggingen zijn gedaan. Zo beweert hij zelf dat hem is toegezegd dat de straf die aan hem is opgelegd voor het wapenbezit op 14 januari 2017 op enigerlei wijze in de executiefase zou worden verdisconteerd in de aan hem op te leggen straf in de zaak Marengo. Als door het Openbaar Ministerie verdiscontering van de voornoemde straf is afgesproken, dan staat vast dat [medeverdachte 1] in strijd met de wet meer korting op zijn straf toegezegd heeft gekregen dan is toegestaan. Daarmee is in strijd met de wet gehandeld en derhalve is er wederom sprake van een schending van artikel 6 EVRM.

Ook het feit dat bij de strafeis rekening wordt gehouden met de inmiddels gewijzigde regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: de v.i.-regeling) – waardoor netto slechts acht jaren gevangenisstraf resteert – levert volgens de verdediging een grotere korting op de straf op dan wettelijk is toegestaan. Daar komt bij dat de overeengekomen bruto-strafeis van vierentwintig jaren – vergeleken met de strafeisen in de zaken van de medeverdachten – al disproportioneel laag was. Bovendien is sprake van ontoelaatbare toezeggingen door [medeverdachte 1] niet te vervolgen in de zaken Zeilboot/Raspvijl en Orinoco, door hem niet te vervolgen voor Opiumwetdelicten, door het ongemoeid laten van het financiële voordeel (uit drugshandel, liquidaties, chantage en witwaspraktijken) en door de begunstiging van de levenspartner van [medeverdachte 1] . Dit geldt ook voor de keuzes die het Openbaar Ministerie gemaakt heeft bij het opstellen van de tenlasteleggingen van [medeverdachte 1] . Hij wordt in de zaak Kreta – anders dan zijn medeverdachten – niet vervolgd voor voorbereiding van de moord op de broers [betrokkene 4] en [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), hoewel hij daartoe wel handelingen heeft verricht. In de zaak Roos/Doorn wordt hij de facto niet vervolgd voor voorbereiding van de moord op [betrokkene 7] , nu dit meer subsidiair ten laste is gelegd en daar dus niet aan toe gekomen zal worden.

Tot slot stelt de verdediging dat er een extra begunstiging zit in bepaling 4.2 van de overeenkomst, waarin staat dat als [medeverdachte 1] de overeenkomst niet is nagekomen, hij een redelijke termijn krijgt om dat alsnog te doen. Dit is een toezegging die buiten het kader van artikel 226g Sv valt. Daarmee is in strijd met de wet gehandeld en een onrechtmatige overeenkomst gesloten. Ook dit levert een schending van artikel 6 EVRM op.

4.1.4

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overeenkomst

4.1.4.1 Onjuiste toepassing kroongetuigenregeling?

In de Passage-arresten van 23 april 2019 heeft de Hoge Raad de door het gerechtshof Amsterdam geschetste kaders waarbinnen de kroongetuigenregeling moet worden toegepast, bevestigd.2 Kern is volgens de Hoge Raad ‘dat toezeggingen met betrekking tot de feitelijke bescherming van de getuige geen onderdeel uitmaken van de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde afspraak en evenmin kunnen worden beschouwd als afspraken in de zin van art. 226g, vierde lid, Sv, zodat voor het openbaar ministerie geen verplichting bestaat dergelijke toezeggingen bekend te maken en deze ook geen voorwerp zijn van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv of door de zittingsrechter’.3 Dat is de wettelijke regeling zoals zij op dit moment is. De omstandigheid dat er in de wetenschap en in de politiek af en toe gepleit wordt voor een aanpassing van de regeling en de invoering van een onafhankelijke toetsing van de op grond van artikel 226l Sv gesloten beschermingsovereenkomst, doet daaraan niet af. Voor een toetsing van de beschermingsovereenkomst door de rechter-commissaris biedt artikel 226j lid 3 Sv thans in ieder geval geen grondslag.4

Uitgangspunt van de kroongetuigenregeling is – daar heeft de verdediging gelijk in – dat de verklaring van de kroongetuige niet ‘gekocht’ mag worden. Anderzijds zullen de beschermingsmaatregelen die uiteindelijk worden getroffen veelal ook een financiële component bevatten. Een kroongetuige zal eenmaal op vrije voeten immers een nieuw bestaan moeten opbouwen en dat kost geld. De stelling van de verdediging dat er sterke aanwijzingen zijn dat er in het onderhavige geval sprake is van een koopgetuige en dat er (dus) een causaal verband is tussen de verklaringen van de kroongetuige (c.q. zijn verklaringsbereidheid) en een beloning, volgt de rechtbank echter niet. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door de verdediging ingebrachte chats van de kroongetuige met familieleden, die zijn teruggevonden op de iPhone die hij in de periode september 2017 tot medio februari 2018 heimelijk in zijn cel heeft gehad. Op grond van die berichten lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat [medeverdachte 1] in het kader van de beschermingsovereenkomst zoveel mogelijk geld wilde ontvangen. Er is echter geen aanknopingspunt voor de stelling dat er vervolgens ook daadwerkelijk zulke hoge geldbedragen aan [medeverdachte 1] zijn toegezegd, dat die redelijkerwijs niet meer met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht.

Redengevend is daarbij dat de door de verdediging geciteerde berichten weliswaar duidelijk maken dat [medeverdachte 1] bepaalde financiële wensen heeft, maar dat nergens blijkt dat het Openbaar Ministerie deze wensen vervolgens ook heeft gehonoreerd. Verder dateren de berichten waarin [medeverdachte 1] zijn wensen aan zijn familieleden kenbaar maakt, voor een deel van januari 2018, dus van na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst op 27 december 2017 verbond hij zich om verklaringen af te leggen. Kennelijk waren de beschermingsmaatregelen en de daarbij behorende financiële afspraken toen nog niet geregeld. Daar komt bij dat de kluisverklaringen, waarin hij over alle dealfeiten uitgebreid heeft verklaard, ruim daarvoor – in de periode van januari tot mei 2017 – zijn afgelegd. Er was toen nog geen concreet zicht op een overeenkomst en een van de hoofdpunten van de kroongetuigenovereenkomst is, naast het afleggen van nadere verklaringen, dat hij in die kluisverklaringen de waarheid heeft verklaard. Die kluisverklaringen kunnen dus hoe dan ook niet aangemerkt worden als ‘gekocht’. Er is het voorgaande in aanmerking nemende geen aanknopingspunt voor de suggestie van de verdediging dat [medeverdachte 1] welbewust over zoveel mogelijk feiten is gaan verklaren, om een (financieel) zo gunstig mogelijke deal eruit te slepen.

De omstandigheid dat de verdediging de (financiële aspecten van de) beschermingsmaatregelen niet kan toetsen levert geen schending van het beginsel van ‘equality of arms’ op. De positie van de verdediging verschilt hierin immers niet van het zaaks-Openbaar Ministerie en de verdediging heeft bovendien volop de gelegenheid gehad om het waarheidsgehalte van de kluisverklaringen en (daarmee) de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen. Van een onjuiste toepassing van de kroongetuigenregeling – en van een schending van artikel 6 EVRM – is gezien het bovenstaande geen sprake.

4.1.4.2 Zijn er ongeoorloofde toezeggingen gedaan?

De verweren richten zich voor een groot deel op (vermeend) ongeoorloofde toezeggingen. Daarvoor geldt het volgende. De toezegging die in het kader van een kroongetuigenovereenkomst mag worden gedaan is dat strafvermindering met toepassing van artikel 44a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) zal worden gevorderd, te weten – voor zover hier van belang – maximaal de helft bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast kan er sprake zijn van zogenoemd gunstbetoon als bedoeld in artikel 226g lid 4 Sv. Dit gaat om het gebruik van wettelijke bevoegdheden door de officier van justitie die een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van de kroongetuige tot het afleggen van een verklaring, maar die niet strekken tot strafvermindering of anderszins verband houden met de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Gunstbetoon ziet op toezeggingen van relatief geringe omvang. Een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten, is geen toezegging in de zin van de wet.

In de door het College van procureurs-generaal opgestelde Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) is het kader van de toezeggingen nader uitgewerkt, waarbij in artikel 5 de niet toelaatbare toezeggingen zijn omschreven. Dit artikel luidt, voor zover van belang:

‘De officier van justitie mag geen toezeggingen doen met betrekking tot:

1. de inhoud van de tenlastelegging (zogenoemde plea-bargaining, bijvoorbeeld over het aantal op te nemen feiten in de dagvaarding en de zwaarte daarvan);

2 .het in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid afzien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten (een toezegging die strekt tot het staken van de opsporing of tot een sepot na afsluiting van het opsporingsonderzoek in afwijking van het bestaande vervolgingsbeleid, is derhalve niet toegestaan);

3. (…)

4. het geven van een financiële beloning;

5. (…)

6. het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing;

7. het begunstigen van anderen dan de getuige, zoals diens levenspartner;

8. (…)’

Financiële beloning?

Hiervoor is al overwogen dat de berichten in de iPhone van [medeverdachte 1] weliswaar de conclusie rechtvaardigen dat hij zoveel mogelijk geld wilde ontvangen in het kader van de beschermingsovereenkomst, maar dat er geen aanwijzing is dat het Openbaar Ministerie hierin is meegegaan en hem – via de beschermingsovereenkomst – in ruil voor zijn verklaringen een financiële beloning heeft toegezegd.

Veroordeling wapenbezit in januari 2017

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] zich op 14 januari 2017 heeft laten aanhouden met een vuurwapen omdat hij bescherming zocht. Bij een doorzoeking zijn vervolgens een tweede vuurwapen en een jammer aangetroffen. [medeverdachte 1] is hiervoor vervolgd en aan hem is uiteindelijk in hoger beroep op 20 september 2018 zeven maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest opgelegd. Als basis voor de stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van een ongeoorloofde toezegging, geldt de bewering van [medeverdachte 1] dat het Openbaar Ministerie hem zou hebben toegezegd dat de straf voor het wapenbezit bij de executie afgetrokken zou worden van de uiteindelijk op te leggen straf in de zaak Marengo. [medeverdachte 1] en zijn verdediging baseren dit op handgeschreven berekeningen van [advocaat] . Het Openbaar Ministerie betwist echter dat een dergelijke afspraak is gemaakt.

De rechtbank stelt voorop dat de afspraak die volgens [medeverdachte 1] gemaakt is, een afspraak zou zijn als genoemd in artikel 5 lid 6 van de Aanwijzing, en dat deze daarmee ongeoorloofd zou zijn. Dat deze toezegging door het Openbaar Ministerie gedaan zou zijn is echter niet aannemelijk geworden. De verklaring van [medeverdachte 1] en de berekeningen van [advocaat] zijn daarvoor onvoldoende, waarbij wordt meegewogen dat de andere advocaat die [medeverdachte 1] destijds bijstond heeft verklaard dat die afspraak niet is gemaakt. Bovendien hebben partijen bij het ondertekenen van de kroongetuigenovereenkomst ten overstaan de rechter-commissaris uitdrukkelijk verklaard dat er geen verdere of andersluidende afspraken zijn gemaakt.

Is de basis-strafeis van vierentwintig jaren proportioneel?

Zoals hiervoor besproken heeft het Openbaar Ministerie in de overeenkomst de basis-strafeis bepaald op een gevangenisstraf van vierentwintig jaren en toegezegd om vijftig procent hiervan als straf te zullen eisen bij nakoming van de verplichtingen door [medeverdachte 1] . In het algemeen geldt dat het Openbaar Ministerie bij het bepalen van een strafeis een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter moet eerbiedigen. Dat geldt ook voor een strafeis tegen een kroongetuige. Het is echter denkbaar dat een toegezegde basis-strafeis tegen een kroongetuige zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. Daarvan is sprake als het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid niet tot de toegezegde basis-strafeis heeft kunnen komen.

[medeverdachte 1] wordt (kort gezegd) vervolgd voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 4] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan) en voorbereiding van deze moord (subsidiair de medeplichtigheid daaraan), het medeplegen van de moord op [slachtoffer 6] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan, meer subsidiair voorbereidingshandelingen voor de moord op [betrokkene 7] ), het medeplegen van de poging tot moord op [betrokkene 5] (subsidiair de medeplichtigheid daaraan en – de rechtbank begrijpt, meer subsidiair – voorbereidingshandelingen voor die moord) en de deelname aan een criminele organisatie die in het bijzonder tot oogmerk heeft het plegen van liquidaties. In vergelijking met de straffen die het Openbaar Ministerie in de zaak Marengo heeft geëist tegen medeverdachten is de basis-strafeis van vierentwintig jaren gevangenisstraf naar de huidige maatstaven laag te noemen. Daarbij moet echter worden meegewogen dat de overeenkomst is gesloten in december 2017 en dat de straffen die destijds voor dergelijke feiten werden opgelegd beduidend lager waren dan thans het geval is. Alle omstandigheden overziend is de basis-strafeis van vierentwintig jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen, terwijl de maximale strafkorting van vijftig procent niet wordt overschreden. Daarom acht de rechtbank de overeenkomst met [medeverdachte 1] ook op het punt van de overeengekomen basis-strafeis niet onrechtmatig.

