uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. M. Weerman).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 8 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft de maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. Uit de uitspraak van 28 maart 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 26 maart 2024, rechtmatig is.
Ontbreekt in geval van eiser zicht op uitzetting binnen redelijke termijn?
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt omdat hij onder dwang wordt behandeld in het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht. Het is onduidelijk hoelang deze behandeling nog duurt en het is onduidelijk aan welke ziekte eiser lijdt.
3.1.
De beroepsgrond slaagt. In het geval van eiser ontbreekt het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. De situatie van eiser is namelijk vergelijkbaar met de situatie in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2008,2 waarin de Afdeling oordeelde dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbrak omdat onduidelijk was op welke termijn de vreemdeling weer aanspreekbaar was.
Uit het dossier blijkt dat geprobeerd is om op 10, 16 en 23 april 2024 een vertrekgesprek te voeren met eiser. Dit is alle drie de keren niet gelukt omdat eiser in de isoleercel zat en volgens medewerkers van CTP Veldzicht niet gehoord kon worden. Op zitting heeft de staatssecretaris gemeld dat ook op 1 mei 2024 geprobeerd is om een vertrekgesprek met eiser te voeren. Door de medewerkers van CTP Veldzicht is toen meegedeeld dat eiser niet meer in de isoleercel zat, maar dat hij vanwege zijn toestand niet gehoord kon worden. Eiser is dus in ieder geval al (meer dan) drie weken niet aanspreekbaar. Er zijn geen concrete aanwijzingen gebleken waaruit volgt dat eiser binnen afzienbare tijd alsnog aanspreekbaar is. Hierover kon de staatssecretaris op zitting geen duidelijkheid geven, terwijl wel duidelijk is dat het met eiser psychisch niet goed gaat gelet op de reden van het niet kunnen voeren van de vier geplande vertrekgesprekken. Ook betwist de staatssecretaris niet dat eiser behandeld wordt. Het is daarom onduidelijk op welke termijn met eiser weer een vertrekgesprek kan worden gevoerd, waardoor zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Het had op de weg van de staatssecretaris gelegen om op de zitting daar duidelijkheid over te geven.
De overige beroepsgronden
4. Gelet op de overwegingen onder 3.1 hoeft de rechtbank de overige gronden van het beroep niet te bespreken.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf 7 mei 2024 onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe voor 2 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel 2 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 200,-. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
5.1.
Omdat de bewaring onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
5.2.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 200, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
1 Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 28 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4546.