Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Verweerder heeft aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het omzetten van een tandartsenpraktijk aan de [adres] [huisnummer 1] te [woonplaats 1] in een woning, waarbij een constructieve doorbreking wordt gemaakt. Deze omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteit bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eisers zijn woonachtig aan de [adres] [huisnummer 2] en zijn samen met de eigenaar van de [adres] [huisnummer 1] lid van de Vereniging van Eigenaren (VvE). Zij hebben bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening.
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning moest worden verleend, omdat zich geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoet.
3. Eisers stellen dat de vergunning ten onrechte is verleend aan de heer [derde-partij] ([derde-partij]), omdat niet [derde-partij], maar [B.V.], eigenaar van de woning is. Daarnaast stellen eisers dat de vergunningaanvraag van onvoldoende informatie was voorzien om deze te kunnen beoordelen. De door de vergunninghouder overgelegde stukken geven onvoldoende inzicht in de hoofdlijnen van de constructie. Verweerder heeft weliswaar de vergunninghouder met toepassing van artikel 2.7, eerste lid, van de Regeling omgevingsrecht (Mor) verzocht om nadere stukken in te dienen, maar het is onduidelijk of de vergunninghouder dat ook heeft gedaan. Als lid van de VvE hebben eisers een procedure aangespannen bij de kantonrechter, die heeft besloten een deskundige rapportage van onder andere de bouwkundige aspecten in te winnen. Uit deze rapportage blijkt dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. Het is niet duidelijk of de stalen H-balk wel op de juiste hoogte is geplaatst. Verder vrezen eisers waardedaling van hun woning. Zij constateren verzakkingen op hun terras, die veroorzaakt zouden kunnen zijn door de werkzaamheden.
Wat is het wettelijk kader?
4. Het wettelijk kader staat in de bijlage. De bijlage hoort bij de uitspraak.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat artikel 2.7 van de Mor de mogelijkheid biedt aan de aanvrager om bepaalde gegevens later in te dienen. Op het moment van vergunningverlening moet evenwel duidelijkheid bestaan over de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe. Het is aan verweerder om te beoordelen of er voldoende gegevens en stukken bij de aanvraag zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te nemen.1 Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder de aanvraag heeft getoetst aan de Mor en de door de vergunninghouder ingediende constructieve berekeningen, een funderingstekening en statische berekeningen voldoende heeft geacht om duidelijkheid te krijgen over de hoofdlijn van de constructie. Eisers hebben niet onderbouwd in welk opzicht deze stukken onvoldoende zouden zijn om de aanvraag te beoordelen. Het betoog van eisers slaagt niet.
6. De rechtbank volgt eveneens niet het betoog van eisers dat de omgevingsvergunning ten onrechte aan de heer [derde-partij] is verleend in plaats van de eigenaar van het pand, [B.V.]. Verweerder heeft uiteengezet dat de heer [derde-partij] de enig aandeelhouder van [B.V.] is. De rechtbank volgt de redenatie van verweerder dat de omgevingsvergunning aan de heer [derde-partij] mocht worden verleend, aangezien de heer [derde-partij] degene is die het project uitvoert.
7.1
De rechtbank overweegt verder dat artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo de situaties opsomt waarin een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo moet worden geweigerd. De in dit artikel vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien géén sprake is van één van deze weigeringsgronden.2
7.2
De rechtbank is niet gebleken dat zich een van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo voordoet. De door eisers aangespannen privaatrechtelijke procedure kan niet als zo’n weigeringsgrond worden aangemerkt. Overigens is het bestaan van een evidente privaatrechtelijke belemmering niet aannemelijk geworden. Niet alleen is de door eisers vermelde rapportage niet overgelegd, maar evenmin is gebleken van een uitspraak van de kantonrechter op grond waarvan gesproken zou moeten worden van een privaatrechtelijke belemmering. In dat kader is van belang dat vergunninghouder ter zitting heeft gesteld dat er over dit punt in de procedure bij de kantonrechter overeenstemming is bereikt. Ook de door eisers gestelde waardedaling van hun woning wordt niet in artikel 2.10, eerste lid van de Wabo als weigeringsgrond genoemd. Het betoog van eisers slaagt niet.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Bijlage: het wettelijk kader
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(..)
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.7. Uitgestelde indieningsvereisten omtrent het bouwen
1. In de vergunning voor een bouwactiviteit wordt, indien de aanvrager een verzoek tot latere aanlevering heeft ingediend, bepaald dat de volgende gegevens en bescheiden uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd:
a. gegevens en bescheiden met betrekking tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als geheel, voor zover het niet de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe betreft;
b. gegevens en bescheiden met betrekking tot de details van de in of ten behoeve van het bouwwerk toegepaste installaties, voor zover het niet de gegevens met betrekking tot de hoofdlijn dan wel het principe van de toegepaste installaties betreft; de hoofdlijn betreft onder meer de wijze van verwarming, koeling en luchtbehandeling, de plaats en wijze van verticaal transport en de locatie en het type brandveiligheidinstallatie.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de gegevens en bescheiden betrekking hebben op tekeningen of berekeningen waaruit het constructieprincipe blijkt voor de nieuwe situatie en, voor zover daarvan sprake is, voor de bestaande situatie. Dit betreft:
a. tekeningen van de definitieve hoofdopzet van de constructie van alle verdiepingen inclusief globale maatvoering;
b. schematisch funderingsoverzicht of palenplan met globale plaatsing, aantallen en paalpuntniveaus, inclusief globaal grondonderzoek waaruit de draagkracht van de ondergrond blijkt;
c. plattegronden van vloeren en daken, inclusief globale maatvoering;
d. overzichtstekeningen van constructies in staal, hout en geprefabriceerd beton, inclusief stabiliteitsvoorzieningen en dilataties; principedetails van karakteristieke constructieonderdelen (1:20/1:10/1:5), inclusief maatvoering;
e. een schriftelijke toelichting op het ontwerp van de constructies als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b.
3. Indien de aard van het bouwplan naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, kan in de vergunning worden bepaald dat gegevens en bescheiden, genoemd in de artikelen 2.2, eerste lid, onderdelen c tot en met h, en tweede tot en met zesde lid, 2.3, onderdeel i, 2.4 en 2.5, binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd.