Eiser is een journalist. Hij vordert medewerking van de Staat aan door hem te maken opnames in detentiecentra voor vreemdelingenbewaring. Volgens eiser beperken de voorwaarden die de Staat aan de medewerking stelt het recht op vrije nieuwsgaring op ontoelaatbare wijze. Geoordeeld wordt dat de vrijheid van nieuwsgaring niet meebrengt dat eenieder een ongeclausuleerd recht heeft op toegang tot penitentiaire inrichtingen. De Staat is onder redelijke voorwaarden bereid eiser de toegang te verlenen tot de detentiecentra.
de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de Dienst Justitiële Inrichtingen),
zetelend te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.
1 Het procesverloop
[eiser] heeft de Staat op 28 augustus 2014 doen dagvaarden om op 30 september 2014 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en pro forma aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. Bij brieven van 28 november 2014 en 5 januari 2015 hebben partijen de voorzieningenrechter bericht dat zij geen schikking hebben bereikt. Op 15 januari 2015 heeft voortzetting van de behandeling plaatsgevonden. Vonnis is bepaald op heden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 30 september 2014 en van 15 januari 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 14 maart 2014 heeft [eiser] een verzoek ingediend bij de persvoorlichter van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: het Ministerie) tot het maken van foto’s en videobeelden in detentiecentra waar vreemdelingen worden vastgehouden in vreemdelingenbewaring. In de brief heeft [eiser] de verschillende plaatsen en onderwerpen die hij wil vastleggen gespecificeerd. Voorts staat in de brief vermeld:
“De fotografie en de videobeelden zullen in eerste instantie gebruikt worden voor een reportage voor Vrij Nederland. Correspondentie met Vrij Nederland heb ik bij deze brief gevoegd. Verder staan de gebruikte foto’s natuurlijk ook ter beschikking van andere media (tegen de voor de fotografie gebruikelijke tarieven).”
2.2.
Op 29 april 2014 heeft de persvoorlichter van het Ministerie aan [eiser] bericht niet in te gaan op zijn verzoek.
2.3.
Na de zitting van 30 september 2014 zijn partijen in overleg getreden. In dat kader is door de Staat een concept-overeenkomst opgesteld, waarin is opgenomen dat de Staat onder bepaalde voorwaarden bereid is mee te werken aan het verzoek van [eiser]. In dat concept staat onder meer vermeld:
“Artikel 2 Voorwaarden
2.1
De foto’s zijn uitsluitend en alleen ten behoeve van de publicatie in Vrij Nederland. De fotoselectie wordt exclusief gebruikt door Vrij Nederland. Het is fotograaf [eiser] en/of Vrij Nederland niet toegestaan de foto’s te verspreiden zonder toestemming van DJI.
(...)
2.4
De productie of gedeelten ervan mogen niet zonder schriftelijke toestemming van DJI voor andere toepassing dan in deze overeenkomst omschreven worden gebruikt. De productie of gedeelten ervan mogen niet zonder schriftelijke toestemming van DJI aan derden ter beschikking worden gesteld.
(...)
2.7
Foto’s worden uitsluitend met duidend onderschrift om duidende tekst gepubliceerd. Teksten worden vooraf gecontroleerd door DJI op feitelijke onjuistheden. Dit met als doel de correcte context waairn de foto’s worden gepubliceerd te kunnen garanderen.
(...)
Artikel 3 correctie c.q. verbod
DJI wordt in de gelegenheid gesteld vooraf de publiceren producties (foto’s en tekst) te zien teneinde feitelijke onjuistheden te corrigeren. DJI zal de (gedeeltelijke) uitzending of publicatie verbieden indien:
- De productie wordt gebruikt voor een ander medium of organisatie zonder schriftelijke toestemming
- De foto’s worden gebruikt voor een productie met een andere strekking dan voor is afgesproken
(…)
Artikel 6 Geheimhouding
Partijen zullen deze overeenkomst en al hetgeen waarvan zij in verband met de uitvoering van deze overeenkomst kennis krijgen en waarvan zij het vertrouwelijk karakter kennen of redelijkerwijs kunnen vermoeden, op generlei wijze bekend maken, behalve voor zover dat voor de uitvoering van deze overeenkomst noodzakelijk is of enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht. Deze geheimhoudingsplicht zal ook na het einde van deze overeenkomst blijven gelden.”
3 Het geschil
3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te gebieden binnen veertien dagen aan [eiser] toestemming te verlenen en medewerking te geven om een fotoserie alsmede enkele video-opnames te maken van de door [eiser] genoemde plaatsen en voorwerpen in detentiecentra.
3.2.
Daartoe voert [eiser] het volgende aan. [eiser] heeft belang bij het maken van de beelden, omdat hij professioneel fotograaf is en er belangstelling voor het materiaal is getoond door media en NGO’s. Beschikbaarheid van beeldmateriaal over de detentiecentra is voor het vormen van de publieke opinie een maatschappelijk belang dat valt onder de vrijheid van nieuwsgaring. Het recht op nieuwsgaring wordt door artikel 7 van de Grondwet en door artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermd. De Staat weigert niet meer categorisch de camera’s van [eiser] binnen te laten, maar de voorwaarden die de Staat stelt, beperken het recht op vrije nieuwsgaring nog steeds op ontoelaatbare wijze. De Staat kan de grondrechten echter niet via civielrechtelijke weg uitschakelen. Belangrijkste pijnpunt is dat het [eiser] niet is toegestaan de foto’s verder – buiten ter beschikking stelling aan Vrij Nederland – te verspreiden zonder toestemming van DJI. Een kennisgeving van een voorgenomen publicatie is voldoende, al bestaat ook daarvoor geen juridische basis. [eiser] wordt immers eigenaar van de beelden. De opgenomen geheimhoudingsclausule is in strijd met de vereiste transparantie van de overheid. Daarnaast geeft de Staat zichzelf met het contract een redactionele bevoegdheid, die verder gaat dan hoor en wederhoor. De Staat eist immers inhoudelijke controle op de publicaties. Met het stellen van deze eisen maakt de Staat misbruik van zijn monopoliepositie als eigenaar van detentiecentra.
3.3.
De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4 De beoordeling van het geschil
4.1.
Vooropgesteld wordt dat het recht op vrije nieuwsgaring zoals dat (onder meer) kan worden afgeleid uit artikel 10 EVRM doorgaans wordt gebruikt om te duiden dat journalisten het recht hebben om ongehinderd, zonder inmenging van anderen, nieuws (of informatie) te verzamelen. Deze bepaling beoogt het publieke of maatschappelijke belang te beschermen. Hieruit kan worden afgeleid een plicht van de overheid om aan journalisten de faciliteiten te verlenen die daarvoor nodig zijn. De vraag of de overheid in dit kader toegang dient te verlenen tot een bepaalde plaats, kan niet in zijn algemeenheid worden beantwoord. Uit de stukken kan evenwel worden afgeleid dat de Staat in beginsel bereid is [eiser] toegang te verlenen tot een aantal nader genoemde detentiecentra alwaar zich personen in vreemdelingenbewaring bevinden. Het geschil dat partijen thans nog verdeeld houdt, spitst zich toe op de vraag of de voorwaarden geoorloofd zijn die de Staat aan die toegang verbindt.
4.2.
De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat de vrijheid van nieuwsgaring niet meebrengt dat eenieder een ongeclausuleerd recht heeft op toegang tot penitentiaire inrichtingen. De Staat is op grond van de Penitentiaire beginselenwet bevoegd de toegang tot penitentiaire inrichtingen aan regels te verbinden, zodat onder meer de rust en de veiligheid binnen de inrichtingen, alsmede de privacy van bewoners en medewerkers kunnen worden gewaarborgd.
4.3.
[eiser] stelt dat de bepaling in de concept-overeenkomst dat het door hem te vervaardigen beeldmateriaal slechts eenmalig ten behoeve van een fotoreportage in Vrij Nederland mag worden gebruikt, een schending betekent van het recht op vrije nieuwsgaring. Die stelling wordt niet gevolgd. Uit het oogpunt van de ratio van artikel 10 EVRM dient immers voor een succesvol beroep op het recht van vrije nieuwsgaring sprake te zijn van een publiek of maatschappelijk belang dat wordt gediend met de publicatie van de beelden. De Staat heeft niet betwist dat een dergelijk belang bestaat met betrekking tot de gewenste reportage in Vrij Nederland. Of dat ook zo is bij mogelijke toekomstige publicaties zal per geval moeten worden beoordeeld. Dat de Staat daarom niet bereid is [eiser] op voorhand elke verdere verspreiding van beeldmateriaal toe te staan, levert dan ook geen schending op van artikel 10 EVRM en soortgelijke bepalingen die het recht op vrije nieuwsgaring waarborgen.
4.4.
[eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat de toestemming voor het gebruik van de beelden ten onrechte wordt beperkt tot publicatie in Vrij Nederland, nu ook andere media en NGO’s de beelden wensen te publiceren. Uit de ter onderbouwing van dat standpunt overgelegde stukken volgt echter slechts dat derden hun interesse bij (de raadsman van) [eiser] kenbaar hebben gemaakt. Niet blijkt van een concreet, aan de Staat gericht, verzoek om tot publicatie over te mogen gaan. In deze procedure kan niet op een (mogelijk) dergelijk verzoek worden vooruitgelopen.
4.5.
Partijen twisten daarnaast over artikel 3 van de concept-overeenkomst. [eiser] betoogt dat de Staat zich met dat artikel een (te) vergaande controlebevoegdheid op de inhoud van de publicatie toe-eigent. Ook dat betoog slaagt niet. De betreffende bepaling brengt immers niet mee dat de Staat een correctiebevoegdheid heeft met betrekking tot conclusies, opinies en dergelijke in de productie van [eiser], maar enkel dat hij feitelijke onjuistheden kan voorkomen. Dat is op zichzelf niet in strijd met artikel 10 EVRM. Anders dan in het Társásag-arrest (EHRM 14 juli 2007, Application no. 37374/05) wordt hiermee geen obstakel gecreëerd om toegang tot informatie die van publiek belang is te belemmeren. Dat geldt eveneens voor de geheimhoudingsclausule. Het staat de Staat in het kader van de contractsvrijheid vrij een dergelijke bepaling op te nemen. Deze bepaling maakt geen inbreuk op grondrechten, maar strekt er slechts toe de vertrouwelijkheid tussen partijen in hun onderlinge privaatrechtelijke verhouding over en weer te waarborgen.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Staat onder redelijke voorwaarden bereid is [eiser] de toegang te bieden tot detentiecentra. De vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen. In de omstandigheid dat de Staat in eerste instantie in het geheel niet bereid was de gevraagde toegang te bieden en pas na de zitting van 30 september 2014 de eerder genoemde concept-overeenkomst heeft opgesteld, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het gevorderde af;
- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2015.
hvd
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: