2 De feiten
2.1.
BPG exploiteert een bowling- en partycentrum in Gouda.
2.2.
[bedrijf 1] is een assurantietussenpersoon die de zakelijke verzekeringen van BPG beheert.
2.3.
Op 24 augustus 2017 heeft BPG, via [bedrijf 1] , een offerte ontvangen van Driessen Assuradeuren B.V. (hierna: Driessen), voor een ‘Commercial Blockpolis’, waaronder onder meer het gebouw, de inventaris en bedrijfsschade van DPG zouden worden verzekerd. In deze offerte is het volgende vermeld:
“Verzekerde verklaart bij de ondertekening van de offerte tevens de Algemene Voorwaarden en de aanvullende garanties te hebben ontvangen en gelezen.”
2.4.
BPG heeft de offerte ondertekend.
2.5.
Op het polisblad van de ‘Commercial Blockpolis’ voor de periode vanaf 1 september 2017 (hierna: het polisblad) staat onder meer:
“Deze verzekering is geaccepteerd op basis van een beveiligingsinspectie; deze inspectie heeft reeds plaatsgevonden op 7 februari 2018. De aan u overhandigde aanbevelingen naar aanleiding van deze inspectie moeten te allen tijde worden nageleefd. De op het polisblad vermelde garanties blijven te allen tijden onverminderd van kracht.
Indien bij een schade blijkt dat de aanbevelingen of garanties niet zijn uitgevoerd en of opgevolgd en dat de schade daardoor is ontstaan dan zijn verzekeraars niet tot schadevergoeding verplicht, tenzij verzekerde bewijst dat er geen causaal verband is tussen de ontstane schade en het niet voldoen aan of opvolgen van deze verplichting(en).”
2.6.
Onder ‘Clausules en Bijzondere Voorwaarden’ behorend bij het polisblad is onder meer opgenomen:
“SW211. ELEKTRISCHE INSTALLATIECLAUSULE
De verzekerde garandeert en deze verzekering geschiedt daarom op de uitdrukkelijke voorwaarde dat de elektrische installatie voldoet aan de veiligheidsnorm voor laagspanningsinstallaties NEN 1010, de norm NEN3140 en aan de aansluitvoorwaarden van het stroom leverend bedrijf. Tenminste één keer in de drie jaar dient de volledige elektrische installatie gecontroleerd te worden door een erkend elektrotechnisch bureau conform de bepalingen NEN-EN 50110-01 en NEN 3140.
Wanneer bij schade blijkt dat aan de bovenstaande voorwaarden niet is voldaan, zijn de verzekeraars niet tot schadevergoeding verplicht, tenzij verzekerde bewijst dat de schade niet daardoor (mede)veroorzaakt of vergroot is.”
2.7.
Op 7 februari 2018 heeft ClearRisk B.V. (hierna: ClearRisk) in opdracht van Driessen een preventiescan uitgevoerd bij BPG. ClearRisk heeft geconstateerd dat de elektrische installatie van het party- en bowlingcentrum binnen een maand moest worden gekeurd.
2.8.
Op 6 maart 2018 heeft [bedrijf 1] het rapport van ClearRisk met BPG gedeeld. [bedrijf 1] heeft BPG erop gewezen dat nog niet aan de aanbevelingen van ClearRisk was voldaan, waaronder het laten keuren van de elektrische installatie. Bij e-mails van 26 maart 2018 en 23 augustus 2018 heeft [bedrijf 1] BPG hieraan herinnerd.
2.9.
BPG heeft de elektrische installatie op 28 september 2019 laten inspecteren door Hemago B.V. (hierna: Hemago). Hemago heeft een zogenoemde ‘Scope 10-inspectie’ uitgevoerd op basis van NTA 8220. Zij heeft een verklaring van Scope 10-inspectie afgegeven (hierna: de Herstelverklaring). Op de Herstelverklaring staat het volgende:
“De eerstvolgende inspectie/keuring dient uitgevoerd te worden voor 28-09-2024.”
