Overwegingen
Inleiding
1. Eiseres is geboren op [geboortedatum eiseres] en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 26 april 2021 heeft zij een aanvraag voor een visum voor kort verblijf ingediend. Zij heeft bij haar aanvraag als verblijfsdoel opgegeven dat zij in Nederland haar vader (hierna: referent), die zij tot dan toe nog niet eerder fysiek had ontmoet, wil bezoeken. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland.
2.1.
Bij het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten.
2.2.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag gehandhaafd op de twee weigeringsgronden als hiervoor vermeld en op een (nieuwe) derde weigeringsgrond, namelijk dat eiseres als reiziger van buiten de Europese Unie (EU), gezien de COVID-19-pandemie, moet worden beschouwd als een bedreiging van de volksgezondheid.
Beroepsgronden
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit.
Ten aanzien van de weigeringsgronden dat zij het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en dat er twijfel bestaat of zij het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum zal verlaten, heeft eiseres het volgende aangevoerd. Zij stelt voldoende sociale en economische binding met Iran te hebben om een tijdige terugkeer te waarborgen. Zij woont al haar hele leven met haar moeder samen en is volledig financieel afhankelijk van haar. Haar moeder is niet in staat eiseres financieel te ondersteunen als zij in een ander land zou wonen. Verder stelt eiseres dat het voor haar zeer ongunstig zou zijn om nu haar studie, gelet op de fase waarin die zich bevindt, te beëindigen. Verweerder heeft deze omstandigheden ten onrechte niet in samenhang bezien. Verder heeft verweerder ten onrechte niet bij het bestreden besluit betrokken: de verklaring van de tante van eiseres, de sociale omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de visumaanvraag en de objectieve belemmering voor referent om eiseres in Iran te bezoeken. Eiseres bestrijdt dat er in een visumprocedure geen plaats is voor een uitbreide belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM dan wel het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Verder heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom het aanbod tot het betalen van een waarborgsom is afgewezen.
Ten aanzien van de weigeringsgrond dat eiseres wordt beschouwd als een bedreiging van de volksgezondheid, heeft eiseres – samengevat – het volgende aangevoerd. Het tegenwerpen van deze afwijzingsgrond is in strijd met het verbod op reformatio in peius en/of het fair play-beginsel. Doordat het bestreden besluit, ondanks herhaald aandringen, pas is genomen (net) nadat eiseres 21 jaar is geworden, valt eiseres strikt bezien niet meer onder de uitzonderingscategorie van kinderen tot en met de leeftijd van 20 jaar en heeft verweerder er ‘een stok om mee te slaan’ bijgekregen. Eiseres had alsnog onder die uitzonderingscategorie moeten worden gebracht. Verder stelt eiseres dat verweerder het bestreden besluit dan maar had moeten aanhouden tot het inreisverbod zou worden opgeheven.
4.1.
Op grond van artikel 32, eerste lid, van Verordening 810/2009 (Visumcode), voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:
indien de aanvrager:
[…]
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
[…]
vi. wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid als omschreven in artikel 2, lid 19, van de Schengengrenscode, of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name of hij om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staat in de nationale databanken van de lidstaten;
[…]
of
indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
4.2.
Op grond van artikel 2, eenentwintigste lid, van de Schengengrenscode wordt onder “gevaar voor de volksgezondheid” verstaan: elke potentieel epidemische ziekte zoals gedefinieerd in de Internationale Gezondheidsregeling van de Wereldorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voor zover het gastland beschermende regelingen treft ten aanzien van de eigen onderdanen.
5. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.
Twijfel over tijdige terugkeer en doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
6. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode) en, in het verlengde daarvan, dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, van de Visumcode), overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder zich bij zijn beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren naar het land van herkomst in belangrijke mate mag laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van die vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
6.2.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit betrokken dat eiseres ongehuwd is en geen kinderen heeft en dus geen zorg draagt voor een eigen gezin en dat eiseres evenmin zorg draagt voor andere directe familieleden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres qua zorg of verantwoordelijkheid voor een eigen gezin of anderen geen sociale binding heeft met Iran. Verweerder heeft in dit verband echter niet bij het bestreden besluit betrokken de omstandigheid dat eiseres, als jongvolwassene, nog steeds deel uitmaakt van het gezin van haar moeder, bij haar moeder woont en volledig door haar moeder wordt onderhouden. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel gemoeten, omdat deze omstandigheid een bepaalde mate van sociale binding met haar moeder en daarmee met Iran oplevert. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat verweerder dit heeft onderkend.