Aanpassing strafeis aan nieuwe v.i.-regeling

Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie een lagere straf geëist dan in de overeenkomst is toegezegd. Aanleiding daarvoor is de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021. In deze nieuwe wet is de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling gemaximeerd tot twee jaren bij gevangenisstraffen vanaf zes jaren. De basis-strafeis van vierentwintig jaren zou ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een gevangenisstraf van twaalf jaren en een netto gevangenisstraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [medeverdachte 1] volgens het Openbaar Ministerie bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan. Tijdens de gesprekken daarover met de raadslieden van [medeverdachte 1] is, toen het ging over de netto-strafverwachting, het voornemen van het kabinet om de v.i.-regeling te versoberen wel aan bod gekomen. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie aan de raadslieden aangegeven dat de afspraak zoals die met [medeverdachte 1] op dat moment werd gemaakt (en de gerechtvaardigde verwachtingen die [medeverdachte 1] daaraan mocht ontlenen) door het Openbaar Ministerie zouden worden geëerbiedigd. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij steeds gezegd dat het laatste woord hierover uiteraard aan de rechter is. De inhoud van de overeenkomst biedt volgens het Openbaar Ministerie ruimte om een gevangenisstraf te eisen die erop neerkomt dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten, nu in de overeenkomst is opgenomen: ‘onder gelijkblijvende omstandigheden’. Na de invoering van de Wet straffen en beschermen zijn de omstandigheden gewijzigd. In het requisitoir is daarom niet vierentwintig jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, welke met vijftig procent is verminderd tot de uiteindelijke strafeis van tien jaren gevangenisstraf in plaats van twaalf jaren gevangenisstraf. De verdediging stelt zich echter op het standpunt dat het Openbaar Ministerie daarmee een grotere korting op de strafeis heeft gegeven dan de wet toestaat.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij het aangaan van de overeenkomst in 2017 gold de oude regelgeving die erop neerkwam dat een veroordeelde tot een lange gevangenisstraf in beginsel na het uitzitten van twee derde van zijn gevangenisstraf in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 1] konden bij het aangaan van de overeenkomst geen rekening houden met de gevolgen die de Wet straffen en beschermen zou hebben voor de uitvoering van de aan [medeverdachte 1] op te leggen straf, omdat de invoering van die wet nog onzeker was. De mogelijkheid dat [medeverdachte 1] na de inwerkingtreding van deze wet bij een gelijkblijvende basis-strafeis in een nadeliger positie zou komen te verkeren dan waar hij op grond van de overeenkomst van uit mocht gaan, is wel onder ogen gezien. Hoewel in de overeenkomst alleen gesproken wordt over de basis-strafeis en niet over de netto uit te zitten gevangenisstraf, acht de rechtbank het aannemelijk dat juist de te verwachten netto gevangenisstraf voor [medeverdachte 1] van belang is geweest bij de vraag of hij de overeenkomst wilde aangaan. In die zin is er dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden die tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor [medeverdachte 1] nu anders uitpakt dan hij bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. Gelet op het belang dat opgewekt vertrouwen in beginsel gehonoreerd dient te worden is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie in afwijking van de overeenkomst zijn strafeis ter zitting mocht baseren op een basis-strafeis van twintig jaren gevangenisstraf. De rechtmatigheid van de overeenkomst wordt daardoor ook achteraf niet aangetast.

Het niet vervolgen voor bepaalde zaken en de keuzes bij de tenlastelegging

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leent de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Ditzelfde geldt voor de spiegelbeeldige beslissing om niet te vervolgen. Maatstaf is daarbij of niet geoordeeld kan worden dat een redelijk handelend lid van dat Openbaar Ministerie van vervolging heeft kunnen afzien. Het enkele feit dat die vervolgingsbeslissing een criminele getuige betreft maakt niet dat daardoor de beoordelingsmaatstaf verandert.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hem enige weken na de poging om [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5] ) te vermoorden door middel van een explosief onder zijn auto bij ’t Kalfje in Amsterdam (de zaak Raspvijl) door [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] is gevraagd of hij semtex kon leveren. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het zijn eigen conclusie was dat dit voor een nieuwe aanslag op [slachtoffer 5] bedoeld zou zijn. [medeverdachte 1] heeft daar toen navraag over gedaan bij een contactpersoon maar daar is het wat semtex betreft bij gebleven – deze is, zo verklaart [medeverdachte 1] , nooit door hem geleverd. Omdat de gesprekken die [medeverdachte 1] stelt te hebben gevoerd pas plaatsgevonden zouden hebben na de bomaanslag bij ’t Kalfje, kan de rechtbank niet inzien hoe dat leidt tot een strafbare rol van [medeverdachte 1] in de zaak Raspvijl. Ook los daarvan is niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie heeft afgezien van vervolging, alleen al omdat het in de verklaring van [medeverdachte 1] enkel gaat over gesprekken en steunbewijs ontbreekt.

Voor wat betreft de zaak Zeilboot geldt dat het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het leveren van kentekeninformatie door [medeverdachte 1] op 8 december 2016 onvoldoende is voor een strafbare rol van [medeverdachte 1] bij de moord op [slachtoffer 5] , nu hij vaker kentekeninformatie opvroeg en doorgaf, dit ook gebeurde voor bijvoorbeeld observaties door de politie en hij op dat moment niet wist dat de door hem opgevraagde informatie bedoeld was ten behoeve van de moord op [slachtoffer 5] . Voorts heeft het Openbaar Ministerie aangegeven dat het laten bevragen van kentekens en het doorgeven van die informatie wordt meegewogen in het verwijt van deelname aan de criminele organisatie. De rechtbank acht de beslissing om [medeverdachte 1] niet in de zaak Zeilboot te vervolgen – het dossier in ogenschouw nemend – niet onbegrijpelijk.

Met betrekking tot de zaak Orinoco – een schietincident op 24 december 2010 waarbij [medeverdachte 1] iemand in zijn been geschoten zou hebben – geldt dat het Openbaar Ministerie van het parket Midden-Nederland eind 2022 heeft beslist dat vervolging van [medeverdachte 1] daarvoor niet opportuun is ‘gezien (onder meer) het tijdsverloop, de recente veroordeling van [medeverdachte 1] voor het wapenbezit en de huidige vervolging van [medeverdachte 1] in 26Marengo, alsmede het feit dat de huidige ernstige problematiek op het gebied van cocaïnehandel en de daarmee gepaard gaande geweldsdelicten al alle focus en capaciteit kosten van politie en justitie Midden-Nederland.’5 Een dergelijke beslissing valt niet alleen binnen de beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie heeft, maar kan bovendien – nu deze vijf jaren na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst pas is genomen – nimmer worden aangemerkt als een (ongeoorloofde) toezegging in het kader van die overeenkomst. Dit zou alleen anders zijn als op voorhand zou zijn toegezegd dat er geen vervolging zou plaatsvinden voor na het sluiten van de overeenkomst opkomende verdenkingen, maar dat daar sprake van is, is gesteld noch gebleken.

Hoewel er – vooral op basis van de eigen verklaringen van [medeverdachte 1] – ontegenzeggelijk aanwijzingen zijn dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan Opiumwetdelicten, valt de beslissing van het Openbaar Ministerie om hem daar niet voor te vervolgen zonder meer binnen de beoordelingsvrijheid die het ten aanzien daarvan heeft. Het opsporingsonderzoek heeft zich immers niet hierop gericht, maar op een groter belang, namelijk een groot aantal moorden en pogingen daartoe, voorbereidingshandelingen voor moorden en een criminele organisatie die zich met moorden bezighield. Die beslissing van het Openbaar Ministerie beoordeelt de rechtbank niet als een ontoelaatbare toezegging.

Voor geen van de door de verdediging genoemde kwesties – het niet vervolgen van [medeverdachte 1] in de zaken Zeilboot/Raspvijl en Orinoco, het niet vervolgen voor Opiumwetdelicten – geldt derhalve dat de door het Openbaar Ministerie genomen beslissingen onbegrijpelijk zijn en buiten de beoordelingsvrijheid vallen die het Openbaar Ministerie toekomt. Dit geldt ook voor de (andere) keuzes die het Openbaar Ministerie gemaakt heeft bij het opstellen van de tenlasteleggingen. De keuze om [medeverdachte 1] in de zaak Roos/Doorn alleen in de subsidiaire variant voor voorbereiding van de moord op [betrokkene 7] te vervolgen is – nu hij na de (vergis)moord op [slachtoffer 6] is gestopt met die voorbereidingen – niet onbegrijpelijk. Dit geldt ook voor de keuze om hem in de zaak Kreta niet te vervolgen voor voorbereiding van moord op [betrokkene 2] en [betrokkenen 3 en 4] , nu hij over de zaak Kreta uitgebreide verklaringen heeft afgelegd en het zwaartepunt van zijn voorbereidingshandelingen duidelijk lag bij [slachtoffer 4] . Dat het Openbaar Ministerie hierover – in strijd met het in artikel 5 lid 1 en 2 van de Aanwijzing verwoorde immuniteitsverbod – toezeggingen heeft gedaan aan dan wel afspraken heeft gemaakt met [medeverdachte 1] , is bovendien gesteld noch aannemelijk geworden.

Begunstiging levenspartner [medeverdachte 1] ?

De verdediging stelt dat uit de berichten in de hiervoor genoemde iPhone blijkt dat de levenspartner van [medeverdachte 1] spreekt over maandelijkse toelagen, gelden die verborgen werden, een huis in Marokko dat zou worden gekocht en een auto, waarbij er ontevredenheid is over de auto. Dit zijn financiële voordelen voor de levenspartner die in strijd zijn met artikel 5 lid 7 van de Aanwijzing, aldus de verdediging.

Vast staat dat de partner van [medeverdachte 1] – door buiten haarzelf liggende omstandigheden – uit haar normale leven is weggerukt en in een beveiligingsprogramma terecht is gekomen. Dat de situatie waarin zij verkeert met zich kan brengen dat zij van de overheid een toelage en bepaalde voorzieningen krijgt, wekt geen bevreemding. De berichten waar de verdediging op wijst bieden geen ondersteuning voor de stelling dat er daarbij sprake zou zijn van een verboden toezegging aan [medeverdachte 1] door het begunstigen van zijn levenspartner.

Ongemoeid laten van financieel voordeel (uit drugshandel, liquidaties, chantage en witwaspraktijken)?

De verdediging stelt dat [medeverdachte 1] niet geconfronteerd is met een ontnemingsvordering en dat hij geen vragen hoefde te beantwoorden over drugshandel, zijn financiële voordeel en zijn – uit de berichten in de iPhone naar voren komende – chantage- en afpersingspraktijken. De verdediging verzuimt echter te onderbouwen waarom dit op een ongeoorloofde toezegging aan de kroongetuige zou wijzen. Op grond van de kroongetuigenovereenkomst is het duidelijk waarover [medeverdachte 1] verplicht is te verklaren. Ten aanzien van ander (vermeend) strafbaar handelen dan de dealfeiten heeft hij geen verklaringsplicht. Over eventueel financieel voordeel dat hij gehad heeft als gevolg van de dealfeiten is hij op grond van de overeenkomst wél verplicht te verklaren. De rechtbank constateert dat hij dat ook gedaan heeft en dat het enige financiële voordeel dat hij – naar eigen zeggen – heeft gehad € 5.000,- was voor zijn rol in de zaak Tennis. De keuze om ten aanzien van dit bedrag af te zien van een ontnemingsvordering past – gezien de hoogte van het bedrag, afgezet tegen de aard en de omvang van de verdenkingen waarvoor [medeverdachte 1] wel vervolgd wordt – binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt. Van een beslissing die zo onbegrijpelijk is dat deze moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen is geen sprake.

Is de bepaling in artikel 4.2 van de overeenkomst een ongeoorloofde toezegging?

Artikel 4.2 van de kroongetuigenovereenkomst luidt als volgt:

‘Zover de officier van justitie van mening is dat sprake is van de onder 4.1 sub a genoemde omstandigheid, zal hij zulks aangeven bij de raadsman van de getuige alsmede de getuige zelf en de getuige in staat stellen om binnen een redelijke termijn alsnog de voorwaarde uit de overeenkomst na te komen.’

Dit artikel verwijst naar het in artikel 4.1 sub a van de overeenkomst geformuleerde recht van de officier van justitie om deze schriftelijk te ontbinden in het geval dat de getuige enige voorwaarde uit de overeenkomst niet, niet volledig of niet naar behoren nakomt. De stelling van de verdediging dat er een extra begunstiging zit in deze bepaling kan de rechtbank niet volgen.

De verplichtingen van [medeverdachte 1] zijn in de overeenkomst als volgt omschreven:

1.1

De getuige verplicht zich vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst telkens overeenkomstig de hem door of vanwege het College van Procureurs-Generaal of de officier van justitie gegeven aanwijzingen onvoorwaardelijk zijn medewerking te verlenen aan het afleggen van (nadere) verklaringen tegenover leden van het Openbaar Ministerie of door of vanwege de officier van justitie aangewezen ambtenaren als bedoeld in artikel 141 Wetboek van Strafvordering. De verplichting tot het afleggen van deze (nadere) verklaringen heeft betrekking op de misdrijven die worden beschreven in de (kluis)verklaringen die als bijlage bij deze overeenkomst zijn gevoegd.

1.2

Een zelfde verplichting als onder 1.1 genoemd bestaat ten aanzien van het afleggen van getuigenverklaringen tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de strafkamer van enige rechtbank en/of de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig ressort en/of de strafkamer van enig gerechtshof in het kader van de strafrechtelijke vervolging, waaronder begrepen het op naam en zonder vermomming afleggen van verklaringen in een openbare terechtzitting, tenzij het Openbaar Ministerie vermomming noodzakelijk acht.

1.3

De getuige zal bij gelegenheid van de hiervoor onder 1.1 en/of 1.2 genoemde verhoren niet weigeren te verklaren over zijn eigen (al dan niet strafrechtelijk relevante) betrokkenheid bij de feiten die worden genoemd in de (kluis)verklaringen zoals neergelegd in de bijgevoegde processen-verbaal. Hij zal zijn verklaringen zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid afleggen. De getuige doet afstand van het hem als verdachte toekomende verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Wetboek van Strafvordering. Met betrekking tot onderwerpen die niet worden genoemd in de (kluis)verklaringen geldt het verschoningsrecht van de getuige onverkort.

1.4

De getuige verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat de inhoud van zijn (kluis)verklaringen, zoals deze blijkt uit bijgevoegde processen-verbaal naar zijn beste weten volledig op waarheid berust.

1.5

De getuige zal vanaf het moment van ondertekening van deze overeenkomst, behoudens het onder 1.6 gestelde, op geen enkele wijze tegenover derden, met uitzondering van zijn raadsman, zijn partner en zijn naaste familie, melding maken van deze overeenkomst en de (inhoud van) de daarin bedoelde verklaringen.

1.6

De getuige zal rechtstreeks noch door middel van een derde, onder wie zijn raadslieden, anders dan tegenover de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in enig arrondissement en/of de raadsheer- commissaris in enig resort en/of in een (openbare) terechtzitting van de strafkamer van enige rechtbank of gerechtshof, dan wel ingevolge enige (andere) wettelijke verplichting, mededeling doen over de totstandkoming van deze overeenkomst en de wijze waarop aan deze overeenkomst uitvoering wordt gegeven. De getuige zal geen mededeling doen over (aspecten van) getuigenbescherming(smaatregelen).

Slechts bij de eerste drie verplichtingen – het onvoorwaardelijk zijn medewerking verlenen aan het afleggen van nadere verklaringen over de dealfeiten tegenover de recherche (1.1), tegenover rechters (1.2) en het bij die verhoren niet mogen weigeren te verklaren over zijn eigen betrokkenheid bij de dealfeiten en het zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaren (1.3) – is het niet, niet volledig of niet naar behoren nakomen herstelbaar. Bij niet-nakoming van de overige verplichtingen, waarbij met name de onder 1.4 opgenomen verplichting voor [medeverdachte 1] dat de inhoud van zijn (kluis)verklaringen naar zijn beste weten volledig op waarheid berust in het oog springt, is niet-nakoming onherstelbaar. Naar haar aard kan een bepaling als artikel 4.2 slechts betrekking hebben op herstelbaar niet nakomen. Echter, ook zonder deze bepaling vloeit uit de artikelen 6:265 jo. 6:82 van het Burgerlijk Wetboek (BW) voort dat bij dergelijk niet nakomen pas tot ontbinding van de overeenkomst kan worden overgegaan nadat de schuldenaar een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen die termijn uitblijft. Een dergelijke contractsbepaling voegt dus niets toe. De stelling van de verdediging dat artikel 4.2 een vrijbrief is om te liegen en daarmee een ongeoorloofde toezegging van het Openbaar Ministerie, is derhalve onjuist.

4.1.4.3 Samenvatting en conclusie

Uit het hiervoor besprokene volgt dat de kroongetuigenregeling niet onjuist is toegepast door het Openbaar Ministerie en dat er geen aanwijzingen zijn dat aan [medeverdachte 1] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Daarbij geldt dat de overeenkomst met [medeverdachte 1] betrekking heeft op feiten als bedoeld in artikel 226g Sv en het Openbaar Ministerie het naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 1] te komen. Hij kon immers verklaren over een aantal voltooide en mislukte liquidaties waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen behelsden bovendien de vermeende opdrachtgever en het middenkader, die tot op dat moment niet of nauwelijks in beeld waren bij justitie. Door de verklaringen van [medeverdachte 1] kon zicht worden verkregen op een nog actieve criminele organisatie (zie hoofdstuk 4.4 Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie)) die (mede) als oogmerk had het plegen van moorden, die tot dan toe onder de radar was gebleven. Ook in onderling verband en samenhang bezien is er geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of het uitsluiten van de verklaringen van [medeverdachte 1] van het bewijs op die grond niet slagen.

4.1.5

Betrouwbaarheid van de kroongetuige

4.1.5.1 Verweer van de verdediging

Kern van het verweer van de verdediging is de stelling dat uit de bewoordingen van de wet en de Aanwijzing voortvloeit dat niet alleen de verklaringen van de kroongetuige op betrouwbaarheid dienen te worden beoordeeld, maar ook de persoon van de kroongetuige.

Daarbij heeft de verdediging in de eerste plaats gewezen op getuigen die [medeverdachte 1] omschrijven als een (pathologische) leugenaar. Ook wijst de verdediging op de wijze waarop [medeverdachte 1] (volgens de verdediging) overkomt als hij door rechters verhoord wordt (snel pratend, op het eerste oog betrouwbaar, maar ijskoud en zonder spijt) en het beeld dat opstijgt uit zijn iPhone-berichten (een nare houding naar zijn familie inzake getuigenbescherming, een schaker, een manipulator, ijskoud, iemand die aangeeft een boef te blijven, iemand die zich diffamerend uitlaat over de medewerkers van het Team Getuigenbescherming (TGB) en die het onderste uit de kan wil). Het beeld dat volgens de verdediging blijft hangen is een kroongetuige die enkel oog heeft voor zijn eigen belang, die zich superieur voelt, meedogenloos (over de ruggen van derden) en manipulatief is, die volgens eigen zeggen altijd crimineel zal blijven en die bereid is tot leugens voor eigen bestwil. Daarnaast heeft de verdediging zich uitgeput in het fileren van de vele verklaringen van de kroongetuige en daarbij gewezen op vele inconsistenties, ongerijmdheden dan wel onwaarschijnlijkheden, speculaties en – in haar ogen – kennelijke leugens in deze verklaringen. De conclusie van de verdediging is dat de kroongetuige niet betrouwbaar is en dat zijn verklaringen op vele punten onwaar zijn en daarom niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

4.1.5.2 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een crimineel is, en dat blijkt ook uit het dossier. Ook heeft hij tijdens het proces onder ede tegenover de rechtbank gelogen over de telefoons die hij in zijn cel heeft gehad en heeft hij lange tijd gewacht met het beantwoorden van bepaalde vragen, terwijl duidelijk was dat hij die vragen wel moest beantwoorden. [medeverdachte 1] heeft nadien telkens uitleg gegeven over zijn beweegredenen voor zijn handelen tijdens die verhoren. Wat hier ook allemaal van zij – voor de beoordeling door de rechtbank is het uiteindelijk niet relevant. Waar het om gaat is of de verklaringen die [medeverdachte 1] over de dealfeiten heeft afgelegd betrouwbaar zijn. Het is niet aan de rechtbank om een oordeel te geven over het karakter of de rechtschapenheid (of het gebrek daaraan) van de persoon [medeverdachte 1] . Kennisname door de rechtbank en de procespartijen van een (al dan niet bestaand) psychologisch rapport dat (in een ander kader dan het kader van zijn strafzaak) over [medeverdachte 1] zou zijn opgemaakt acht de rechtbank daarom niet relevant. [medeverdachte 1] is een criminele getuige. Dat gegeven en de omstandigheid dat hij zelf van (betrokkenheid bij) zeer ernstige strafbare feiten wordt verdacht en het Openbaar Ministerie met hem een verklaringsovereenkomst heeft gesloten in ruil voor strafvermindering, noopt bij gebruik van zijn verklaringen voor het bewijs uiteraard tot behoedzaamheid. De in artikel 360 lid 2 Sv geformuleerde opdracht van de wetgever aan de rechter om in dat geval daarvoor in het bijzonder reden te geven is ingegeven door het aan de figuur van de kroongetuige verbonden risico. Immers, de voordelen die de kroongetuige uit hoofde van de met hem gemaakte afspraken (kunnen) toevallen bergen het risico in zich dat die getuige kan menen er voordeel bij te hebben om in meer of mindere mate niet naar waarheid te verklaren.

Los van het bovenstaande geldt dat de rechter op grond van artikel 344a lid 4 Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend kan aannemen op grond van verklaringen van (kort gezegd) kroongetuigen. Die bepaling verzet zich er echter niet tegen dat de bewezenverklaring in beslissende mate wordt aangenomen op grond van de verklaring van een kroongetuige.6 Het voorgaande betekent dus dat voor een zaak met een enkele kroongetuige de gewone regels van het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv gelden. Dit betekent dat een bewezenverklaring niet geheel gebaseerd mag worden op de verklaring van deze getuige. Het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv betreft echter de tenlastelegging in haar geheel en niet een onderdeel daarvan. Deze bepaling verbiedt de rechter om tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.7

De verklaringen van [medeverdachte 1] dienen dus kritisch bekeken te worden. Daarbij geldt voor de rechtbank dat de kluisverklaringen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid een sleutelrol vervullen, nu van deze verklaringen met de meeste zekerheid aangenomen kan worden dat ze niet zijn beïnvloed door voortschrijdende kennis van het dossier en mediaberichten en andere invloeden die (gewild of ongewild) de authenticiteit van verklaringen kunnen beïnvloeden. [medeverdachte 1] heeft in de periode van januari tot en met mei 2017 in de kluisverklaringen zeer uitgebreid verklaard over de dealfeiten. In deze periode had hij geen toegang tot enig dossier en ook geen toegang tot openbare bronnen (los van de toegang tot Google Maps of Google Street View tijdens verhoren, om bijvoorbeeld een locatie aan te kunnen wijzen). Hij heeft dus enkel uit zijn geheugen kunnen putten. De rechtbank constateert dat [medeverdachte 1] in zijn kluisverklaringen buitengewoon gedetailleerd heeft verklaard over de zaken waar hij zelf bij betrokken zegt te zijn geweest (te weten Kreta, Tennis, Roos/Doorn en de criminele organisatie), zowel over zijn eigen rol als over de rollen van medeverdachten. Over de andere dealfeiten – waar hij niet zelf bij betrokken is geweest – heeft hij eveneens uitgebreid verklaard en daarbij ook steeds aangegeven wat zijn bronnen van wetenschap waren (doorgaans van horen zeggen, waarbij zijn bronnen veelal ‘de straat’, [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] waren).

[medeverdachte 1] wist dat zijn verklaringen in aanloop naar een mogelijke kroongetuigenovereenkomst zoveel mogelijk geverifieerd zouden worden en dat leugens over zijn eigen rol (door deze kleiner te maken) of de rollen van anderen (door hen onterecht te beschuldigen) een kroongetuigenovereenkomst in gevaar konden brengen. Wat hij niet wist, was dat de Ennetcom-server en een deel van de PGP-safe-server gekopieerd zouden worden en dat in de periode na het afleggen van de kluisverklaringen een zeer grote hoeveelheid PGP-berichten rondom de dealfeiten boven tafel zou komen en dat deze PGP-berichten ook bij de verificatie van zijn verklaringen konden worden betrokken. De rechtbank constateert dat juist deze PGP-berichten de verklaringen van [medeverdachte 1] op veel punten (vaak tot in de details) ondersteunen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] tijdens de vele verhoren – bij de recherche, bij de rechter-commissaris en op zitting – consistent is blijven verklaren over de dealfeiten, zijn eigen rol en de rollen van anderen. De conclusie van de verdediging van [medeverdachte 8] dat [medeverdachte 1] een groot aantal evidente onwaarheden heeft verklaard onderschrijft de rechtbank derhalve niet. De rechtbank constateert dat deze beweerdelijke evidente onwaarheden voor zover het de dealfeiten betreft telkens (onderdelen van) verklaringen van [medeverdachte 1] betreffen die geen of weinig ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen. Dat maakt het echter geen onwaarheden. De omstandigheid dat een (deel van een) verklaring niet of niet geheel geverifieerd kan worden, maakt niet dat deze gefalsificeerd (en dus onwaar) is. Het kan uiteraard wel met zich brengen dat de bewijskracht van (dat deel van) die verklaring minder groot is.

De rechtbank beschouwt [medeverdachte 1] gezien het voorgaande als een betrouwbaar verklarende getuige, waar het gaat over strafbare feiten die aan hem en zijn medeverdachten in de zaak Marengo ten laste zijn gelegd. Uiteraard moet de rechtbank bij de beoordeling van de zaaksdossiers steeds onderzoeken of de voor het bewijs relevante onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 1] de betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. Per zaaksdossier zal, voor zover de kroongetuige daarover voor de verdachten belastend heeft verklaard, nader worden ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] .

4.1.6

Prejudiciële vragen Hof van Justitie EU?

De rechtbank begrijpt uit de dupliek van de verdediging van [medeverdachte 16] dat voorwaardelijk is verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie EU over – samengevat – de vraag of de beperkingen voor de verdediging om de financiële afspraken met de kroongetuige te kunnen controleren, onder meer tijdens de ondervraging van de kroongetuige, zich nog verdragen met een doeltreffend proces.

De rechtbank komt, gelet op de voorgaande beslissing, toe aan de beoordeling van dit verzoek. De rechtbank ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen grond voor het stellen van prejudiciële vragen. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek daarom af.

4.2

PGP-bewijs

In het dossier bevindt zich een groot aantal PGP-berichten. Deze zijn afkomstig van in Canada bij het Nederlandse bedrijf Ennetcom veiliggestelde data (Ennetcom-data) en van in Costa Rica bij het bedrijf Rack Lodge S.A. veiliggestelde data (PGP-safe-data). De PGP-berichten dienen te worden aangemerkt als andere geschriften in de zin van artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Dit betekent dat deze berichten alleen voor het bewijs kunnen worden gebruikt in samenhang met andere bewijsmiddelen.

Bij het gebruik van de PGP-berichten voor het bewijs past behoedzaamheid. De rechtbank is zich ervan bewust dat veelal sprake is van incomplete PGP-communicatie. Dit komt in de eerste plaats doordat op de servers niet alle communicatie meer te vinden was vanwege het retentiebeleid van de aanbieder van de dienst.8 In het geval van PGP-safe geldt bovendien dat niet alle servers zijn gekopieerd, maar dat de keuze is gemaakt voor het kopiëren van de apparatuur uit de serverkast die vanaf 2012 werd gehuurd. De apparatuur die in de vanaf 2016 gehuurde serverkast stond, is dus niet gekopieerd. Het kopiëren bij PGP-safe is bovendien op enig moment door de Costa Ricaanse autoriteiten beëindigd toen die servers nog niet volledig waren gekopieerd.9 Daar komt bij dat in het dossier die berichten terecht zijn gekomen die het Openbaar Ministerie uit de Marengo-dataset als relevant heeft geselecteerd. Hierbij past overigens de kanttekening dat de verdediging inzage heeft gehad in de Marengo-dataset en zij zelf ook heeft kunnen verzoeken om voeging van berichten die zij relevant vond.

Verder geldt dat de meeste verdachten hebben ontkend de (enige) gebruiker van een bepaald PGP-account te zijn, dan wel zich op hun zwijgrecht hebben beroepen. Slechts enkele verdachten hebben duiding gegeven aan de inhoud van de berichten. In de berichten wordt soms onduidelijk gesproken. In sommige gevallen zijn conversaties onvolledig. In een deel van de conversaties ontbreken zelfs alle berichten van een van de deelnemers. De context van de berichten is dan ook niet steeds duidelijk. Daar staat tegenover dat voor de bewijswaarde relevant is dat personen die een versleutelde berichtendienst gebruikten zich onbespied waanden en vaak openlijk communiceerden over waar ze mee bezig waren, zonder pogingen dit te verhullen. Ook dat weegt de rechtbank mee bij de beoordeling.

4.3

PGP-identificatie

4.3.1

Identificatie e-mailadressen verdachten Marengo

De rechtbank heeft op basis van de processen-verbaal van identificatie – en in voorkomende gevallen op basis van overige informatie in het dossier en/of wat is besproken ter terechtzitting – vastgesteld wie de gebruiker van een PGP-e-mailadres was. Ook is op basis daarvan vastgesteld of, en zo ja onder welke bijnamen een bepaalde gebruiker bekend stond of werd opgeslagen. In bijlage 1 bij dit vonnis is een overzicht opgenomen van deze PGP-e-mailadressen en de gebruikers met hun eventuele bijnamen.

De rechtbank zal hierna ten aanzien van [verdachte] aan de hand van de vindplaats in het dossier weergeven op grond waarvan is vastgesteld dat hij de gebruiker van een bepaald e-mailadres was. Als die verwijzing naar de vindplaats in het dossier – waar de feiten en omstandigheden die leiden tot de identificatie zijn beschreven – nog tot een inhoudelijke reactie nopen, naar aanleiding van hetgeen door de verdediging is aangevoerd of ambtshalve is geconstateerd, zal de rechtbank daarop hierna ook ingaan.

4.3.2

Identificatie e-mailadressen overige gebruikers

Het dossier bevat een aantal processen-verbaal van identificatie met betrekking tot e-mailadressen die door het Openbaar Ministerie aan andere personen, niet zijnde verdachten in Marengo, worden toegeschreven. In sommige gevallen is de identificatie van de gebruiker(s) van die overige e-mailadressen van belang voor de beoordeling en duiding van conversaties uit de zaaksdossiers en/of voor de koppeling van e-mailadressen aan (Marengo-)verdachten. Om die reden is de rechtbank nagegaan of de identificatie op basis van de in die processen-verbaal van identificatie genoemde feiten en omstandigheden gerechtvaardigd is. De rechtbank komt tot de conclusie dat dit het geval is. Om die reden zijn ook deze overige gebruikers van e-mailadressen in de genoemde bijlage bij dit vonnis opgenomen.

4.3.3

Identificatie e-mailadres [verdachte]

De rechtbank stelt op basis van de processen-verbaal van identificatie en een proces-verbaal van bevindingen vast dat [verdachte] de gebruiker is geweest van het e-mailadres j518276389@ennetcom.biz,10 gebruikt in de periode maart en april 2016. Voorts stelt de rechtbank op basis daarvan vast dat hij bekend staat onder de (bij)namen Yessin/Yassine, Dubbel en Corsa.

4.4

Zaaksdossier 140 Sr (criminele organisatie)

4.4.1

Standpunten

Volgens het Openbaar Ministerie dient [verdachte] veroordeeld te worden voor kort gezegd deelneming aan een criminele organisatie die zich toelegde op het plegen van moorden.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Kern van het verweer is dat uit de enorme hoeveelheid PGP-berichten weliswaar blijkt dat hij bij kleinschalige hasjhandel betrokken is en daartoe af en toe een PGP-toestel of geld vervoert, maar dat bewijs voor betrokkenheid bij – of actieve ondersteuning aan – een moordorganisatie ontbreekt.

4.4.2

Oordeel van de rechtbank

De basis van de beoordeling van de criminele organisatie bestaat grotendeels uit de conclusies van de rechtbank met betrekking tot de zaaksdossiers. In bijna alle gevallen komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het medeplegen van [medeverdachte 16] . Van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) (een deel van het zaaksdossier Aker) wordt hij echter vrijgesproken. Ook volgt er vrijspraak in de zaaksdossiers Raspvijl en Plato. Bij de bespreking van het zaaksdossier Plato is echter overwogen dat de keuze in de tenlastelegging, waarbij alleen een poging tot moord op [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) ten laste is gelegd en niet (subsidiair) ook voorbereidingshandelingen voor die moord, daar de oorzaak van is. De rechtbank stelt wel vast dat [medeverdachte 16] met anderen betrokken is bij de voorbereiding van de moord op [betrokkene 6] . Bij de bespreking van de zaaksdossiers in de zaak van [medeverdachte 16] waar vrijspraak is gevolgd zijn wel de bewijsmiddelen weergegeven, omdat deze van belang zijn voor de beoordeling van de criminele organisatie.

Bij [medeverdachte 16] zijn – anders dan bij de andere verdachten – alle zaaksdossiers ten laste gelegd. De vaststellingen in de zaaksdossiers in de zaak tegen [medeverdachte 16] zijn in de strafzaak van de andere verdachten in het kader van de beoordeling van hun verdenking van deelname aan de criminele organisatie van belang. Ook zijn de overwegingen in de zaak tegen [medeverdachte 16] over de verdenking van het leidinggeven aan een moordorganisatie van belang. De vraag is immers of de andere verdachten (op enig moment) (mede) leiding hebben gegeven dan wel hebben deelgenomen aan die organisatie. De rechtbank zal daarom de besprekingen van de relevante zaaksdossiers uit het vonnis van [medeverdachte 16] met de daarin genoemde bewijsmiddelen als bijlage 2 voegen bij de vonnissen van zijn medeverdachten, voor zover deze zaaksdossiers niet in hun eigen vonnis worden besproken. In de vonnissen van alle verdachten wordt – ook als aan hen slechts deelname in een beperkte periode wordt verweten – de gehele overweging met betrekking tot [medeverdachte 16] ’s rol in de criminele organisatie weergegeven.

4.4.2.1 Juridisch kader artikel 140 Sr

Onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr moet worden verstaan een samenwerkingsverband tussen tenminste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet vereist is dat daarbij komt vast te staan dat elke deelnemer aan deze organisatie moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere deelnemers, of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.11

Het oogmerk van de organisatie moet gericht zijn op het plegen van misdrijven.12 Oogmerk op het plegen van één misdrijf is dus onvoldoende. Voor het bewijs van dat oogmerk komt betekenis toe aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. De mate van samenwerking kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Het naaste doel dat wordt nagestreefd wordt daar ook onder begrepen.13

4.4.2.2 Gepleegde misdrijven

In de hierna volgende overwegingen zal de rechtbank vaststellen dat er sprake was van een criminele organisatie die zich bezig hield met moorden, waar [medeverdachte 16] leiding aan heeft gegeven.

In een periode van anderhalf jaar zijn [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] vermoord. Daarnaast hebben in die periode moordpogingen plaatsgevonden op [slachtoffer 5] en [betrokkene 5] , zijn moorden voorbereid op [slachtoffer 3] , [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 1] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en is een aanslag op de spyshop in Nieuwegein voorbereid. Er is rondom deze levensdelicten maar een deel van de PGP-communicatie boven water gekomen, maar uit de berichten die er wel zijn komt het beeld naar voren dat [medeverdachte 16] vanuit het buitenland voor, tijdens en na de liquidaties met een aantal vertrouwde contacten – die (delen van) de voorbereidingen en het nawerk in Nederland coördineerden – communiceerde. Zo blijkt bij de moord op [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) in september 2015, de voorbereiding op de aanslag op de spyshop in dezelfde maand en de voorbereiding in januari 2016 van de moord op [slachtoffer 3] dat het [medeverdachte 12] is die in Nederland de mensen aanstuurt die daadwerkelijk handelingen verrichten. Vanaf 16 februari 2016 is [medeverdachte 12] echter gedetineerd voor zijn betrokkenheid bij de zaak Koper. Bij de moord op [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en de voorbereiding van de moord op [betrokkene 1] in april 2016 en de voorbereiding van de moord op [betrokkene 6] in december 2016 wordt die aansturende rol vervuld door een broer van [medeverdachte 16] , [betrokkene 8] . Bij de moord op [slachtoffer 4] in juni 2016 en de poging tot moord op [betrokkene 5] in oktober 2016 ligt de coördinatie (mede) bij [medeverdachte 9] . Voor zover zicht op de communicatie is verkregen wordt [medeverdachte 16] daarbij steeds gedetailleerd op de hoogte gehouden en is hij degene die beslist of er tot actie wordt overgegaan. In een aantal zaaksdossiers (Ster en Rudolf, voor zover het de aanslag op de spyshop betreft) geven de chats ook zicht op contacten met de uitvoerders, in de andere zaaksdossiers ontbreekt dat zicht. Wel blijkt uit diverse chats dat [medeverdachte 16] aangeeft dat hij contact met de schutters heeft. Uit de communicatie in de zaak Ster tussen [medeverdachte 16] en zijn broer [betrokkene 8] en in de zaak Kreta tussen [medeverdachte 16] en [medeverdachte 11] blijkt bovendien dat [medeverdachte 16] degene is die beslist over de (omvang van de) betalingen aan hen die een rol hebben bij een liquidatie. Voorts komt in de zaaksdossiers Ster en Kreta naar voren dat de organisatie mensen heeft die wapens beheren. Ook wordt er een continue voorraad gestolen auto’s met valse kentekens aangehouden.

4.4.2.3 Wagenpark

Dit laatste wordt bevestigd door de doorzoeking in een loods in Landsmeer aan het [adres 1] op 7 februari 2017, kort na de ten laste gelegde periode. In die loods worden acht gestolen auto’s met valse kentekens aangetroffen. In de loods worden DNA-sporen van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 2] gevonden. In de auto’s zijn documenten aangetroffen die horen bij de Seat Ibiza, de Audi A5, de Audi Q5 en de Skoda die in de zaken Roos/Doorn een rol hebben gespeeld. Bij de loods is bovendien op 2 december 2016 de Renault Clio gezien die een rol speelt in de zaken Zeilboot en Plato. Ook in april 2016 was er al sprake van een stalling voor gestolen auto’s. Dit blijkt uit PGP-berichten tussen [medeverdachte 13] en [medeverdachte 16] en [medeverdachte 13] en [medeverdachte 6] van 18 april 2016.14

4.4.2.4 Onderzoek Koper

De startdatum van de criminele organisatie die aan [medeverdachte 16] is ten laste gelegd is 1 juli 2015. Ter terechtzitting heeft het Openbaar Ministerie laten weten dat het oorspronkelijk de bedoeling was 16 juli 2015 als aanvangsdatum ten laste te leggen. De dag daarvoor – op 15 juli 2015 – zijn in het onderzoek Koper diverse verdachten aangehouden in verband met de voorbereidingen voor het plegen van een moord en het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid wapens. De verdachten in Koper bleken te beschikken over twee gereedstaande gestolen snelle Audi’s met daarin petflessen met benzine, een grote hoeveelheid wapens, opnameapparatuur, bakens, PGP-telefoons, jammers en kentekens van politievoertuigen. In maart 2019 worden verdachte [betrokkene 9] (hierna: [betrokkene 9] ) en een aantal medeverdachten in hoger beroep tot lange gevangenisstraffen veroordeeld voor onder meer het voorbereiden van een moord en deelname aan een criminele organisatie gericht op het voorbereiden van moord. Deze organisatie wordt hierna ook aangeduid als de Kopergroep. Tot de veroordeelden behoort ook [medeverdachte 12] . Dat de Kopergroep voor [medeverdachte 16] werkte wordt in diverse bewijsmiddelen bevestigd. Direct nadat de Kopergroep is aangehouden blijkt uit de chats van [medeverdachte 16] met [medeverdachte 12] dat [medeverdachte 16] zich opwindt over de aanhoudingen, waarbij hij [medeverdachte 12] adviseert om ergens veilig te gaan zitten en aangeeft dat degenen die zijn aangehouden ‘top advos’ moeten krijgen.15 Ook vermoedt hij dat niet alle wapens gevonden zijn en bespreekt hij met [medeverdachte 12] dat de wapens die er nog liggen zo snel mogelijk bij [medeverdachte 5] ondergebracht moeten worden.16 Daarnaast blijkt uit de chats dat [medeverdachte 16] via de advocaten van de aangehouden verdachten probeert om aan informatie over de zaak te komen.17 Bovendien voelt [medeverdachte 16] zich blijkens de chats verantwoordelijk voor de betaling van de advocaten en het onderhouden van de gezinnen van de aangehouden verdachten.18

