Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBAMS:2025:1410

Rechtbank Amsterdam
06-03-2025
06-03-2025
81-347671-21 (zaak A) en 81-325536-22 (zaak B)
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Boete van 140.000 euro voor het niet naleven van milieuregelgeving.

Rechtspraak.nl
JM 2025/45 met annotatie van S. Pieters

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 81-347671-21 (zaak A) en 81-325536-22 (zaak B)

Datum uitspraak: 6 maart 2025

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:

[verdachte] ,

gevestigd aan de [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2025.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.S. de Weijer, en van wat de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [naam] , en de raadslieden van verdachte, mrs. F. Ahlers en J.T.C. Leliveld, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte wordt verweten dat zij op twee verschillende momenten milieuregelgeving niet heeft nageleefd. In zaak A gaat het om een emissie van 35.800 m3 kooksovengas in de periode van 12 tot en met 15 februari 2021. In zaak B gaat het om schade aan een onderdeel van de Kooksgasfabriek 1 als gevolg van een storm op 31 januari 2022. Deze verwijten zijn – kort samengevat – als volgt tenlastegelegd.

Zaak A

Feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met haar omgevingsvergunning door een ongewoon voorval niet tijdig te melden. Subsidiair is dit tenlastegelegd als het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval.

Feit 2: Opzettelijk niet voldoen aan de op verdachte rustende zorgplicht om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken en/of opzettelijk niet zorgdragen voor de correcte uitvoering van het preventiebeleid voor zware ongevallen.

Zaak B

Opzettelijk handelen in strijd met haar omgevingsvergunning door een ongewoon voorval niet tijdig te melden. Subsidiair is dit tenlastegelegd als het niet zo spoedig mogelijk melden van een ongewoon voorval.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3 Geldigheid van de dagvaarding

3.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op de zitting van 20 februari 2025 preliminair verweer gevoerd gericht op de gedeeltelijke nietigheid van de dagvaarding. De rechtbank heeft dit verweer ter zitting ongegrond verklaard, waarna de verdediging het verweer bij pleidooi heeft herhaald.

De verdediging stelt dat de tenlastelegging in zaak A ten aanzien van feit 2 nietig is voor wat betreft het deel vanaf ‘zulks terwijl de exploitant’, omdat dit deel van de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is. Het biedt onvoldoende houvast voor het aflopen van de wettelijke beslisstructuur en stelt de verdediging daarom niet in staat een adequate verdediging te voeren.

3.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat de tenlastelegging moet worden bezien in samenhang met het dossier. Tegen die achtergrond is deze tenlastelegging voldoende duidelijk.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het deel van de tenlastelegging waarvan de verdediging stelt dat het nietig is, bestaat uit de tekst van de betreffende regelingen en niet verder verfeitelijkt is. Dat maakt nog niet dat een tenlastelegging nietig is, omdat de tenlastelegging moet worden bezien in het licht van het dossier. In dit geval is op basis van het dossier, in het bijzonder het controlerapport, voldoende duidelijk wat het verwijt is dat verdachte gemaakt wordt en waartegen zij zich moet verweren. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Zaak A

4.1.1.

Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op vrijdag 12 februari 2021 vonden er voorbereidende werkzaamheden plaats ten behoeve van onderhoud in de Sinterfabriek van verdachte. Afsluiter 397 van de sintermachine moest worden vervangen. Hiervoor moest het leidingdeel tussen de afsluiters GK301 en GK397 worden gespoeld. Dat gebeurt door via klep GSA379 stikstof toe te voegen en wordt klep GK351 geopend om die stikstof weer te kunnen afblazen. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden bleek dat afsluiters lekten en is besloten om te stoppen met de klus. De geopende en met een slot vastgezette klep GK351 is toen open blijven staan. Op 15 februari 2021 is geconstateerd dat er een mogelijke fout kon zitten in de wijze waarop de installatie was achtergelaten, namelijk dat afsluiter GK351 is open blijven staan.

Bij controle is gebleken dat er sprake was van een kooksovengasemissie.2 Deze emissie is op 15 februari 2021 tussen 08:00 uur en 09:00 uur geconstateerd, waarop de ongewenste emissie rond 13:20 uur is verholpen.3 Uiteindelijk is om 23:06 uur aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: ODNZKG) gemeld dat er een kooksovengasemissie heeft plaatsgevonden doordat de hoofdafsluiter ten behoeve van een kooksovengassysteem halfopen heeft gestaan.4 De totale emissie tussen 12 en 15 februari 2021 betrof 35.800 m³ kooksovengas.5

Op 16 januari 2007 is – toen verdachte nog [bedrijfsnaam] heette – door de Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland aan verdachte een vergunning met kenmerk 200700001 afgegeven voor haar inrichting aan de [adres] .6 In vergunningsvoorschrift 0.1.8 is opgenomen dat afwijkende bedrijfssituaties dienen te worden gemeld overeenkomstig de standaardmilieumeldingenlijst.7

Uit de standaardmilieumeldingenlijst van 1 januari 2021, betreffende de Sinterfabriek van verdachte, volgt dat afwijkingen van de normale bedrijfsvoering die kunnen leiden tot mogelijke waarneembaarheid en/of hinder en/of schade in de omgeving of potentiële effecten op het milieu binnen vijftien minuten moeten worden gemeld aan de ODNZKG. Op de eerste pagina van deze meldingenlijst wordt de melding ‘Ongewoon voorval met mogelijke milieugevolgen’ genoemd, die onder het regime van ‘Actie 1’ valt. ‘Actie 1’ omvat het ‘registreren en direct melden (mail en telefoon) aan OD’.8

Verdachte is door de aard en omvang van de opslag van gevaarlijke stoffen een inrichting die valt onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (hierna: BRZO). Dergelijke inrichtingen moeten beschikken over een preventiebeleid zware ongevallen.9

Verdachte heeft een procedure opgesteld voor het veiligstellen van een installatie (QHSE 3.41). Deze procedure ziet zowel op het veiligstellen van een installatie ten behoeve van werkzaamheden als ook het weer in gebruik nemen van de installatie.10

4.1.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt beide tenlastegelegde feiten bewezen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat in de procedure voor het veiligstellen van een installatie geen stappen opgenomen waren indien werkzaamheden onverwacht niet voltooid konden worden. Ook zijn de procedures voor het doen van onderzoek naar aanleiding van een voorval, om oorzaken te achterhalen en toekomstige voorvallen te voorkomen, onvoldoende toereikend.

4.1.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen een bewezenverklaring van feit 1. Verdachte erkent dat niet tijdig is gemeld.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat niet is bewezen dat verdachte haar zorgplicht heeft geschonden en haar procedures niet op orde had. Voor zover de rechtbank oordeelt dat dit wel is bewezen, vindt de verdediging niet bewezen dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan.

4.1.4.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het ongewone voorval (te weten de emissie van kooksovengas) op 15 februari 2021 tussen 08:00 en 09:00 uur heeft geconstateerd en zij dit niet tijdig, namelijk pas op 15 februari 2021 om 23:06 uur heeft gemeld. Daarmee heeft verdachte een van de voorschriften uit haar vergunning geschonden want dit had binnen vijftien minuten gemeld moeten worden.

Dit niet melden is naar het oordeel van de rechtbank ook opzettelijk gebeurd. Nadat het voorval is geconstateerd is de primaire focus van de werknemers van verdachte gericht geweest op de installatie in de correcte toestand terug te brengen en het zo correct mogelijk inschatten van de omvang van de emissie,11 en niet op het melden van het voorval.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het (niet-)handelen van de werknemers van verdachte in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend, zodat verdachte hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk is.

Feit 2

Verwijten

De rechtbank stelt vast dat in de periode van 12 tot en met 15 februari 2021 sprake is geweest van een zwaar ongeval, door de emissie van 35.800 m3 kooksovengas. Deze emissie voldoet namelijk aan de omschrijving van een ‘zwaar ongeval’ in het BRZO: een gebeurtenis als gevolg van ongecontroleerde ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting, waardoor onmiddellijk of na verloop van tijd ernstig gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu binnen of buiten de inrichting ontstaat en waarbij één of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn.

De volgende vraag is of verdachte maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om dit zware ongeval te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en milieu te beperkten. Uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat ‘alle maatregelen’ ziet op alle maatregelen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen. Inrichtingen zijn niet verplicht om alle denkbare maatregelen te nemen.12

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende maatregelen getroffen. De procedure die door verdachte was opgesteld voor het onderhoud aan een installatie (het veiligstellen van een installatie ten behoeve van werkzaamheden) voorzag niet in voorschriften voor het geval de klus tussentijds moest worden geannuleerd (het veiligstellen niet volgens de vooraf gemaakte planning zou verlopen). Niet is beschreven hoe in zo’n geval wordt toegezien dat de installatie in de oorspronkelijke (operationele) situatie wordt teruggebracht (het weer sluiten van de klep GK351). Gelet op de omvang van de inrichting van verdachte, waar het veiligstellen van installaties ten behoeve van (onderhouds)werkzaamheden aan de orde van de dag is, had van verdachte verwacht mogen worden dat zij erop bedacht was dat het veiligstellen niet altijd volgens plan zou verlopen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zij ervan uitging dat de medewerkers in een dergelijk geval wel het stappenplan zouden teruglopen, maar daarvan mag niet zondermeer worden uitgegaan. Gelet op de risico’s voor de menselijke gezondheid en het milieu had van verdachte ook verwacht mogen worden dat zij hiervoor een adequate procedure zou hebben gehad. Deze procedure ontbrak en dat heeft eraan heeft bijgedragen dat de grootschalige emissie van kooksovengas heeft kunnen plaatsvinden.

In het dossier wordt ook geconstateerd dat in het deel van de installatie van waaruit de emissie heeft plaatsgevonden, geen flowmeters en/of alarmen aanwezig waren die de emissie hadden kunnen melden. Hoewel dit een denkbare maatregel is die had kunnen bijdragen aan het beperken van de gevolgen, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier onvoldoende dat deze maatregel eveneens op voorhand nodig was, in het geval verdachte had voldaan aan haar verplichting van de juiste procedures voor het veiligstellen van installaties.

De officier van justitie heeft ook gewezen op de procedures voor wanneer en hoe intensief er onderzoek gedaan moet worden naar ongewone voorvallen en ongevallen. Naar het oordeel van de rechtbank valt het verwijt dat deze procedures niet zouden voldoen aan de eisen die daaraan gesteld moeten worden, buiten het bereik van de huidige tenlastelegging, omdat die concreet is toegespitst op de emissie van kooksovengas tussen 12 en 15 februari 2021 en uit het dossier niet volgt op welke wijze dit nalaten had kunnen bijdragen aan het voorkomen van dit incident. De rechtbank neemt daarop dan ook geen beslissing.

Tussenconclusie

De rechtbank acht bewezen dat de procedure van verdachte voor het veiligstellen van installaties ten behoeve van (onderhouds)werkzaamheden onvoldoende was om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken. De rechtbank acht de overige verwijten die de officier van justitie heeft gemaakt en die binnen de tenlastegelegde periode vallen niet bewezen.

Opzet

De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzettelijk haar zorgplicht niet heeft nageleefd. De rechtbank stelt vast dat de door verdachte vastgestelde procedure niet voorziet in voorschriften in het geval het veiligstellen niet volledig mogelijk is. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij van de betrokken (ervaren) medewerkers verwachtte dat zij het proces van veiligstellen volledig zouden teruglopen.13 Door dit wel te verwachten, maar niet vast te leggen wordt bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze procedure niet goed wordt doorlopen met alle schadelijke gevolgen van dien.

