1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, en van wat de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [naam] , en de raadslieden van verdachte, mrs. F. Ahlers en J.T.C. Leliveld, naar voren hebben gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte wordt verweten dat zij op twee verschillende momenten milieuregelgeving niet heeft nageleefd. In zaak A gaat het om een emissie van 35.800 m3 kooksovengas in de periode van 12 tot en met 15 februari 2021. In zaak B gaat het om schade aan een onderdeel van de Kooksgasfabriek 1 als gevolg van een storm op 31 januari 2022. Deze verwijten zijn – kort samengevat – als volgt tenlastegelegd.
Zaak A
Feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met haar omgevingsvergunning door een ongewoon voorval niet tijdig te melden. Subsidiair is dit tenlastegelegd als het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval.
Feit 2: Opzettelijk niet voldoen aan de op verdachte rustende zorgplicht om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken en/of opzettelijk niet zorgdragen voor de correcte uitvoering van het preventiebeleid voor zware ongevallen.
Zaak B
Opzettelijk handelen in strijd met haar omgevingsvergunning door een ongewoon voorval niet tijdig te melden. Subsidiair is dit tenlastegelegd als het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.
5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A, feit 1
op 15 februari 2021, te Velsen en/of Beverwijk en/of Heemskerk,
heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, afgegeven op 16 januari 2007, onder kenmerk 2007-00001, welk voorschrift betrekking had op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting aan de [adres] ,
immers werd in strijd met voorschrift 0.1.8 van de omgevingsvergunning een emissie van (naar schatting 35.800 m3) kooksovengas vanuit de Sinterfabriek, welke zich binnen de inrichting van verdachte had voorgedaan, niet tijdig gemeld aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, conform de methodiek van de standaardmilieumeldingenlijst.
Zaak A, feit 2
in de periode van 12 februari 2021 tot en met 15 februari 2021, te Velsen en/of Beverwijk en/of Heemskerk,
als exploitant, die een inrichting aan de [adres] dreef, waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing was,
niet alle maatregelen heeft getroffen, die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken,
immers heeft er vanuit de zogenaamde sinterfabriek van verdachte, een emissie van ongeveer 35.800 m3 kooksovengas naar de lucht plaatsgevonden doordat in genoemde periode een (kooksovengas)afsluiter in die sinterfabriek niet was dicht gezet,
doordat de exploitant geen zorg heeft gedragen voor de correcte uitvoering van het preventiebeleid voor zware ongevallen,
immers werd dit preventiebeleid niet uitgevoerd met een veiligheidsbeheerssysteem dat voldeed aan al de elementen, genoemd in bijlage III bij de Richtlijn 2012/18 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, en met passende middelen en structuren die evenredig zijn aan de gevaren van zware ongevallen en de complexiteit van de organisatie of de activiteiten van de inrichting,
doordat in het veiligheidsbeheerssysteem de controle op de exploitatie door middel van toepassing van procedures en/of instructies voor veilige werking, ook met betrekking tot onderhoud, van de installatie en/of de processen en/of tijdelijke onderbrekingen niet, althans onvoldoende aan de orde kwamen;
Zaak B
op 31 januari 2022, te Velsen en/of Beverwijk en/of Heemskerk,
heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, afgegeven op 16 januari 2007, onder kenmerk 2007-00001, welk voorschrift betrekking had op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting aan de [adres] ,
immers werd in strijd met voorschrift 0.1.8 van de omgevingsvergunning een voorval waarbij de kookszijdige ontstoffing uit bedrijf was,
welke zich binnen de inrichting van verdachte had voorgedaan,
niet tijdig gemeld aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, conform de methodiek van de Standaard milieumeldingenlijst.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
10 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is weergegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A, feit 1 primair en zaak B, primair:
Telkens: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;
Zaak A, feit 2:
Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 140.000,- (honderdveertigduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. J.M. van Hall en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. C. Wolswinkel en J.M. Bos, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2025.