Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende voor de orthopedische maatvoetbedden recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
5. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief (met uitzondering van 50% van de omzet over het eerste kwartaal 2021 conform het compromis ter zitting). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Op grond van artikel 9, lid 2, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met post a-35 van Tabel I behorende bij de Wet OB, is de levering van orthopedisch schoeisel, en onderdelen daarvoor belast naar het verlaagde btw-tarief.
7. In de toelichting op Tabel I behorende bij de Wet OB1, onderdeel 11 bij post a-35, zoals deze luidt sinds 20 februari 2021, is uitgelegd dat het hier schoeisel betreft dat op maat is vervaardigd voor de zieke voet van een patiënt door een erkend orthopedisch technicus. Verder staat in de toelichting:
“Onder de post vallen niet:
- (…);
- steunzolen, waaronder - al dan niet op maat gemaakte – orthopedische voetbedden, tenzij sprake is van een hulpmiddel als bedoeld in onderdeel 14, letter e, bij post a-35;
- (…).”
8. In de toelichting op Tabel I behorende bij de Wet OB, onderdeel 14 en letter
e, bij post a-35, is het volgende opgenomen:
“De hierna vermelde goederen, die wat betreft verschijningsvorm en gebruiksmogelijkheden grote gelijkenis vertonen met de in onderdeel 13 bedoelde hulpmiddelen, vallen onder de post. Het gaat hierbij om producten die op of aan het lichaam worden gedragen en meestal (op maat) worden vervaardigd voor individueel gebruik.
(…)
e. Klomp-, spits- en hakvoetapparaten
Deze apparaten worden aan de voet gedragen. In een aantal gevallen worden de voeten in een bepaalde stand gefixeerd en door middel van een stang met elkaar verbonden. Ook wordt het voetstuk wel voorzien van stangen en banden die aan het onderbeen worden bevestigd of zelfs tot voorbij de knie reiken. Onder deze post vallen ook orthesen en prothesen die een aanvulling vormen op ontbrekende delen van de voet en die ten doel hebben scheefgroei van vooral tenen op te heffen en/of te voorkomen. Orthopedische voetbedden/steunzolen voor andere doeleinden dan completering en ondersteuning van de voet als gedeelten van de voet (bijvoorbeeld één of meerdere tenen) ontbreken, vallen niet onder de post en de leveringen daarvan zijn belast naar het algemene tarief, zie ook de toelichting op orthopedisch schoeisel in onderdeel 11 bij post a 35.”.
Is het verlaagde tarief van toepassing?
9. Belanghebbende voert aan dat orthopedische maatvoetbedden orthesen zijn die als doel hebben de voet recht te zetten en te houden bij verloren gegane weefselstructuren. De betreffende orthopedische voetbedden worden specifiek op de zieke voet van een individuele patiënt vervaardigd. Belanghebbende is van mening dat voor orthopedische maatvoetbedden het verlaagde tarief van toepassing is, omdat orthopedische maatvoetbedden dezelfde functie hebben als orthesen die als hulpmiddel wel onder het verlaagde tarief vallen en omdat het verlaagde tarief ook van toepassing is als het orthopedische maatvoetbed een onderdeel is van een orthopedisch schoen. Daarbij is de gemaakte uitzondering in de toelichting onduidelijk en onvoldoende onderscheidend.
10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de levering van orthopedische maatvoetbedden is belast tegen het algemene btw-tarief van thans 21%. De orthopedische maatvoetbedden zijn geen 'overig hulpmiddel' in de zin van onderdeel 14, letter e, bij post a-35 van de toelichting op Tabel I omdat orthopedische maatvoetbedden wat betreft verschijningsvorm en gebruiksmogelijkheden geen grote gelijkenis vertonen met de 'orthopedische maatkorsetten' genoemd in onderdeel 13, letter e, bij post a-35 van de toelichting Tabel I. De orthopedische maatvoetbedden kunnen niet gelijk worden gesteld met de orthesen en prothesen genoemd in onderdeel 14, letter e, bij post a- 35 van de toelichting op Tabel I, want er is geen sprake van ortheses die een aanvulling vormen op ontbrekende delen van de voet (zoals één of meer ontbrekende tenen) en die ten doel hebben scheefgroei van vooral tenen op te heffen en/of te voorkomen.