Toerekening aan rechtspersoon

Naar het oordeel van de rechtbank kan de omstandigheid dat medewerkers van verdachte onvoldoende adequate procedures hebben vastgesteld in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend, zodat verdachte hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk is. Het hangt immers nauw samen met de bedrijfsvoering van verdachte.

4.2.

Zaak B

4.2.1.

Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.14

Op 31 januari 2022 wordt door harde wind op het terrein van verdachte de afdekband van de filterinstallatie (een zogenaamde kookszijdige ontstoffer, hierna: KZO), behorende bij de Kooksgasfabriek 1 (hierna: KGF1), geblazen. De afdekband blijkt dubbelgevouwen in de afzuigwagen terecht te zijn gekomen, waardoor de KZO in het midden van de KGF1 niet meer kan functioneren.

De stormschade wordt om 11:30 uur geconstateerd, waarna het proces van het drukken van kooks uit de ovens van KGF1 wordt stilgelegd. Er wordt eerst geprobeerd om de band uit de constructie te halen. Dat is niet gelukt. Als blijkt dat de afdekband niet op korte termijn kan worden hersteld, wordt op diezelfde dag om 16:01 uur besloten om het drukprogramma zonder functionerende KZO te hervatten. Om 16:16 uur wordt hiervan namens verdachte een melding gemaakt bij de ODNZKG.15

Uit het ook al bij zaak A genoemde vergunningsvoorschrift 0.1.8 volgt dat afwijkende bedrijfssituaties bij verdachte gemeld dienen te worden overeenkomstig de standaardmilieumeldingenlijst.16 Uit de standaardmilieumeldingenlijst van 24 februari 2021, betreffende de Kooks- en Gasfabrieken van verdachte, volgt dat afwijkingen van de normale bedrijfsvoering die kunnen leiden tot mogelijke waarneembaarheid en/of hinder en/of schade in de omgeving of potentiële effecten op het milieu binnen vijftien minuten moeten worden gemeld aan de ODNZKG. Op de eerste pagina van deze meldingenlijst wordt de melding ‘Kookszijdige ontstoffing KGF1 uit bedrijf’ genoemd, die onder het regime van ‘Actie 1’ valt. ‘Actie 1’ omvat het ‘registreren en direct melden (mail en telefoon) aan OD’.17

4.2.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt het tenlastegelegde feit bewezen, omdat verdachte bij het ontdekken van de stormschade om 11:30 uur het ongewone voorval had moeten melden, en verdachte het pas om 16:16 uur heeft gemeld.

4.2.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat het ongewone voorval wel tijdig is gemeld, omdat de situatie om 11:30 nog niet tot potentiële effecten op het milieu kon leiden. Voor zover de rechtbank oordeelt dat verdachte niet tijdig heeft gemeld, heeft verdachte dat niet opzettelijk gedaan.

4.2.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte het ongewone voorval op 31 januari 2022 niet tijdig heeft gemeld. Daarvoor is van belang dat de rechtbank van oordeel is dat om 11:30 uur al sprake was van een voorval met potentiële effecten op het milieu.

Vanaf het moment dat ontdekt werd dat de afdekband van de KZO was geblazen en daarmee de KZO buiten gebruik was, werd het een reëel scenario dat later die dag gare kooks gedrukt moest worden, zonder dat de KZO in gebruik was. Uit de schriftelijke verklaring die namens verdachte is verstrekt volgt ook dat het van belang was dat de productie na een aantal uren weer werd hervat, omdat er zich in ovenkamers kooks bevond die daar niet zonder risico’s nog veel langer in kon blijven.18 Er waren dus slechts enkele uren beschikbaar om de stormschade te herstellen en de productie op de reguliere wijze te hervatten. Verdachte wist dat als het niet op tijd gerepareerd zou zijn er nadelige gevolgen voor het milieu zouden optreden, omdat dan de kooks zouden worden gedrukt zónder dat de KZO in werking zou zijn waardoor kooksstof zou vrijkomen en in de lucht zou worden verspreid. Naar het oordeel van de rechtbank was er dan ook om 11.30 uur al sprake van een situatie van mogelijke milieuschade. Dat had anders kunnen zijn als aannemelijk was geweest dat in die concrete situatie ruim voldoende reparatietijd beschikbaar was. Dat is echter niet door verdachte aangevoerd of anderszins gebleken. Dit ligt ook niet voor de hand, omdat geen sprake was van regulier onderhoud maar van reparatiewerkzaamheden naar aanleiding van stormschade, terwijl nog sprake was van stormachtig weer.

De rechtbank vindt ook bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd heeft gehandeld met haar vergunning door het ongewone voorval niet tijdig te melden. Nadat de stormschade is geconstateerd is door werknemers van verdachte overwogen of er gemeld moest worden en is besloten om nog niet te melden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het (niet-)handelen van de werknemers van verdachte in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend, zodat verdachte hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk is.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A, feit 1

op 15 februari 2021, te Velsen en/of Beverwijk en/of Heemskerk,

opzettelijk,

heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, afgegeven op 16 januari 2007, onder kenmerk 2007-00001, welk voorschrift betrekking had op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting aan de [adres] ,

immers werd in strijd met voorschrift 0.1.8 van de omgevingsvergunning een emissie van (naar schatting 35.800 m3) kooksovengas vanuit de Sinterfabriek, welke zich binnen de inrichting van verdachte had voorgedaan, niet tijdig gemeld aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, conform de methodiek van de standaardmilieumeldingenlijst.

Zaak A, feit 2

in de periode van 12 februari 2021 tot en met 15 februari 2021, te Velsen en/of Beverwijk en/of Heemskerk,

als exploitant, die een inrichting aan de [adres] dreef, waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing was,

opzettelijk,

niet alle maatregelen heeft getroffen, die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken,

immers heeft er vanuit de zogenaamde sinterfabriek van verdachte, een emissie van ongeveer 35.800 m3 kooksovengas naar de lucht plaatsgevonden doordat in genoemde periode een (kooksovengas)afsluiter in die sinterfabriek niet was dicht gezet,

doordat de exploitant geen zorg heeft gedragen voor de correcte uitvoering van het preventiebeleid voor zware ongevallen,

immers werd dit preventiebeleid niet uitgevoerd met een veiligheidsbeheerssysteem dat voldeed aan al de elementen, genoemd in bijlage III bij de Richtlijn 2012/18 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, en met passende middelen en structuren die evenredig zijn aan de gevaren van zware ongevallen en de complexiteit van de organisatie of de activiteiten van de inrichting,

doordat in het veiligheidsbeheerssysteem de controle op de exploitatie door middel van toepassing van procedures en/of instructies voor veilige werking, ook met betrekking tot onderhoud, van de installatie en/of de processen en/of tijdelijke onderbrekingen niet, althans onvoldoende aan de orde kwamen;

Zaak B

op 31 januari 2022, te Velsen en/of Beverwijk en/of Heemskerk,

opzettelijk,

heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, afgegeven op 16 januari 2007, onder kenmerk 2007-00001, welk voorschrift betrekking had op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting aan de [adres] ,

immers werd in strijd met voorschrift 0.1.8 van de omgevingsvergunning een voorval waarbij de kookszijdige ontstoffing uit bedrijf was,

welke zich binnen de inrichting van verdachte had voorgedaan,

niet tijdig gemeld aan Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, conform de methodiek van de Standaard milieumeldingenlijst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De strafeis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 200.000,-.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de op te leggen geldboete te matigen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan verdachte een geldboete op van € 140.000,-. Daarvoor acht de rechtbank het volgende van belang.