6.3.
Voormelde omstandigheid – die ter zitting ook is geduid als een ‘gespreid bedje’ – kan ook een bepaalde economische binding met Iran opleveren. Dit heeft verweerder in het bestreden besluit wel onderkend en in dat kader heeft hij het standpunt ingenomen dat de financiële ondersteuning van eiseres door haar moeder ook doorgang kan vinden wanneer eiseres zich elders bevindt. Met eiseres is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarop hij dit standpunt baseert. Dat de moeder van eiseres in staat is eiseres, als onderdeel van haar gezin, in Iran te onderhouden, betekent niet zonder meer dat zij ook in staat is om eiseres te onderhouden als eiseres zelfstandig in Nederland (of een andere lidstaat) zou verblijven. Eiseres heeft salarisspecificaties van haar moeder overgelegd, maar die heeft verweerder niet kenbaar bij het bestreden besluit betrokken.
6.4.
Verweerder heeft verder bij het bestreden besluit betrokken dat eiseres geen betaalde arbeid verricht in Iran en dat eiseres in zoverre geen economische binding heeft met Iran. Dit standpunt heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen innemen. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat eiseres een studie volgt (aan de Islamic Azad University) geen (sterke) economische binding met Iran oplevert, omdat die studie kan worden onderbroken en later elders kan worden hervat. Dit standpunt van verweerder acht de rechtbank echter te algemeen, en daarmee niet deugdelijk, gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de fase waarin de studie zich bevindt een relevant gegeven dat bij de beoordeling van de economische binding moet worden betrokken, omdat over het algemeen de binding met een specifieke opleiding en onderwijsinstelling en daarmee met het desbetreffende land sterker wordt naarmate de studie verder vordert. Ten tijde van het bestreden besluit was de studie van eiseres, blijkens de door haar overgelegde cijferlijst van 3 mei 2021, al aanzienlijk gevorderd. Dit heeft verweerder niet kenbaar bij het bestreden besluit betrokken.
6.5.
Reeds nu verweerder niet alle omstandigheden die een sociale of economische binding van eiseres met Iran (kunnen) opleveren in samenhang met elkaar – nota bene: dus niet apart van elkaar – bij het bestreden besluit heeft betrokken (zie 6.2. en 6.4.) en niet alle tegenwerpingen deugdelijk heeft gemotiveerd (zie 6.3.), is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat de weigeringsgronden als weergegeven onder 6. zich voordoen, niet berust op een deugdelijke motivering en evenmin op een zorgvuldige voorbereiding. In zoverre kan het bestreden besluit dan ook niet in stand blijven.
6.6.
Gelet op deze conclusie behoeft hetgeen eiseres overigens ten aanzien van deze weigeringsgronden heeft aangevoerd naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking meer. Wel hecht de rechtbank eraan in zijn algemeenheid op te merken dat een waarborgsom in gevallen waarin er wel de nodige binding met het land van herkomst bestaat, maar erover wordt getwijfeld of die binding wel sterk genoeg is, net die extra zekerheid kan bieden om een tijdige terugkeer toch voldoende gewaarborgd te achten.
