2 De feiten
2.1.
[eiser] is werkzaam als freelance schrijver en fotograaf.
2.2.
Het Pieterpad is een circa 500 kilometer lange wandelroute, van Pieterburen (Groningen) naar de Sint-Pietersberg (Limburg). De wandelroute is beschreven en met kaarten en foto’s geïllustreerd in de Pieterpadgids, die bestaat uit twee delen. Deel 1 beschrijft de route van Pieterburen naar Vorden en deel 2 beschrijft de route van Vorden naar de Sint-Pietersberg.
2.3.
Sinds de eerste druk in 1983, zijn deel 1 en 2 inmiddels verschenen in de tiende, respectievelijk negende druk. [eiser] is als fotograaf betrokken geweest bij de achtste druk van Deel 1. Daartoe is [eiser] met NIVON op 11 augustus 2008 een overeenkomst aangegaan, die op 29 december 2018 is gewijzigd, uit hoofde waarvan hij een honorarium heeft ontvangen van € 18.000,00, te vermeerderen met 25% bij iedere herdruk.
2.4.
Op 14 december 2014 is aan [eiser] opdracht verleend voor de fotografie en aanvullend schrijf- en redactiewerk van de negende druk van deel 2. Daarvoor ontving [eiser] een vergoeding van € 1.750,00. Daarnaast ontving [eiser] een “auteursvergoeding” voor de herdruk van de achtste druk van deel 2, welke vergoeding ook de actualisering van de fotografie voor druk 9 dekte.
2.5.
Stichting Pieterpad is op 21 mei 2008 opgericht. Haar activiteiten betreffen het in stand houden van het Pieterpad, alsmede het ontwikkelen van producten ten behoeve van het Pieterpad. Stichting Pieterpad is opgericht door [eiser] en [naam 1] , die sinds de oprichting het bestuur hebben gevormd. Op 2 februari 2021 is [eiser] uitgetreden als bestuurder. [naam 1] is op 1 april 2021 als directeur-bestuurder in dienst getreden van Stichting Pieterpad. Stichting Pieterpad exploiteert een webshop, waarin de Pieterpadgids te koop wordt aangeboden voor € 19,90 inclusief btw.
2.6.
NIVON is onder meer actief als uitgever van wandelgidsen, waaronder de Pieterpadgids. NIVON verkoopt Pieterpadgidsen aan het Centraal Boekhuis, die op haar beurt leverancier is van boekhandels, waar de Pieterpadgids te koop is voor € 19,90 inclusief btw. Gedurende de periode 2001 tot en met 2020 omvatte de gemiddelde jaarlijkse oplage van deel 1 circa 5.600 exemplaren.
2.7.
In de periode van 17 november 2020 tot en met 1 oktober 2021 hebben [eiser] en Stichting Pieterpad veelvuldig gecorrespondeerd over de met de productie van de Pieterpadgids samenhangende vergoeding voor [eiser] . Dit hing samen met het voorstel van [naam 1] om de productie van de Pieterpadgidsen voortaan (vanaf de 10e druk) niet meer uit te besteden aan NIVON, maar om de productie in eigen beheer te verzorgen en NIVON (tegen betaling door NIVON) een drukgereed bestand aan te leveren. Partijen hebben verschillende mogelijkheden besproken, waaronder een vergoeding per verkocht exemplaar en een eenmalige vergoeding. Toen partijen, na meerdere voorstellen over en weer, er niet uit leken te komen, heeft Stichting Pieterpad op 20 januari 2022 het volgende aan [eiser] geschreven (de 10e druk was toen al zo goed als gereed):
“Als we geen bericht ontvangen of een afwijzend bericht dan zullen we helaas genoodzaakt zijn om het geproduceerde bestand voor de 10e druk te vernietigen en de huidige 9e druk laten bijdrukken om in de leemte te voorzien totdat we met een andere auteur een nieuwe versie hebben geproduceerd.”
2.8.
Uiteindelijk zijn partijen akkoord gegaan met de overeenkomst van 25 januari 2022. In deze overeenkomst staat, voor zover hier relevant, het volgende geschreven:
3 Het geschil
3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. Stichting Pieterpad en NIVON hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een royaltyvergoeding ad € 2,50 per verkocht exemplaar van deel 1 van de tiende druk van de Pieterpadgids, althans van een in goede justitie te bepalen bedrag aan royalty’s, althans een billijke vergoeding;
II. Stichting Pieterpad en NIVON hoofdelijk gebiedt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een onderbouwde opgave te verschaffen, per oplage, van het aantal gedrukte, verkochte en resterende exemplaren van de volledige negende druk, deel 1 en 2, zulks op straffe van een dwangsom ad € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Stichting Pieterpad en/of NIVON deze verplichting niet nakomen;
III. Stichting Pieterpad en NIVON hoofdelijk verbiedt de door [eiser] geschreven teksten en gemaakte foto’s als gebruikt in deel 1 en 2 van de negende druk en in deel 1 van de tiende druk van de Pieterpadgids openbaar te maken en/of te verveelvoudigen, behoudens herdrukken van de negende druk en het uitgeven van 40.000 exemplaren van deel 1 van de tiende druk, één en ander op straffe van een dwangsom ad € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Stichting Pieterpad en/of NIVON dit rechterlijk verbod overtreedt;
IV. Stichting Pieterpad en NIVON veroordeelt in de kosten van het geding;
V. Stichting Pieterpad en NIVON voor wat betreft de vordering onder III veroordeelt in de redelijke en evenredige proceskosten.
3.2.
[eiser] heeft aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.
3.3.
[eiser] is hoofdauteur van de Pieterpadgids, omdat hij - op de routebeschrijvingen na - alle teksten van de 10e druk heeft geschreven, geredigeerd dan wel geactualiseerd. [eiser] is de (oorspronkelijke) auteur van tenminste 2/3e deel van de teksten. Daarnaast is hij fotograaf van alle 223 in de gids gepubliceerde foto’s, inclusief de omslagfoto. De bijdragen zijn werken die auteursrechtelijke bescherming genieten en waarvan [eiser] auteursrechthebbende is.
3.4.
[eiser] heeft voor zijn bijdragen met Stichting Pieterpad en NIVON contractuele afspraken gemaakt. Bij het finaliseren van de afspraken hebben Stichting Pieterpad en NIVON [eiser] onder grote en ontoelaatbare druk gezet om met een afwijkende regeling in te stemmen, waardoor hij op 25 januari 2022 - uitdrukkelijk onder protest - een overeenkomst heeft ondertekend. Stichting Pieterpad en NIVON hebben [eiser] voor het blok gezet met de mededeling dat zijn werk integraal zou worden vernietigd indien hij niet zou tekenen voor een eenmalige vergoeding van € 40.000,00 exclusief btw. De foto’s en teksten waren gereed en waren alleen geschikt om te worden gebruikt voor deze uitgave van de Pieterpadgids. Ingeval van vernietiging zou [eiser] geen inkomsten meer hebben in aanvulling op zijn AOW-uitkering. [eiser] stond met zijn rug tegen de muur en werd gedwongen te tekenen. Zodoende hebben Stichting Pieterpad en NIVON misbruik gemaakt van de omstandigheden. Het handelen van Stichting Pieterpad en NIVON is onrechtmatig jegens hem.
3.5.
De billijke vergoeding (ex artikel 25c lid 1 Auteurswet) omvat niet het loon/honorarium dat een opdrachtgever betaalt aan de opdrachtnemer/maker voor het maken van foto’s en teksten. De bedragen die aan [eiser] zijn betaald, zien slechts op het honorarium van [eiser] voor door hem verrichte werkzaamheden (maakkosten); de overeenkomst omvat niet de door [eiser] gewenste vergoeding voor het verlenen van zijn exploitatiebevoegdheid, te weten een billijke vergoeding (royalty’s) op basis van de verkochte oplage en gerelateerd aan de met de gids te genereren inkomsten.
3.6.
De overeengekomen vergoeding is niet billijk. Voornamelijk omdat deze in de overeenkomst uitdrukkelijk is bepaald op nihil, maar ook wanneer de bedragen als vergoeding voor het verlenen van exploitatiebevoegdheid zouden moeten worden beschouwd, is geen sprake van een billijke vergoeding. De vergoeding is niet billijk omdat deze niet in verhouding (‘scheefstand’) staat tot:
a. wat gebruikelijk is in de branche (conform het literaire modelcontract en tarieven van de Stichting Beeldanoniem);
b. de economische waarde van het werk (tussen € 403.500,00 en € 493.500,00);
c. het aanzienlijke aandeel van [eiser] (zie hiervoor); de aard en omvang van de exploitatiebevoegdheid (die is ruim en er is sprake van een aanzienlijk bereik);
d. de marktverhoudingen en risico’s (aanzienlijk marktaandeel, vrijwel geen concurrentie, geringe exploitatierisico’s).
3.7.
Omdat [eiser] aanwijzingen heeft dat Stichting Pieterpad en/of NIVON zijn werk ook buiten de door hem verleende exploitatiebevoegdheid openbaar zullen maken en/of zullen verveelvoudigen, heeft hij recht op en belang bij een verbod daartoe.
3.8.
Hoewel [eiser] belang heeft bij inzage in c.q. opgave door NIVON van het aantal verkochte en resterende exemplaren van de 9e druk, deel 1 en 2, heeft NIVON niet geheel voldaan aan haar contractuele en wettelijke plicht daartoe (op grond van artikel 4.1 overeenkomst, artikel 25 ca Aw en artikel 843a Rv). Zij verkeert in verzuim.
3.9.
Stichting Pieterpad en NIVON voeren verweer. Zij hebben daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.
[eiser] is niet de maker van alle in de Pieterpadgids opgenomen foto’s.
De door [eiser] aangeleverde foto’s komen niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking;
De vergoeding is in de gegeven omstandigheden een meer dan billijke c.q. passende en evenredige vergoeding omdat [eiser] ook een vergoeding heeft ontvangen voor Pieterpadgidsen die nog niet zijn verkocht en misschien nooit zullen worden verkocht. Bovendien bestaat de oplage van de 10e druk slechts uit 20.000 exemplaren, in plaats van de door [eiser] genoemde 40.000 exemplaren. Van een ‘scheefstand’ is geen sprake. De overeenkomst is niet onder ontoelaatbare druk tot stand gekomen.
De vordering tot inzage jegens Stichting Pieterpad (en de daarmee samenhangende dwangsomvordering) moet worden afgewezen, omdat deze verplichting niet op haar rust en omdat Stichting Pieterpad geen inzage in de oplage- en/of verkoopcijfers van de 9e druk heeft en dus niet aan het gevorderde kan voldoen. Over de herdrukken van de 9e druk is [eiser] door NIVON al betaald, zodat [eiser] geen belang heeft bij een opgave door NIVON.
[eiser] heeft geen belang bij zijn vordering jegens Stichting Pieterpad tot het verbieden van het openbaar maken en/of vermenigvuldigen van zijn foto’s en teksten (en de daarmee samenhangende dwangsomvordering), omdat Stichting Pieterpad daarvan geen exploitant is (maar NIVON) en omdat Stichting Pieterpad het werk van [eiser] niet verder dan de verleende exploitatiebevoegdheid wil en zal gebruiken. Van enige aanwijzing dat sprake is van een (dreigende) inbreuk of anderszins onrechtmatig gebruik, is geen sprake.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4 De beoordeling
Auteursrechtelijke bescherming van de foto’s
4.1.
Stichting Pieterpad en NIVON hebben betwist dat de bijdragen van [eiser] auteursrechtelijk relevant zijn. [eiser] heeft nagelaten om duidelijk en nauwkeurig per individuele foto/stuk tekst te onderbouwen dat en waarom sprake is van een voldoende eigen, oorspronkelijk werk dat het persoonlijk stempel van hem als maker draagt.
4.2.
Voor zover gedaagden betwisten dat de foto’s die door [eiser] zijn gemaakt auteursrechtelijk zijn beschermd, doen zij dit tevergeefs. Partijen zijn er altijd – zowel in de eerder gesloten overeenkomsten als in de onderhandelingen in het kader van de nieuwe overeenkomst – van uitgegaan dat de foto’s en teksten auteursrechtelijk beschermd waren (de Stichting Pieterpad wilde ook dat de auteursrechten werden overgedragen). Dit betekent in ieder geval dat tussen partijen vaststaat dat er moet worden afgerekend, als ware er sprake van auteursrechtelijk beschermd werk. Dit blijkt ook uit de overeenkomst die partijen zijn aangegaan op 25 januari 2022. Bij deze stand van zaken hoeft de rechtbank niet in te gaan op de mate waarin [eiser] in auteursrechtelijke zin aan de uitgave heeft bijgedragen.
Heeft [eiser] voor zijn bijdrage aan de 10e druk een billijke vergoeding ontvangen?
4.3.
[eiser] stelt dat het door hem ontvangen bedrag van € 48.800,00 geen billijke vergoeding is in de zin van artikel 25c lid 1 Aw omdat dit bedrag enkel ziet op zijn honorarium (uren en kosten) en niet op een vergoeding voor de exploitatie van zijn werk.
4.4.
Blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 25c Aw, is het aan de maker ( [eiser] ) om te onderbouwen welke omstandigheden maken dat de vergoeding onbillijk is. In dit verband heeft [eiser] de volgende omstandigheden naar voren gebracht:
-
de vergoeding wordt in de overeenkomst een “honorarium” genoemd, hetgeen ziet op maakkosten en niet op een auteursrechtvergoeding;
-
de vergoeding is niet in lijn met wat gebruikelijk is in de branche (conform het literaire modelcontract en tarieven van de Stichting Beeldanoniem);
-
de vergoeding staat niet in verhouding tot de economische waarde van het werk (tussen € 403.500,00 en € 493.500,00);
-
e vergoeding verhoudt zich niet met de aard en omvang van de exploitatiebevoegdheid (die is ruim en er is sprake van een aanzienlijk bereik);
-
de vergoeding houdt onvoldoende rekening met de marktverhoudingen en risico’s (aanzienlijk marktaandeel, vrijwel geen concurrentie, geringe exploitatierisico’s).
4.5.
De rechtbank oordeelt in dit verband als volgt. De wet geeft de rechter geen concrete aanknopingspunten om de hoogte of modaliteit van de billijke vergoeding vast te stellen. Blijkens de wetsgeschiedenis kan, afhankelijk van de omstandigheden, een proportionele vergoeding (royalty), een lumpsum, dan wel een combinatie van de twee worden beschouwd als een billijke vergoeding. Zelfs een vergoeding van nihil kan, als de omstandigheden dat rechtvaardigen, billijk zijn. Relevante omstandigheden zijn in ieder geval de aard en de omvang van de verleende exploitatiebevoegdheden (wat mag de exploitant met het werk doen), de marktverhoudingen en de exploitatierisico’s (Kamerstukken II 2012/13, 33308, 6). Daarnaast kan ook worden gekeken naar wat gebruikelijk is in de branche en welke bijdrage de maker in het concrete geval heeft geleverd.
4.6.
Tegen deze achtergrond, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vergoeding die [eiser] reeds heeft ontvangen als billijk moet worden beschouwd. Daartoe zijn de volgende omstandigheden redengevend.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is het niet van belang welke terminologie partijen hebben gehanteerd in de overeenkomst. Dat het door [eiser] ontvangen bedrag is bestempeld als “honorarium” is als zodanig niet doorslaggevend, voor zover al relevant, voor de beantwoording van de vraag of [eiser] een billijke vergoeding heeft ontvangen. De mogelijkheid dat de auteursrechtvergoeding in het honorarium is inbegrepen, wordt immers expliciet genoemd in de wetsgeschiedenis bij artikel 25c Aw.
Hetgeen gebruikelijk is in de branche
4.8.
[eiser] verwijst naar het literaire modelcontract waarin royaltypercentages worden genoemd van tussen de 10% en de 15% en de tarieven van Stichting Beeldanoniem die volgens hem zouden resulteren in een totale billijke vergoeding van € 148.766,00.
4.9.
De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Het modelcontract literaire werken is blijkens de toelichting daarop van toepassing op literaire werken (scheppend en beschouwend proza), waartoe deze wandelgids niet behoort. Bovendien ontvangt de schrijver van een literair werk geen maakvergoeding, bovenop de royalty’s. Het modelcontract voorziet alleen in de mogelijkheid van een (al dan niet terugvorderbaar) voorschot. De tarieven van Stichting Beeldanoniem zijn geen weergave van hetgeen gebruikelijk is in de markt. Deze tarieven bieden de mogelijkheid om een vrijwaring te kopen voor het gebruik van een foto waarvan de maker niet bekend is en zijn niet bedoeld normstellend te zijn voor de tarieven tussen een maker en een exploitant in een geval als het onderhavige. Noch het modelcontract, noch de tarieven van Stichting Beeldanoniem zijn derhalve geschikt om de bepalen wat een gebruikelijke billijke vergoeding moet zijn voor een wandelgids zoals de Pieterpadgids.
4.10.
Over hetgeen gebruikelijk is in de markt voor wandelgidsen heeft [eiser] geen gegevens verschaft. Bij deze stand van zaken heeft [eiser] onvoldoende gesteld dat de vergoeding die hij heeft ontvangen zich niet verhoudt met hetgeen gebruikelijk is in de branche.
De economische waarde van het werk
4.11.
Volgens [eiser] is de economische waarde van het werk gelijk aan een bedrag tussen de € 403.500,00 en € 493.500,00. Dit zou de met de 10e druk te realiseren winst zijn (een en ander afhankelijk van hoeveel gidsen door Stichting Pieterpad via de webshop worden verkocht en hoeveel gidsen door NIVON via het Centraal Boekhuis worden verkocht).
4.12.
De berekening is door Stichting Pieterpad en NIVON gemotiveerd betwist. Zo heeft [eiser] bij zijn berekening van de winst voor Stichting Pieterpad alleen rekening gehouden met de drukkosten en zijn eigen honorarium maar niet met de vormgevingskosten ad € 8.271,25 en de kosten voor cartografie van € 3.575,00. Ook heeft [eiser] geen rekening gehouden met de overheadkosten van Stichting Pieterpad (loon- en administratiekosten van € 66.709,00). Aan de zijde van NIVON is geen rekening gehouden met het feit dat NIVON een groot deel van de oplage verkoopt via boekhandels die de gidsen inkopen met ruim 40% korting. Ook maakt NIVON kosten voor het in stand houden van de wandelroute (markeringen, personele ondersteuning, bijeenkomsten, promotie). Deze kosten bedroegen in 2021 in totaal € 62.787,00. Ook heeft NIVON overheadkosten.
4.13.
Verder betogen Stichting Pieterpad en NIVON dat zij weliswaar voor 40.000 exemplaren hebben gecontracteerd met [eiser] maar dat de daadwerkelijke oplage 20.000 stuks groot is, waarvan 10.000 door Stichting Pieterpad zijn gekocht van NIVON, die de overige 10.000 exemplaren voor haar eigen verkoopkanalen heeft behouden.
4.14.
De door Stichting Pieterpad en NIVON overgelegde cijfers zijn deels, maar niet alle, weersproken door [eiser] . Zo heeft [eiser] niet weersproken dat NIVON de gidsen aan de boekhandel verkoopt met korting en heeft hij de kosten voor cartografie en vormgeving ook niet weersproken. Ook heeft [eiser] niet, althans niet gemotiveerd, weersproken dat de daadwerkelijke oplage geen 40.000 maar 20.000 stuks bedraagt.
4.15.
De reële waarde van de exploitatie moet dus worden geacht aanzienlijk lager te liggen dan [eiser] heeft gesteld. Daar komt bij dat [eiser] niet heeft onderbouwd wat de verhouding tussen zijn vergoeding en de waarde van de exploitatie zou moeten zijn, wil er sprake zijn van een billijke vergoeding. [eiser] heeft de rechtbank geen gegevens aangereikt aan de hand waarvan de rechtbank dit zou kunnen vaststellen.
4.16.
In het licht van deze omstandigheden volgt de rechtbank [eiser] niet in zijn stelling dat zijn honorarium niet in een redelijke verhouding staat tot de reële economische waarde van de uitgave.
De aard en omvang van de exploitatiebevoegdheid
4.17.
[eiser] stelt dat de door hem ontvangen vergoeding te laag is in relatie tot de overeengekomen – volgens [eiser] zeer ruime – exploitatiebevoegdheid. Stichting Pieterpad en NIVON hebben dit bestreden.
4.18.
In het onderhavige geval is de vergoeding beperkt in zowel omvang als wijze van exploitatie. De wijze waarop de foto’s en teksten mogen worden gebruikt, staat nauwkeurig omschreven de in overeenkomst (artikel 5) en is niet onbeperkt. Voor de commerciële exploitatie (de verkoop van de wandelgids) is de exploitatiebevoegdheid beperkt tot 40.000 stuks. Ten aanzien van het online gebruik op de eigen website geldt dat dit recht weliswaar ruim is geformuleerd, maar dat daartegenover geen inkomsten staan. Met het plaatsen van de foto’s op de website of sociale media worden geen extra inkomsten gegenereerd die zouden rechtvaardigen dat [eiser] een aanvullende vergoeding zou ontvangen voor deze exploitatiebevoegdheid.
4.19.
[eiser] stelt dat het uitgeven van de gids vrijwel zonder risico is en dat er geen serieuze concurrenten zijn. Bovendien vormt de Pietrpadgids 60% van de omzet van NIVON.
4.20.
Stichting Pieterpad voert aan dat er wel degelijk risico’s bestaan. De houdbaarheid van een wandelgids is beperkt omdat deze, anders dan een literair werk, regelmatig moet worden geactualiseerd. Bovendien bestaat er concurrentie vanuit andere wandelroutes. Tot slot wijst Stichting Pieterpad erop dat er aanzienlijke kosten moeten worden voorgefinancierd, waaronder het honorarium van [eiser] .
4.21.
NIVON werpt op dat het enkele feit dat de wandelgids 60% van haar omzet vertegenwoordigt, niet betekent dat er geen risico’s zijn verbonden aan het uitgeven van de Pieterpadgids. Dit percentage zegt niets over het marktaandeel van de Pieterpadgids en er zijn meerdere wandelpaden in Nederland en ook meerdere uitgevers van wandelgidsen. Bovendien wordt het publiek voor dit soort uitgaven steeds ouder en steeds kleiner in aantal.
4.22.
In het licht van deze gemotiveerde betwistingen heeft [eiser] onvoldoende gesteld dat de risico’s die zijn verbonden aan het uitgeven van de Pieterpadgids zodanig laag zijn, dat een hogere vergoeding gerechtvaardigd is.
4.23.
[eiser] stelt dat zijn vergoeding niet billijk is in het licht van de exploitatierisico’s.
4.24.
In het onderhavige geval wordt het exploitatierisico geheel gedragen door Stichting Pieterpad en NIVON. Zij moeten alle kosten die met de uitgave gepaard gaan, waaronder ook de vergoeding die [eiser] heeft ontvangen, voorfinancieren. [eiser] loopt daarentegen geen enkel risico. Hij ontvangt zijn vergoeding ongeacht of de gehele oplage wordt verkocht. Derhalve valt niet in te zien waarom de verdeling van de exploitatierisico’s een hogere vergoeding billijkt dan [eiser] reeds heeft ontvangen.
4.25.
Tot slot komt de rechtbank toe aan de stelling van [eiser] dat de overeenkomst van 25 januari 2022 tot stand is gekomen onder ontoelaatbare druk op [eiser] , in het bijzonder doordat hij in de mail van 20 januari 2022 voor het blok is gezet. Volgens [eiser] heeft Stichting Pieterpad daarmee misbruik gemaakt van de omstandigheden.
4.26.
Stichting Pieterpad betwist dat zij [eiser] onder ontoelaatbare druk heeft gezet en schrijft dat het juist [eiser] is geweest die steeds dreigde zijn toestemming voor de publicatie te onthouden als zijn voorwaarden niet werden geaccepteerd.
4.27.
De rechtbank stelt voorop dat het inherent aan iedere onderhandeling is dat er over en weer een zekere mate van druk wordt uitgeoefend. Zolang een van de partijen de voorwaarden van de andere partij niet aanvaardt, bestaat er de kans dat er geen overeenkomst tot stand komt. Het beginsel van contractsvrijheid brengt mee dat het iedere partij vrijstaat om te zeggen: of je gaat akkoord, of het gaat niet door. Er kunnen echter omstandigheden zijn die deze vrijheid te beperken. Zo kan het in strijd met de eisen van de redelijkheid en de billijkheid zijn om, als partijen in een vergevorderd stadium van onderhandeling zijn en de overeenkomst al deels is uitgevoerd, met geheel nieuwe eisen te komen waarop de wederpartij niet beducht hoefde te zijn. Dergelijke omstandigheden zijn echter door [eiser] niet gesteld. Zowel de mogelijkheid van een royaltyvergoeding per exemplaar, als een lumpsumvergoeding zijn gedurende de onderhandelingen aan de orde geweest, zodat het voorstel van Stichting Pieterpad in zoverre geen uitkomst was waar [eiser] geen rekening mee hoefde te houden. De uiteindelijke voorwaarden die zijn overeengekomen zijn ook niet zodanig bezwarend of onbillijk dat Stichting Pieterpad geacht moet worden misbruik te hebben gemaakt van de omstandigheid dat de werkzaamheden van [eiser] al voor een groot deel waren uitgevoerd. Van ontoelaatbare druk of misbruik van de omstandigheden door Stichting Pieterpad en/of NIVON is derhalve geen sprake geweest.
4.28.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] geen aanspraak heeft op een aanvullende vergoeding voor het gebruik van zijn foto’s en teksten ten behoeve van de Pieterpadgids. De daartoe strekkende vordering zal worden afgewezen
4.29.
[eiser] heeft opgave gevorderd van, per oplage, het aantal gedrukte, verkochte en resterende exemplaren van de negende druk, delen 1 en 2 van de gids. Hij baseert zich in dit verband op artikel 4.1 van de overeenkomst van 25 januari 2022, subsidiair de transparantieverplichting ex artikel 25ca Auteurswet, meer subsidiair artikel 843a Rv.
4.30.
Voor zover deze vordering op grond van artikel 4.1 van de overeenkomst van 25 januari 2022 is gericht tegen Stichting Pieterpad, dient deze te worden afgewezen omdat de betreffende bepaling uit de overeenkomst de verplichting legt bij “de uitgeverij” (NIVON) en niet bij Stichting Pieterpad. Voor zover de vordering jegens Stichting Pieterpad is gegrond op artikel 843a Rv, dan wel artikel 25ca Aw, ontbreekt het [eiser] aan belang bij deze vordering nu hij geen aanspraak maakt op enige aanvullende vergoeding met betrekking tot de 9e druk.
4.31.
NIVON heeft opgeworpen dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering aangezien over alle herdrukken van de negende druk reeds met [eiser] is afgerekend. Volledigheidshalve heeft NIVON als productie 2 bij haar conclusie van antwoord een overzicht van de herdrukken en voorraad in het geding gebracht.
4.32.
Voor zover NIVON opwerpt dat [eiser] geen belang heeft bij zijn vordering, moet dat worden verworpen. Partijen zijn deze opgaveverplichting uitdrukkelijk overeengekomen zodat [eiser] verondersteld moet worden daar een belang bij te hebben.
4.33.
[eiser] heeft de juistheid van het door NIVON ter gelegenheid van deze procedure overgelegde overzicht weersproken. Volgens [eiser] mist er een gedeelte voorraad aangezien er alleen voorraad staat aangegeven bij het Centraal Boekhuis, hetgeen volgens [eiser] niet juist kan zijn. Ten aanzien van de bijdrukken missen de oplagecijfers. [eiser] kan niet uitsluiten dat er meer bijdrukken zijn die niet op het overzicht staan weergegeven.
4.34.
De rechtbank oordeelt in dit verband als volgt. Het relevante artikel bepaalt dat NIVON een onderbouwde inzage in het aantal verkochte en resterende exemplaren van de volledige 9e druk, deel 1 en 2 moet verstrekken. Het overzicht voldoet niet aan deze bepaling. In de eerste plaats heeft het overzicht, althans niet direct, inzage in het aantal verkochte exemplaren en in de tweede plaats mist het overzicht iedere vorm van onderbouwing, terwijl de overeenkomst dat wel voorschrijft. In zoverre heeft NIVON dus nog niet aan deze verplichting voldaan en moet zij dat alsnog doen.
4.35.
Voor zover [eiser] ook opgave van oplagecijfers en informatie over eventuele bijdrukken vraagt, stelt de rechtbank vast dat deze gegevens niet worden genoemd in artikel 4.1 van de overeenkomst van 25 januari 2022. Daar gaat het alleen over “verkochte en resterende exemplaren”. Het overzicht dat als productie 2 is overgelegd bevat daarentegen wel informatie over het aantal bijdrukken en de oplages daarvan. Voor zover [eiser] deze aantallen heeft betwist, heeft hij dat niet nader onderbouwd, anders dan te stellen dat hij niet kan uitsluiten dat er meer bijdrukken zijn geweest, hetgeen door NIVON gemotiveerd is weersproken. Daarmee is er onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van deze gegevens te twijfelen zodat er geen aanleiding bestaat NIVON te veroordelen deze gegevens te verstrekken.
4.36.
NIVON zal derhalve worden veroordeeld tot het doen van een onderbouwde opgave van het aantal verkochte en resterende exemplaren van de volledige 9e druk, deel 1 en 2. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd op de hierna te melden wijze.
4.37.
[eiser] heeft gesteld aanwijzingen te hebben dat Stichting Pieterpad en/of NIVON zijn werk ook buiten de door hem verleende exploitatiebevoegdheid openbaar zullen maken en/of zullen verveelvoudigen. Op grond van deze stelling heeft [eiser] een verbod gevorderd.
4.38.
[eiser] heeft deze aanwijzingen niet nader geconcretiseerd en Stichting Pieterpad en NIVON hebben betwist dat zij van plan zijn om het werk van [eiser] te gebruiken, anders dan in overeenstemming met de overeenkomst tussen partijen. Aldus heeft [eiser] onvoldoende gesteld en zal de verbodsvordering worden afgewezen.
Conclusie en proceskosten
4.39.
De vorderingen die [eiser] tegen Stichting Pieterpad heeft ingesteld worden alle afgewezen. [eiser] zal in de proceskosten aan de zijde van Stichting Pieterpad worden veroordeeld. De vorderingen zagen deels op de handhaving van intellectueel eigendomsrechten, te weten de verbodsvordering, en deels op toepassing van het auteurscontractenrecht en nakoming van een overeenkomst. Deze laatste twee vorderingen zijn geen vorderingen die verband houden met het doen staken of verhelpen van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht, en vallen daarmee buiten de toepassing van artikel 1019h Rv (vgl. HvJ EU, 15 november 2012, zaak C-180/11, Bericap Záródástechnikai Bt. tegen Plastinnova 2000 Kft.)
4.40.
Het leeuwendeel van het debat - op papier en ter zitting - zag op de vraag of [eiser] een billijke vergoeding heeft ontvangen. De rechtbank rekent 70 % van de kosten toe aan dit onderdeel. Aan de overige twee onderdelen, de verbodsvordering en de vordering tot nakoming, rekent de rechtbank ieder 15% toe. Deze zaak kwalificeert de rechtbank als een normale zaak in de zin van de Indicatietarieven in IE-zaken, waarvoor een maximaal tarief van € 17.500,00 geldt. De proceskosten aan de zijde van Stichting Pieterpad worden derhalve als volgt begroot:
Advocaatkosten 1019h € 2.625,00 (15% x € 17.500,00)
Advocaatkosten liquidatietarief € 3.196,00 (85 % x € 1.880,00 x 2 punten)
Griffierecht € 2.837,00
4.41.
Ten aanzien van NIVON geldt dat partijen ieder deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zodat de rechtbank aanleiding ziet de proceskosten tussen hen te compenseren.