RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid).
(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).
Procesverloop
De minister heeft op 15 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 29 juli 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De zaak is op 9 augustus 2024 ter zitting aan de orde gesteld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 juli 2024 (in de zaak NL24.25947) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 5 juli 2024.
3. Eiser stelt dat het voor de minister eerder duidelijk had moeten zijn dat er geen zicht op uitzetting is. Gedurende verschillende procedures is er reeds namens eiser aangevoerd dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten vruchteloos zou zijn, hetgeen thans ook is gebleken. Eiser heeft maanden onnodig in vreemdelingendetentie gezeten.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat de maatregel tot aan het moment van opheffing rechtmatig is geweest. De maatregel is niet opgeheven omdat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Omdat eiser medisch achteruit ging, is er een belangenafweging gemaakt die in het voordeel van eiser is uitgevallen. Op het moment dat de minister kennis nam van het medisch achteruit gaan van eiser is hij zo spoedig mogelijk overgegaan tot opheffing van de maatregel. Er zijn volgens de minister geen omstandigheden waarin hij aanleiding had moeten zien om de maatregel eerder op te heffen.
5. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot aan het moment van opheffing rechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank is niet gebleken van medische omstandigheden van eerdere datum, waarin de minister aanleiding had moeten zien om de maatregel eerder op te heffen. Dat eiser maandenlang onnodig in bewaring heeft gezeten omdat van begin af aan duidelijk was dat er geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn was, wordt door de rechtbank niet gevolgd; de maatregel is immers reeds eerder getoetst en bij eerdere uitspraken rechtmatig geacht, wat betekent dat er in ieder geval tot en met 5 juli 2024 zicht op uitzetting was.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat ook in de periode tussen het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure en het opheffen van de maatregel zicht op uitzetting aanwezig was. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen.1 De rechtbank constateert dat eiser die medewerking niet verleent. Uit de M120 blijkt dat eiser niet meewerkend is geweest, bijvoorbeeld door te camoufleren dat hij Marokkaans-Arabisch spreekt. Ook om deze reden was er tot aan de opheffing van de maatregel zicht op uitzetting.
5.2.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend handelt. De staatssecretaris heeft sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure tweemaal geappelleerd op de lp-aanvraag (op 10 juli 2024 en op 30 juli 2024) en eenmaal een vertrekgesprek gevoerd met eiser (op 18 juli 2024. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.