11. De rechtbank overweegt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij de invoering van de tabelpost a-35 een beperkte strekking van de tabelpost heeft beoogd. De wetgever beoogde slechts de in de post vermelde bijzondere prothesen onder het verlaagde tarief te brengen. Het geven van een ruimere strekking aan de tabelpost stuitte op bezwaren, aangezien de post anders mede goederen zou omvatten die in het particuliere bestedingspakket een vrij normale plaats innemen.2 De betreffende toelichting op deze tabelpost dient dan ook strikt te worden uitgelegd.
12. De rechtbank stelt vast dat losse orthopedische maatvoetbedden niet in de tekst van tabelpost a-35 zijn opgenomen. Orthopedische maatvoetbedden vallen ook niet onder de categorie orthopedisch schoeisel, omdat geen sprake is van een schoen. Uit de toelichting op de tabelpost volgt dat de hoofdregel is dat het verlaagde tarief niet op losse orthopedische voetbedden van toepassing is. In de toelichting in onderdeel 14 en letter e, bij post a-35 van de Tabel I bij de Wet OB is hierop een uitzondering opgenomen. Dit onderdeel gaat over “Klomp-, spits- en hakvoetapparaten” die wat betreft verschijningsvorm en gebruiksmogelijkheden grote gelijkenis te vertonen met de in onderdeel 13 bedoelde hulpmiddelen, zijnde orthopedische maatkorsetten. Alleen op orthopedische voetbedden die een aanvulling vormen op ontbrekende delen van de voet en die ten doel hebben scheefgroei van vooral tenen op te heffen en/of te voorkomen is volgens de toelichting het verlaagde tarief van toepassing. Op belanghebbende rust de bewijslast dat de orthopedische maatvoetbedden waar het in deze procedure over gaat, onder deze uitzondering vallen.
13. Belanghebbende heeft niet aan deze op haar rustende bewijslast voldaan. Zij heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de orthopedisch maatvoetbedden tot doel hebben scheefgroei van vooral tenen op te heffen en/of te voorkomen. Orthopedische maatvoetbedden hebben volgens de stellingen van belanghebbende namelijk tot doel de voet te ondersteunen en/of recht te houden, waardoor loopproblemen, waaronder pijn bij het lopen, worden opgeheven of verminderd. Weliswaar wordt door het rechtzetten van de voet (verdere) scheefgroei van tenen vaak voorkomen, maar dat is meestal niet het belangrijkste doel van het orthopedische maatvoetbed. Verder is niet in alle gevallen sprake van voetbedden die een aanvulling vormen op ontbrekende delen van de voet. Er zijn namelijk blijkens het tijdens de zitting getoonde filmpje ook gevallen waarin de voetbedden bij andere klachten worden aangemeten, zoals bij problemen in de hersenfunctie die leiden tot problemen van de voet of bij het lopen. Verder acht de rechtbank aannemelijk dat de besluitgever bij de zinsnede “ontbrekende delen van de voet” alleen heeft gedacht aan delen die vanaf de buitenzijde zichtbaar ontbreken, zoals ontbrekende tenen. Het ontbreken of minder goed functioneren van weefsels, spieren, pezen of botjes aan de binnenzijde van de voet of het been valt daar niet onder. Voor een ruimere uitleg van de toelichting, zoals belanghebbende heeft betoogd, is gelet op de wetsgeschiedenis geen plaats. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing.
14. Tijdens de zitting heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd dat zij het in wezen niet eens is met de formulering van de uitzondering in de toelichting op de tabelpost. Zij vindt namelijk dat het bij het toepassen van het verlaagd tarief moet gaan om een hulpmiddel voor het rechtzetten van de voet bij verloren gegane weefselstructuren, zodat de klant goed kan lopen. Het ontbreken van tenen en de scheefgroei van tenen is volgens haar niet een goed criterium om het onderscheid te maken. De rechtbank begrijpt goed wat belanghebbende bedoelt, maar is niet bevoegd om de toelichting in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën aan te passen of te veranderen. Het gaat hier namelijk om een beleidsbesluit. Ook ligt het niet op de weg van de rechtbank om de toelichting anders uit te leggen dan wat er staat of dan wat de Staatsecretaris heeft bedoeld. Belanghebbende zal zich voor een aanpassing van de toelichting tot de Staatssecretaris moeten wenden.
15. Voor het beroep van belanghebbende op het neutraliteitsbeginsel geldt het volgende. Hoewel de rechtbank belanghebbende nageeft dat de tekst van de uitzondering in de toelichting niet uitblinkt in duidelijkheid, heeft een lidstaat bij de toepassing van een verlaagd tarief op bepaalde goederen en diensten een grote beoordelingsvrijheid. Verlaagde tarieven kunnen slechts worden ingesteld en gehandhaafd indien zij niet indruisen tegen het beginsel van fiscale neutraliteit, dat inherent is aan het gemeenschappelijke BTW-stelsel en dat zich ertegen verzet dat soortgelijke goederen, die dus met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de BTW ongelijk worden behandeld.3 Hiervan is in dit geval geen sprake, omdat geen sprake is van soortgelijke goederen. Orthopedische voetbedden worden namelijk gemaakt op maat van de zieke voet, afhankelijk van de soort klacht en de ernst daarvan. De consument kan niet kiezen uit verschillende soorten orthopedische voetbedden, maar kan alleen het voetbed gebruiken dat speciaal voor hem of haar is gemaakt. Gelet hierop kunnen de in de uitzondering genoemde orthopedische voetbedden niet concurreren met andere orthopedische voetbedden en zijn daarom ook niet soortgelijk. Bovendien volgt uit het neutraliteitsbeginsel niet dat indien een levering van een specifiek orthopedisch voetbed onder het verlaagd tarief valt, dat dan iedere levering van een orthopedische voetbed onder het verlaagde tarief dient te vallen.4 De wetgever mag deze keuze maken en de rechtbank acht de gemaakte keuze van de besluitgever voldoende specifiek en onderscheidend. Het beroep van belanghebbende op het neutraliteitsbeginsel kan daarom niet slagen.
16. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat voor 50% van de omzet van het eerste kwartaal 2021 die betrekking heeft op orthopedische maatvoetbedden het verlaagde tarief van toepassing is. Achtergrond van deze afspraak is de omstandigheid dat de toelichting op de tabelpost per 20 februari 2021 is gewijzigd en de inspecteur tot en met eind december 2020 akkoord is gegaan met het verlaagde tarief op basis van de onduidelijkheid in de eerder geldende tekst. De rechtbank zal overeenkomstig deze afspraak beslissen.
Redelijke termijn
17. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.5
18. Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid6 is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek om schadevergoeding.
19. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende ontvangen op 21 mei 2021. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 9 maanden langer dan twee jaar. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) 9 maanden overschreden. Naar boven afgerond is dit twee keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 1.000 (twee keer een half jaar ad € 500). De uitspraak op bezwaar dateert van 10 september 2021. De bezwaarfase heeft niet langer dan de termijn van zes maanden geduurd. De inspecteur hoeft daarom geen schadevergoeding te betalen. De schadevergoeding komt geheel ten laste van de Staat, omdat de overschrijding van de redelijke termijn alleen in de beroepsfase is ontstaan. Voor matiging van de vergoeding in verband met het feit dat belanghebbende samen met diverse andere belanghebbende procedeert ziet de rechtbank in dit geval geen reden, omdat de spanning en frustratie per belanghebbende daardoor niet minder is. De rechtbank zal de Staat veroordelen om het bedrag van € 1.000 aan belanghebbende te betalen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf omzetbelasting voor het eerste kwartaal 2021 in die zin dat voor 50% van de omzet van orthopedische voetbedden het verlaagde tarief van toepassing is;
- bepaalt dat belanghebbende voor het overige geen recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief over de omzet van orthopedische voetbedden;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 774,41 aan proceskosten aan belanghebbende;
- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 360 aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, en mr. P.J. Tikken en
mr. L.L. van Benthem, leden, in aanwezigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: