Het bestaan van de rechtvaardigingsgrond moet – als bevrijdend verweer – in een civiele procedure als hier aan de orde, door de dader, dus in dit geval door [gedaagde partij] , worden bewezen. Onder noodweer (in strafrechtelijke zin) wordt verstaan een gedraging die geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De wijze van verdediging moet voldoen aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste: er mag geen wanverhouding bestaan tussen de wijze van verdediging en de ernst van de aanranding, en degene die zich op noodweer beroept moet niet met een minder schadelijke wijze van verdediging hebben kunnen volstaan. De kantonrechter acht bij de beoordeling van het beroep op noodweer de volgende getuigenverklaringen van belang:
[getuige 1] : “Toen zag ik dat een glas werd gegooid in de richting van [gedaagde partij] . Deze glas werd gegooid door de man die ik ken als [eisende partij] ]. De glas hoorde ik kapot gaan. Ik heb de glasscherven niet gezien. (…) Vervolgens stond [gedaagde partij] op. Ik zag op een gegeven moment dat er mensen tussen hen in gingen staan. Ook zag ik dat zij zich naar buiten verplaatsten. Ik probeerde de groep ook uit elkaar te halen. In mijn beleving zag ik de hand van [gedaagde partij] op het gezicht van [eisende partij] terecht komen. (…) Vervolgens hoorde ik [gedaagde partij] zeggen dat hij die fles terug wilde van [eisende partij] . Ik zag dat [eisende partij] een fles Jenever/water in zijn handen had. Vervolgens gaf [eisende partij] die fles terug.”
[getuige 2] : “Ik zag vervolgens dat [eisende partij] , die nog aan tafel zat, een glas richting [gedaagde partij] gooide (…). Ik zag dat [eisende partij] het glas schuin naar beneden richting de grond gooide. Ik zag dat het glas ongeveer 4 meter voor [gedaagde partij] (…) de grond raakte. Ik zag dat glas kapot ging en dat de scherven richting de hoek van het café gingen. Ik zag ook dat [gedaagde partij] (…) niet door de scherven geraakt werd(…).
Hierop zag ik [gedaagde partij] (…) opstaan en richting [eisende partij] lopen. Vervolgens ontstond er discussie (…) en ik zag dat ze (…) naar buiten liepen. Dit ging vrijwillig. (…) Op enig moment zag ik dat [gedaagde partij] met gebalde vuist en kennelijk met kracht op het gezicht van [eisende partij] sloeg.”
[getuige 3] : “Ik zag dat [eisende partij] vervolgens een glas met kracht en met opzet hard in de richting van [gedaagde partij] gooide. Ik zag dat het glas vlak naast [gedaagde partij] de muur raakte en kapot ging. [gedaagde partij] stond vervolgens op en er ontstond een woordenwisseling tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] . Ik vond dit best angstig en ben daarom naar buiten gelopen. Ik zag dat [gedaagde partij] en [eisende partij] kort hierna ook naar buiten liepen (…). Ik hoorde dat zij in discussie waren met elkaar (…). Ik zag vervolgens dat [gedaagde partij] met kracht en opzet met gebalde rechterhand een vuistslag gaf in het gezicht van [eisende partij] .”
[getuige 4] : “Ik zag vervolgens dat [eisende partij] een glas gooide. (…) Mijn eerste gedachte was dat hij dit glas in de richting van [gedaagde partij] gooide. Het glas raakte hem niet. [gedaagde partij] stond vervolgens op (…). Ik zag dat [gedaagde partij] (…) en [eisende partij] naar buiten liepen. Ik zag dat [eisende partij] nog wel een fles water van een tafel pakte en deze mee nam naar buiten. Buiten ontstond er een worsteling tussen de mannen. Deze worsteling ging om de waterfles. (…)”
De kantonrechter is van oordeel dat uit deze verklaringen niet valt op te maken dat sprake was van een acute bedreigende situatie voor [gedaagde partij] . Binnen is weliswaar door [eisende partij] een glas in de richting van [gedaagde partij] gegooid, maar de stomp in het gezicht volgde niet direct daarop. De mannen zijn eerst naar buiten gelopen en uit de verklaringen komt het beeld naar voren dat dit vrijwillig gebeurde en dus niet al vechtend. Dit leidt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde partij] met een andere, minder schadelijke wijze van verdediging had kunnen volstaan. Hij was eigenaar van het café waarin de mannen zich bevonden en hij had [eisende partij] na het gooien van het glas naar buiten kunnen (laten) begeleiden zonder zelf ook de straat op te gaan. De conclusie luidt dan ook dat noodweer niet kan worden aangenomen, nu geen sprake was van een noodzakelijke verdediging, terwijl anders handelen door [gedaagde partij] mogelijk was. Van een rechtvaardigingsgrond in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW, die het onrechtmatig karakter van het handelen van Hoekstra zou wegnemen, is om die reden geen sprake.