2.10.
Hemago heeft op 28 september 2019 gelijktijdig een zogenoemde ‘Scope 8-inspectie’ uitgevoerd conform de NEN 3140-norm. Hemago heeft hiervan een inspectierapport opgesteld (hierna: het Scope 8-inspectierapport). Het Scope 8-inspectierapport dateert van 29 september 2019 en op pagina 30 van het rapport, onder het kopje “12.1 Het bepalen van de tijd tussen twee opeenvolgende inspecties”, staat:
“De tijd tussen twee opeenvolgende inspecties is 3 jaar.”
2.11.
[bedrijf 1] heeft op 31 oktober 2019 de Herstelverklaring van BPG ontvangen en doorgestuurd aan Driessen. In een e-mail van 22 november 2019 schrijft Driessen aan [bedrijf 1] :
“De herstelverklaring is akkoord.
Echter, de herkeuring dient één keer [per] 3 jaar plaats te vinden en niet één keer per 5 jaar.”
2.12.
[bedrijf 1] heeft daarop diezelfde dag als volgt geantwoord:
“Bedankt, kan jij een nieuwe polis afgeven aan relatie? De keuring 1x per 3 jaar gaan wij aan relatie (rechtbank: BPG) doorgeven”.
2.13.
Eind 2021 heeft BPG het pand waarin het bowling- en partycentrum werd geëxploiteerd verkocht een aan projectontwikkelaar.
2.14.
Op 2 december 2022 is brand uitgebroken in het bowling- en partycentrum. BPG heeft brandschade gemeld bij Driessen. Driessen heeft vervolgens gezamenlijk met de verzekeraar van de pandeigenaar een opdracht verstrekt aan onderzoeksbureau I-TEK B.V. (hierna: I-TEK) om een technisch onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de brand. I-TEK heeft in haar rapport van 13 december 2022 onder meer het volgende geschreven:
“Op basis van uitsluiting van andere mogelijke oorzaken en de aangetroffen sporen moet worden geconcludeerd dat de oorzaak van de brand een elektrisch defect en/of mankement is. Dit deed zich voor in het zwaarst beschadigde aansluitblok.
Mogelijk dat de schroefbout, waarmee één van de vaste aders in het blok was vastgezet, in de loop der tijd is losgetrild. Daardoor ontstond een elektrisch contact en een overgangsweerstand die met hitte-ontwikkeling en vonkoverslag gepaard ging. Uiteindelijk werd daardoor omringend brandbaar materiaal ontstoken met brand tot gevolg.”
2.15.
Op 4 januari 2023 heeft Driessen vergoeding van brandschade afgewezen, onder verwijzing naar clausule SW211 (aangehaald onder 2.6). [bedrijf 1] heeft namens BPG bezwaar gemaakt tegen de afwijzing.
2.16.
Op 7 juni 2023 heeft BPG [bedrijf 1] aansprakelijk gesteld voor schade veroorzaakt door het schenden van de zorgplicht van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
2.17.
Op 13 mei 2024 heeft BPG [bedrijf 1] gedagvaard.
2.18.
Op 22 juli 2024 heeft Elektrotechnisch Inspectiebureau [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) in opdracht van [bedrijf 1] een onderzoeksrapport uitgebracht. [bedrijf 2] heeft in dit rapport de vraag beantwoord of het elektrisch defect in de verdeelinrichting dat door I-TEK is geconstateerd, aan het licht zou zijn gekomen als een NEN 3140-keuring zou zijn uitgevoerd, zoals in de polis was voorgeschreven. [bedrijf 2] schrijft in het rapport onder meer het volgende:
“Dat door Hemago tijdens de thermografische scans geen constateringen zijn gedaan wil tevens zeggen dat het bij de inspectie geen thermische afwijkingen in de verbindingen van de onderhavige aansluitklem heeft aangetroffen.
