Feiten
1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.
EMA heeft een remise met loods bij [locatie] waar publiek historische trams kan bekijken en een rit kan maken in een museumtram.
1.2.
[eiseres] was vanaf oktober 2020 werkzaam bij EMA. Zij was als vrijwilliger bij de technische dienst gestart en was aan het re-integreren na een burnout. Zij volgde de cursus tot tramconducteur.
1.3.
Op 6 december 2020 reed [eiseres] samen met mede cursisten met de museumtram mee. Toen de rit ten einde was gekomen en de tram geparkeerd was in de loods, besefte [eiseres] dat zij haar tas was vergeten in de tram. [eiseres] is toen naar de loods gelopen. Bij binnenkomst is zij met haar linkervoet blijven haken achter een verhoogde schuifdeurrail die zich vlak na de ingang bij spoor 2 bevond. [eiseres] is toen ten val gekomen. Nadat zij met de ambulance naar het ziekenhuis was gebracht, is gebleken dat zij een hoge incomplete dwarslaesie (niveau C3) had opgelopen. [eiseres] heeft een operatie moeten ondergaan en kon langere tijd niet lopen.
1.4.
De schuifdeurrail deed ten tijde van het ongeval geen dienst meer deed omdat de schuifdeur, die ooit bedoeld was om de loods af te sluiten, in 2020 was verwijderd en vervangen door roldeuren. De schuifdeurrails was ten tijde van het ongeval al verwijderd op spoor 1 en is na het ongeval ook op spoor 2 verwijderd.
1.5.
EMA heeft dit arbeidsongeval op 4 februari 2021 gemeld bij de inspectie SZW. De inspectie heeft aan de hand van door EMA ingestuurde foto’s geoordeeld dat er sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en EMA geen boete opgelegd.
1.6.
Op 15 januari 2021 heeft [eiseres] EMA aansprakelijk gesteld voor de door haar door het ongeval geleden en nog te lijden schade.
1.7.
EMA heeft dit ongeval bij haar verzekeraar Achmea gemeld. Deze heeft de aansprakelijkheid afgewezen.
Vordering en verweer
2. [eiseres] vordert voor recht te verklaren dat EMA jegens haar aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden materiele en immateriële schade als gevolg van het haar overkomen arbeidsongeval op 6 december 2020 en dat gedaagden gehouden zijn de schade van [eiseres] te vergoeden. Tevens vordert [eiseres] gedaagden te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 5.000,00, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.
3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover daarvoor van belang, nader ingegaan.
4. Beoordeeld dient te worden of EMA aansprakelijk is voor de schade, die [eiseres] stelt te hebben geleden als gevolg van het haar op 6 december 2020 overkomen arbeidsongeval.
5. Artikel 7:658 lid 1 BW verplicht de werkgever de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Op grond van lid 2 van voornoemd artikel is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Vrijwilligers genieten ook bescherming van voornoemd artikel.
6. Het staat vast dat [eiseres] op 6 december 2020 bij haar werkgever EMA aan het werk was en dat haar die dag een ongeval is overkomen, waarbij zij ernstig letsel heeft opgelopen. Nu [eiseres] schade heeft geleden in de uitoefening van haar werkzaamheden, is EMA op grond van 7:658 lid 2 BW in beginsel aansprakelijk voor de schade, die [eiseres] als gevolg van dit ongeval lijdt dan wel heeft geleden.
7. EMA voert aan dat zij niet aansprakelijk is omdat zij de zorgplicht jegens werknemer is nagekomen. Daartoe voert zij aan dat zij alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om dit specifieke ongeval te voorkomen. Volgens EMA hoeft zij haar werknemers immers niet voor ieder denkbaar risico te behoeden. Een tramremise is volgens haar een terrein met veel oneffenheden en obstakels. Zij betwist dat sprake was van een gevaarlijke situatie. De schuifdeurrails was goed zichtbaar en bevond zich direct na de ingang, waar het plaveisel overgaat in ander gesteente. De rails stak slechts ongeveer 1,5 cm uit. Ten tijde van het ongeval was het licht, dus de verhoging was ook goed zichtbaar. Zij wijst er op dat in de 46 jaar dat deze rails er lag er nog nooit iemand ten val is gekomen over deze rails. Zij had de rails ten tijde van het ongeval nog niet overal verwijderd omdat het een tijdrovende klus is.