Ook zijn er aanwijzingen dat de Kopergroep voor de aanhoudingen voor [medeverdachte 16] bezig was met de voorbereidingen van liquidaties die uiteindelijk in het kader van de zaak Marengo zijn onderzocht. Bij de doorzoeking van de woning van Koper-verdachte [betrokkene 10] op 15 juli 2015 is een SD-kaart aangetroffen met daarop drie filmpjes van [slachtoffer 3] .19 Op 25 februari 2015 is [slachtoffer 3] – die uiteindelijk op 9 mei 2016 wordt vermoord (zie zaaksdossier Aker) – met anderen gefilmd bij de McDonald’s te Nieuwegein. Ook zijn in november 2014 gemaakte beelden van [slachtoffer 4] aangetroffen.20 Daarnaast is er in juni 2015 een baken geplaatst onder de auto van [betrokkene 3] . Bij de doorzoeking op het verblijfadres van [betrokkene 9] is een PGP-toestel in beslag genomen waarop vijf foto’s, met tijdstempel 25 februari 2015, van [slachtoffer 3] zijn aangetroffen. Deze foto’s zijn genomen van een van de hiervoor genoemde filmpjes.21 Foto’s van [slachtoffer 3] , waarvan één eveneens met tijdstempel 25 februari 2015, zijn ook aangetroffen op een in Ierland onder [betrokkene 11] (hierna: [betrokkene 11] ) op 7 april 2016 in beslag genomen PGP-toestel.22 Uit het onder [betrokkene 9] in beslag genomen PGP-toestel zijn berichten naar voren gekomen waaruit blijkt dat hij tot zijn aanhouding regelmatig contact heeft met [medeverdachte 16] , onder meer over de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 3] .23 Zie daarover uitgebreider de bespreking van het zaaksdossier Aker. Hierin komen ook PGP-berichten aan de orde tussen [medeverdachte 16] en [betrokkene 11] . Zij bespreken – zie de berichten van 30 maart 2016 om 01:04 uur en 01:02 uur24 – dat [medeverdachte 16] , als [betrokkene 11] er niet meer is, gewoon door moet gaan ‘met die kk hoeren’ en dat dat een ‘levenstaak’ is geworden. Deze opmerkingen zijn – in de context van de andere chats – niet anders te duiden dan dat [medeverdachte 16] en [betrokkene 11] een (deels) gezamenlijke liquidatielijst hebben die ook als [betrokkene 11] wordt aangehouden, afgewerkt moet worden. Uit het onderzoek Rudolf komt naar voren dat de moord op [slachtoffer 1] en de voorgenomen aanslag op de spyshop een rechtstreeks gevolg zijn van de aanhoudingen en inbeslagnames in het onderzoek Koper, namelijk wraak voor de rol die de spyshop volgens [medeverdachte 16] en de zijnen gehad zou hebben bij het oprollen van de Kopergroep en een waarschuwing voor de toekomst.25

4.4.2.5 Aangetroffen administraties

Bij [betrokkene 12] – een van de Koper-verdachten – wordt bij een doorzoeking een financiële administratie aangetroffen. Hierin komen de namen ‘Boek , ‘Piet’ en ‘schoonzoon’ voor, de bijnamen van respectievelijk [betrokkene 9] , [medeverdachte 12] en [medeverdachte 5] . In deze administratie zijn inkomsten uit verdovende middelen en uitgaven met betrekking tot de aanschaf van wapens, bakens, PGP-telefoons en uitgaven voor ‘spotters’ en ‘hitters’ opgenomen.26 Tijdens een pro formazitting in de zaak Koper op 14 januari 2016 is [medeverdachte 16] door [medeverdachte 12] op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen op die zitting. [medeverdachte 12] kreeg deze informatie door van [medeverdachte 15] , die als publiek bij die zitting aanwezig was. In die berichtgeving wordt vermeld dat geprobeerd wordt een link te leggen tussen de inbeslaggenomen administratie en de liquidaties van [betrokkene 13] op 14 april 2014 en [betrokkene 14] op 1 december 2014.27

Tijdstip

Verzender

Ontvanger

Bericht

10:17

[medeverdachte 12]

[medeverdachte 16]

------Origineel bericht------

Van: Brada bril

Aan: Eigen/own

Onderwerp:

Verzonden: 14 Jan 2016 10:07

Sir in die administratieboekje staan datum's waarneer dr hitters zijn uitbetaald!! En dat proberen ze te linken op [betrokkene 13] en [betrokkene 14] !! Op de datums dat hun zijn gevlamd staan ook betaal transactie's!!

In de Marengo-dataset bevindt zich een groot aantal chats, die eveneens een kasadministratie bevatten.28 Hieruit blijkt dat [medeverdachte 12] , [medeverdachte 6] en [betrokkene 15] – een neef van [medeverdachte 16] – aan een broer van [medeverdachte 16] , [betrokkene 16] , verantwoording afleggen over de inkomsten en uitgaven en dat deze uiteindelijk rapporteert aan [medeverdachte 16] . Uit deze administratie leidt de rechtbank af dat er ook in de ten laste gelegde periode op grote schaal in verdovende middelen wordt gehandeld, dat de gedetineerde Koper-verdachten regelmatig geld krijgen en dat ook de kosten van de liquidatie van [slachtoffer 2] in deze administratie zijn verwerkt.29 De Koper-administratie stopt op 15 juli 2015 en de in de Ennetcom-data aangetroffen administratie wordt voor het eerst zichtbaar op 9 augustus 2015. Uit de schrijfwijze van de beide administraties, de gebruikte termen, de namen van stempels van verdovende middelen en de namen van de deelnemers, leidt de rechtbank af dat de in de Ennetcom-data aangetroffen administratie een meeromvattende voortzetting is van de Koper-administratie.30 Dit blijkt ook uit de volgende berichten van [betrokkene 16] aan [medeverdachte 12] van 16 juli 2015, de dag na de wapenvondst in het onderzoek Koper.31

Tijdstip

Verzender

Ontvanger

Bericht

17:01

[betrokkene 16]

[medeverdachte 12]

Goedemiddag sir. Kunt u mij de ijzerlijst sturen om te checken met wat ik heb?

17:07

[betrokkene 16]

[medeverdachte 12]

Ok sir, alvast bedankt. En kunt u ook aan mij doorgeven welke handel er aan schoonzoon is gegeven en wat er is gepakt en ook wat er eventueel aan cash is gepakt?

De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat de moordorganisatie van [medeverdachte 16] het werk van de Kopergroep, met grotendeels andere deelnemers, voortzet.

4.4.2.6 Verklaringen van [medeverdachte 1]

In het hoofdstuk over de kroongetuige en bij de bespreking van de afzonderlijke zaaksdossiers is al aandacht besteed aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] is uitgebreid verhoord over wat hij weet over [medeverdachte 16] en de mensen met wie [medeverdachte 16] samenwerkt. De rechtbank constateert daarbij dat hetgeen [medeverdachte 1] verklaart over de oorsprong van de criminele samenwerking tussen [medeverdachte 16] en een aantal medeverdachten – met name [medeverdachte 11] en [medeverdachte 9] – niet gebaseerd is op eigen ervaringen of waarnemingen, maar dat zijn kennis is gebaseerd op wat hij van anderen heeft gehoord of dat het interpretaties van hem zijn. Dit geldt ook voor zijn verklaringen die gaan over medeverdachten waar hij niet of nauwelijks mee is omgegaan. De bewijswaarde van die delen van zijn verklaringen is daarom beperkt.

De rechtbank heeft eerder in dit vonnis overwogen dat de (kluis)verklaringen van [medeverdachte 1] met name bewijswaarde hebben voor zover het gebeurtenissen betreft waar hij zelf bij betrokken is geweest. Dit betreft voornamelijk gebeurtenissen waarbij hij samenwerkte met [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] en (indirect) [medeverdachte 16] . Wat hij daarover verklaart wordt ondersteund door andere onderzoeksbevindingen, met name de grote hoeveelheid (pas later ontsleutelde) PGP-berichten. Deze onderbouwen ook zijn verklaring dat [medeverdachte 9] zijn eigen mensen onder zich had werken, waaronder [medeverdachte 1] zelf.32 De omstandigheid dat [medeverdachte 1] veel medeverdachten niet kent (en zij ook zeggen hem niet te kennen) past bij zijn verklaring dat de leden van de organisatie alles proberen af te schermen en ervoor te zorgen dat iedereen zo min mogelijk van elkaar weet.33In de verklaringen van [medeverdachte 1] over de criminele organisatie heeft de rechtbank geen opzettelijke onjuistheden aangetroffen. Dat hij over een groot aantal situaties of mensen verklaart hoe hij denkt dat het zit, beperkt – zoals hiervoor al overwogen – de bewijswaarde van die delen van zijn verklaringen. Dit alles doet niet af aan de betrouwbaarheid van die verklaringen voor het overige. De rechtbank concludeert dat de verklaringen van [medeverdachte 1] inzake de criminele organisatie – met de hiervoor genoemde kanttekening – betrouwbaar zijn.

4.4.2.7 Conclusie ten aanzien van de criminele organisatie

Uit het voorgaande, gevoegd bij al hetgeen ten aanzien van de zaaksdossiers is overwogen, komt naar voren dat [medeverdachte 16] leiding gaf aan een organisatie die zich op professionele wijze bezighield met moorden. [medeverdachte 16] beschouwde een aantal mensen als vijanden of verraders die kennelijk koste wat het kost geliquideerd moesten worden. Slechts een aantal vertrouwde contacten die (een deel van) de organisatie rondom de liquidatie op zich namen had rechtstreeks contact met [medeverdachte 16] zelf. Liquidaties werden goed voorbereid door de beoogde slachtoffers vooraf, door middel van spotters, in beeld te brengen. Soms werden daar technische hulpmiddelen zoals bakens bij gebruikt. De voorraad gestolen auto’s met valse kentekenplaten en de voorraad wapens werden beheerd, op peil gehouden en er waren mensen verantwoordelijk voor het onderhoud. Ook werd de voorraad PGP-toestellen op peil gehouden en werden na een liquidatie de daarbij gebruikte toestellen uit de lucht gehaald. Ook werden sporen gewist, bijvoorbeeld door een ruimte schoon te maken, wapens in stukken te slijpen en auto’s in brand te steken. De organisatie had mensen tot haar beschikking om goederen (wapens, geld, auto’s) te halen of te brengen en diegenen die meehielpen werden betaald. Ook werd gebruikgemaakt van corrupte ambtenaren om informatie te krijgen.

Het oogmerk van de organisatie zag niet alleen op moord en de voorbereiding daarvan, maar – zoals ten laste gelegd – ook op het bezit van vuurwapens en munitie en op gekwalificeerde diefstal. Tot het oogmerk van de organisatie moet ook worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Voor het plegen van liquidaties als de onderhavige is noodzakelijk, en daarmee oogmerk van de organisatie, dat tevens overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan. De wijze waarop de liquidaties werden gepleegd, waarbij telkens gestolen auto’s werden gebruikt, impliceert verder dat gekwalificeerde diefstal eveneens een oogmerk van de organisatie was.

4.4.2.8 Deelname aan de criminele organisatie

Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is slechts sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel deze ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.34 In het bestanddeel ‘deelneming aan’ een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr ligt het opzet van de verdachte besloten. Voor ‘deelneming’ is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet vereist is dat de verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.35 Ook hoeft de verdachte geen opzet op die concrete misdrijven te hebben.36

[verdachte] wordt niet vervolgd voor rechtstreekse betrokkenheid bij de moorden, de pogingen daartoe en de voorbereidingen daarop. [medeverdachte 1] heeft op 18 april 2018 over hem verklaard dat hij wel met de club te maken heeft, dat hij de beste vriend is van [betrokkene 8] , dat hij ook wel Yassin werd genoemd, dat hij PGP-toestellen leverde en dat hij ook wel rijwerk deed.37 Dit wordt bevestigd in de hierna weergegeven chats die [verdachte] voert met [betrokkene 8] en chats die laatstgenoemde weer met anderen voert.

Hiervoor is overwogen dat [medeverdachte 16] ’s organisatie zich (in wisselende samenstellingen) bezighield met moorden, maar ook met grootschalige drugshandel. Dat [verdachte] aan [medeverdachte 16] ’s organisatie ondersteunend is geweest voor zover het betreft die drugshandel, door allerhande spullen rond te rijden (PGP-toestellen, geld) op verzoek van [betrokkene 8] , wordt niet door de verdediging betwist. Kernvraag is of uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] wist dat de mensen waarvoor hij klussen deed, ook moorden lieten uitvoeren en dat dus zijn handelingen daarmee wellicht (mede) ondersteunend waren voor deze moorden. Uit de aard van de klussen blijkt dit niet. Dit zijn werkzaamheden die evengoed enkel ondersteunend kunnen zijn aan drugshandel.

Desondanks staat naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast dat [verdachte] wetenschap had van en (ook) heeft deelgenomen aan de moordorganisatie. In de tenlastelegging start het deelnemen aan de criminele organisatie op 1 januari 2016, maar ook de periode daarvoor is voor de aard en mate van de betrokkenheid van [verdachte] relevant. Daarbij is bij de duiding van de hierna weergegeven chats van belang dat uit de processen-verbaal van identificatie – waar eerder in dit vonnis (zie hoofdstuk 4.3 PGP-identificatie) ook al naar verwezen wordt – blijkt dat [verdachte] als bijnamen ‘Dubbel’, ‘Corsa’ en ‘Yessin’/‘Yassine’ had.38 De eerste aanwijzing dat [verdachte] al ruim voor 1 januari 2016 contacten had met de geweldstak van [medeverdachte 16] ’s organisatie is dat zijn DNA is aangetroffen op de kast van een vuurwapen dat op 15 juli 2015 in het onderzoek Koper in beslag is genomen.39 In het algemene deel over de criminele organisatie heeft de rechtbank al overwogen dat de organisatie van [medeverdachte 16] die thans vervolgd wordt, het werk van de Koper-organisatie, met grotendeels andere deelnemers, heeft voortgezet. Daarnaast blijkt uit PGP-conversaties dat [verdachte] al in 2015 is ingeschakeld door [betrokkene 8] om PGP-toestellen of geld te vervoeren. Zo leidt de rechtbank uit de navolgende PGP-berichten van 13 en 14 september 2015 af dat [verdachte] een PGP-toestel heeft geleverd:40

13 september 2015

Tijdstip

Verzender

Ontvanger

Bericht

12:25

[medeverdachte 11]

[medeverdachte 12]

Hoe gaat t meneer heb u al de bb voor tal ?

14:51

[medeverdachte 11]

[medeverdachte 12]

Nee ik ben niet met hem , hij is met [betrokkene 17] dus kan hem wel bereiken

16:24

[betrokkene 8]

[medeverdachte 11]

Die jongen is vertrokken waar moet ie wezen

17:09

[betrokkene 8]

[medeverdachte 11]

Die gene heeft douglas tasje sir. Corsa.

17:28

[betrokkene 8]

[medeverdachte 11]

Hij is er ook met 1min.

17:29

[medeverdachte 11]

ya23zh76f1@

ennetcom.biz

Hij is er over 1 minuut meneer

18:46

[betrokkene 8]

[medeverdachte 11]

Sir code was 123tyu

18:53

[medeverdachte 11]

[medeverdachte 12]

Ja hij heb 5x verkeerde code gedaan

14 september 2015

Tijdstip

Verzender

Ontvanger

Bericht

10:08

[betrokkene 8]

[medeverdachte 11]

Sir onder, dit moet u effe doen.

-----Origineel bericht------

Van: helpdesk1

Aan: Eigen/own

Onderwerp: Re:

Verzonden: 14 Sep 2015 07:55

Hij is dus nu al zijn ww vergeten? Als hij het standaard 123tyu al veranderd heeft , dan is er niets aan te doen. Dan moet hij 10x verkeerde password invullen zodat ie wordt gewist en moet ie geherprogrammeerd worden.

-----Origineel bericht------

Van: Junior

Aan: Ennetcom Support

Onderwerp:

Verzonden: 13 Sep 2015 20:57

Sir, deze pers heeft 5x verkeerde ww gedaan. Wat valt aan te doen?

8931162112011686750

761944BC9N@ennetcom.biz

P.s heb m een uur geleden afgegeven.

Uit deze berichten leidt de rechtbank af dat op initiatief van [medeverdachte 11] een PGP-telefoon (‘bb’) voor [medeverdachte 14] (‘Tal’) wordt geregeld. [betrokkene 8] regelt dat [verdachte] (‘Corsa’) het PGP-toestel aflevert en geeft aan [medeverdachte 11] door dat [verdachte] er over een minuut is. Dat [verdachte] ook helpt als zich problemen voordoen met PGP-toestellen blijkt uit het navolgende bericht van 25 september 2015:41

Tijdstip

Verzender

Ontvanger

Bericht

16:21

[betrokkene 8]

[medeverdachte 12]

"Dit is wat die corsa doormailde. Over pgp van mox. En dat kan alleen als die 5x verkeerde code heeft gedaan.

-----Origineel bericht------

Van: Dubbel

Aan: Eigen/own

Onderwerp:

Verzonden: 25 Sep 2015 18:06

Er staat helemaal niks in zijn tel. Geen contacten. zelfs ontgrendel code zit er niet meer op. Bhal hij is opnieuw geinstalleerd. Als ik naar beveiliging ga en dan bij PGP zie ik bij mijn pgp die mail staan bij walou"

Voorts blijkt uit de navolgende conversatie van 1 oktober 2015 dat [verdachte] door [betrokkene 8] wordt beschouwd als iemand die te vertrouwen is, die ingeschakeld kan worden, die ‘weet met wie die te maken heeft’ en die ‘weet praten is slapen’.42

Tijdstip

Verzender

Ontvanger

Bericht

21:45

[betrokkene 8]

[medeverdachte 12]

Heb nog die corsa daar kan ik nog mee praten. Die is ook geheid om te werken zegt u maar sir. Praten kan altijd.

21:50

[betrokkene 8]

[medeverdachte 12]

Ik ken hem al van kleins af aan. En hij weet met wie die te maken heeft. Hij weet praten is slapen, en ken zijn hele fam generatie. We dachten ook jack praat niet maar we weten het nu nogsteeds niet zeker. Praten met hem kan altijd nog, waar u bij bent,

Bovendien blijkt uit de veiliggestelde administratie dat hij ook voor zijn diensten wordt betaald.43 Op grond van het bovenstaande staat voor de rechtbank vast dat [verdachte] ook in de tweede helft van 2015 al regelmatig klussen doet voor [betrokkene 8] , vooral bestaand uit het rondbrengen en instellen van PGP-toestellen. Het deelnemen aan een moordorganisatie is daarmee echter – het is hiervoor al gezegd – niet zonder meer een gegeven. Uit de navolgende chats – die rondom de liquidatie van [slachtoffer 2] ten aanzien van deze werkzaamheden met [verdachte] gevoerd worden – kan echter naar het oordeel van de rechtbank afgeleid worden dat hij wetenschap heeft van het verband van zijn werkzaamheden met de moord die net gepleegd is.44In verband met de zomertijd die toen gold dient bij de (aangegeven) UTC-tijd twee uur te worden opgeteld.

Tijdstip

Verzender

Ontvanger

Bericht

11:31

[verdachte]

[betrokkene 8]

Is iedereen in orde?

11:33:33

[betrokkene 8]

[verdachte]

Weet niet. Wacht op antw.

11:33:38

[verdachte]

[betrokkene 8]

Oke

11:38

[verdachte]

[betrokkene 8]

Er ligt wel iemand in ziekenhuis gewonde.

11:39

[verdachte]

[betrokkene 8]

En iemand opgepakt

11:40

[betrokkene 8]

[verdachte]

Oke kan je een pgp afgeven aan die jongen die met jou mee was gegaan na club. Aub

11:41:00

[verdachte]

[betrokkene 8]

Ja is goed. Waar zie ik hem?

11:41:22

[medeverdachte 3]

[betrokkene 8]

[adres 2]

11:41:53

[betrokkene 8]

[medeverdachte 3]

Bro??

11:42

[betrokkene 8]

[medeverdachte 3]

Oke ik laat die corsa rambo nieuwe ww instellen. Rambo moet zelf ww bedenken maar hij moet t niet vergeten sir.

11:43:02

[betrokkene 8]

[verdachte]

[adres 2] daar wacht ie op je

11:43:44

[medeverdachte 3]

[betrokkene 8]

Oke bro is goed dus stel die gene hem in voor hem?

11:43:53

[verdachte]

[betrokkene 8]

Heb je je sis al gemaild

11:44

[betrokkene 8]

[verdachte]

Yes.

11:45:13

[betrokkene 8]

[betrokkene 18]

Sis zet een P toestel klaar met die kpn sim. Dubbel komt zo ophalen.

11:45:45

[betrokkene 8]

[medeverdachte 3]

Yes bro hij steld alles in

11:46:06

[betrokkene 18]

[betrokkene 8]

Is goed wil je aan dubbel vragen om bruin brood mee te nemen het hagelt kijhard niet normaal

11:46:17

[medeverdachte 3]

[betrokkene 8]

Oke bro

11:47:23

[betrokkene 8]

[verdachte]

Bro kan je bruinbrood neenemen voor me sis. T regent zegt ze.

11:47:51

[verdachte]

[betrokkene 8]

Ja dan moet ik eerst langs ngein zuid

11:48

[betrokkene 8]

[betrokkene 18]

Is jumbo open daar bij jou?

11:49

[betrokkene 18]

[betrokkene 8]

Ja ik wil de goedkope bruin brood is lekkerder dit is de laatste p toestel

11:50

[betrokkene 8]

[betrokkene 18]

Oke

11:51

[betrokkene 8]

[verdachte]

Bro jumbo bij me zus is open ze wilt de goedkoopste bruinbrood zegt ze. En pak smime toestel bij die sim.

11:52:21

[verdachte]

[betrokkene 8]

Oh ja daar kan ook. Is goed. Heeft ze al gepakt die smime en die sim? Welke sim o2 toch

11:52:38

[betrokkene 8]

[betrokkene 18]

Sis laat ie p toestel en pak 2 toestellen met een s erop. En stuur me nog 1 kpn sim.

11:52:50

[betrokkene 18]

[betrokkene 8]

Oke

11:53

[betrokkene 8]

[verdachte]

Nee geen o2. Heb haar gezegt 2 smime toestel en 2 kpn sims.

11:54

[betrokkene 18]

[betrokkene 8]

74529541 dat zijn de laatste toestels s

11:55

[betrokkene 8]

[betrokkene 18]

Dubbel gaat voor jou langs jumbo.

12:03

[verdachte]

[betrokkene 8]

Oke

12:14:22

[betrokkene 8]

[verdachte]

Ben je al onderweg bro? Over hoelang ben je bij sis.

12:14:43

[verdachte]

[betrokkene 8]

Ben nu jumbo. Ey heel geina is bloedheeeeeet

12:15

[betrokkene 8]

[verdachte]

Ja is normaal.

12:16

[verdachte]

[betrokkene 8]

Ja ik weet maar ik zeg het express voor het geval je hier mensen hebt bewegen

12:17

[betrokkene 8]

[verdachte]

Nee niemand

12:23:27

[betrokkene 8]

[betrokkene 18]

Sis heef dubbel 100 mee oke

12:23:55

[betrokkene 18]

[betrokkene 8]

Moet ik hem 100 geven

12:23:59

[betrokkene 8]

[verdachte]

Bro geef ook 100 aan die gene aan wie je toestel afgeeft en voor ze insteld.

12:24

[verdachte]

[betrokkene 8]

Oke bro

12:25

[betrokkene 8]

[medeverdachte 3]

Bro die corsa gaat jullie 100 geven. Dan kunnen jullie effe weg daar. Effe wat gaan eten etc. Zolang je maar niet in dat huis zit.

12:26

[medeverdachte 3]

[betrokkene 8]

Is goed bro thanks

12:27

[verdachte]

[betrokkene 8]

Moet ik sims erin doen?

12:28

[betrokkene 8]

[verdachte]

Ja bro

12:44

[betrokkene 8]

[verdachte]

W509E8246U@ennetcom.com

Zet mij in die nieuwe toestellen. Met deze mail sir

12:45

[verdachte]

[betrokkene 8]

Oke bro doe ik

12:55:32

[verdachte]

[betrokkene 8]

Had je die sim nr’s al bro

12:55:44

[betrokkene 8]

[verdachte]

Bro check effe ofdat ze al geactiveerd zijn.

12:55:44

[verdachte]

[betrokkene 8]

Oke

12:56

[medeverdachte 3]

[betrokkene 8]

Oke bro nee komt goed hij is hem nu aan het instellen

13:08:00

[betrokkene 8]

[verdachte]

Lukt t bro. Zijn ze al actief?

13:08:20

[verdachte]

[betrokkene 8]

Ja ben nu ww’s aan het doen bro. Ze zijn actief maar ik doe ff selftest bij de laatste voor zekerheid

13:09:17

[betrokkene 8]

[verdachte]

Oke bro zet mij erin.

13:09:45

[betrokkene 8]

[medeverdachte 3]

Bro tekst mij zo met die nieuwe en rambo ook. Zet erbij wie mij tekst, afz mexx of afz rambo.

13:10:18

[medeverdachte 3]

[betrokkene 8]

Oke bro k tekst je meteen de mijne

13:10:23

[betrokkene 8]

[verdachte]

Yes. Moeten hun je nu mailen

13:11:00

[medeverdachte 3]

[betrokkene 8]

Afz mexx

13:11:24

[betrokkene 8]

[verdachte]

Ja bro. En geef ze die barkie aub. En ga daar weg beste.

13:12

[betrokkene 8]

[medeverdachte 3]

Oke sir ik ontvang u, pak die 100 ga wat eten koop siggarette en blaas wat stoom af.

13:15

[verdachte]

[betrokkene 8]

Oke heb gegeven en ben weg bro

13:16

[betrokkene 8]

[verdachte]

Thx bro. Wollah.

