2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij is in Nigeria tegen haar wil uitgehuwelijkt aan een plaatselijke (voodoo) dokter, [naam] , roepnaam [de echtgenoot] . In 2012 zijn zij getrouwd en is eiseres door deze man verkracht. Toen zij naar de politie ging, wilde deze haar niet helpen, omdat het volgens hen een familieruzie was en de politie [de echtgenoot] kende. Eiseres is door [de echtgenoot] mishandeld. Ook mocht zij zonder zijn toestemming niet de woning verlaten. In 2015 is eiseres gevlucht naar Benin City nadat [de echtgenoot] haar had geslagen en met een scherf van een spiegel in haar borst had gestoken.
Na vijf weken is eiseres teruggekeerd naar haar woonplaats en is zij bij haar oma gaan wonen. [de echtgenoot] kwam haar daar ophalen en eiseres mocht het huis niet meer verlaten. In 2018 is eiseres wederom uit het huis van [de echtgenoot] gevlucht en is zij naar Benin-City gegaan. In maart 2020 is eiseres vertrokken uit Nigeria.
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit
2. gedwongen uithuwelijking
3. problemen met echtgenoot [de echtgenoot]
4. vrouwenbesnijdenis in Nigeria
De staatssecretaris heeft alle vier relevante elementen geloofwaardig geacht. Vervolgens zijn de relevante elementen verder getoetst. De staatssecretaris heeft geconcludeerd dat eiseres niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat zij bij terugkeer naar het land van herkomstgeen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM.2
5. Eiseres voert aan dat de staatssecretaris op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 22 december 2022. Eiseres is van mening dat de staatssecretaris haar aanvullend had moeten horen over de periode 2018-2020, nadat zij haar echtgenoot is ontvlucht. Eerst dan had de staatssecretaris kunnen beoordelen of eiseres had te vrezen voor [de echtgenoot] en in hoeverre voor haar een reëel risico bestond bij gedwongen terugkeer naar Nigeria op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest3. Eiseres wijst er daarbij op dat de rechtbank in zijn uitspraak van 22 december 2022 heeft overwogen dat de staatssecretaris over de periode na 2018 nauwelijks vragen heeft gesteld aan eiseres, waardoor de staatssecretaris eventuele tegenstrijdigheden of onduidelijkheden wat betreft dit aspect van het relaas niet zonder nadere vraagstelling aan eiseres kan tegenwerpen. Daarnaast betoogt eiseres dat zij als alleenstaande moeder met een buitenechtelijk kind in Nigeria aanzienlijk meer risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Omdat de staatssecretaris haar niet aanvullend heeft gehoord na het verbreken van de relatie met de vader van haar zoon [eiser] heeft zij daar niet over kunnen verklaren. Daarnaast heeft de staatssecretaris volgens eiseres ten onrechte haar etniciteit niet meegewogen bij het beoordelen van de risico’s bij terugkeer.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de uitspraak van nevenzittingsplaats Utrecht. Daarnaast heeft de staatssecretaris de gestelde risico’s bij terugkeer terecht niet aannemelijk geacht. Daartoe wordt als volgt overwogen.
6.1.
In de uitspraak van 22 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiseres met betrekking tot de problemen vanwege de gedwongen uithuwelijking ongeloofwaardig zijn. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat aan eiseres ten onrechte tegenstrijdigheden en bevreemdende elementen zijn tegengeworpen. In het onderhavige bestreden besluit heeft de staatssecretaris opnieuw een geloofwaardigheidsbeoordeling uitgevoerd. De relevante elementen zijn, anders dan eerder, geloofwaardig geacht. Het betoog van eiseres dat de staatssecretaris haar aanvullend had moeten horen over de periode 2018-2020 wordt niet gevolgd. In de uitspraak van zittingsplaats Utrecht is geoordeeld dat de staatssecretaris eventuele tegenstrijdigheden of onduidelijkheden wat betreft dit aspect van het relaas niet zonder nadere vraagstelling aan eiseres kan tegenwerpen. Die situatie doet zich hier niet voor. De staatssecretaris heeft het relevante element immers geloofwaardig geacht en heeft getoetst of de gestelde problemen voldoende zwaarwegend zijn om aan eiseres een vergunning te verlenen.
6.2.
In verband met het beoordelen van de risico’s bij terugkeer bestond geen noodzaak voor de staatssecretaris om eiseres (opnieuw) te horen over de periode 2018-2020. Met de staatssecretaris is de rechtbank van oordeel dat eiseres in het nader gehoor reeds voldoende is bevraagd over de periode 2018-2020. Op de op eiseres gegeven antwoorden is tevens voldoende doorgevraagd. Uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij na haar vlucht naar Benin City in 2018 niets meer van [de echtgenoot] heeft vernomen. Bovendien blijkt dat eiseres in die periode geen contact had met haar familie, een baan had en zich in Benin City gedurende meerdere jaren staande heeft kunnen. Eiseres heeft de vraag of er aanwijzingen zijn dat [de echtgenoot] naar haar op zoek is, ontkennend beantwoord. Van een actuele vrees voor [de echtgenoot] , of aanwijzingen hiervoor, is niet gebleken. Niet valt in te zien hoe een aanvullend gehoor tot een andersluidende conclusie over de gestelde vrees had kunnen leiden. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat eiseres bij gedwongen terugkeer naar Nigeria risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest.
6.3.
Dat voor eiseres een verhoogd risico op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM is gelegen in het feit dat zij een alleenstaande moeder is met een buitenechtelijk kind, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023. De staatssecretaris is in het bestreden besluit uitdrukkelijk
ingegaan op de omstandigheid dat eiseres een alleenstaande vrouw is met een buitenechtelijk kind, en heeft erkend dat moeders met buitenechtelijke kinderen het moeilijk kunnen hebben in Nigeria. De staatssecretaris heeft er evenwel terecht op gewezen dat uit pagina 62 van het ambtsbericht volgt dat de situatie van een alleenstaande vrouw erg verschilt per regio en etnische groep. Zo blijkt dat alleenstaande moeders in het noorden van Nigeria vaker problemen ondervinden dan in het zuiden. Verder merkt de staatssecretaris op dat volgens het asielbeleid van Nigeria een alleenstaande vrouw/moeder niet gezien wordt als risicogroep. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris terecht geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat eiseres als alleenstaande vrouw met een buitenechtelijk kind bij een eventuele terugkeer naar Nigeria zodanige problemen zal ondervinden dat zij wordt blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade. Daarbij is niet ten onrechte van belang geacht dat eiseres voornamelijk in het zuiden van Nigeria heeft verbleven en zij zich eerder als alleenstaande vrouw heeft weten te redden in de periode april/mei 2018 t/m 2 maart 2020.
6.4.
Het betoog van eiseres dat haar etniciteit ten onrechte niet betrokken is bij het bestreden besluit wordt evenmin gevolgd. Eiseres heeft haar stellingen waarom de etnische groep waartoe zij behoort (volgens het verslag aanmeldgehoor de groep Esan), en waarom juist die groep een risico loopt als het gaat om alleenstaande moeders die terugkeren naar Nigeria, niet nader onderbouwd. De Esan-bevolkingsgroep wordt niet vermeld in het ambtsbericht. De rechtbank ziet in de stellingen van eiseres geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel over het risico dat zij loopt bij terugkeer naar Nigeria.