8. [eiseres] betwist dat EMA haar zorgplicht is nagekomen. Volgens haar was er sprake van een gevaarlijke situatie. De schuifdeurrails was, mede omdat zij van een lichte omgeving in een donkere loods stapte, niet-zichtbaar. Deze was bovendien minimaal 3 cm hoog, wat volgens de CROW-richtlijnen als gevaarlijk wordt gekwalificeerd. Zij heeft een foto van het stukje schuifdeurrails dat nog niet verwijderd is overgelegd, waaruit blijkt dat deze meer dan 3 cm boven de grond uitstak. Dat stuk is volgens haar vergelijkbaar met de rails waarover zij is gevallen. EMA heeft volgens haar geen maatregelen genomen om het gevaar te voorkomen door bijvoorbeeld de rails te verwijderen, de rails in een opvallende kleur te schilderen of een waarschuwingsbord te plaatsen.
9. Vastgesteld dient te worden of EMA aan haar zorgplicht heeft voldaan. Deze zorgplicht verplicht de werkgever niet alleen om aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht mag niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Art. 7:658 BW vergt een hoog veiligheidsniveau van de betrokken werkruimte, werktuigen, gereedschappen en kleding alsmede van de organisatie van de werkzaamheden, en vereist dat de werkgever het op de omstandigheden van het geval toegesneden toezicht houdt op behoorlijke naleving van de door hem gegeven instructies.
10. EMA voert aan dat zij [eiseres] niet voor de schuifdeurrails had behoeven te waarschuwen omdat deze slechts 1 cm hoog was. Zij heeft een verklaring van getuige [getuige] , overgelegd die heeft verklaard dat de rails ongeveer 1 cm hoog was. [eiseres] heeft dat betwist en aangevoerd dat deze tussen de 3 en 4 cm hoog was. Het ligt op de weg van EMA om aan te tonen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De enkele verklaring van een getuige is onvoldoende om vast te stellen dat de schuifdeurrails ongeveer 1 cm hoog was. Vaststaat dat de rails waarover [eiseres] is gestruikeld na het ongeval door EMA is verwijderd. Bovendien zijn de door EMA overgelegde foto’s die van de situatie ter plaatse ten tijde van het ongeval zijn gemaakt, onduidelijk. Het komt voor risico van EMA dat het niet meer mogelijk is om exact vast te stellen hoe hoog de rails ten tijde van het ongeval ter plaatse was. Nu [eiseres] met een foto van een nabij gelegen stukje rails dat (nog) niet was verwijderd, heeft aangetoond dat deze meer dan 3 cm hoog was, zal van deze hoogte van de schuifdeurrails waarover [eiseres] is gestruikeld worden uitgegaan.
11. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet komen vast te staan dat EMA aan haar zorgplicht voor een veilige werkomgeving heeft voldaan. Nu de schuifdeur inmiddels was verwijderd en de rails geen dienst meer deed, had [eiseres] er niet op bedacht hoeven te zijn dat er ter plaatse een schuifdeurrail van minimaal 3 cm hoog boven de grond uitstak. Dat het in een loods was, maakt dit niet anders. Het struikelen over een obstakel van 3 cm of hoger is niet te beschouwen als de verwezenlijking van een alledaags gevaar in een loods waarvoor niet behoeft te worden gewaarschuwd. [eiseres] behoefde vlak na de ingang van de loods een dergelijke verhoging niet te verwachten.
12. De werkgever dient ervoor te zorgen dat de vloer zoveel mogelijk vrij is van oneffenheden. Daaraan heeft zij, met een schuifdeurrails van 3 cm hoog, niet voldaan. EMA had daar wel voor kunnen zorgen. De schuifdeur was immers in 2020 al vervangen door roldeuren en de rails had sindsdien geen functie meer. Daarbij komt dat een deel van rails al was verwijderd. Niet is gebleken dat EMA het restant van de rails niet eerder had kunnen verwijderen. EMA had bovendien maatregelen kunnen nemen om een veiligere situatie te creëren. Zij had bijvoorbeeld bij de ingang een waarschuwingsbord kunnen plaatsen. Dat heeft zij nagelaten. Dat niet eerder iemand gestruikeld is, maakt dat niet anders.
13. Nu EMA verder niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat het ongeval het gevolg is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid van [eiseres] , wordt geconcludeerd dat EMA onvoldoende aan haar zorgplicht om ten aanzien van [eiseres] een veilige werkplek te waarborgen heeft voldaan. EMA is derhalve als werkgever aansprakelijk voor de schade die [eiseres] lijdt dan wel heeft geleden als gevolg van het haar op 6 december 2020 overkomen arbeidsongeval. Daarmee is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar.
14. Nu op grond van artikel 7:954 BW Achmea ook gehouden is de schade te vergoeden, zal de gevorderde verklaring voor recht tegen Achmea ook worden toegewezen.
15. [eiseres] vordert een voorschot van € 5.000,00 op de schadevergoeding. Gedaagden hebben deze vordering niet betwist, zodat deze zal ook worden toegewezen.
16. Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.