De conclusie dat mogelijk een schroefbout, waarmee een van de vaste aders in het aansluitblok was vastgezet, in de loop van de tijd is losgetrild onderschrijft ondergetekende niet. Immers, welke trillingen zouden dat dan moeten zijn geweest.
Eerder moet, naar mijn mening, worden gedacht aan degradatie van de verbinding omdat het nooit goed is vastgezet. Wellicht ook dat het nu zwaarder werd belast dan voorheen (en/en). Of wellicht gewoonweg door meer belasting bijvoorbeeld door een hogere gelijktijdigheidsfactor. Overbelasting is ook een mogelijkheid.
De degradatie van de verbinding of overbelasting zou mogelijk aan het licht zijn gekomen bij een thermografische scan, maar deze scan maakt geen deel uit van de verplichting NEN 3140-inspectie. Ik acht het niet waarschijnlijk dat dit euvel bij een NEN 3140-inspectie aan het licht zou zijn gekomen.
Ook het lostrillen van een schroefbout (wat zoals gezegd niet waarschijnlijk is) zou bij een NEN 3140 naar mijn inschatting niet aan het licht zijn gekomen. Het controleren / aandraaien van bouten behoort niet tot een NEN 3140-inspectie. Het zou dan afhangen van de toevalligheid dat een inspecteur ziet dat een bout niet is aangedraaid.
4 De beoordeling
Overeenkomst van opdracht
4.1.
Tussen BPG en [bedrijf 1] bestaat een (mondelinge) overeenkomst van opdracht. Op grond van deze overeenkomst sluit [bedrijf 1] voor BPG diens zakelijke verzekeringen af, adviseert [bedrijf 1] hem over deze verzekeringen en beheert deze.
[bedrijf 1] is tekortgeschoten
4.2.
De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of [bedrijf 1] tekort is geschoten in de uitvoering van de overeenkomst met BPG.
4.3.
Een assurantietussenpersoon is op grond van artikel 7:401 BW tegenover zijn opdrachtgever verplicht om bij zijn werkzaamheden de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de cliënt, voor zover kenbaar voor de tussenpersoon. Van een assurantietussenpersoon mag in het algemeen een actieve benadering worden verwacht1.
4.4.
BPG stelt dat [bedrijf 1] haar zorgplicht heeft geschonden, omdat zij BPG niet expliciet heeft gewezen op de termijn die clausule SW211 voorschrijft (drie jaar), in afwijking van de termijn vermeld in de Herstelverklaring (vijf jaar). Volgens BPG heeft [bedrijf 1] , ondanks haar toezegging richting Driessen (zie onder 2.12), nagelaten BPG op deze driejaarstermijn te wijzen.
4.5.
[bedrijf 1] heeft aangevoerd dat zij BPG meermaals heeft gewezen op clausule SW211 en op de consequenties van niet-nakoming daarvan. Door ondertekening van de offerte in 2017 heeft BPG bovendien verklaard dat hij de clausules en voorwaarden behorend bij het polisblad heeft ontvangen en gelezen, aldus [bedrijf 1] .
4.6.
In het midden kan blijven of [bedrijf 1] met BPG in 2017 de hele offerte en alle polisvoorwaarden integraal heeft besproken en daarbij heeft verwezen naar de garantiebepalingen, waaronder clausule SW211 waarin de (her)keuringstermijn van drie jaar is vermeld. De rechtbank gaat er, gelet op de onder 2.8 genoemde correspondentie, wel van uit dat [bedrijf 1] BPG in 2018 heeft gewezen op het belang om de elektrische installatie van het bowling- en partycentrum te laten keuren (omdat de verzekeraar dit als voorwaarde stelde voor het afsluiten van de verzekering). Dit heeft er uiteindelijk ook toe geleid dat Hemago op 28 september 2019 voor BPG een Scope 10-inspectie (met een geldigheid van vijf jaar) en een Scope 8-inspectie (met een geldigheid van drie jaar) heeft verricht.
4.7.
Uit het door BPG gestelde leidt de rechtbank af dat hij zich vanwege de datum die stond vermeld op de Herstelverklaring (vijf jaar na de Scope 10-inspectie) niet heeft gerealiseerd dat de elektrische installatie na de keuring op 28 september 2019 elke drie jaar weer moest worden gekeurd. BPG stelt dat [bedrijf 1] hem hierop ook niet heeft gewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [bedrijf 1] aangegeven dat zij niet weet of zij BPG na de keuringen op 28 september 2019 en de e-mailwisseling met Driessen in oktober 2019 heeft gewezen op de termijn van het Scope 8-inspectierapport en clausule SW211, die afwijkt van de datum vermeld op de Herstelverklaring. Het dossier biedt geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat [bedrijf 1] BPG hierop na het uitvoeren van de betreffende inspecties heeft geattendeerd.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat het wel op de weg van [bedrijf 1] had gelegen om BPG erop te wijzen dat, ondanks de tekst van de Herstelverklaring, de elektrische installatie binnen drie jaar na de keuring op 28 september 2019 opnieuw gekeurd zou moeten worden, conform het Scope 8-inspectierapport en clausule SW211. De rechtbank houdt hierbij rekening met het feit dat BPG – zoals hij onbetwist heeft aangevoerd - een kleine ondernemer is met weinig kennis van verzekeringen die volledig vertrouwde op de kennis en kunde van zijn assurantietussenpersoon. BPG had [bedrijf 1] juist ingeschakeld om hem over dit soort kwesties te adviseren. Daarnaast weegt mee dat het belang van BPG om over dit punt goed geadviseerd te worden groot was, gelet op de verstrekkende gevolgen die het niet tijdig laten uitvoeren van een (her)keuring zouden hebben. Het niet voldoen aan clausule SW211 zou er immers toe kunnen leiden dat de verzekeraar geen schade hoeft te vergoeden. Ook is van belang dat [bedrijf 1] op de hoogte was van de inhoud van clausule SW211 en van de verschillende termijnen genoemd op de Herstelverklaring en in het Scope 8-inspectierapport en dat zij daarop ook nog eens uitdrukkelijk was gewezen door Driessen.
4.9.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht. Zij is jegens BPG tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht omdat zij BPG na de keuringen van 28 september 2019 niet heeft gewezen op de herkeuringstermijn van drie jaar vermeld in het Scope 8-inspectierapport en in clausule SW211, die afwijkt van de termijn vermeld op de Herstelverklaring.
Rechtmatigheid dekkingsweigering staat (nog) niet vast
4.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat BPG clausule SW211 heeft geschonden. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de verzekeraar (reeds) daarom dekking mocht weigeren.
4.11.
BPG heeft aangevoerd dat hij, om dekking voor schade te krijgen, als verzekerde moet aantonen dat er geen causaal verband bestaat tussen het niet opvolgen van clausule SW211 en de opgevoerde brandschade. Dit blijkt volgens BPG uit de tenzij-clausules die – in iets van elkaar verschillende bewoordingen – zowel op het polisblad als in clausule SW211 zijn opgenomen (zie onder 2.5 en 2.6). BPG meent dat hij het volgens hem vereiste bewijs ten aanzien van het ontbreken van een causaal verband zoals hiervoor bedoeld niet kan leveren en dat Driessen/de achterliggende verzekeraar daarom terecht dekking heeft geweigerd.
4.12.
Volgens [bedrijf 1] mag Driessen/de achterliggende verzekeraar dekking alleen weigeren als de brandschade is ontstaan als gevolg van het niet nakomen van clausule SW211 en rust de bewijslast daarvan op Driessen/de verzekeraar. Dit blijkt volgens [bedrijf 1] uit de tekst op het polisblad: “Indien bij een schade blijkt dat de aanbevelingen of garanties niet zijn uitgevoerd en of opgevolgd en dat de schade daardoor is ontstaan dan zijn verzekeraars niet tot schadevergoeding verplicht,” (onderstreping rechtbank) (zie onder 2.5). Het bestaan van dit causale verband moet worden aangetoond door de verzekeraar die dekking wil weigeren. De verzekeraar had het bestaan van een causaal verband dus moeten aantonen, maar dit heeft zij dit niet gedaan, aldus [bedrijf 1] .
