Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiseres is geboren op 3 mei 2001 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Eiseres wil verblijf bij haar vader (referent). Referent heeft ook de Sierra Leoonse nationaliteit. Referent heeft Sierra Leone in 2002 verlaten en verblijft nu in Nederland op basis van een verblijfsvergunning asiel. Referent wist pas na zijn vertrek uit Sierra Leone, sinds 2003, van het bestaan van eiseres. Het contact tussen referent en eiseres is in 2012 tot stand gekomen. Eiseres heeft tot en met het overlijden van haar moeder in 2016 bij haar moeder gewoond. Eiseres is vervolgens bij een buurvrouw gaan wonen. Eiseres heeft gedurende haar studietijd (2019-2022) op de universiteitscampus gewoond. Eiseres heeft haar studie onderbroken en is vanaf april 2022 (illegaal) in Tunesië gaan wonen. Volgens referent heeft hij zijn dochter op afstand financieel ondersteund. Op 18 november 2018 is de eerste mvv aanvraag gedaan. Dit heeft niet tot een verblijfsrecht geleid. In de periode 2012-2022 heeft referent zijn dochter vijf maal ontmoet, vier keer in Guinee en één keer in Tunesië.
6. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er bestaan geen hechte persoonlijke banden. Eiseres heeft het familieleven met referent niet aangetoond. Niet is aangetoond dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Referent is niet betrokken geweest bij opvoedingstaken. Referent heeft zijn stelling dat hij financieel zorg draagt voor zijn dochter niet met stukken onderbouwd. Hij heeft slechts enkele bewijsstukken van overboekingen overgelegd. Eiseres is meerderjarig en voldoet daarbij niet aan het jongvolwassenenbeleid. De staatssecretaris heeft in het kader van artikel 8 van het EVRM een belangenafweging gemaakt. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Niet is gebleken van een objectieve belemmering om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, wel van subjectieve belemmeringen, die voor referent terugkeer naar het land van herkomst moeilijk maken.
7. Volgens eiseres is er sprake van familieleven omdat is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen haar en referent. Zij werd door referent financieel ondersteund, zodat sprake is van een afhankelijkheid die uitstijgt boven hetgeen gebruikelijk is tussen een vader en een meerderjarig kind. Eiseres is financieel geheel afhankelijk van referent en kan niet in de eerste levensbehoeften voorzien. Eiseres heeft geen werk, noch een netwerk of een relatie/ eigen gezin opgebouwd. Met betrekking tot de omstandigheden omtrent gezinsleven heeft eiseres gewezen op een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 december 2023.1 Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat hij niet het vergelijk met de situatie in die uitspraak wil maken maar dat hij uit de uitspraak afleidt dat het al dan niet kunnen samenwonen niet zo strikt dient te worden genomen. Hier maken de (bijzondere) omstandigheden dat er geen feitelijk gezinsleven heeft kunnen zijn. Er is ten onrechte niet getoetst aan de Gezinsherenigingsrichtlijn.
8.1
De staatssecretaris kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM op grond van artikel 3.13, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) verlenen. De vraag of er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, is feitelijk van aard. Bepalend is het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. De relatie tussen een ouder en een volwassen kind valt niet onder de beschermende reikwijdte van artikel 8 van het EVRM, tenzij er sprake is van “additional factors of dependence, other than normal emotional ties”. Dit is vaste rechtspraak van het EHRM. Voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige kinderen en hun ouders, dient in beginsel dus sprake te zijn van “additional elements of dependence other than normal emotional ties” - oftewel “more than the normal emotional ties”. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin. Het jongvolwassenenbeleid van de staatssecretaris vormt daarop een uitzondering. Dit beleid is van toepassing op het meerderjarige kind dat:
jongvolwassen is;
- met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft;
- niet in zijn eigen onderhoud voorziet; en
- geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of een relatie.
Als aan één of meerdere van deze voorwaarden niet is voldaan, geldt de eis van “additional elements of dependence other than normal emotional ties” om van gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM te kunnen spreken.
8.2
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres en referent nimmer hebben samengeleefd in gezinsverband. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat eiseres op de grond van het feit dat zij en referent nimmer in gezinsverband hebben samengeleefd en op de grond dat referent en eiseres niet aannemelijk hebben gemaakt dat eiseres niet in haar eigen onderhoud voorziet, niet in aanmerking komt voor toepassing van het jongvolwassenenbeleid van de staatssecretaris. De rechtbank is van oordeel dat die conclusie terecht is.
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
8.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris voldoende gemotiveerd dat de familieband tussen eiseres en referent niet onder de reikwijdte van artikel 8 van het EVRM valt, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat tussen hen sprake is van “additional elements of dependence other than normal emotional ties”. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken en afgelegde verklaringen niet blijkt dat er tussen eiseres en referent sprake is van een dusdanige afhankelijkheid die uitstijgt boven hetgeen gebruikelijk is tussen een ouder en meerderjarige kinderen. De staatssecretaris heeft zich ook op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat eiseres financieel afhankelijk was van referent. De staatssecretaris heeft er op gewezen dat niet is gebleken dat eiseres dusdanig afhankelijk is van referent of dat referent dusdanig afhankelijk is van eiseres dat zij beiden niet zouden kunnen functioneren zonder de aanwezigheid van de ander. Die conclusies kloppen volgens de rechtbank. Vaststaat dat eiseres en referent altijd al gescheiden van elkaar hebben gewoond. In deze periode hebben zij zich staande weten te houden zonder de fysieke aanwezigheid van elkaar. Eiseres heeft na het overlijden van haar moeder zelfstandig keuzes gemaakt en haar leven opgepakt (studie, verhuizing). Daarnaast zijn er vrienden en in ieder geval een oom. Het contact tussen referent en eiseres heeft ook op afstand plaatsgevonden. Niet valt in te zien waarom dat niet meer zou kunnen. De staatssecretaris heeft alle elementen beoordeeld en zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van “additional elements of dependence other than normal emotional ties”. Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.
8.4
Eiseres stelt, onder verwijzing naar haar standpunt over de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, zie 7., dat het niet in gezinsverband samen hebben kunnen leven gezien moet worden als een bijzondere omstandigheid die in hun geval onevenredig uitpakt. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris inhoudelijk is ingegaan op de door de eiseres gestelde bijzondere omstandigheden en oordeelt dat hij in – ook in samenhang – de omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om af te wijken van zijn beleid.
8.5
Ten aanzien van het punt over de toepassing van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft de staatssecretaris er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat de van belang zijnde factoren zijn meegenomen in het primaire en bestreden besluit. De beoordelingsmarge van de staatssecretaris is niet anders dan bij de toetsing onder artikel 8 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.