13:17:21

[betrokkene 19]

[betrokkene 8]

Afz rambo

13:17:47

[verdachte]

[betrokkene 8]

De nada. Zeg wel tegen hun dat als ik kom dat ze niet op hete plekken met me afspreken he. Die jongen is slim geen takkies in de fiets niks. Maar je weet als hun staart hebben laat ze voorzichtig zijn met afspreek plekken

De ochtend voordat deze chats plaatsvinden – rond 10:00 uur – is [slachtoffer 2] doodgeschoten. Uit de chats leidt de rechtbank af dat [verdachte] niet alleen het nieuws over deze aanslag volgt, maar ook dat hij al wist dat de aanslag op handen was en dat [betrokkene 8] deze moord mede heeft georganiseerd en mensen op pad heeft gestuurd. Het bericht van 11:31 uur (‘Is iedereen in orde?’) en het antwoord daarna van [betrokkene 8] (‘Weet niet. Wacht op antw.’) kan gezien de daarop volgende berichten alleen maar gaan over de moord op [slachtoffer 2] . Uit het onderzoek Ster is het de rechtbank bekend dat [betrokkene 8] degene is die de schutters en de spotters bij deze liquidatie heeft aangestuurd, en dat hij dus ook de aangewezen persoon is om dergelijke vragen aan te stellen. Uit de chats direct daarna blijkt dat [verdachte] vervolgens door [betrokkene 8] op pad wordt gestuurd en PGP-toestellen ophaalt bij een zus van [betrokkene 8] , [betrokkene 18] . De berichten die [verdachte] stuurt terwijl hij onderweg is, om 12:14:43 uur (‘Ey heel geina is bloedheeeeeet’) en 12:16 uur (‘ik zeg het express voor het geval je hier mensen hebt bewegen’), wijzen er eveneens op dat hij weet wat er op dat moment speelt en dat [betrokkene 8] daar verantwoordelijk voor is. Uit de chats die daarop volgen blijkt dat hij de toestellen en geld aflevert in de woning van [medeverdachte 2] , waar [betrokkene 19] (hiervoor en hierna: [betrokkene 19] ) en [medeverdachte 3] zich samen met een van de schutters schuil houden. Ter plaatse stelt hij de nieuwe toestellen voor [betrokkene 19] en [medeverdachte 3] in en zet hij het nieuwe e-mailadres van [betrokkene 8] er in.

De rechtbank acht het niet voorstelbaar dat [verdachte] bij het ophalen, afleveren en instellen van deze PGP-toestellen gedacht kan hebben dat dit niet ondersteunend was voor een organisatie die zich met moorden bezighield en – sterker nog – net een moord gepleegd had. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat hij deelnam aan deze criminele organisatie. De toon van deze conversatie, alsof er niets bijzonders aan de hand is, kleurt de context van de hiervoor genoemde werkzaamheden in 2015 zodanig, dat de rechtbank ervan uitgaat dat [verdachte] ook daarvoor – en dus uitgaande van de tenlastelegging vanaf 1 januari 2016 – aan die organisatie deelnam. De laatste dag dat [verdachte] in het dossier Marengo voorkomt is 18 april 2016, als hij op verzoek van [betrokkene 8] een PGP-toestel aflevert bij [medeverdachte 6] .45 De rechtbank acht daarom bewezen dat hij tot en met 18 april 2016 aan de criminele organisatie heeft deelgenomen. Van het restant van de ten laste gelegde periode zal hij worden vrijgesproken. Ten bewijze van het deelnemen van de overige in de tenlastelegging genoemde personen zijn als bijlage 3 de bewijsoverwegingen ten aanzien van de medeverdachten opgenomen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte]

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 18 april 2016 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband bestaande uit verdachte en (onder andere)

[medeverdachte 16] en [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] en [medeverdachte 12] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] en [medeverdachte 15] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- moord en

- gekwalificeerde diefstal en

- bezit vuurwapens en munitie.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

Eis van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat [verdachte] voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en elf maanden, met aftrek van de tijd die al in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

8.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging betoogt bij dupliek dat de eis van het Openbaar Ministerie te hoog is, gelet op de handelingen die [verdachte] zou hebben verricht en de eis tegen de kroongetuige.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van [verdachte] , zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

8.3.1

Ernst van de feiten en persoon van de verdachte

De bewezen geachte criminele organisatie heeft onder leiding van [medeverdachte 16] in een periode van anderhalf jaar aan vijf mensen het leven ontnomen. Daarnaast heeft de organisatie twee mensen geprobeerd te vermoorden en de moord op zes mensen voorbereid. Ook is een aanslag op een spyshop voorbereid, waarbij het risico dat daar mensen aanwezig waren niet als belemmering werd gezien.

De opdrachten hiertoe werden gegeven door [medeverdachte 16] . Hij beschikte over leven en dood van iedereen die hem in zijn beleving hinderde. Criminele rivalen, mensen die (beweerdelijk) een schuld niet hadden afbetaald, mensen die (mogelijk) spraken met zijn vijanden of met de politie; zij liepen allemaal het risico om op een dodenlijst van [medeverdachte 16] te belanden. Het gemak waarmee [medeverdachte 16] besloot dat iemand dood moest is schokkend. De daarover door hem verzonden PGP-berichten laten niets aan de verbeelding over: doden uit wraak, ter afschrikking of waarschuwing, dan wel als boodschap aan degene die hij eigenlijk dood wilde maar die voor hem onvindbaar was. Daarbij zijn er nauwelijks aanwijzingen dat de leden van de organisatie morele bezwaren hadden tegen de terreur die van [medeverdachte 16] uitging. Als een lid al moeite had met een voorgenomen moord, dan zette hij zich daar meestal overheen en onttrok hij zich niet.

De organisatie ging professioneel te werk bij de voorbereiding en uitvoering van de moorden en het nadien uitwissen van de sporen. Er werden observatieteams ingezet om de gangen van de beoogde slachtoffers na te gaan en er werd een voorraad gestolen auto’s aangehouden en van valse kentekens voorzien ten behoeve van observaties en liquidaties. Informatie werd ook verkregen via corrupte ambtenaren. Verder werden wapens geregeld, uitgeprobeerd en gereinigd. De communicatie verliep via versleutelde e-mailberichten met PGP-toestellen en vaak via tussenpersonen, kennelijk om te voorkomen dat de betrokkenen zouden ontdekken wie er verder nog een rol speelden bij de moordplannen. Bij de uitvoering werd geprobeerd het slachtoffer te plaatsen, zodat een elders gereedstaand schuttersteam de moord uit kon voeren. Ook werd geprobeerd om slachtoffers te lokken. Er werd na afloop grote zorg besteed aan het laten verdwijnen van de gebruikte auto’s, wapens en PGP-toestellen.

Dit alles maakt de indruk van een professioneel moordbedrijf, dat er alles aan deed om de door [medeverdachte 16] opgedragen moorden succesvol uit te voeren en ontdekking te voorkomen. Er hebben zich verschillende situaties voorgedaan waarin het risico werd gelopen dat een ander dan de beoogde persoon werd vermoord. In één geval is dat ook daadwerkelijk gebeurd. De reacties daarop in de chats wijzen erop dat dat door de betrokkenen werd gezien als een bedrijfsrisico. Uit de onderlinge communicatie blijkt niet dat de betrokkenen hierdoor geschokt waren of gevoelens van schuld of schaamte hadden; men ging gewoon door met het plannen van de voorgenomen moord.

Er is zicht op de organisatie van [medeverdachte 16] gekomen doordat de kroongetuige zich uit angst voor zijn leven bij de politie heeft gemeld en is gaan verklaren, en door het beschikbaar komen van PGP-berichten. Het zijn met name deze berichten die duidelijk maken hoe nietsontziend de organisatie te werk ging. Het leed dat familieleden van de slachtoffers werd aangedaan speelde geen rol. In enkele gevallen waren jonge kinderen aanwezig toen hun vader werd doodgeschoten. Veelzeggend is dat geen van de nabestaanden en slachtoffers gebruik heeft willen maken van het hen toekomende spreekrecht of als benadeelde partij een vordering heeft ingediend. Daarmee is de angst die bij hen teweeg is gebracht door het meedogenloze geweld van de organisatie van [medeverdachte 16] zichtbaar. De vele aandacht van de media voor de zaak Marengo toont de maatschappelijke impact die de moordorganisatie op de samenleving heeft gehad. De schokkende omstandigheid dat tijdens het strafproces een broer, een raadsman en de vertrouwenspersoon van de kroongetuige zijn vermoord heeft de maatschappelijke impact van de zaak Marengo zonder enige twijfel vergroot. De zaak Marengo gaat echter niet over deze moorden en de verdachten in de zaak Marengo worden in die strafzaken (op dit moment) niet vervolgd. Deze moorden spelen dan ook geen rol bij het bepalen van de straffen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straffen gekeken naar straffen die in andere moordzaken en zaken die zien op pogingen tot moord en voorbereiding van moord zijn opgelegd. Hoewel strafzaken zich moeilijk laten vergelijken, is er wel een ontwikkeling zichtbaar waarin steeds zwaarder gestraft wordt. De roep om vergelding vanuit de maatschappij wordt steeds luider. Het inzicht in het handelen van de zware criminaliteit – verkregen door de inhoud van PGP-berichten – draagt daar ook aan bij. Het opleggen van straffen dient bij te dragen aan de algemene preventie van strafbare feiten en daarom moet er afschrikkende werking van uitgaan. Ook in deze zaak wordt duidelijk gemaakt dat op deze ernstige vormen van nietsontziend, ontwrichtend geweld een stevige reactie van de strafrechter volgt. De rechtbank realiseert zich daarbij dat alleen zwaarder straffen het geweld niet kan stoppen en dat ook de hoogste straf het leed van de nabestaanden niet kan vergelden.

[verdachte] wordt veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft op moord, gedurende ongeveer drie en een halve maand. Hij levert PGP-toestellen af bij leden van de organisatie van [medeverdachte 16] en helpt als er zich met de toestellen problemen voordoen. Hij waarschuwt na de moord op [slachtoffer 2] voor de aanwezigheid van politie in Nieuwegein (‘Ey heel geina is bloedheeeeeet’) en levert PGP-toestellen en geld af in de woning waar betrokkenen bij de moord zich schuilhouden.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende [verdachte] blijkt dat hij op 16 mei 2017 is veroordeeld voor mishandeling. Artikel 63 Sr is daarom van toepassing. Ook is hij in 2006 door de kinderrechter veroordeeld voor openlijk geweld en mishandeling.

De rechtbank weegt mee dat [verdachte] geen directe betrokkenheid heeft bij moordplannen. Zijn rol is zoals gezegd relatief klein, ook al zijn de PGP-toestellen die hij aflevert van groot belang voor het soepel functioneren van de organisatie. De rechtbank acht het wel van belang dat met de straf wordt uitgedrukt dat ook een kleine rol in een organisatie als deze zeer kwalijk is en daarom flink wordt bestraft.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die aan de medeverdachten zijn opgelegd en hoe deze zich, mede gelet op ieders rol, tot elkaar verhouden. Gelet op het voorgaande is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren passend.

8.3.2

Redelijke termijn

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

Mede als gevolg van de verdenking van deelneming aan een criminele organisatie is de zaak tegen [verdachte] buitengewoon ingewikkeld te noemen, in de eerste plaats door de omvang van de zaak. De zaak Marengo is aangevangen met een eerste zitting in maart 2018 met twee verdachten – [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] – en uiteindelijk uitgegroeid tot een proces tegen zeventien verdachten en een zeer omvangrijk dossier. [medeverdachte 16] is op 18 december 2019 overgedragen door de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) en [medeverdachte 9] is in december 2021 uitgeleverd door Colombia. Zij zijn pas toen ze in Nederland waren in persoon aan het proces gaan deelnemen.

Het politiedossier in de zaak Marengo betreft zes moorden, twee pogingen tot moord en vijf voorbereidingen van moord. In totaal bevat het politiedossier tienduizenden pagina’s. Verder is er in deze zaak sprake van een kroongetuige, die niet alleen heeft verklaard over de afzonderlijke zaaksdossiers, maar ook over de criminele organisatie waar alle verdachten lid van zouden zijn geweest. Daarmee zijn de verklaringen van de kroongetuige in de zaken van alle verdachten van belang. Daarnaast bevat het dossier een zeer grote hoeveelheid ontsleutelde berichten uit PGP-toestellen, die inzicht geeft in de verschillende zaaksdossiers en ook in de verhouding tussen de vermoede leden van de criminele organisatie. De samenhang tussen de verschillende zaken brengt mee dat het los van elkaar behandelen van de zaken van verschillende verdachten tot weer nieuwe complicaties zou leiden. De rechtbank heeft daar niet voor gekozen. Dat betekent dat de grootte van de totale zaak Marengo – zowel voor wat betreft het aantal feiten als het aantal verdachten – voor de rechtbank een gegeven is. Dat geldt daarmee ook in de zaken van de verdachten met een minder omvangrijke verdenking of met weinig of geen onderzoekswensen.

De rechtbank heeft steeds als dat kon de zaken van de verdachten gelijktijdig behandeld, maar daarnaast heeft ook een groot aantal zittingen plaatsgevonden waarbij slechts de zaak van één verdachte aan de orde was. Ook het debat op de zitting was zeer uitgebreid. Zo bedraagt het requisitoir meer dan 800 pagina’s, terwijl de pleitnota’s van de raadslieden samen meer dan 3.000 pagina’s omvatten. Thans wordt in alle zaken op dezelfde dag vonnis gewezen.

De gehele procedure heeft lang geduurd, maar dat is niet te wijten aan een talmend Openbaar Ministerie of aan een gebrek aan inzet van opsporingscapaciteit. Wel was er sprake van beperkte beschikbaarheid van De Bunker of een vergelijkbare beveiligde zittingszaal en heeft ook de complexiteit van het plannen van zittingen – gelet op het grote aantal procespartijen – een rol gespeeld bij de vertraging. De omvang en complexiteit van de zaak is echter de hoofdoorzaak van de lange duur van het proces. Daarbij was veel tijd nodig om de onderzoekswensen van de verdediging te inventariseren, te beoordelen en hieraan uitvoering te geven. Aanvankelijk heeft vooral de rechter-commissaris daarbij regie gevoerd, maar uiteindelijk heeft ook bij de rechtbank een groot aantal regiezittingen plaatsgevonden. Op verzoek van (vooral) de verdediging hebben vele getuigenverhoren bij de rechter-commissaris plaatsgevonden en hebben meerdere verhoren van de kroongetuige daarnaast ook ter terechtzitting plaatsgevonden. De keuze van het Openbaar Ministerie om de zaak aan te vangen en verdachten aan te houden en te dagvaarden op een moment dat er nog geen einddossier was – en het dossier dat er wel was, zeer summier was – beschouwt de rechtbank vanwege de reeks van feitelijke gebeurtenissen als een begrijpelijke en noodzakelijke keuze. [medeverdachte 1] was immers in september 2017, op basis van ander bewijs dan zijn eigen verklaringen, als verdachte in de zaak Roos aangehouden. Na het sluiten van de kroongetuigenovereenkomst op 27 december 2017 mocht hij niet meer zwijgen over zijn eigen rol en de rollen van anderen. Bovendien had hij verklaard over een nog actieve moordorganisatie en werd [medeverdachte 8] – vermeend lid van die organisatie – neergeschoten en in het ziekenhuis opgenomen. Omdat er, los van de kluisverklaringen, bewijs tegen [medeverdachte 8] bestond in de zaak Roos/Doorn was zijn aanhouding – en daarmee de start van de zaak Marengo – onvermijdelijk. Dat er op dat moment nog lang geen afgerond dossier was heeft echter wel zijn weerslag gehad op de duur van het proces. Pas in mei 2019 – anderhalf jaar na de eerste aanhouding – konden de rechtbank en de verdediging beschikken over de overeenkomst met de kroongetuige en de door hem afgelegde verklaringen. Pas toen kon gestart worden met de zeer complexe, niet in de zaken van alle verdachten gelijk oplopende, regievoering. Enige vertraging is verder ontstaan door de uitbraak van Covid. Ook het feit dat, nadat eerst een broer van de kroongetuige, ook een van zijn advocaten en zijn vertrouwenspersoon gedurende het proces zijn vermoord, heeft tot vertraging geleid. Op meerdere momenten is de kroongetuige van rechtsbijstand verstoken geweest. Het feit dat de advocaat van [medeverdachte 16] is aangehouden en gedetineerd tijdens de procedure, waardoor ook hij enige tijd geen rechtsbijstand heeft gehad, heeft ook tot vertraging geleid.

De rechtbank acht vanwege al deze bijzondere omstandigheden een redelijke termijn van vier jaren voor de zaken van alle verdachten in Marengo gerechtvaardigd.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak de aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gesteld op 2 oktober 2018, de datum waarop [verdachte] in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn in de zaak van [verdachte] met een jaar en bijna vijf maanden is overschreden.

De Hoge Raad handelt bij een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan een jaar naar bevind van zaken. Gelet op het door de Hoge Raad gehanteerde uitgangspunt bij een overschrijding van de redelijke termijn van zes maanden tot een jaar46 zou het ‘bevind van zaken’ opgevat kunnen worden als dat de korting in dit geval ten minste zes maanden of meer zou moeten bedragen. De rechtbank acht een dergelijke grote korting echter niet aangewezen en ziet, alles afwegend, aanleiding de gevangenisstraf met drie maanden te matigen.

8.3.3

Wet straffen en beschermen

Met ingang van 1 juli 2021 is de Wet straffen en beschermen in werking getreden. De voorwaardelijke invrijheidstelling is op grond van die wet thans geregeld in artikel 6.2.10 Sv (nieuw). De periode waarin een veroordeelde via een voorwaardelijke invrijheidstelling kan werken aan zijn resocialisatie is (bij gevangenisstraffen van meer dan twee jaren) net als in de oude regeling een derde van de opgelegde straf, maar die periode kan onder de nieuwe wet niet langer zijn dan twee jaren. De wet bevat geen overgangsbepaling zodat de regeling onmiddellijke werking heeft, in die zin dat op vonnissen van na 1 juli 2021 het nieuwe regime van toepassing is.

De rechtbank ziet reeds gelet op de hoogte van de op te leggen straf geen aanleiding om rekening te houden met de oude v.i.-regeling, zoals de verdediging heeft bepleit. Toepassing van de oude v.i.-regeling zou ten opzichte van de nieuwe v.i.-regeling immers op dezelfde netto straf neerkomen.

8.3.4

Conclusie

Alles afwegend zal de rechtbank aan [verdachte] een gevangenisstraf van één jaar en negen maanden opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6.2.10 Sv.

8.3.5

Voorlopige hechtenis

Vordering van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd met ingang van de dag van de uitspraak van het vonnis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt bij dupliek om de voorlopige hechtenis op te heffen bij einduitspraak.

Oordeel van de rechtbank

De voorlopige hechtenis van [verdachte] is met ingang van 7 februari 2019 geschorst. Hij heeft vier maanden in voorlopige hechtenis gezeten. Uit de bewezenverklaring en de veroordeling tot een gevangenisstraf van een jaar en negen maanden volgt dat de rechtbank de ernstige bezwaren die ten grondslag lagen aan de voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig acht voor het in dit vonnis bewezen verklaarde feit. Dit was ook ten tijde van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis het geval. De rechtbank heeft bij de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis overwogen dat [verdachte] een ondergeschikte rol lijkt te hebben gehad in de criminele organisatie. Een afweging van belangen van de maatschappij tegenover de persoonlijke belangen van [verdachte] leidde er toen toe dat aanleiding bestond de voorlopige hechtenis te schorsen. Ook woog de rechtbank mee dat de datum van de inhoudelijke behandeling op dat moment nog niet bekend was en dat werd verwacht dat het nog een hele tijd zou duren voordat het eindvonnis in eerste aanleg zou worden uitgesproken.

Inmiddels heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden en wordt [verdachte] in dit vonnis schuldig bevonden aan een ernstig strafbaar feit. Ten aanzien van de grond recidivegevaar overweegt de rechtbank dat deze minder zwaarwegend is geworden omdat niet is gebleken dat [verdachte] zich sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Niettemin geldt deze grond nog steeds. [verdachte] heeft enige tijd welbewust deelgenomen aan een buitengewoon gewelddadige criminele organisatie. De rechtbank houdt er rekening mee dat het – vanwege uitgeoefende druk of financiële verleiding – lastig blijft om weerstand te bieden, als vanuit enige criminele groepering gevraagd wordt ergens aan mee te doen. Het verzoek tot opheffing van de (geschorste) voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen.

Een hernieuwde afweging van de belangen van de maatschappij en de persoonlijke belangen van [verdachte] leidt de rechtbank thans tot de beslissing dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in stand blijft. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [verdachte] vergeleken met de medeverdachten die wel weer vast komen te zitten, met de thans opgelegde gevangenisstraf van een jaar en negen maanden, waarvan nog vier maanden – zijnde de tijd die al door [verdachte] in voorlopige hechtenis is doorgebracht – wordt afgetrokken, een relatief kort strafrestant dient uit te zitten. De rechtbank veronderstelt dat dat vooruitzicht in combinatie met de schorsingsvoorwaarden voor hem een belangrijke motivatie zal zijn om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. De vordering van het Openbaar Ministerie wordt dan ook afgewezen.

9 Beslag

Onder [verdachte] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  1. ME23.01.03.002 /479388
    Omschrijving: Iphone

  2. ME23.01.03.012 /479398
    Omschrijving: blackberry (358567040104099)

  3. ME23.01.03.013 /479399

Omschrijving: samsung gsm 359656044153852

9.1

Standpunten

Voor het standpunt en de toelichting daarop van het Openbaar Ministerie wordt verwezen naar bijlage 4.

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

9.2

Oordeel van de rechtbank


Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van de onder 1 en 2 genoemde voorwerpen primair gevorderd dat deze worden gedeponeerd voor het bewijs. Het deponeren van voorwerpen voor het bewijs is een beslissing die de rechtbank niet kan nemen, omdat hier geen wettelijke grondslag voor is. De rechtbank kan inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaren, onttrekken aan het verkeer, bewaren ten behoeve van de rechthebbende of de teruggave daarvan aan de rechthebbende gelasten.

Uit bijlage 4 blijkt dat ten aanzien van de onder 1 en 2 genoemde voorwerpen het onderzoek nog niet gereed is. Het onder 3 genoemde voorwerp betreft een oude telefoon die niet uit te lezen is. Ten aanzien van alle drie de voorwerpen is niet duidelijk wat erop staat. Het enkele feit dat een telefoon nog in onderzoek is of niet kan worden uitgelezen, waardoor niet duidelijk is wat er op de telefoon staat, is geen grond waarop een voorwerp verbeurd kan worden verklaard of kan worden onttrokken aan het verkeer. Uit het dossier blijkt verder niet dat het bij deze telefoons gaat om voorwerpen die vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal daarom de teruggave aan [verdachte] gelasten van de onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissingen.

11 Beslissingen

Verklaart bewezen dat [verdachte] het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in hoofdstuk 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt [verdachte] daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt [verdachte] tot een gevangenisstraf van 1 (een) jaar en 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

  1. ME23.01.03.002 /479388
    Omschrijving: Iphone

  2. ME23.01.03.012 /479398
    Omschrijving: blackberry (358567040104099)

  3. ME23.01.03.013 /479399

Omschrijving: samsung gsm 359656044153852

Dit vonnis is gewezen door

[naam rechter 1] , voorzitter,

[naam rechter 2] en [naam rechter 3] , rechters,

in tegenwoordigheid van [naam griffier 1] en [naam griffier 2] , griffiers

en van [naam rechter 4] , rechter in de zin van artikel 6, derde lid, van de Wet RO,

en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2024.

1 [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 15] en [verdachte] op 2 oktober 2018, [medeverdachte 14] op 12 november 2018, [medeverdachte 2] op 13 november 2018, [medeverdachte 10] op 22 januari 2019, [medeverdachte 4] op 23 januari 2019, [medeverdachte 7] op 31 januari 2019, [medeverdachte 5] op 28 maart 2019, [medeverdachte 12] op 27 mei 2019 in Suriname en op 28 mei 2019 in Nederland, [medeverdachte 11] op 27 mei 2019 in Suriname en op 29 mei 2019 in Nederland, [medeverdachte 16] op 16 december 2019 in Dubai en op 19 december 2019 in Nederland en [medeverdachte 9] op 7 februari 2020 in Colombia en op 7 december 2021 in Nederland.

2 Zie (onder meer) HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600.

3 HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600, r.o. 8.3.

4 HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600, r.o. 3.11.

5 Zie de schriftelijke toelichting van het Openbaar Ministerie op de zitting van 6 december 2022, p. 5.

6 HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:600, r.o. 3.16.

7 HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6458, r.o. 3.2.

8 AD03 (PGP), p. 303-306.

9 AD03 (PGP), p. 640-643.

10 AD03 (PGP), p. 1311-1369.

11 HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, r.o. 4.3.

12 HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, r.o. 2.3.4.

13 HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, r.o. 3.4.

14 ZD07 (Plato), p. 256.

15 AD02 (Verificatie verklaringen Koper, relaas pv), p. 9 en 10.

16 AD02 (Verificatie verklaringen Koper, relaas pv), p. 12-15.

17 AD02 (Verificatie verklaringen Koper, relaas pv), p. 19.

18 AD02 (Verificatie verklaringen Koper, relaas pv), p. 20.

19 ZD09 (Aker), p. 276-286.

20 AD00 (Algemeen dossier), p. 698.

21 ZD09 (Aker), p. 288.1-288.5.

22 ZD09 (Aker), p. 289 en 295.

23 ZD09 (Aker), p. 157, 158, 166, 302 en 305.

24 ZD09 (Aker), p. 384.

25 AD03 (PGP), p. 2902, 2903 en 3037-3039.

26 AD02 (Verificatie verklaringen Koper), p. 488-493 en ZD08 (140 Sr), p. 261 en 262.

27 ZD08 (140 Sr), p. 59.

28 ZD08 (140 Sr), p. 55-87.

29 ZD08 (140 Sr), p. 67.

30 ZD08 (140 Sr), p. 59 en 60.

31 AD03 (PGP), p. 2891.

32 AD01 (Verklaringen [medeverdachte 1] ). p. 99.

33 AD01 (Verklaringen [medeverdachte 1] ), p. 492 en 493.

34 HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, r.o. 4.3.

35 HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858.

36 HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, r.o. 3.3.

37 AD01 (Verhoren [medeverdachte 1] ), p. 1321.

38 AD03 (PGP), p. 1311-1369.

39 ZD08 (140 Sr), p. 18.

40 ZD05 (Rudolf), p. 891 en 892.

41 AD00 (Algemeen dossier), p. 2895.

42 AD00 (Algemeen dossier), p. 2895 en 2896.

43 ZD08 (140 Sr), p. 85.

44 AD03 (PGP), p. 2157-2160 en ZD02 (Ster), p. 892, 893, 895, 896, 913, 1114, 1115 en 1118.

45 AD03 (PGP), p. 2487.

46 De Hoge Raad gaat in gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan zes maanden maar met minder dan een jaar is overschreden uit van een korting op de gevangenisstraf van tien procent. In die gevallen bedraagt de omvang van de korting niet meer dan de duur van de overschrijding en in elk geval nooit meer dan zes maanden.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.