4.13.
Het partijdebat tussen [bedrijf 1] en BPG in de onderhavige procedure heeft zich voor een goed deel gericht op de vraag wie – in de relatie tussen verzekerde BPG en de verzekeraar/Driessen – de bewijslast draagt met betrekking tot het ontbreken respectievelijk het bestaan van een causaal verband tussen de schending van clausule SW211 en de opgevoerde brandschade. Deze vraag hoeft, nog daargelaten dat Driessen en de achterliggende verzekeraar in deze procedure geen partij zijn, in deze procedure echter niet beantwoord te worden. Immers, zowel de tenzij-clausules waarnaar BPG verwijst als de in 4.12 aangehaalde tekst op het polisblad waarop [bedrijf 1] de door haar voorgestane uitleg baseert, hebben de strekking dat de verzekeraar alleen dekking kan weigeren als er een causaal verband bestaat tussen het niet nakomen van clausule SW211 en de schade waarvoor vergoeding wordt verzocht.
4.14.
[bedrijf 1] heeft aangevoerd dat BPG jegens Driessen/de verzekeraar had kunnen en moeten betogen dat een dergelijk causaal verband ontbreekt. [bedrijf 1] heeft het rapport van I-TEK en het Scope 8-inspectierapport voorgelegd aan elektrotechnisch inspectiebureau [bedrijf 2] . Volgens [bedrijf 2] is de conclusie van I-TEK, dat mogelijk een schroefbout is losgetrild, niet waarschijnlijk en moet eerder worden gedacht aan degradatie van de elektrische verbinding of aan overbelasting. Volgens [bedrijf 2] is het onwaarschijnlijk dat de degradatie of overbelasting bij een NEN 3140/Scope 8-inspectie zou zijn opgemerkt, omdat een NEN 3140-inspectie zonder thermografische scan wordt uitgevoerd. Ook het lostrillen van een schroefbout zou bij NEN 3140/Scope 8-inspectie naar inschatting van [bedrijf 2] niet aan het licht zijn gekomen. Het controleren en/of aandraaien van bouten behoort niet tot NEN 3140/Scope 8-inspectie. Het ontdekken van een losgetrilde schroefbout zou afhangen van de toevalligheid dat een inspecteur ziet dat een bout niet is aangedraaid. Volgens [bedrijf 1] zou de in clausule SW211 verplicht gestelde (Scope 8) keuring de door I-TEK aangewezen brandoorzaak niet aan het licht hebben gebracht en de door [bedrijf 2] aangewezen brandoorzaak evenmin.
4.15.
[bedrijf 1] heeft er verder op gewezen dat clausule SW211 alleen verplicht tot het driejaarlijks laten uitvoeren van een NEN 3140/Scope 8-inspectie, en niet tot een Scope 10-inspectie zoals op 28 september 2019 – onverplicht – ook is uitgevoerd voor BPG. Er bestaat een aantal verschillen tussen een Scope 10-inspectie en een Scope 8-inspectie, waaronder het uitvoeren van een thermografische scan (die onder Scope 8 niet verplicht is en bij Scope 10 wel wordt uitgevoerd). Daarnaast geldt dat Scope 8 gericht is op arbeidsveiligheid van een elektrische installatie, terwijl de Scope 10-inspectie specifiek is gericht op de brandveiligheid.
4.16.