Verdachte is als grote staalproducent actief in een branche waarbij het essentieel is voor het milieu en de volksgezondheid dat de vergunningsvoorschriften en de op verdachte rustende zorgplichten worden nageleefd. Desondanks heeft de rechtbank moeten vaststellen dat verdachte in februari 2021 en januari 2022 vergunningsvoorschriften heeft overtreden en zich niet heeft gehouden aan een op haar rustende zorgplicht. Door het niet tijdig melden van ongewone voorvallen ontneemt verdachte het bevoegd gezag de mogelijkheid om tijdig en adequaat van haar bevoegdheden, gericht op de beperking van milieuschade of schade voor de volksgezondheid, gebruik te maken. Daarbij heeft het eerste ongewone voorval kunnen plaatsvinden, doordat verdachte onvoldoende had zorggedragen voor procedures om onbedoelde emissies te voorkomen. Verdachte heeft ter zitting verklaard de procedures na het incident te hebben aangepast.

De rechtbank heeft voor het bepalen van de straf ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat ten tijde van de feiten geen sprake was van recente relevante eerdere veroordelingen, zodat het strafblad van verdachte geen strafverhogende factor is. Wel was destijds sprake van recente transactieschikkingen en na de gepleegde feiten is verdachte wel nog veroordeeld voor verschillende milieugerelateerde strafbare feiten. Dit laatste maakt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Gelet op de ernst van de feiten, de risico’s voor het milieu en de volksgezondheid en de omvang van de onderneming van verdachte acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke geldboete van € 150.000,- passend en geboden. Daarbij is ook gekeken naar wat de verdachte en de officier van justitie over de financiële situatie bij verdachte hebben aangevoerd. De omstandigheid dat [verdachte] (een licht) verlies heeft geleden het afgelopen boekjaar is niet van (wezenlijke) invloed geweest op de hoogte van de boete.

De rechtbank houdt echter ook rekening met een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank neemt als startpunt van de redelijke termijn de dag waarop een vertegenwoordiger van verdachte over de feiten is gehoord. In zaak A is dat 15 november 2021 en in zaak B 2 november 2022. De rechtbank ziet in het dossier geen aanleiding voor een langere termijn dan een standaardtermijn van twee jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn in zaak A met bijna 16 maanden is overschreden en in zaak B met ruim 4 maanden. De rechtbank houdt met deze overschrijdingen rekening door de op te leggen geldboete met in totaal € 10.000,- te matigen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen

  • -

    23, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • -

    8.40 van de Wet milieubeheer; en

  • -

    5 en 7 van het Besluit risico’s zware ongevallen 2015.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is weergegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A, feit 1 primair en zaak B, primair:

Telkens: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

Zaak A, feit 2:

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 140.000,- (honderdveertigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. J.M. van Hall en M. Nieuwenhuijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. C. Wolswinkel en J.M. Bos, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2025.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak A ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pag. 144.

3 Pag. 75 (een geschrift, te weten een controlerapport).

4 Pag. 24 (een geschrift, een webformulier melding ongewoon voorval).

5 Pag. 4.

6 Pag. 11 (een geschrift, een vergunning).

7 Pag. 12 (een geschrift, een vergunning).

8 Pag. 27 (een geschrift, een standaardmilieumeldingenlijst).

9 Pag. 2.

10 Pag. 79 (een geschrift, een controlerapport, bevinding 25) en pag. 121-129 (een geschrift, procedure QSHE 3.41).

11 Pag. 144.

12 Bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2024:4226, r.o. 6.1.

13 Verklaring van [naam] , vertegenwoordiger van verdachte, op de zitting van 20 februari 2025.

14 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak B ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om geschriften.

15 Pag. 24.

16 Pag. 07.

17 Pag. 27.

18 Pag. 49.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.