Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBGEL:2024:169

Rechtbank Gelderland
12-01-2024
15-01-2024
AWB 22/4920
Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Naturalisatie; horen in bezwaar; ongegrond

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 22/4920


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2024 in de zaak tussen


[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: drs. F.W. King),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om verlening van het Nederlanderschap (naturalisatie). De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.1.

De staatssecretaris heeft het verzoek om naturalisatie van eiser met het besluit van 2 mei 2022 afgewezen, omdat eiser korter dan vijf jaar geleden onherroepelijk voor het plegen van een misdrijf is veroordeeld en de rehabilitatietermijn daarom nog niet is verstreken. Met het bestreden besluit van 19 september 2022 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van het verzoek gebleven.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om naturalisatie. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris had eiser in bezwaar niet hoeven horen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Had de staatssecretaris eiser in bezwaar moeten horen?

4. Eiser betoogt dat de staatssecretaris hem ten onrechte in bezwaar niet heeft gehoord. Eiser wijst erop dat de aard en strekking van een naturalisatieverzoek op zichzelf al maken dat de staatssecretaris gehouden is om hem te horen. De afwijzing van een verzoek om naturalisatie betekent namelijk (ook) dat de verzoeker geen Unieburger wordt, waardoor hij geen aanspraak kan maken op rechten die met het Unieburgerschap samenhangen.1 Door het afzien van het horen heeft de staatssecretaris eiser in bezwaar verder de mogelijkheid ontnomen om feiten en omstandigheden naar voren te brengen in het kader van een individuele toetsing aan het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel.

4.1.

Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich terecht op het standpunt dat hij van het horen in bezwaar mocht afzien. De staatssecretaris moet de indiener van een bezwaarschrift horen,2 tenzij het bezwaar kennelijk ongegrond is.3 Uit de rechtspraak volgt verder dat een procedure over de verkrijging van het Nederlanderschap – anders dan een procedure over het verlies van het Nederlanderschap – niet binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt.4 Het feit dat eiser door de afwijzing van zijn verzoek geen Unieburger wordt, zijn stelling dat het niet-horen in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en het door eiser aangehaalde persbericht kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat de staatssecretaris eiser in bezwaar had moeten horen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het verzoek om naturalisatie in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyás, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2024.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1 Eiser wijst ter onderbouwing op het persbericht ‘Europees Hof beantwoordt vragen over verlies van nationaliteit’ van de Raad van State van 12 maart 2019 dat is uitgebracht naar aanleiding van het arrest HvJEU 12 maart 2019, C-221/17, ECLI:EU:C:2019:189.

2 Dat staat in artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 Dat staat in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.

4 Rb. Gelderland 17 maart 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:1251, r.o. 3.1.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.