De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de bevindingen van [bedrijf 2] (zie onder 4.14) en de aard van de in clausule SW211 verplicht gestelde Scope 8 (her)keuring (die niet ziet op brandveiligheid, maar op arbeidsveiligheid), de vraag is of de vermoedelijke oorzaak van de brand in het party- en bowlingcentrum bij een tijdige NEN 3140/Scope 8-inspectie aan het licht zou zijn gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van BPG aangegeven dat BPG het rapport van [bedrijf 2] aan de advocaat van Driessen heeft overgelegd, maar dat (de advocaat van) Driessen niet van standpunt wijzigde. Dat betekent echter niet dat de rechtbank in deze procedure (tussen DPG en [bedrijf 1] ) zonder meer uit kan gaan van het bestaan van een causaal verband tussen het niet-naleven van de (her)keuringsverplichting van clausule SW211 enerzijds en de opgevoerde brandschade anderzijds. Zo lang dit causale verband geen gegeven is – ongeacht of de bewijslast ten aanzien van het ontbreken van dit causaal verband rust op BPG als verzekeringsnemer of dat de bewijslast ten aanzien van het bestaan van dit verband rust op Driessen/de verzekeraar – staat (ook) niet vast dat de verzekeraar terecht dekking voor de opgevoerde brandschade van BPG weigert.
Schade door tekortkoming [bedrijf 1] staat (nog) niet vast
4.17.
Voor de rechtsverhouding tussen BPG en [bedrijf 1] betekent het voorgaande, dat op dit moment niet vastgesteld kan worden of de tekortkoming door [bedrijf 1] (kort gezegd: het nalaten om na de keuringen van 28 september 2019 te wijzen op de herkeuringstermijn van drie jaar) heeft geleid tot schade bij BPG. Er is immers alleen sprake van schade bij BPG als de verzekeraar terecht dekking voor de opgevoerde brandschade weigert. Aan de beoordeling van de hoogte van de jegens [bedrijf 1] gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank daarom niet toe. De schadevergoeding, gevorderd onder 2 van het petitum, zal dan ook worden afgewezen.
4.18.
De verklaring voor recht, gevorderd onder 1 van het petitum, zal worden toegewezen, maar alleen voor zover deze ziet op de vraag of [bedrijf 1] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht met BPG. Het gedeelte van de gevorderde verklaring voor recht dat ertoe strekt dat [bedrijf 1] de schade van BPG die door de tekortkoming is ontstaan moet vergoeden, zal worden afgewezen. Voor toewijzing van een dergelijke verklaring voor recht moet immers de mogelijkheid dat BPG door de tekortkoming van [bedrijf 1] schade heeft geleden minst genomen aannemelijk zijn2. Dat is bij de huidige stand van zaken (nog) niet het geval.
Eigen schuld nog niet beoordeeld
4.19.
[bedrijf 1] heeft een eigen schuld-verweer gevoerd; volgens [bedrijf 1] had BPG op de hoogte moeten zijn van de inhoud van clausule SW211 en de consequenties van het niet-naleven daarvan, althans had BPG over de geldende termijn voor herkeuring navraag moeten doen. Aan de vraag of in de relatie tussen BPG en [bedrijf 1] sprake is van eigen schuld van BPG aan het ontstaan van de door hem gestelde schade, komt de rechtbank gelet op het voorgaande echter niet toe.
Buitengerechtelijke kosten
4.20.
BPG vordert buitengerechtelijke kosten. Deze vordering zal worden afgewezen, omdat de vordering van BPG die ziet op betaling van een geldsom wordt afgewezen.
4.21.
[bedrijf 1] wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van BPG betalen. De rechtbank ziet aanleiding om voor het salaris van de advocaat van BPG aan te sluiten bij het tarief voor zaken van onbepaalde waarde (tarief II), omdat de gevorderde schadevergoeding niet wordt toegewezen.
4.22.
De proceskosten van BPG worden aldus als volgt begroot:
- dagvaarding € 115,22
- griffierecht € 2.626,00
- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × tarief II á € 614,00)
- nakosten € 178,00 plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)