Procesverloop
Verweerder heeft op 17 april 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2023 op zitting behandeld. Eiser wenste in eerste instantie te worden gehoord, maar is niet verschenen ter zitting. Een medewerker van het detentiecentrum (DTC) heeft via telehoren ten overstaan van de rechtbank verklaard dat eiser niet wilde verschijnen op de zitting, ook niet nadat eiser er op gewezen was dat het belangrijk is dat hij ter zitting verschijnt. Tevens is medegedeeld dat een afstandsverklaring zou worden opgemaakt. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 juli 2023 (in de zaak NL23.18688) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 7 juli 2023) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De rechtbank heeft na het sluiten van het onderzoek ter zitting op 24 augustus 2023 een afstandsverklaring ontvangen. Uit de afstandsverklaring leidt de rechtbank af dat eiser niet op de zitting van 18 augustus 2023 heeft willen verschijnen. Eiser heeft de afstandsverklaring getekend. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de inhoud van de afstandsverklaring en de mededeling van de medewerker van het DTC voorafgaand aan de zitting dat eiser niet wenste te verschijnen, met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat eiser niet wenste te worden gehoord. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek ter zitting te heropenen na ontvangst van de afstandsverklaring. Ter zitting is door de rechtbank medegedeeld dat nog een afstandsverklaring zou worden opgemaakt. In zoverre betrekt de rechtbank geen informatie bij de beoordeling van het beroep die nog niet bij partijen kenbaar was.
4. De rechtbank heeft ambtshalve aanleiding gezien om verweerder voorafgaande aan de zitting te bevragen over hetgeen in de voortgangsrapportage onder punt 13 d.d. 7 juni 2023 staat opgenomen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat eiser naar aanleiding van een incident op 6 juni 2023 in afzondering is geplaatst. Eiser is naar Veldzicht vervoerd en is daar een aantal dagen onderzocht. Verweerder heeft toegelicht dat uit dat onderzoek niet is gebleken dat sprake is van psychische problematiek. Vervolgens is eiser op 13 juni 2023 weer teruggeplaatst op het detentiecentrum Rotterdam. Eiser staat daarnaast op de lijst van personen die elke week door de medische dienst wordt besproken. Gelet op de toelichting van verweerder ter zitting stelt de rechtbank vast dat eiser onder de aandacht staat van de medische dienst en dat verweerder daarnaast in het kader van het lichter middel heeft voldaan aan zijn voortdurende onderzoeksplicht. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande niet is gebleken dat de maatregel van bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is.
5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de belangenafweging - gelet op de duur van de inbewaringstelling - in zijn voordeel dient uit te vallen, nu er niet meer handelingen van hem kunnen worden verwacht. Hij werkt mee, nu hij zich twee maanden geleden, namelijk op 22 juni 2023, bij het IOM heeft ingeschreven. Het is echter onduidelijk hoelang dat traject nog gaat duren en wanneer een reactie van de Tunesische autoriteiten kan worden verwacht. Eiser heeft daarop geen invloed. Verder stelt eiser dat het laatste vertrekgesprek inmiddels van vier weken geleden is, maar dat niet concreet is wanneer er weer een vertrekgesprek staat gepland. Verweerder handelt onvoldoende voortvarend. Eiser meent bovendien dat niet meer van hem kan worden verwacht.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op eiser een meewerkplicht rust. Ook indien eiser voldoet aan die meewerkplicht, ziet verweerder geen reden om een andere belangenafweging te maken. Op dit moment zit eiser vier maanden in vreemdelingenbewaring en wegen verweerders belangen zwaarder dan die van eiser. Het IOM traject en het terugkeertraject lopen (onafhankelijk van elkaar) en verweerder is afhankelijk van de Tunesische autoriteiten voor afgifte van een laissez passer (lp). Eiser wordt maandelijks gehoord en er wordt regelmatig gerappelleerd, wat maakt dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. Verweerder verwacht dat op korte termijn een nieuw vertrekgesprek zal plaatsvinden met eiser.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. Verweerder heeft sinds het sluiten van het onderzoek op 21 juli 2023 en op 8 augustus 2023 gerappelleerd op de lp-aanvraag. Verder heeft verweerder op 20 juli 2023 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank is niet gebleken dat er een plicht bestaat voor verweerder om maandelijks een vertrekgesprek te voeren. Eiser kan ook zelf contact opnemen met de regievoerder om een gesprek in te plannen. Daarnaast heeft verweerder ter zitting aangegeven dat op korte termijn een vertrekgesprek met eiser zal worden ingepland. De rechtbank acht de voorgaande gang van zaken in dit geval niet onvoldoende voortvarend.
8. Verder is de rechtbank van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank overweegt dat de lp-aanvraag in behandeling is en niet is gebleken dat door de autoriteiten van Tunesië in het algemeen of voor eiser in het bijzonder geen lp zal worden afgegeven. Verweerder heeft terecht gesteld dat hij voor de afgifte van een lp afhankelijk is van de Tunesische autoriteiten. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat eiser zich heeft ingeschreven bij het IOM, niet maakt dat er op eiser geen verplichting meer rust om mee te werken aan het gedwongen terugkeertraject. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Nu de rechtbank echter niet is gebleken van zelfstandige acties in dat kader, belemmert eiser zijn uitzetting en is daarmee in beginsel het zicht op uitzetting al gegeven. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet.
9. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enige moment onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.