Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBGEL:2025:950

Rechtbank Gelderland
29-01-2025
25-02-2025
433289
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig,Op tegenspraak

Opzegging lidmaatschap kleiduivenschietvereniging. Nietige of vernietigbare besluitvorming? Uitspraak commissie van beroep een besluit van een orgaan in de zin van art. 2:14/15 BW?

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Arnhem

Zaaknummer: C/05/433289 / HA ZA 24-146

Vonnis van 29 januari 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. S.A. van Snippenburg,

tegen

[gedaagde] ,

te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vereniging,

advocaat: mr. E.M. Oskam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 juli 2024,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 december 2024.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is in 2008 lid geworden van de vereniging. Hij woont naast het perceel waar de vereniging haar activiteiten organiseert en exploiteert op zijn eigen perceel [bedrijf ] , waar diverse groepsactiviteiten worden aangeboden. Vanaf 2011 bood [bedrijf ] , in samenspraak met de vereniging, arrangementen aan met kleiduifschieten bij de vereniging. Deze samenwerking is in 2020 geëindigd.

2.2.

In de statuten van de vereniging is onder meer het volgende opgenomen:

EINDE LIDMAATSCHAP

Artikel 5.

1. Het lidmaatschap eindigt door:

(…)

c. Schriftelijke opzegging namens de vereniging, door het bestuur.

d. Ontzetting

2. Opzegging door het bestuur kan onder meer geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door of krachtens de statuten voor het lidmaatschap gesteld, te voldoen, en ook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.

(…)

4. Ontzetting kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. (…)

5. Van een opzegging door het bestuur, alsmede van een ontzetting wordt de betrokkene zo spoedig mogelijk schriftelijk met opgave van redenen, door de secretaris in kennis gesteld.

Van een dergelijk besluit staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving beroep open op de in artikel 15 genoemde Commissie van Beroep.

[…]

COMMISSIE VAN BEROEP

Artikel 15.

Inzake besluiten van het bestuur waartegen ingevolge de wet, de statuten of een reglement beroep open staat oordeelt de Commissie van Beroep (…).

2.3.

In het huishoudelijk reglement van de vereniging staat:

4.3.

Gedragingen

4.3.1.

Algemeen

De leden, onthouden zich in hun doen en laten van al hetgeen waarmee zij zichzelf als beoefenaar van de schietsport, de vereniging, organisaties waar de vereniging mee verbonden is, of de schietsport in het algemeen in diskrediet zouden kunnen brengen. Een dergelijke gedraging kan worden aangemerkt als lidmaatschap onwaardig.

[…]

6.3

Sancties

Gedragingen en handelingen in strijd met statuten, reglement, de goede trouw en redelijkheid en billijkheid jegens de vereniging en haar organen en functionarissen, alsmede het belang van de vereniging kan leiden tot sancties. Onder gedragingen en handelingen wordt in dit verband tevens begrepen een nalaten om te handelen.

De vereniging kent de volgende sancties:

(…)

f. Opzegging door het bestuur, zoals in de statuten bepaald;

g. Ontzegging van het lidmaatschap, al dan niet met onmiddellijke ingang, zoals in de statuten bepaald.

2.4.

Medio 2020 heeft het bestuur van de vereniging [eiser] met onmiddellijke ingang geschorst als lid van de vereniging en hem vervolgens begin 2022 geroyeerd, in verband met berichten die [eiser] op een door hem beheerde en niet aan de vereniging verbonden openbare Facebookpagina met de naam “ [naam 2] ” had geplaatst en die in de ogen van het bestuur de vereniging in een kwaad daglicht probeerden te zetten.

2.5.

[eiser] heeft het schorsingsbesluit en het royementsbesluit in een procedure bij deze rechtbank aangevochten.1 De rechtbank heeft de besluiten bij vonnis van 12 juli 2023 vernietigd, omdat die niet tot stand waren gekomen op de wijze zoals bepaald in de statuten van de vereniging.

2.6.

Vervolgens heeft het bestuur van de vereniging het lidmaatschap van [eiser] bij besluit van 1 augustus 2023 opgezegd, primair met onmiddellijke ingang en subsidiair tegen het einde van het kalenderjaar. Dit besluit is bij brief van 14 augustus 2023 aan [eiser] kenbaar gemaakt. Het bestuur heeft in haar brief (kort gezegd) als reden voor de opzegging opgenomen dat er tal van incidenten met [eiser] de revue hebben gepasseerd, dat die incidenten reeds meer dan 12 jaar onrust en frustratie binnen de vereniging en haar bestuur veroorzaken en dat daarmee voor het bestuur het punt is bereikt waarop niet meer van haar kan worden gevergd het lidmaatschap van [eiser] te laten voortduren. Verder staat in de brief dat [eiser] tegen het besluit beroep kan instellen bij de Commissie van Beroep van de vereniging (hierna: de Commissie).

2.7.

Op 29 augustus 2023 heeft [eiser] bij de Commissie schriftelijk bezwaar gemaakt tegen het besluit van het bestuur van de vereniging van 1 augustus 2023.

2.8.

De Commissie heeft op 2 november 2023 op het bezwaar van [eiser] beslist. In haar beslissing schrijft de Commissie dat sprake is van een lange reeks van incidenten, waarbij sprake is van ongepaste en fatsoensnormen overschrijdende gedragingen van [eiser] , zodat zij het besluit tot opzegging van het bestuur van de vereniging gerechtvaardigd acht. Verder schrijft de Commissie dat zij een opzegging met onmiddellijke ingang niet gepast acht, gezien de ongewenst lange tijd die de behandeling van het beroep van [eiser] bij de commissie in beslag heeft genomen, maar dat zij het subsidiaire besluit van het bestuur van de vereniging tot opzegging tegen het einde van het kalenderjaar handhaaft.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert primair dat de rechtbank voor recht verklaart dat het besluit van 1 augustus 2023 van de vereniging en/of het besluit van 2 november 2023 van de Commissie nietig is/zijn. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank het besluit van 1 augustus 2023 van de vereniging en/of het besluit van 2 november 2023 van de Commissie vernietigt.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] kort samengevat ten grondslag dat de vereniging en de Commissie niet in redelijkheid tot de besluiten van 1 augustus 2023 en 2 november 2023 hebben kunnen komen.

3.3.

De vereniging voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] baseert zijn vorderingen op de artikelen 2:14 en 2:15 BW. Die artikelen gelden alleen voor ‘besluiten van een orgaan van een rechtspersoon’. Partijen zijn het erover eens dat het besluit van het bestuur van de vereniging van 1 augustus 2023 als een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is aan te merken. Zij zijn het er echter niet over eens of de beslissing van de Commissie van 2 november 2023 ook als zodanig kan worden gekwalificeerd. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen wat de status van (de beslissing van) de Commissie is.

4.2.

De wet geeft geen definitie van het begrip ‘orgaan’ van een rechtspersoon. Uit het stelsel van de wet volgt echter dat onder het begrip ‘orgaan’ kan worden verstaan een uit één of meerdere persoon bestaande functionele eenheid die door de wet of de statuten met beslissingsbevoegdheid in aangelegenheden van de betreffende rechtspersoon is bekleed. Op grond van artikel 15 van de statuten van de vereniging (zie hiervoor onder 2.2) heeft de Commissie een duidelijke welomschreven bevoegdheid om binnen de vereniging een functie te vervullen en een beslissing te nemen. Omdat de Commissie een statutaire basis heeft en een beslissing van de Commissie, zoals de vereniging onweersproken heeft gesteld, bovendien bindend is voor de betrokken partijen, waaronder ook de vereniging, is de rechtbank van oordeel dat de beslissing van de Commissie van 1 november 2023 als een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is aan te merken. Dit betekent dat de rechtbank zowel de beslissing van de Commissie van 1 november 2023 als het besluit van het bestuur van de vereniging van 1 augustus 2023 aan de artikelen 2:14 en 2:15 BW kan toetsen.

4.3.

Volgens [eiser] is/zijn het besluit van het bestuur van de vereniging en/of het besluit van de Commissie van 1 november 2023 primair nietig op grond van artikel 2:14 BW. Hij heeft bij dagvaarding echter niet duidelijk gemaakt waarom het besluit van de vereniging en/of het besluit van de Commissie nietig zou(den) zijn. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] , ondanks vragen van de rechtbank daartoe, niet toegelicht waarom die besluiten nietig zouden zijn. Mr. Van Snippenburg heeft ter zitting gezegd dat die toelichting ook niet nodig zou zijn, omdat hij ‘het toespitst op de vernietigbaarheid’. De primaire vordering van [eiser] zal gelet op het voorgaande als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.4.

Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat het besluit van 1 augustus 2023 van de vereniging en/of het besluit van 2 november 2023 van de Commissie van Beroep van de vereniging vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 BW. Daartoe voert hij het volgende aan. De feiten waarop het bestuur van de vereniging het besluit tot opzegging heeft gebaseerd zijn niet komen vast te staan, zodat die feiten een opzegging niet rechtvaardigen. Het besluit tot opzegging is bovendien gebaseerd op dezelfde feiten als de feiten die ten grondslag lagen aan de bij vonnis van deze rechtbank van 12 juli 2023 vernietigde besluiten tot schorsing en royement. Volgens [eiser] kan het niet zo zijn dat feiten die onvoldoende zijn gebleken voor instandhouding van de besluiten tot schorsing en royement thans wel voldoende zijn voor een besluit tot opzegging. Daarnaast heeft geen hoor- en wederhoor plaatsgevonden op het moment dat het besluit tot opzegging door het bestuur van de vereniging werd genomen en heeft het bestuur van de vereniging het besluit gebrekkig gemotiveerd. Het bestuur heeft immers niet (voldoende) gemotiveerd hoe de gedragingen van [eiser] zijn getoetst aan de artikelen 4.3.1 en 6.3 van het huishoudelijk reglement van de vereniging. Gelet op het voorgaande heeft het bestuur van de vereniging niet in redelijkheid tot het besluit van 1 augustus 2023 kunnen komen. Omdat het bestuur van de vereniging niet in redelijkheid tot het besluit van 1 augustus 2023 heeft kunnen komen, heeft de Commissie ook niet in redelijkheid tot het besluit van 2 november 2023 kunnen komen dat de opzegging van het lidmaatschap van [eiser] tegen het einde van het kalenderjaar gehandhaafd moet blijven, aldus [eiser] .

4.5.

De vereniging betwist dat zij niet in redelijkheid tot het besluit tot opzegging heeft kunnen komen. Zij meent dat niet van haar kan worden gevergd [eiser] nog langer toe te laten als lid van de vereniging. De besluiten van 1 augustus 2023 en 1 november 2023 zijn volgens de vereniging dan ook niet vernietigbaar.

4.6.

Bij het nemen van een besluit tot opzegging komt de vereniging een vrijheid toe die meebrengt dat een besluit tot opzegging jegens het betrokken lid slechts ontoelaatbaar is indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, jegens het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen. Nu het bestuur een zekere mate van beleidsvrijheid heeft, dient de rechtbank terughoudendheid te betrachten bij de beoordeling of het bestuur tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] heeft kunnen overgaan. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

4.7.

De vereniging heeft aan haar opzeggingsbesluit van 1 augustus 2023 ten grondslag gelegd dat zich gedurende een periode van 12 jaar herhaaldelijk incidenten of conflicten hebben voorgedaan waarbij [eiser] zich niet heeft gedragen zoals van een goed lid van een schietvereniging mag worden verwacht. Zij heeft deze incidenten opgesomd in een door haar als productie 3 overgelegde tijdlijn voorzien van onderliggende stukken, waaronder verklaringen van (bestuurs-)leden van de vereniging. [eiser] heeft een andere visie op deze incidenten en heeft die visie uitvoerig onderbouwd.

4.8.

Anders dan [eiser] stelt, is voor de beoordeling of de vereniging in redelijkheid tot het opzeggingsbesluit heeft kunnen komen niet noodzakelijk om per incident vast te stellen wat er feitelijk is gebeurd, wie ‘gelijk’ had en wie in de ontstane situatie (de meeste) blaam treft. De vereniging heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het haar in de kern gaat om herhaaldelijk ongepast gedrag van [eiser] en dat dit gedrag tot onrust leidt binnen de vereniging. Voor de vereniging was in 2020, na de door [eiser] geplaatste berichten op de Facebookpagina, de maat vol.

4.9.

Op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen partijen ter zitting naar voren hebben gebracht stelt de rechtbank vast dat [eiser] zich in de richting (van het bestuur) van de vereniging en haar leden bij herhaling heeft uitgelaten op een negatieve, niet respectvolle en escalerende manier en dat zich gedurende een lange periode meerdere incidenten hebben voorgedaan waarin [eiser] een rol van betekenis heeft gespeeld. De rechtbank wijst in dit kader bijvoorbeeld op de berichten die [eiser] op de openbare Facebookpagina heeft geplaatst, waarvan de rechtbank in het vonnis van 12 juli 2023 al heeft overwogen dat die berichten ongepast waren en dat [eiser] door het plaatsen van de berichten de fatsoensnormen tegenover het bestuur van de vereniging heeft overschreden. Ook wijst de rechtbank op het bord met daarop de tekst “welkom [naam 1] ”, dat [eiser] op zijn terrein heeft geplaatst. Zelfs als dat bord daadwerkelijk was bedoeld om een terugkerende medewerker van [bedrijf ] welkom te heten, zoals [eiser] stelt, is het plaatsen van dat bord gelet op de samenloop met de terugkeer van [naam 1] bij de vereniging en de destijds al aanwezige spanningen tussen [eiser] en de vereniging niet tactvol te noemen en voorstelbaar is ook dat de vereniging het bord als provocerend heeft ervaren.

4.10.

Ook als wordt aangenomen dat [eiser] in deze situaties inhoudelijk gezien (deels) gelijk had, hoefde (het bestuur van) de vereniging dergelijk herhaald gedrag niet te accepteren, zeker nu dergelijk gedrag voor een vereniging die volledig draait op vrijwilligers als onevenredig belastend is aan te merken. Daarnaast heeft [eiser] zich zeer kritisch opgesteld jegens meerdere besturen van de vereniging. Hoewel een lid zich kritisch mag opstellen jegens het bestuur is de rechtbank van oordeel dat dit wel dient te gebeuren binnen de bandbreedte van de gedragsregels van artikel 2:8 BW. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] met zijn uitingen meerdere keren de bandbreedte overschreden en daarmee onder meer bijgedragen aan tegenstellingen binnen de vereniging. Het bestuur van de vereniging heeft nog geprobeerd om de hierdoor ontstane spanningen weg te nemen door zowel in 2019 als in 2022 met [eiser] in gesprek te gaan op neutraal terrein, maar partijen zijn hierin niet geslaagd. Gelet op de verstoorde verhoudingen en de (negatieve) reputatie die [eiser] door zijn eigengereid handelen inmiddels binnen de vereniging heeft opgebouwd, komt de rechtbank tot het oordeel dat van het bestuur van de vereniging niet kon worden gevergd het lidmaatschap van [eiser] te laten voortduren. Dit betekent dat het bestuur in redelijkheid tot het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] heeft kunnen komen en dat ook de Commissie in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de opzegging van het lidmaatschap van [eiser] door het bestuur te handhaven. Dat het besluit tot opzegging op dezelfde feiten is gebaseerd als de feiten die het bestuur van de vereniging ten grondslag heeft gelegd aan de besluiten tot schorsing en royement, doet aan het voorgaande niet af. Voor beëindiging van een lidmaatschap door opzegging geldt immers een andere maatstaf dan voor beëindiging van een lidmaatschap door royement (vergelijk artikel 2:35 lid 2 en lid 3 BW). Het kan dus zo zijn dat een bepaald feitencomplex niet voldoende is voor royement, terwijl dat wel voldoende is voor opzegging. Ook heeft het bestuur van de vereniging het besluit tot opzegging voldoende gemotiveerd. Op grond van artikel 5 lid 2 van de statuten van de vereniging kan het bestuur van de vereniging het lidmaatschap (onder andere) opzeggen wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren (zie hiervoor onder 2.2). Anders dan [eiser] stelt, hoeft het bestuur van de vereniging bij opzegging van het lidmaatschap dus niet te motiveren hoe de gedragingen van [eiser] zijn getoetst aan de artikelen 4.3.1 en 6.3 van het huishoudelijk reglement. De door het bestuur van de vereniging voor de opzegging van het lidmaatschap van [eiser] aangedragen reden dat er tal van incidenten met [eiser] de revue hebben gepasseerd, dat die incidenten reeds meer dan 12 jaar onrust en frustratie binnen de vereniging en haar bestuur veroorzaken en dat om die reden niet van haar kan worden gevergd het lidmaatschap van [eiser] niet langer te laten voortduren is niet volstrekt nietszeggend of onbegrijpelijk. Aan de stelling van [eiser] dat geen hoor- en wederhoor heeft plaatsgevonden toen het besluit tot opzegging door het bestuur van de vereniging werd genomen, gaat de rechtbank voorbij. [eiser] heeft niet duidelijk gemaakt op grond waarvan het bestuur van de vereniging hem voorafgaand aan het nemen van het besluit dan had moeten horen en waarom dat gelet op het bepaalde in artikel 2:14 BW tot vernietigbaarheid van het besluit zou moeten leiden.

4.11.

De conclusie is dan dat het besluit van het bestuur van de vereniging van 1 augustus 2023 en het besluit van de Commissie van 1 november 2023 niet vernietigbaar zijn, zodat ook de subsidiaire vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.12.

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de vereniging worden begroot op:

- griffierecht

688,00

- salaris advocaat

1.228,00

(2 punten × € 614,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.094,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Steverink en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.

1552 / 1787

1 Zaaknummer / rolnummer C/05/401896 HA ZA 22/144 en C/05/408415 / HA ZA 22-390.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.