Bedreiging van de volksgezondheid
7. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiseres moet worden beschouwd als een bedreiging van de volksgezondheid (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub vi, van de Visumcode), overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
Niet in geschil is dat COVID-19 een gevaar voor de volksgezondheid vormt als bedoeld in artikel 2, eenentwintigste lid, van de Schengengrenscode. Eén van de uitgangspunten bij de bescherming van de volksgezondheid sinds de uitbraak van COVID-19 is het beperken van de reisbewegingen. Om dit te bewerkstelligen heeft de Nederlandse overheid, in navolging van de richtsnoeren voor het grensbeheer die op 16 maart 2020 door de Europese Commissie zijn voorgesteld en op 17 maart 2020 door de Europese Raad zijn bekrachtigd, met ingang van 19 maart 2020 beperkingen ingesteld ten aanzien van niet-essentiële reizen van burgers van buiten de EU. Concreet betekent dit dat derdelanders vanaf dat moment Nederland niet binnenkomen, tenzij zij onder een uitzonderingscategorie vallen of – inmiddels – uit een derde land met een laag COVID-19-risico komen. In het verlengde hiervan weigert verweerder sindsdien aan een derdelander een visum voor kort verblijf op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub vi, van de Visumcode, tenzij een derdelander uit een derde land met een laag COVID-19-risico komt of, indien hij niet uit een derde land met een laag COVID-19-risico komt, onder een uitzonderingscategorie op de inreisverbod valt.
7.2.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat Iran op dat moment niet werd aangemerkt als een derde land met een laag COVID-19-risico. Dit betekent dat het inreisverbod ten tijde van het bestreden besluit nog onverminderd voor reizigers uit Iran gold en dat reizigers uit Iran ten tijde van het bestreden besluit alleen Nederland mochten inreizen indien zij onder een uitzonderingscategorie vielen. Verweerder heeft in het bestreden besluit (op pagina 6) echter uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij niet heeft getoetst of eiseres voldoet aan de voorwaarden van één van de uitzonderingscategorieën.
7.3.
Gelet hierop berust het standpunt van verweerder dat de weigeringsgrond als weergegeven onder 7. zich voordoet niet op een deugdelijke motivering en evenmin op een zorgvuldige voorbereiding. Ook in zoverre kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
Conclusie
8. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
9.1.
De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase heeft hersteld. In dit verband overweegt de rechtbank, aangaande de weigeringsgronden als onder 6. weergegeven, dat verweerder in de beroepsfase niet een beoordeling heeft verricht waarmee de onder 6.5. bedoelde gebreken zijn weggenomen. Aangaande de weigeringsgrond als onder 7. weergegeven, overweegt de rechtbank dat verweerder in de beroepsfase weliswaar deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet valt onder de uitzonderingscategorie van reizigers van wie de aanwezigheid in Nederland essentieel is, maar niet waarom eiseres niet is gebracht onder de uitzonderingscategorie van kinderen tot en met de leeftijd van 20 jaar die hun ouder(s) in Nederland komen bezoeken. Meer specifiek heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom eiseres, die ten tijde van het bestreden besluit weliswaar net enkele (10) dagen 21 jaar was, niet voor de visumprocedure is aangemerkt als twintigjarige, indachtig de omstandigheden dat zij haar visumaanvraag twee maanden voor haar 21e verjaardag heeft ingediend, dat zij op het moment van haar voorgenomen inreisdatum nog 20 jaar zou zijn en dat in de ‘minuut’ die aan het primaire besluit ten grondslag ligt is vermeld dat zij als 20-jarige wordt beoordeeld en daarom onder een uitzonderingscategorie valt.
9.2.
De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om te beoordelen of er zich één of meerdere weigeringsgronden voordoen en, als hij meent dat dit het geval is, dit deugdelijk te motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat, gelet op de aard van de gebreken, de wijze waarop die moeten worden hersteld en de aard en vorm van een eventuele vervolgprocedure bij een nieuw ongunstig besluit voor eiseres, niet valt in te zien dat eiseres op die manier eerder uitsluitsel krijgt in haar zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen binnen een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar, binnen voormelde termijn. In die nieuwe beslissing dient verweerder alsnog het gevraagde visum voor kort verblijf te verlenen of zijn weigering om het gevraagde visum voor kort verblijf te verlenen alsnog deugdelijk te motiveren. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat verweerder in het nieuw te nemen besluit een ex nunc-beoordeling dient te verrichten, wat onder meer betekent dat verweerder dient te beoordelen of eiseres onder één van de op dit moment bestaande uitzonderingscategorieën op het inreisverbod valt.
Griffierecht en proceskosten
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 181,- moet vergoeden.
11. De rechtbank ziet om dezelfde reden ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 12 juli 2022.
de rechter en griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: