Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBHAA:2009:BK8043

Rechtbank Haarlem
30-12-2009
30-12-2009
15/751654-06
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Criminele organisatie, handel in drugs, gewoontewitwassen, ontvankelijkheid openbaar ministerie, grootschalige internationale drugshandel.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte voor het deelnemen aan een criminele organisatie, in- en uitvoer en handel in grote hoeveelheden soft- en harddrugs, gewoontewitwassen en valsheid in geschrift tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar.

De rechtbank ziet geen aanleiding het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging en evenming voor bewijsuitsluiting. Het gerechtshof heeft immers geen beslissing genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen koffer nu deze niet op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen stond. Om teruggave is niet verzocht en de koffer is in deze zaak opnieuw rechtmatig in beslag genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte in de tenlastegelegde periode de leider geweest van een omvangrijke criminele organisatie die zich op professionele wijze zowel nationaal als internationaal richtte op de stelselmatige en grootschalige internationale handel in soft- en harddrugs, alsmede het witwassen van geld. Met het criminele geld werden in de onderwereld nieuwe transporten gefinancierd, maar werd ook vastgoed aangeschaft. Ten behoeve van het transporteren van drugs heeft de organisatie bedrijven opgericht of opgekocht, transportmiddelen aangekocht, gehuurd en omgebouwd en loodsen en fabrieken in binnen- en buitenland gehuurd of verkocht. Er werd onder andere gebruik gemaakt van niet ingewijde transportbedrijven, waardoor soms onwetende chauffeurs ingeschakeld werden en gedetineerd raakten.

De door getuigen, die deel uitmaakten van de criminele organisatie, in het buitenland afgelegde verklaringen acht de rechtbank bruikbaar voor het bewijs. De inhoud van de afgelegde verklaringen van deze getuigen zijn gedetailleerd en consistent, ondersteunen elkaar en vinden daarnaast steun in de overige bewijsmiddelen waaronder de bij een getuige inbeslaggenomen drugsadminstratie. Naar het oordeel van de rechtbank was de criminele organisatie te zien als een professioneel bedrijf. Verdachte hield zich bezig met de organisatie en was – hoewel op de achtergrond opererend – nauw en direct betrokken bij vele transporten Zelfs tijdens zijn detentieperiode wist de verdachte een en ander zo te regelen dat de activiteiten van de criminele organisatie doorliepen en er aan hem rekening en verantwoording werd afgelegd. Bij het bepalen van het soort verdovende middelen dat werd gesmokkeld was de daarmee te behalen winst een bijzonder belangrijke factor. Verdachte werd binnen de criminele organisatie zowel gerespecteerd als gevreesd en hij werd door medeverdachten in deze zaak als de grote organisator en de grote baas omschreven met wie niet te spotten valt. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank minder feiten bewezen heeft geacht.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/751654-06

Uitspraakdatum: 30 december 2009

Tegenspraak, op basis van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 9, 10, 11 en 24 december 2009 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,

ingeschreven te [adres],

is niet verschenen.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

Feit 1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december

1996 tot en met 28 juli 2008 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend

en/of Amsterdam en/of Oosterhout en/of Breda, in elk geval in Nederland en/of

Duitsland en/of België en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of

Frankrijk heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen

van misdrijven, te weten het invoeren en/of uitvoeren en/of bereiden en/of

bewerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van

verdovende middelen, te weten hash en/of weed en/of hennep en/of cannabis,

althans een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen andere substanties

zijn toegevoegd en/of cocaïne en/of heroïne (diamorfine) en/of een hoeveelheid

van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA

(MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine en/of het witwassen van één of

meerdere geldbedrag(en);

(Zaak B00)

Feit 2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1997

tot en met 20 april 1999 te Waalwijk en/of Oosterhout, in elk geval in

Nederland en/of te Hull en/of te Bexhill, in elk geval in Engeland tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens)

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in

artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 400.000 gram hash en/of weed

en/of hennep en/of cannabis, althans een hoeveelheid van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan

geen andere substanties zijn toegevoegd, althans (telkens) een hoeveelheid van

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(Zaak B01)

Feit 3

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 april 1999

tot en met 31 december 1999 te Waalwijk en/of Oosterhout, in elk geval in

Nederland en/of te Hull en/of te Bexhill, in elk geval in Engeland tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens)

buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in

artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd en/of geteeld en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 400.000 gram hash

en/of weed en/of hennep en/of cannabis, althans een hoeveelheid van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hashish) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, althans (telkens)

een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst

II;

(Zaak B01)

Feit 4

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2001

tot en met 21 september 2001 te Purmerend en/of Waalwijk, althans in Nederland

en/of Abbeville, althans in Frankrijk en/of te Kappellen en/of te Dessel,

althans in België en/of te Malaga, althans in Spanje en/of te

Hellingly/Hailshann, althans in Engeland , tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens) buiten het grondgebied

van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de

Opiumwet) en/of heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of heeft verstrekt

en/of heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 539 kilogram hash

en/of weed en/of hennep, althans (telkens) een hoeveelheid van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hash) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, althans een middel

vermeld op lijst II;

(Zaak B02)

Feit 5

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 tot

en met 30 november 2002 in Baarle Nassau en/of Purmerend en/of Venlo en/of

Oosteind en/of Eindhoven, althans in Nederland en/of in Kapellen en/of in

Dessel en/of Mol en/of Oostende althans in België en/of in Malaga en/of in

Benamaldena en/of in Fuengirola, althans in Spanje en/of in Alcobaca en/of

Lissabon en/of Lagos althans in Portugal en/of in Ramsgate, in althans

Groot-Brittanië en/of in Düsseldorf, althans in Duitsland en/of in Zürich,

althans in Zwitserland tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk (telkens) binnen en/of buiten het grondgebied van

Nederland heeft/hebben gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 4 en/of lid 5) en

heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad hash en/of

weed en/of hennep en/of cannabis, althans (telkens) een hoeveelheid van een gebruikelijk

vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hashish) waaraan geen

andere substanties zijn toegevoegd, althans (telkens) een hoeveelheid van een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, in de hierna te

noemen periode(s) en hoeveelhe(i)d(en):

- 1 mei 2002 tot en met 31 mei 2002 (ongeveer) 950 kilogram en/of

- 1 juni 2002 tot en met 30 november 2002 (ongeveer) 1800 kilogram en/of

- 1 april 2002 tot en met 30 november 2002 (ongeveer) 300 kilogram;

(zaak B03)

Feit 6

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2002 t

ot en met 16 maart 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of

Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België en/of

Engeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook

bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft bereid en/of

bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

aanwezig heeft gehad (ongeveer) 35 kilogram en/of 75 kilogram heroïne

(diamorfine) in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

(Zaak B04)

Feit 7

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2003

tot en met 8 juni 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend en/of

Amsterdam en/of Oosterhout, in elk geval in Nederland en/of België en/of

Engeland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook

bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en/of heeft bereid en/of

bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

aanwezig heeft gehad (ongeveer) 35 kilogram en/of 75 kilogram heroïne

(diamorfine) in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne (diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Zaak B04)

Feit 8

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september

2002 tot en met 16 maart 2003 te Waalwijk en/of Zevenhuizen en/of Purmerend

en/of Amsterdam en/of Oosterhout en/of Breda, in elk geval in Nederland en/of Spanje en/of

Engeland en/of België en/of Italië tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet)

en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 500.000

(XTC-)pillen en/of 1 miljoen (XTC-)pillen, althans (telkens) een hoeveelheid

van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA

(MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine in elk geval (telkens) een

hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

(Zaak B05)

Feit 9

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 maart 2003

tot en met 31 december 2003 te Waalwijk en/of Oosterhout en/of Zevenhuizen

en/of Purmerend en/of Amsterdam en/of Breda, in elk geval in Nederland en/of Spanje en/of

Engeland en/of België en/of Italië tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet)

en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of

verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (ongeveer) 500.000

(XTC-)pillen en/of 1 miljoen (XTC-)pillen, althans (telkens) een hoeveelheid

van een materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA

(MDEA) en/of methamfetamine en/of amfetamine, althans (telkens) een

hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(zaak B05)

Feit 10

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november

2002 tot en met 30 november 2002 te Purmerend en/of Oosteind, in elk geval in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (ook bedoeld als

in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) heeft gebracht en/of heeft bereid en/of

bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

aanwezig heeft gehad (ongeveer) 14,5 kilogram heroïne (diamorfine) in elk

geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne

(diamorfine), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een middel vermeld op

de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede

of derde lid van artikel 2 van die wet;

(Zaak B06)

Feit 11

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2001

tot en met 30 juni 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te

Antwerpen, in elk geval België en/of in Venezuela en/of Panama en/of Costa

Rica, in elk geval Zuid-Amerika en/of te Barcelona en/of Valencia en/of

Madrid, in elk geval in Spanje en/of Portugal en/of te Liverpool, in elk geval

Groot-Brittannië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van 5000 kilogram

en/of (telkens) 500 kilogram en/of 50 kilogram, in elk geval één of meer

(handels) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij

behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

te verschaffen en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen

en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s)

wist(en) of ernstig reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het

plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende/zijn/is, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), tezamen

en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk

- één of meerdere contact(en) gelegd met personen ten behoeve van het

verkrijgen van informatie benodigd voor de invoer van voornoemde

handelshoeveelheid cocaïne en/of

- informatie verzameld en/of verstrekt en/of aangeboden ten behoeve van de

invoer van voornoemde handelshoeveelheid cocaïne en/of

- informatie verzameld en verstrekt omtrent de/het container(s) en/of

schip/schepen en/of deklading waarin voornoemde handelshoeveelheid verdovende

middelen werd vervoerd en/of

- één of meer ontmoetingen en/of (e-mail- en/of fax)bericht(en) ontvangen

en/of verstuurd (aan onder meer [bedrijf 1] en/of [betrokkene]) met

betrekking tot het verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of het

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde

(handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of

- één of meer perso(o)n(en) benaderd/aangezocht en/of laten

benaderen/aanzoeken om voornoemde (handels) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne

(verstopt in/op een vrachtwagen en/of een schip en/of container(s)) te

vervoeren naar en/of te vervoeren in Nederland en/of

- 150.000 Euro en/of 25.000 Euro, in elk geval (een) geldbedrag(en)

overgemaakt en/of laten overmaken en/of getoond en/of ter beschikking gesteld

en/of in het vooruitzicht gesteld (onder meer ten behoeve van de financiering

van de aanschaf en/of het vervoer van voornoemde (handels)hoeveelhe(i)d(en)

cocaïne) en/of

- (houten) huizen en/of dakbedekking en/of (zogenaamde) prefab woningen en/of

rollen asfalt en/of asfaltcoating en/of blikken fruit als (een) zogenaamde

proefzending en/of als deklading voor voornoemde (handels) hoeveelhe(i)d(en)

cocaïne aangeschaft en/of besteld en/of gefotografeerd en/of

- één of meerma(a)l(en) naar Panama en/of Equador en/of Venezuela, in elk

geval Zuid-Amerika en/of Groot-Brittannië gegaan en/of (aldaar) verbleven en/of

- één of meerdere bedrijf/bedrijven, (onder andere [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3]),

in Venezuela en/of Mexico en/of Chili (als zogenaamde

dekmantel voor het verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of het

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde

(handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne) overgenomen en/of aangeschaft en/of

opgezet en/of aangekocht en/of ingezet;

(Zaak B07)

Feit 12

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juli 2006

tot en met 8 oktober 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of te

Antwerpen, in elk geval in België en/of in Venezuela en/of Panama en/of Costa

Rica, in elk geval Zuid-Amerika en/of te Barcelona en/of Valencia en/of

Madrid, in elk geval in Spanje en/of in Portugal en/of te Liverpool, in elk

geval Groot-Brittannië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of

verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van 5000 kilogram

en/of (telkens) 500 kilogram en/of 50 kilogram, in elk geval één of meer

(handels) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij

behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen

te verschaffen en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen

en/of

- voorwerpen en/of vervoersmiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij en/of zijn mededader(s)

wist(en) of ernstig reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het

plegen van het hierboven bedoelde feit,

hebbende/zijn/is, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), tezamen

en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk

- één of meerdere contact(en) gelegd met personen ten behoeve van het

verkrijgen van informatie benodigd voor de invoer van voornoemde

handelshoeveelheid cocaïne en/of

- informatie verzameld en/of verstrekt en/of aangeboden ten behoeve van de

invoer van voornoemde handelshoeveelheid cocaïne en/of

- informatie verzameld en verstrekt omtrent de/het container(s) en/of

schip/schepen en/of deklading waarin voornoemde handelshoeveelheid verdovende

middelen werd vervoerd en/of

- één of meer ontmoetingen en/of (e-mail- en/of fax)bericht(en) ontvangen

en/of verstuurd (aan onder meer [bedrijf 1] en/of [betrokkene]) met

betrekking tot het verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of het

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde

(handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of

- één of meer perso(o)n(en) benaderd/aangezocht en/of laten

benaderen/aanzoeken om voornoemde (handels) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne

(verstopt in/op een vrachtwagen en/of een schip en/of container(s)) te

vervoeren naar en/of te vervoeren in Nederland en/of

- 150.000 Euro en/of 25.000 Euro, in elk geval (een) geldbedrag(en)

overgemaakt en/of laten overmaken en/of getoond en/of ter beschikking gesteld

en/of in het vooruitzicht gesteld (onder meer ten behoeve van de financiering

van de aanschaf en/of het vervoer van voornoemde (handels)hoeveelhe(i)d(en)

cocaïne) en/of

- (houten) huizen en/of dakbedekking en/of (zogenaamde) prefab woningen en/of

rollen asfalt en/of asfaltcoating en/of blikken fruit als (een) zogenaamde

proefzending en/of als deklading voor voornoemde (handels) hoeveelhe(i)d(en)

cocaïne aangeschaft en/of besteld en/of gefotografeerd en/of

- één of meerma(a)l(en) naar Panama en/of Equador en/of Venezuela, in elk

geval Zuid-Amerika en/of Groot-Brittannië gegaan en/of (aldaar) verbleven en/of

- één of meerdere bedrijf/bedrijven, (onder andere [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3]),

in Venezuela en/of Mexico en/of Chili (als zogenaamde

dekmantel voor het verkopen en/of afleveren en/of vervoeren en/of het

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van voornoemde

(handels)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne) overgenomen en/of aangeschaft en/of

opgezet en/of aangekocht en/of ingezet;

(Zaak B07)

Feit 13

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 november

2002 tot en met 19 juli 2005 te Purmerend, althans in Nederland en/of in

Londen en/of Liverpool en/of Manchester, althans in Groot-Brittannië, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van

witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers heeft/hebben hij toen en

daar (telkens) (krachtens die gewoonte), meermalen, althans eenmaal (van) een

grote hoeveelheid geld, althans enig(e) geldbedrag(en), (totale waarde

ongeveer) 21.000.000 Britse pond en/of 4.000.000 Britse ponden en/of 100.000

euro, althans enig(e) geldbedrag(en)

* de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans

van enig(e) geldbedrag(en) en/of voornoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden

heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en)

dat het/de bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in

elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

en/of

* verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of hebben/heeft

omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het

verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van

bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en)

dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval

afkomstig was/waren van enig misdrijf;

(Zaak B08)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 november

2002 tot en met 19 juli 2005 te Purmerend, althans in Nederland en/of in

Londen en/of Liverpool en/of Manchester, althans in Groot-Brittannië, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een grote

hoeveelheid geld, althans enig(e) geldbedrag(en), (totale waarde ongeveer)

21.000.000 Britse pond en/of 4.000.000 Britse ponden en/of 100.000 euro,

althans enig(e) geldbedrag(en),

* de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing hebben/heeft verborgen en/of verhuld en/of

verborgen en/of verhuld hebben/heeft wie de rechthebbende(n) was/waren van

genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden

heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en),

althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat geld - onmiddellijk

of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in

verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

en/of

* verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of hebben/heeft

omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het

verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van

bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en),

althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e)

geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de

opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig

was/waren van enig misdrijf;

(Zaak B08)

Feit 14

hij op of omstreeks 19 juli 2005 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met

(een) ander(en), althans alleen,

* munitie in de zin van artikel 1 lid 1 onder 4, gelet op artikel 2 categorie

II van de Wet wapens en munitie, te weten:

- 135 volmantelpatronen, kaliber 9 mililmeter van de merken Sellier & Bellot,

Geco, Lupa, GFL en HP en/of

- 10 volmantelpatronen, kaliber 9 millimeter van het merk Sellier & Bellot

en/of

- 93 volmantelpatronen, kaliber 9 millimeter van het merk Sellier & Bellot,

type Browning court en/of

- 40 deelmantel softpoint revolverpatronen van het merk Fiocchi, kaliber 357

magnum en/of

* munitie in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 categore

III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten (een) onderde(e)l(en) van

een vuurwapen te weten een Colt van het type AR 15 of een soortgelijk type,

namelijk:

- een afsluitergroep en/of

- een trekker en/of

- een vuurregelaar en/of

- een mondingstop/vlamdemper in plastic omhulsel en/of

- telescoopvizier merk Hunter, vergroting 6x40 serienummer A104964 en/of

- patroonhouders voor patronen van het kaliber .223/5.56 milimeter en/of

* een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie I onder 3 van de Wet

wapens en munitie, te weten,

- een geluiddemper kleur zwart lengte ongeveer 17,5 centimeter

- een geluiddemper kleur zwart lengte ongeveer 29 centimeter en/of

* munitie in de zin van artikel 1 lid 1 onder 4, gelet op artikel 2, categorie

III, te weten,

- drie volmantelpatronen van het kaliber .223

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(Zaak B09)

Feit 15

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 1998 tot

en met 31 juli 2005 te Purmerend en/of Rotterdam en/of Barendrecht, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, een arbeidsovereenkomst d.d. 1 mei 1998 en/of één of meer

Arbeidsbesluit(en) en/of loonspecificatie(s) over de periode van januari 1999

tot en met juli 2005 tussen hem, verdachte, en [werkgever] - zijnde

telkens (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig

feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken

of vervalst en/of doen vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- in strijd met de waarheid in voornoemde arbeidsovereenkomst opgenomen dat

verdachte op 1 mei 1998 in dienst treedt van de werkgever [werkgever] in de functie van

vertegenwoordiger en/of een salaris ontvangt van

2335,60 gulden (bruto) per maand en/of dat zijn, verdachtes, werkweek bestaat

uit 32 uren en/of

- in strijd met de waarheid in voornoemd(e) Arbeidsbesluit(en) en/of

loonspecificatie(s) opgenomen dat verdachte in de periode van 1 mei 1998 tot

en met 31 juli 2005 als vertegenwoordiger werkzaam is voor [werkgever] en/of dat hij,

verdachte, een salaris van 13 Euro (netto) per maand tot

en met 3217 Euro (netto) per maand ontvangt en/of

- (vervolgens) voornoemd(e) formulier(en) ondertekend,

met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 1998

tot en met 31 juli 2005 te Purmerend en/of Rotterdam en/of Barendrecht, in

elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik

heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) arbeidsovereenkomst d.d. 1 mei

1998 en/of een of meer Arbeidsbesluit(en) en/of loonspecificatie(s) over de

periode van januari 1999 tot en met juli 2005 tussen hem, verdachte, en [werkgever],

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van

enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en

onvervalst, althans voornoemde arbeidsovereenkomst en/of een of meer

Arbeidsbesluit(en) en/of loonspecificatie(s) opzettelijk voorhanden heeft

gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik

als ware het/zij echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- voornoemde geschriften (telkens) aan (onder andere) de Belastingdienst en/of [werkgever]

heeft/hebben overlegd en/of verstrekt en/of ter beschikking gesteld en/of in de administratie van

[werkgever] heeft/hebben opgenomen en/of

bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat hij, verdachte en/of zijn

mededader(s)

- in strijd met de waarheid in voornoemde arbeidsovereenkomst heeft/hebben

opgenomen dat verdachte op 1 mei 1998 in dienst treedt van de werkgever [werkgever]

in de functie van vertegenwoordiger en/of een salaris

ontvangt van 2335,60 gulden (bruto) per maand en/of dat zijn, verdachtes,

werkweek bestaat uit 32 uren en/of

- in strijd met de waarheid in voornoemd(e) Arbeidsbesluit(en) en/of

loonspecificatie(s) heeft/hebben opgenomen dat verdachte in de periode van 1

mei 1998 tot en met 31 juli 2005 als vertegenwoordiger werkzaam is voor [werkgever] en/of

dat hij, verdachte, een salaris van 13 Euro (netto) per

maand tot en met 3217 Euro (netto) per maand ontvangt en/of

- (vervolgens) voornoemd(e) formulier(en) heeft/hebben ondertekend;

(Zaak B10)

Feit 16

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot

en met 10 juni 2004 te Aalsmeer en/of Rotterdam en/of Kamerik, althans in

Nederland en/of Orleans, althans in Frankrijk en/of Portugal, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens) buiten het

grondgebied van Nederland (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet)

heeft gebracht (ongeveer) 2867 kilogram hash en/of

weed en/of hennep, althans (telkens) een hoeveelheid van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hash) waaraan

geen andere substanties zijn toegevoegd, althans een middel vermeld op lijst

II dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a;

(Zaak B11)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 10 juni 2004 te Aalsmeer en/of Rotterdam en/of Kamerik, althans in Nederland en/of Orleans, althans in Frankrijk en/of Portugal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van zijn/hun voorgenomen misdrijf om opzettelijk (telkens) binnen het grondgebied van Nederland (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) te brengen (ongeveer) 2867 kilogram hash en/of weed en/of hennep, althans (telkens) een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hash), waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, althans een middel vermeld op lijst II dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk

- één of meer (telefoon)gesprek(ken) (al dan niet in versluierd taalgebruik en/of gecodeerd) heeft/hebben gevoerd en/of één of meerma(a)l(en) heeft/hebben gecommuniceerd middels een zogenaamde callmaxer met betrekking tot het verkopen en/of afleveren en/of vervoeren van en/of het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of

- een vrachtwagen heeft/hebben gehuurd en/of verhuurd en/of laten huren en/of (vervolgens)

- (een) chauffeur(s) heeft/hebben benaderd en/of

- bloemen en/of één of meer pallet(s) met plastic emmer(s), in elk geval één of meer goed(eren) als deklading heeft/hebben aangeschaft en/of vervoerd en/of geladen in/op voornoemde vrachtwagen en/of (vervolgens)

- naar Portugal is/zijn gereden en/of (aldaar) 2867 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hash en/of weed en/of hennep heeft/hebben geladen en/of verstopt tussen voornoemde deklading in/op voornoemde vrachtwagen en/of (vervolgens)

- met voornoemde lading in/op voornoemde vrachtwagen vanuit Portugal in de richting van Nederland is/zijn gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaak B11)

Meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2004 tot en met 10 juni 2004 te Aalsmeer en/of Rotterdam en/of Kamerik, althans in Nederland en/of Orleans, althans in Frankrijk en/of Portugal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 2867 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer 30 gram hash en/of weed en/of hennep, althans een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hash), waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, althans een middel vermeld op lijst II dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, opzettelijk.

(Zaak B11)

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding.

Door de raadslieden is betoogd dat de dagvaarding, wegens innerlijke tegenstrijdigheid, nietig is in alle feitsomschrijvingen waarin verdachte wordt verweten dat hij verdovende middelen heeft uitgevoerd of ingevoerd en daarbij “ook” heeft ingevoerd of uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 5, respectievelijk in lid 4, Opiumwet.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande dat het verweer berust op een verkeerde lezing van de betreffende tenlastegelegde feiten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding ook overigens geldig is.

2.2. Bevoegdheid van de rechtbank.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Door de raadslieden is betoogd dat het openbaar ministerie in de feiten 1, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 niet ontvankelijk verklaard behoort te worden. Het betreft hier alle feiten waarbij in de zaaksdossiers van de boekhouding van [getuige 1] gebruik gemaakt wordt dan wel daarnaar wordt verwezen.

Door de raadslieden wordt gesteld dat het openbaar ministerie zich niets heeft aangetrokken van de beslissing van het gerechtshof te Amsterdam met betrekking tot de onder [verdachte] in beslag genomen goederen. Zij stellen dat het openbaar ministerie de onder [verdachte] in beslag genomen koffer onrechtmatig onder zich heeft gehouden. Subsidiair wordt bewijsuitsluiting bepleit.

Anders dan de raadslieden hebben bepleit, heeft het gerechtshof geen beslissing genomen met betrekking tot de inbeslaggenomen koffer nu deze niet op de lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen stond.

Om teruggave is nimmer verzocht. De koffer is in deze zaak opnieuw in beslag genomen op last van de officier van justitie in het kader van de waarheidsvinding.

Op geen enkele wijze is gebleken dat het openbaar ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte afbreuk heeft gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces in deze zaak. Ook voor bewijsuitsluiting ziet de rechtbank, gezien eerder genoemde omstandigheden, geen aanleiding.

De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging.

2.4. Schorsing van de vervolging.

De rechtbank is van oordeel dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde feit 4 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak voor de invoer van hasj in Nederland en voor de overige handelingen in feit 4 tot niet-ontvankelijkheid wegens verjaring.

Ten aanzien van de onder 1. tenlastegelegde feiten 6, 11, 12 en 16 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1. tenlastegelegde feiten 2, 3, 5, 7, 8, 9, 10, 13, 14 en 15 en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren.

4. Bewijs

4.1 Vrijspraken

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 (B02), 7, 8, 9 (B05), 10 (B06), 11, 12 (B07),14 (B09) en 16 (B11) ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 4 (B02), 11, 12 (B07) en 16(B11) tenlastegelegde als volgt. In de zaaksdossiers B02, B07 en B11 worden er verklaringen afgelegd waarin de verdachte genoemd wordt. De afgelegde (de auditu-)verklaringen zijn echter onvoldoende substantieel en te weinig specifiek om te komen tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 14 (B09) tenlastegelegde als volgt. Op basis van observaties uit het onderzoek Enclave komt naar voren dat de verdachte weleens gebruik maakt van de woning aan de [adres 1] te Amsterdam. Uit het dossier blijkt dat de portiek van dit adres toegang geeft tot twee etages, te weten 10-I en 10-III. Uit het onderzoek is vast komen te staan dat naast [verdachte] anderen gebruik maken van de woning en dat er nogal wat mensen de sleutel hebben van de woning.

Bij [verdachte] is een sleutel aangetroffen van de [adres 1].

Op 10-I worden tijdens een doorzoeking goederen aangetroffen die worden toegeschreven aan de verdachte. Op een van de goederen, een stuk papier, wordt de vingerafdruk van [verdachte] aangetroffen. Op de etage 10-III worden goederen aangetroffen waarmee een link is te leggen naar etage 10-I zoals een losgeknipte sticker behorend bij een op 10-I aangetroffen prepaid pakket. Op de etage 10-III wordt eveneens aangetroffen een zwarte tas met daarin onderdelen van wapens en munitie.

Naar oordeel van de rechtbank staat onvoldoende vast dat uit het bovenstaande voortvloeit dat de verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met anderen de munitie en de wapenonderdelen voorhanden heeft gehad. Derhalve wordt de verdachte van dit tenlastegelegde feit vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 6 (B04) acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat er heroïne naar België c.q. Engeland is uitgevoerd, nu [getuige 2] hierover slechts verklaard heeft dat hij dit van [getuige 1] wist en hiervoor verdere bewijsmiddelen ontbreken. De rechtbank zal dan ook vrijspreken van het buiten Nederland brengen van de heroïne.

De rechtbank acht voorts onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig voor het ten laste gelegde transport van 35 kilogram heroïne. Weliswaar lijkt in de onder [getuige 1] aangetroffen administratie alsmede in de onder [verdachte] aangetroffen bescheiden een dergelijk transport in april 2003 te worden verantwoord, maar nu verdere bewijsmiddelen ten aanzien van een concreet transport ontbreken en [getuige 2] heeft verklaard van dit transport niets te weten , zal de rechtbank van dit onderdeel vrijspreken.

4.2 Formaliteiten met betrekking tot het bewijs

• De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

• Schriftelijke stukken worden slechts gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen.

• De rechtbank heeft bij de beoordeling van de zaak alle verhoren afgelegd bij de rechter-commissaris betrokken nu deze door de officier van justitie zijn toegevoegd aan het dossier Zuil en in afschrift verstrekt aan alle raadslieden.

• De rechtbank bespreekt de betrokkenheid van de verdachte bij het/de hem tenlastegelegde zaaksdossier(s) per zaaksdossier overeenkomstig de nummering van de zaaksdossiers door de Nationale Recherche.

• Zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen gaat de rechtbank niet over tot bewijsuitsluiting zoals namens verdachte is bepleit.

4.3 Aanleiding onderzoek Zuil

In 2004 is een onderzoek opgestart naar mogelijke afpersing van de vastgoedhandelaar [vastgoedhandelaar]. Dit onderzoek heeft de naam “Kolbak” gekregen. Tijdens dit onderzoek kwam naar voren dat een man genaamd [verdachte] mogelijk een rol had gespeeld bij de afpersing van [vastgoedhandelaar]. In juni 2005 deelt personeel van de Criminele Inlichtingen Eenheid aan een van de verbalisanten in voornoemd onderzoek mee dat de naam van [verdachte] ook voorkomt in verklaringen die zijn afgelegd in een Duits onderzoek. In dit onderzoek legt een verdachte, genaamd [getuige 2], uitvoerige verklaringen af.

Bij navraag bij de Duitse autoriteiten bleek het te gaan om een onderzoek naar verdovende middelen onder de onderzoeksnaam “Rampe” . In deze zaak heeft [getuige 2] belastende verklaringen afgelegd tegen [verdachte], [getuige 1] en vele andere personen met betrekking tot talrijke drugstransporten. Door middel van een rechtshulpverzoek is vanuit het onderzoek Kolbak alle Duitse onderzoeksinformatie betreffende [getuige 2], [getuige 1] en [verdachte] opgevraagd. Naar aanleiding van dit rechtshulpverzoek zijn relevante stukken verkregen.

Uit het Duitse onderzoek “Rampe” bleek van andere buitenlandse strafrechtelijke onderzoeken zoals het Belgische onderzoek “Telex” , een Frans onderzoek naar de inbeslagname van 539 kilo hasj op 21 september 2001 in Abbeville , een Engels onderzoek uit 2003 naar witwassen door [getuige 1] en een Frans onderzoek naar de inbeslagname van 2867 kilo hasj op 10 juni 2004 te Orléans . Ook van deze dossiers werden met behulp van een rechtshulpverzoek relevante stukken verkregen. Voornamelijk op basis van het materiaal dat uit de buitenlandse onderzoeken naar voren kwam, is een lijst van verdachten samengesteld in verband met de verdenking van feiten die in, of vanuit Nederland zijn gepleegd. Het onderzoek dat naar aanleiding van deze feiten werd opgestart kreeg de naam “Zuil”, verwijzend naar keramieken zuilen waarin verdovende middelen zouden zijn gesmokkeld. Aan het materiaal dat zich reeds in dit dossier bevond werden ook onderzoeksresultaten van Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken toegevoegd. Het betreft de onderzoeken “Speed” , “Microbe” , “Enclave” , “Leeuw/Leeuwin” , “Torero” , “Liquidatie Kassrioui” en “KTZ30” .

De Nationale Recherche heeft naar aanleiding van hun bevindingen in deze onderzoeken 12 zaaksdossiers gemaakt, genummerd B00 tot en met B11.

Deze nummering komt ook terug in de dagvaarding. Na de tenlastelegging van enig strafbaar feit volgt een verwijzing naar het betreffende zaaksdossier.

4.4 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van zaaksdossier feit 1 (zaaksdossier B00) :

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte in de periode van 23 december

1996 tot en met 28 juli 2008 van deel uitgemaakt van een organisatie die het oogmerk had tot het plegen van misdrijven te weten de grootschalige internationale handel in soft - en harddrugs alsmede het witwassen van geld.

Naar het oordeel van de rechtbank dient onder witwassen het uitvoeren van transacties of andere handelingen om de herkomst van illegaal verkregen geldsommen te verbergen te worden verstaan. Dit was ook al vóór de zelfstandige strafbaarstelling van witwassen in 2001 een strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van witwassen nu er in deze organisatie grote bedragen contant geld zijn omgegaan in verschillende valuta . Deze bedragen moesten van het ene land naar het andere worden vervoerd en worden omgewisseld . Het geld is verdiend met de handel in drugs . Het geld werd veelal in koffers of sporttassen getransporteerd, maar ook in plastic zakken en kartonnen dozen. Met dit criminele geld werden in de onderwereld nieuwe transporten gefinancierd, maar werd ook vastgoed aangeschaft .

Ten behoeve van het transporteren van de drugs (en het witwassen van de daaruit verkregen gelden) heeft de organisatie bedrijven opgericht of gekocht , transportmiddelen aangekocht, gehuurd en omgebouwd en loodsen en fabrieken in binnen- en buitenland gehuurd of gekocht. De organisatie maakte onder andere gebruik van niet ingewijde transportbedrijven waardoor soms onwetende chauffeurs ingeschakeld werden en gedetineerd raakten .

Voor het verhullen van de drugstransporten werden – al dan niet waardeloze - dekladingen gekocht en de verdovende middelen werden in deze ladingen verstopt .

De samenstelling van deze organisatie en de rol van de deelnemers aan deze organisatie is niet steeds constant geweest, soms alleen al door detentie van een of meer van de deelnemers. Andere oorzaken voor wijzigingen waren het overgegaan van softdrugs naar harddrugs omdat daarmee in de loop van de tijd meer mee te verdienen viel en onderlinge ruzies.

Ook kenden niet alle deelnemers aan de organisatie alle andere deelnemers maar slechts een deel daarvan. Niet iedereen mocht bij besprekingen aanwezig zijn en niet iedereen mocht elkaar kennen. Sommigen werden geacht op de achterhand anderen te controleren waarbij het juist niet de bedoeling was dat de een wist dat hij door de ander gecontroleerd en gekend werd.

Maar voor alle deelnemers geldt dat zij binnen de tenlastegelegde periode deel hebben uitgemaakt van een organisatie waarvan zij wisten dat die strafbare feiten pleegde of wilde gaan plegen.

Deze organisatie bestond onder andere uit [verdachte], [getuige 2], [getuigen 3 en 4] en [getuige 1]. [getuige 2], vader en zoon [getuigen 3 en 4] hebben hieromtrent uitgebreid verklaard .

De rechtbank acht de door hen in het buitenland afgelegde verklaringen bruikbaar voor het bewijs en hecht aan deze verklaringen meer waarde dan aan de verklaringen die bij de rechter-commissaris zijn afgelegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

Vooropgesteld dient te worden dat de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van [getuige 2] aan hoge eisen moet voldoen. [getuige 2] is binnen het onderzoek Rampe en het onderzoek Zuil vele malen gehoord. De rechtbank heeft de verklaringen van [getuige 2] zeer kritisch bekeken en vastgesteld dat hij inhoudelijk gedetailleerd verklaart en dat de gebeurtenissen die hij in zijn verklaringen noemt over het algemeen chronologisch correct zijn.

De inhoud van deze verklaringen komt daarbij in grote lijnen, maar ook op specifieke details, overeen met de verklaringen van [getuigen 3 en 4] en de gegevens die staan opgenomen in de in beslag genomen administratie van [getuige 1].

Zowel de verklaringen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], als de inhoud van de administratie van [getuige 1] vinden steun in andere bewijsmiddelen, zoals verklaringen van andere getuigen, opgevraagde huurcontracten van bij de smokkel gebruikte voertuigen, opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en eerdere inbeslagnames.

Hieruit valt af te leiden dat de verklaringen van [getuige 2] keer op keer zeer betrouwbaar zijn.

De rechtbank hecht daarbij vooral veel waarde aan de door [getuige 2] afgelegde verklaringen in het onderzoek Rampe. Ten tijde van deze verhoren was het voor [getuige 2] minder lastig om zich de gebeurtenissen te herinneren en werd zijn geheugen minder beïnvloed door tijdverloop.

Bovendien is op geen enkele manier gebleken van feiten en omstandigheden waaruit naar voren komt dat [getuige 2] om persoonlijke redenen aanleiding had om in strijd met de waarheid voor anderen belastende verklaringen af te leggen.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [getuige 2] over het algemeen voldoende geloofwaardig en betrouwbaar zijn en mee kunnen werken aan het bewijs van het tenlastegelegde.

Ten aanzien van de verklaringen afgelegd door [getuigen 3 en 4] overweegt de rechtbank het volgende. Bij de rechter-commissaris hebben zij verklaard dat de verklaringen zoals zij die bij de politie hebben afgelegd hen grotendeels in de mond gelegd zijn door de verhorende ambtenaren en dat zij, om er van af te zijn en in de hoop sneller naar Nederland te kunnen, beaamd hebben hetgeen door de verhorende ambtenaren werd gesuggereerd.

De rechtbank acht een dergelijke gang van zaken niet geloofwaardig. Ook de verklaringen van vader en zoon [getuigen 3 en 4] zijn uitgebreid en zeer gedetailleerd. Voorts geven zij bij de rechter-commissaris aan dat de verklaringen die zij hebben afgelegd juist waren, zij die hebben doorgelezen en niet zomaar getekend hebben en dat de strekking van die verklaring nog altijd juist is.

Met betrekking tot de hiervoor genoemde bij [getuige 1] in beslag genomen administratie, stelt de rechtbank op grond van het volgende vast dat het hier gaat om een verdovende middelenadministratie van een criminele organisatie en dat deze administratie is opgesteld ten behoeve van de - eveneens daar in opgenomen - [verdachte].

Zij neemt daartoe het volgende in overweging.

Op 11 december 2003 is [getuige 1] door de Engelse autoriteiten in Londen aangehouden op verdenking van witwassen. In de zaak die aanleiding vormde voor zijn aanhouding zijn op diezelfde dag een laptop en een palmtop in beslag genomen in een hotelkamer die gehuurd werd door de echtgenote van [getuige 1] . Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek zijn onder meer een kopie van de inhoud van deze laptop en palmtop aan de Nederlandse autoriteiten overhandigd . De inhoud van deze palmtop en laptop omvat diverse bestanden, waaronder een agenda onder de titel “Calendar for [getuige 1]”, een telefoonlijst onder de titel “Contacts for [getuige 1]”, diverse notities onder de titel “Memos for [getuige 1]”, diverse foto’s en een boekhouding .

In deze boekhouding worden bedragen in combinatie met termen als soaps, skunk, buttons, brandy, sugar en spijkers regelmatig genoemd.

Volgens [getuige 2] wordt in dit kader met de term soaps, hasj bedoeld, skunk staat voor marihuana, met buttons wordt XTC bedoeld en met suiker, cocaïne . Hij meent zich tevens te herinneren dat [getuige 1] hem ooit heeft verteld dat “spijkers”, XTC-pillen zijn . Ook [getuige 5] verklaart dat hij het begrip “buttons” kent in samenhang met synthetische drugs .

[getuige 3] verklaart dat hij de gegevens uit de betreffende boekhouding niet anders kan zien dan als een drugsadministratie die werd bijgehouden als geheugensteun voor [getuige 1] of als verantwoording ten opzichte van [verdachte] . Hij maakt daarbij de aantekening dat wanneer de administratie alleen een geheugensteun voor [getuige 1] zou zijn, de administratie de gehele waarheid zou moeten bevatten, hetgeen naar zijn mening niet het geval is.

[getuige 3] kan bij het voorhouden van enkele bestanden ook daadwerkelijk enkele gegevens tot smokkelreizen herleiden .

Ook bevestigt hij dat het kan kloppen dat met de letter D die in de laptop staat genoemd, [verdachte] bedoeld is geweest en dat hij ervan uit gaat dat met Ma en Se in de bestanden van de laptop [getuigen 3 en 4] werden bedoeld .

Ook [getuige 2] heeft, toen hij werd geconfronteerd met het “kas.xls bestand” (de rechtbank begrijpt AE-1-2011), verklaard, dat de aantekening “D” staat voor [verdachte] .

Met betrekking tot het argument van de verdediging dat met D bijvoorbeeld ook Duitsland bedoeld kan zijn, zoals [getuige 2] heeft verklaard ten aanzien van de aanduiding uit het Kas A xls bestand (bij 08.01) “ - voor D”, overweegt de rechtbank het volgende.

Dit kan in dit specifieke geval zo zijn, maar voor het overige heeft [getuige 2] verklaard dat D voor [verdachte] staat.

De aanhef van het bestand Kas verwijst naar het oordeel van de rechtbank duidelijk naar personen, nu daar behalve “D” alleen (afkortingen van) namen staan zoals Ma, Ar, Ser, [S+B], [E+R], [getuige 2] etc. .

Het bestand “agenda” of “date.pst” in deze boekhouding, waarin kennelijk afspraken zijn vastgelegd, bestrijkt de periode van 5 oktober 2002 tot en met 30 december 2003 . In deze agenda wordt over de gehele periode veelvuldig D of “D” genoemd, echter niet meer na 23 juni 2003. Dit loopt synchroon met de aanhouding en detentie van [verdachte] die duurde van 2 juli 2003 tot 12 december 2003 .

Daarnaast is bij de aanhouding van [verdachte] op 2 juli 2003 in de auto waarin hij zich bevond, een koffer aangetroffen . Deze koffer bevatte bescheiden die te herleiden zijn tot [verdachte], zoals bankafschriften, een GBA-uittreksel, een aangifteformulier van de belastingdienst en salarisspecificaties, alle op zijn naam . In deze koffer bevonden zich ook zes (nagenoeg) exacte kopieën, al dan niet voorzien van aantekeningen, van spreadsheets uit het bestand “NL” zoals dat is aangetroffen in de laptop van [getuige 1] .

Voorts bevindt zich in de bij [getuige 1] aangetroffen handgeschreven agenda bij de datum

14-03-2005 de volgende aanduiding: [nummer]”D” (66) sms gestuurd .

Dit nummer is het nummer van een callmaxer die op 19 juli 2005 wordt aangetroffen in de woning aan de [adres 3] te Purmerend, een bekend verblijfadres van [verdachte] en het adres waar zijn toenmalige vriendin [vrouw] woonde .

Diverse (mede)verdachten hebben ook verklaard dat de organisatie gebruik maakte van callmaxers en semafoons of dat [verdachte] alleen te bereiken was via een callmaxer of semafoon . Bij de doorzoeking van de BMW op 3 juli 2003 werd eveneens een callmaxer aangetroffen en het nummer van deze callmaxer, [nummer], werd weer aangetroffen in de laptop van [getuige 1] in het bestand “contacts for [getuige 1]” achter “D Amsterdam” .

Ook staan in het bestand “agenda” of “date.pst” uit de laptop van [getuige 1] bij veel aanduidingen met D aanduidingen als “Breuk.”, “Mercure”, “Sheraton”. Diverse (mede)verdachten hebben verklaard dat de ontmoetingen met [verdachte] meestal bij een wegrestaurant of hotel plaatsvonden en talrijk zijn de verklaringen in het dossier over ontmoetingen van en met medeverdachten bij hotels en wegrestaurants .

Ook overigens hebben diverse (mede)verdachten verklaard dat er binnen de drugsorganisatie met codes en afkortingen werd gewerkt . Dit betrof dan codes voor locaties, personen, boodschappen en verdovende middelen . Uit sommige aanduidingen blijkt op zichzelf al dat het om codes gaat, bijvoorbeeld “code adres D”, vermeld in de laptop van [getuige 1] onder bestand “memo.pad” .

In de telefoonlijst onder de titel “Contacts for [getuige 1]” staan onder meer als contactpersonen genoemd [getuige 8], [medeverdachte 6], [medeverdachte 2], [getuigen 3 en 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 3], D Amsterdam, Gb ophaal D. [medeverdachte 4] en [getuige 2] . Deze namen worden als voor- of achternaam genoemd in de telefoonlijst die in de palmtop is aangetroffen alsmede in de boekhouding in combinatie met bedragen en de eerder aangehaalde terminologie voor verdovende middelen .

Hoewel er slechts partijen met hasj en XTC door de politie zijn onderschept, is de rechtbank van oordeel dat in alle gevallen waarin kennelijk gehandeld werd in hasj, weed, heroïne, cocaïne of XTC dit ook daadwerkelijk middelen of substanties betroffen die onder de Opiumwet vallen en dat geen sprake kan zijn van daarop gelijkende middelen. Binnen deze organisatie werd gehandeld in groothandelshoeveelheden verdovende middelen. Voor met name het vervoer van deze hoeveelheden werden aanzienlijke bedragen betaald. Het is volstrekt onaannemelijk dat dergelijke bedragen betaald werden voor het vervoer, wanneer er geen grote risico’s verbonden zouden zijn aan dit vervoer. Deze risico’s liggen dan met name op het gebied van de strafwaardigheid van het vervoeren van deze middelen. Uit verklaringen van medeverdachten en uit de administratie van [getuige 1] blijkt dat met de verkoop van de verdovende middelen veel geld is verdiend en dat er sprake was van een continuïteit onder de afnemers. Wanneer het geleverde niet zou voldoen aan de verwachtingen van de koper, zouden deze de verdovende middelen niet bij voortduring afnemen van deze organisatie. Duidelijk is geworden dat er regelmatig ruzie was tussen de deelnemers aan de organisatie. Er is niet gebleken dat deze ooit betrekking hebben gehad op leveringen van nepdrugs.

De rechtbank is voorts van oordeel dat in alle gevallen bewezen kan worden dat het de specifieke soort drug betreft zoals in de tenlastelegging opgenomen. Uit diverse verklaringen blijkt immers dat de verdachten zich zeer bewust waren van de soort drugs die ze smokkelden en zich ook bewust met bepaalde drugs al dan niet inlieten . Ook hebben diverse verdachten antecedenten in de Opiumwet of zijn zelf verslaafd geweest. [medeverdachte 5] heeft zich bezig gehouden met handel in XTC toen dit nog niet verboden was . Er werd ook drugs op kwaliteit getest of geklaagd als de kwaliteit niet goed was . Ook uit de boekhouding, aangetroffen in de laptop van [getuige 1], blijkt dat de verdachten precies wisten met welke drug ze te maken hadden. Onder diverse codenamen werd nauwkeurig onderscheid gemaakt tussen diverse drugs en aan verschillende verdovende middelen hingen verschillende prijskaartjes .

Niet alleen politie en justitie, maar met name ook de leden van de criminele organisatie zélf benoemen hun werkverband als groep , organisatie of georganiseerde internationale criminaliteit .

Door verschillende leden van de criminele organisatie is aangegeven dat er een hiërarchische structuur bestond . Er zou sprake zijn geweest van een machtspiramide.

Naar het oordeel van de rechtbank was de criminele organisatie te zien als een professioneel bedrijf. Nieuwe medewerkers werden ingewerkt en werden ingewijd in de beste manieren om verdovende middelen te verstoppen tussen legale goederen . Er werd gewerkt met proefzendingen. Er werd geanticipeerd op mogelijke controlewijzen van de douane. Er werd gesproken over logistieke centra . Er was een vast systeem van het overdragen van auto’s waarin verdovende middelen werden vervoerd.

Ondergeschikten werden aangesproken op tekortkomingen en daaruit voortvloeiende verliezen van transporten en daarvoor financieel aansprakelijk gesteld .

Was een verlies van een transport niet verwijtbaar, dan werden er geen interne sancties toegepast. De beloning voor het transport werd in een dergelijk geval niet betaald, maar er hoefde dan ook geen schadeloosstelling aan de organisatie te volgen . Bij [verdachte] zijn processen-verbaal, delen van procesdossiers en processtukken in zijn auto aangetroffen en ook medeverdachten verklaren hierover .

Verdachten hadden een intern communicatiesysteem en gebruikten semafoons , callmaxers , codes en bezigden versluierd taalgebruik . Ook wisselden zij regelmatig van telefoon en van simkaart. [verdachte] gebruikte in het geheel geen telefoon . Verdachten kenden elkaar alleen bij voornaam . Er werd gebruik gemaakt van valse reispapieren . Dit alles naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan met de bedoeling uit handen van justitie te blijven.

Verschillende deelnemers van de organisatie maken voorts melding van betrokkenheid van politiemensen en van hoge regeringsambtenaren.

Binnen de organisatie was sprake van solidariteit. Wanneer een van de leden van de organisatie werd aangehouden kon hij rekenen op juridische ondersteuning dan wel financiële ondersteuning .

Echter binnen de organisatie was ook sprake van intimidatie , onder meer door het dragen en tonen van vuurwapens en het dreigen met vuurwapens en de aanwezigheid van bodyguards . Er heerste een angstcultuur met een altijd aanwezig dreiging van geweld .

Uit de organisatie stappen is niet zonder meer mogelijk .

De rol van [verdachte] is op grond van de door medeverdachten in deze zaak afgelegde verklaringen alsmede door de drugsadministratie die zowel bij [getuige 1] als bij hem is aangetroffen, te zien als hoofd van de criminele organisatie .

[verdachte] is volgens [getuige 3] en [getuige 2] al vanaf 1997, ten tijde van de Estlandtransporten, betrokken bij de organisatie en wel in de rol van organisator en leverancier van grote hoeveelheden drugs. Hierbij was de met de drugs te behalen winst leidend. Op het moment dat de opbrengsten van hasjtransporten teruglopen, wordt naadloos overgegaan op XTC, heroïne en cocaïne.

De betrokkenheid van [verdachte] bij de export van heroïne wordt hieronder bij de behandeling van zaaksdossier B04 (feiten 6 en 7) uitgewerkt.

Hoewel [verdachte] wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer van cocaïne via [bedrijf 3] en [bedrijf 2] (B07, feiten 11 en 12)), is volgens de rechtbank wel duidelijk geworden dat [verdachte] zich in de tenlastelegde periode samen met [getuige 1] bezig heeft gehouden met voorbereidingen tot de invoer van grote partijen cocaïne vanuit Zuid-Amerika via Spanje naar (vooral) Nederland en Engeland. .Dit blijkt uit de verklaringen van [getuige 3], [getuige 2] en vaarschema’s die bij [verdachte] zijn aangetroffen, alsmede een schriftelijke stuk waarin staat dat er eerst “een schone” opgestuurd zou moeten worden . Voorts worden bij [getuige 1] toen deze werd aangehouden na zijn reis van Panama naar Duitsland bescheiden aangetroffen waaronder foto’s van blikken fruit die gebruikt zouden kunnen worden als deklading.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 (zaaksdossier B01):

In de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1999 zijn grote hoeveelheden hasj door middel van verschillende transporten vanuit Nederland naar Engeland vervoerd.

[getuige 3] en zijn zoon [getuige 4] waren hierbij nauw betrokken en hebben uitgebreide verklaringen hierover afgelegd. Voor deze transporten was door hen, in nauw overleg met [getuige 1], op 22 oktober 1997 [bedrijf 4] te Waalwijk als dekmantel gekocht . Vanaf de loods van dit bedrijf in Waalwijk gaan vanaf 1997 tussen de acht tot elf hasjtransporten naar Hull in Engeland. De hasj werd in legale lading verpakt en door een neutraal expeditiebedrijf naar Engeland getransporteerd . [getuige 3] en [getuige 4] verklaren in dit kader [verdachte] diverse malen te hebben ontmoet. Hij was de eigenaar van de hasj. [getuige 3] verklaart dat hij [verdachte] voor het eerst heeft gezien rond 1998 en dat hij tijdens die ontmoeting heeft uitgelegd aan [verdachte] hoe hij de goederen in legale lading verpakt en transporteert en dat die manier van werken [verdachte] wel beviel. [verdachte] was twee of drie keer aanwezig bij een hasjlevering in Waalwijk en hij heeft hem in die periode zo’n 15 tot 20 keer gezien. [verdachte] kwam meestal in een zwarte BMW 316 of 318 naar de ontmoetingsplek, meestal een restaurant. Er waren altijd mensen bij hem met een kleine vrachtwagen waar de drugs inzaten. [getuige 3] dronk dan samen koffie met [verdachte], ontving de sleutel voor de vrachtwagen, reed ermee naar de hal waar de hasj werd gelost en reed weer terug naar het restaurant waar hij de sleutel teruggaf .

[getuige 4] is twee of drie keer bij een ontmoeting geweest tussen zijn vader en [verdachte]. Deze vonden meestal plaats in een Van der Valk hotel of een AC-restaurant. [getuige 4] moest dan aan een andere tafel gaan zitten. Na zo’n ontmoeting vertelde zijn vader hem altijd dat er weer transporten zouden worden uitgevoerd .

Er is één hasjtransport onderschept. Op 14 oktober 1998 is in Hull door de douane een Nederlandse vrachtwagen van het bedrijf [bedrijf 5] gecontroleerd en daarbij zijn 112 dozen aangetroffen met daarin een bruine stof. Hiervan is vastgesteld dat het 576 kilogram hasj en 26 kilogram weed betrof . De chauffeur van de betreffende vrachtwagen heeft de pallets met dozen geladen bij [bedrijf 4] te Waalwijk . [getuige 3] en [getuige 4] verklaren ook over deze inbeslagname .

[getuigen 3 en 4] verklaren voorts dat [medeverdachte 4] bij deze transporten was betrokken. Hij had de taak om de hasj in legale goederen te verstoppen. Hij heeft een aantal malen geholpen bij het inpakken van de hasj . Per transport kreeg [getuige 4] een vergoeding van ongeveer 2.500,- gulden en [medeverdachte 4] kreeg ongeveer het zelfde bedrag uitbetaald . Daarnaast heeft hij twee keer hasj opgehaald en naar de loods gebracht. Hij is ermee opgehouden omdat hij bang werd. Toen de Nederlandse politie in aantocht was, is hij in zijn auto weggereden . [medeverdachte 4] is bij observaties, uitgevoerd in het kader van het onderzoek Speed , herkend als degene die op 12 oktober 1998, twee dagen vóór de inbeslagname in Hull, naar een parkeerterrein van McDonalds rijdt in een Renault Traffic, daar met een ander van auto wisselt en in een Mercedes wegrijdt naar de loods van [bedrijf 4]. Ook is hij herkend als degene die op 13 oktober 1998 bij de loods van [bedrijf 4] arriveert in een Mercedes en naar de achterzijde van de loods loopt. Bij [bedrijf 4] arriveert vervolgens een trekker met oplegger van [bedrijf 5] die wordt ingeladen met goederen en vervolgens naar de ferry met bestemming Hull rijdt .

Ook [getuige 17], de toenmalige echtgenote van [getuige 4], verklaard dat zij de naam [verdachte] in die tijd al regelmatig door [getuige 4] heeft horen noemen in gesprekken met zijn vader . Tevens heeft [getuige 4] bij de Duitse recherche [verdachte] stellig herkend van een foto .

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bovengenoemde verklaringen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] als opdrachtgever en/of leverancier bij de hasjtransporten betrokken is geweest en dat [medeverdachte 4] diverse malen de hasj heeft ingepakt in legale lading. Ten aanzien van de hoeveelheden die werden gesmokkeld gaat de rechtbank uit van een grote hoeveelheid. [getuige 3] en [getuige 4] hebben het immers over enerzijds totaal 3,5 á 4 ton hasj, anderzijds over acht tot elf transporten van 350 tot 900 kilogram .

Ten aanzien van zaaksdossier B03 (feit 5):

Op 24 juli 2002 is in Ramsgate in Engeland een transport onderschept van 300 kilo hasj. De chauffeur van het betreffende transport, [getuige 13], is daarbij destijds in Engeland aangehouden. De Belgische autoriteiten zijn vervolgens het opsporingsonderzoek Telex gestart .

Deze [getuige 13] is in het onderzoek Zuil als getuige door de rechter-commissaris gehoord en heeft bevestigd dat hij in Ramsgate is aangehouden met een vracht waarin hasj bleek te zitten. Hij heeft in het kader van het onderzoek zes maanden in Engeland vastgezeten, maar hij is daar uiteindelijk niet voor veroordeeld. Hij kent [getuige 4] en heeft zijn vader, [getuige 3], wel eens gezien .

[getuige 3] verklaart dat de hasjleveringen van [verdachte] begonnen zijn tegen de jaarwisseling 1997 – 1998 .

Met betrekking tot de hasjtransporten naar Engeland in 2002, verklaart hij dat hij weet dat [getuige 13] werd aangehouden ten tijde van de tweede smokkelrit. Deze rit was naar zijn zeggen niet de laatste activiteit die hij verrichtte in de handel in verdovende middelen. Geconfronteerd met de verklaring van zijn zoon [getuige 4] dat er nog twee transporten na juli 2002 tot november 2002 vanuit de loods in Dessel(B) naar Engeland zijn geweest, bevestigt hij deze verklaring. Hij herinnert zich daarbij ook nog twee of drie transporten, waarbij iedere keer circa 300 kilogram tot 500 kilogram hasj naar Engeland getransporteerd werden. Voor het afhalen van de hasj werd een oranjegekleurde pick-up met ingebouwde geheime bergplaats gebruikt waarin een hoeveelheid van circa 400 kg hasj getransporteerd kon worden. Deze pick-up is hen destijds door [verdachte] via [getuige 1] ter beschikking gesteld. De geheime bergplaats om de hasj in te verstoppen, bevond zich onder de kist voor de goederen. Met dezelfde pick-up werd ook de hasj van de laatste rit van [getuige 13] afgehaald. Voor het transport en de latere doorzending van de hasj naar Engeland waren hij en zijn zoon [getuige 4] niet verantwoordelijk; dit had [medeverdachte 3] geregeld. Hij gelooft dat de hasj van [verdachte] afkomstig was. Er was nog een loods nodig om de hasj in de pallets te verstoppen en om de pallets van de loods naar Engeland te kunnen brengen. Hiervoor werd de loods in Dessel gebruikt .

Ook [getuige 4] verklaart met betrekking tot de hasjsmokkel naar Engeland dat hij weet dat op één van de twee transporten naar Engeland in juli 2002 in Ramsgate beslag werd gelegd. Tijdens het eerste transport werden volgens [getuige 4] 200 kilogram tot 250 kilogram hasj van België naar Engeland getransporteerd. Bij het tweede transport ging het om een gewicht van 300 kilogram hasj, waarbij [getuige 13] in Engeland werd aangehouden. In die tijd had zijn vader een loods in Dessel in België . Naar zijn weten werd [getuige 13] in Engeland vrijgesproken. De anderen zijn voor deze daad tot nu toe niet berecht.

Voor het transport van de hasj van Nederland naar België werd een oranje Volkswagen transportwagen, een pick-up, gebruikt. In deze auto was een holle ruimte als verstopplaats ingebouwd welke zich bevond beneden een houten kist op het laadvlak direct achter de bestuurderscabine. De auto was via [getuige 1] aan zijn vader ter beschikking gesteld . [getuige 4] verklaart voorts dat met betrekking tot het hasjtransport waarbij [getuige 13] werd aangehouden, de betreffende hasj werd opgehaald in de oranje gekleurde pick-up met de geheime bergplaats van [verdachte], om vervolgens de hasj naar zijn woning in Balen Berkenbos te brengen en over te laden in de vrachtwagen .

Verder vonden twee transporten plaats van circa 650 à 750 kilogram tussen de maand juli 2002 en de maand november 2002. Bij het eerste transport in deze periode betrof het 8 à 9 dozen met platen hasj. Qua gewicht schat hij dat zo’n doos net zoveel woog als een cementzak van iets zwaarder dan 50 kilogram. Bij het transport in november 2002 ging het om 9 à 10 dozen .

Bij de vraag naar de mannen achter de schermen kan [getuige 4] zich alleen maar voorstellen dat deze transporten van [verdachte] uit Amsterdam afkomstig waren .

Hem is tevens een foto van [verdachte] getoond en hij verklaart dat hij vrij zeker weet dat dit [verdachte] is .

Voorts heeft getuige 17], naar zijn zeggen één keer actief meegeholpen met het verstoppen van de hasj toen in Ramsgate op de verdovende middelen beslag gelegd werd .

[getuige 17] heeft, zoals eerder weergegeven, verklaard dat zij de naam [verdachte] in die tijd al regelmatig door [getuige 4] heeft horen noemen in gesprekken met zijn vader .

Ten aanzien van zaaksdossier B04 (feiten 6 en 7):

[getuige 2] verklaart gedetailleerd hoe hij in het voorjaar van 2003 samen met [getuige 1] en [medeverdachte 7] heroïne heeft opgehaald in Amsterdam. Voor het uitvoeren van dat transport had hij een jeep cadeau gekregen van [getuige 1]. Die jeep zou afkomstig zijn uit de loods van [medeverdachte 4] en is op naam van de vader van [getuige 2] gezet. Twee of drie weken na de overdracht van die auto is [getuige 2], naar zijn zeggen op verzoek van [getuige 1], vanuit hotel Brabant met [getuige 1] naar een industrieterrein in Amsterdam gereden terwijl [medeverdachte 7] in zijn zilvergrijze Van erachter aan reed. Daar werd de jeep overgenomen en enige tijd later weer teruggezet. [getuige 2] zag daar hoe [getuige 1] een ontmoeting had met medeverdachte [verdachte], die hij, [getuige 2], eerder in Madrid had gezien. [getuige 2] geeft aan de verbalisanten een uitgebreide beschrijving van [verdachte]. [getuige 2] is daarna met de jeep vanuit Amsterdam naar de loods van [medeverdachte 4] gereden. [getuige 1] en [medeverdachte 7] reden achter hem aan. Bij de loods aangekomen heeft hij twee reistassen met daarin 75 kilo heroïne uit de kofferbak gehaald. Vervolgens heeft hij [getuige 1] en [medeverdachte 7] weer ontmoet in het Görenbörs hotel in Made waar hij hoorde dat de heroïne in aardewerken zuilen naar Engeland gesmokkeld moest worden .

Hoewel [getuige 2] aanvankelijk verklaard heeft de heroïne niet zelf te hebben gezien , zegt hij later, bij herhaling, dat hij de heroïne wel heeft gezien . Hij had daarover, zo verklaart hij bij de rechter-commissaris, in eerste instantie gelogen omdat hij dacht dat hij daarvoor hoger gestraft zou worden .

De verklaring van [getuige 2] met betrekking tot dit transport wordt ondersteund door diverse andere verklaringen en gegevens uit het dossier.

Zo heeft [getuige 3] uitgebreid verklaard over hasjtransporten en over ontmoetingen met [verdachte] bij deze hasjtransporten. [getuige 3] wilde niet in harddrugs doen , maar hij heeft verklaard dat hij op een gegeven moment uit de gesprekken tussen hem, [getuige 1] en [verdachte] afleidde, dat er in de transporten naar Engeland ook heroïne zat . Hij verklaarde ook dat zijn contactman in Engeland, [contactman], op een zeker moment klaagde dat er iets anders dan hasj inzat. Dat had hij aan de verpakking gezien. [getuige 3] dacht dat dit rond september 2002 was. [getuige 1] had hem gevraagd of hij met [contactman] wilde afrekenen. [contactman] had niet alleen hasj en weed maar ook heroïne gekregen en betaalde hem het geld voor [getuige 1]. [getuige 3] verklaart daarna nog twee keer met [contactman] ook heroïne te hebben afgerekend en dat het voor hem vaststond dat de heroïne van [verdachte] afkomstig was . Bij de rechter-commissaris bevestigt [getuige 3] dat de afrekeningen ook betrekking hadden op heroïne .

Verder heeft [medeverdachte 4] bevestigd dat hij een loods had bij Breda en dat er in die loods op verzoek van [getuige 1] weleens keramische zuilen hebben gestaan . Ook [medeverdachte 3] heeft deze zuilen in de loods van [medeverdachte 4] zien staan. [getuige 15], de vriendin van [medeverdachte 7], kent deze zuilen ook en heeft verklaard dat de zuilen door [getuige 1] en [medeverdachte 7] werden gebruikt om drugs in te vervoeren .

[medeverdachte 4] verklaart dat [getuige 1] weleens een jeep bij hem had gekocht voor [getuige 2] .

Ook andere gegevens bevestigen de verklaring van [getuige 2].

Zo blijkt uit informatie van de Duitse dienst voor het wegverkeer dat de jeep die [getuige 2] van [getuige 1] kreeg voor het transport, per 3 mei 2003 op naam van [vader] staat, dit is de vader van [getuige 2] .

Voorts zijn tijdens de aanhouding van [getuige 1] op 11 december 2003 in Engeland een palmtop en een laptop bij hem aangetroffen en in beslag genomen. Via een rechtshulpverzoek aan Duitsland zijn de gegevens afkomstig uit deze laptop in het kader van het onderzoek Zuil opgevraagd . Deze gegevens betreffen een aantal bestanden met betrekking tot een administratie .

[getuige 3] heeft verklaard dat de boekhouding een drugsadministratie betreft die werd bijgehouden als geheugensteun voor [getuige 1] of als verantwoording ten opzichte van [verdachte] .

In deze administratie is een digitale agenda aangetroffen met de volgende data en omschrijvingen in het bestand ‘DATE.PST’ :

28-4-2003 ‘Auto geno gekocht € 4000= te bet. ario

14-5-2003 mercure 70 br. Aannemen,

15-5-2003 70br.weg.,

16-5-2003 Aangekomen 70br.

Verder is aangetroffen het spreadsheet ‘NL’ met de volgende data en omschrijvingen:

Date Omschrijving Te betalen

26-04-2003 ontv. voorschot tr.Br. 50.000

………………………………………………….

11-05-2003 Te bet. NL 160672

………………………………………………………

190503 70 gold.horloge.

[getuige 2] heeft ten aanzien van deze bestanden verklaard dat daarin beschrijvingen staan van soorten verdovende middelen, die bij onderlinge communicatie werden gebruikt en dat met “brandy” heroïne wordt bedoeld .

Bij de aanhouding van [verdachte] in 2003 is een koffer aangetroffen met daarin diverse bescheiden die weer in verband kunnen worden gebracht met deze bestanden. Zo is er een kladbriefje aangetroffen waarop wordt vermeld “vvscht 50.000 €” en “privé 160672 €” . Dit zijn bedragen die ook worden vermeld in het eerder genoemde spreadsheet NL .

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de diverse verklaringen en gegevens in onderlinge samenhang bezien alsmede de boekhouding die is aangetroffen op de laptop, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er halverwege mei 2003 een hoeveelheid heroïne van ten minste 70 kilogram is opgehaald in Amsterdam en is vervoerd naar de omgeving van Breda. Daarbij is [medeverdachte 7] degene die meerijdt naar Amsterdam en het transport terug naar Breda begeleidt. De heroïne wordt vervolgens afgeleverd in de loods van [medeverdachte 4], die ook de jeep ter beschikking had gesteld.

De rechtbank acht ook bewezen dat [verdachte] hierbij betrokken is als eigenaar of opdrachtgever. [getuige 2] heeft immers verklaard hem gezien te hebben bij de overdracht in Amsterdam en bij de rechter-commissaris beschrijft hij de plek waar hij [verdachte] gezien heeft. Hij verklaart er weliswaar bij dat hij er niet honderd procent zeker van is dat het [verdachte] was , maar de rechtbank acht dit niet van doorslaggevend belang nu zijn verklaringen daaromtrent destijds zonder voorbehoud waren, hij toen ook een beschrijving heeft gegeven van de persoon die hij voor [verdachte] aanzag en hij in mei 2003 [verdachte] al een keer eerder had ontmoet. Daarnaast wijst het briefje dat in de koffer van [verdachte] is aangetroffen, met bedragen erop die exact gelijk zijn aan die van een spreadsheet dat spreekt over “Br” en “70 gold.horloge” en dat data bevat die zijn terug te voeren tot de datum waaromtrent het transport heeft plaatsgevonden, op de betrokkenheid van [verdachte]. Ten slotte bevestigt [getuige 3] in zijn politieverklaring dat [verdachte] betrokken was bij heroïnetransporten.

Ten aanzien van zaaksdossier B08 (feit 13)

[getuige 2] heeft verklaard dat hij vanaf de zomer 2003 een keer of tien met [getuige 1] naar Engeland is geweest, met name naar Manchester en Londen, in verband met de overdracht van geld vanwege drugszaken.

Bij een van die gelegenheden heeft [getuige 1] hem een grote hoeveelheid geld in Engelse ponden laten zien in een koffer in de hotelkamer in Manchester. [getuige 1] zei hem dat het zo’n 1,2 miljoen pond was en dat het maar een deel van het geheel was. De volgende dag hebben hij en [getuige 1] in Londen een man, waarschijnlijk een Pakistaan, ontmoet met een rode Benz en heeft [getuige 1] de koffer in die auto geplaatst. Bij het eerste bezoek had [getuige 1] hem verteld dat deze mensen contact met [verdachte] hadden, zij elkaar al vele jaren kenden en voor het witten van het geld zeven procent van het overhandigde bedrag ontvingen. Volgens [getuige 2] is het contact van [getuige 1] met de Pakistaan via [verdachte] tot stand gekomen . Als [getuige 2] met [getuige 1] uit Engeland kwam, was het vaak zo dat [getuige 1] nog een ontmoeting in Amsterdam had met [verdachte] om aan [verdachte] verslag uit te brengen . Mensen uit Liverpool brachten de koffer met geld. Dit betrof, voor zover [getuige 2] erbij was, drie tot vier miljoen pond. Hij heeft dat geld zelf gezien. Bij een geldophaler uit Liverpool zouden eens vier vingers zijn afgesneden omdat hij geldbedragen achterhield .

Bij de rechter-commissaris geeft [getuige 2] aan dat hij weet van de ontmoetingen van [getuige 1] met [verdachte] in Amsterdam en van het feit dat [verdachte] de contactpersoon is tussen [getuige 1] en [getuige 18], omdat [getuige 1] hem dit vertelde .

De verklaringen van [getuige 2] worden grotendeels ondersteund door de verklaring van [getuige 3]. Die verklaart dat de drugs in Engeland door de mensen van [verdachte] werden verkocht en het geld naar [getuige 18] werd gebracht die er voor zorgde dat het weer naar de organisatie van [verdachte] in Nederland ging. Hij heeft [verdachte] en [getuige 1] ook over [getuige 18] en Engeland horen praten. De vrouw van [getuige 1] heeft hem, toen [getuige 1] in Engeland vastzat, verteld dat [getuige 1] het geld naar [getuige 18] moest brengen .

Ook andere gegevens bevestigen de verklaring van [getuige 2] en [getuige 3].

In de koffer van [verdachte] die in 2003 onder hem in beslag is genomen, is een kladbriefje aangetroffen met berekeningen. Het betreft bedragen in guldens waarbij een aftrek plaatsvindt van 35% en waarbij wordt vermeld “E? N 7% geld terug . Op een ander briefje met een berekening wordt ook weer die zeven procent afgetrokken. Voorts is een briefje aangetroffen met de vermelding “Nrs Manchester”en daaronder “Londen” .

In de administratie van [getuige 1] komt regelmatig de naam [getuige 18] of [getuige 18] voor, bijvoorbeeld in het bestand kas onder “Paid [getuige 18]” op de datum 06.11 . In het bestand “Date pst” wordt bij 6-11-2002 vermeld “Manchester” en bij 7-11-2002 “Afgegeven [getuige 18] 79000,0=(ron25)” , en in het bestand spreadsheet NL waar in de periode van 23 november 2002 tot en met 18 april 2003 diverse malen wordt vermeld “Paid [getuige 18]” . Zo wordt bij de datum 21 november 2002 vermeld “Paid [getuige 18] 148000”. Van dit laatste spreadsheet is weer een exacte kopie aangetroffen in de koffer van [verdachte] .

De relatie met [verdachte] blijkt ook uit het feit dat in het bestand Kas A bij de datum 21 november wordt vermeld “Paid [getuige 18] “D“ , waarbij het daarbij vermelde bedrag van € 212.326 meer dan vermoedelijk het equivalent is van de 148.000 Engelse pond uit eerder genoemd spreadsheet .

In het bestand “date pst” wordt dan bij 21 november 2002 weer vermeld “[getuige 18] zien. 148k£ afgegeven.7”.

Zo komt ook een bedrag van 62000 Engelse ponden genoemd bij de datum 28 november 2002 in het (eerder aangehaalde) spreadsheet NL met de vermelding “paid [getuige 18]” terug in het bestand “date pst” bij 28 november 2008 als “[getuige 18]-paid 62k£ .

Uit het bestand “date pst” valt ook op te maken dat er diverse malen, bijvoorbeeld op 22 januari 2003, 14 februari 2003 en 20 maart 2003, een dag na de vermelding van afgifte van geld aan [getuige 18] (of [getuige 18]) een afspraak is bij het Mercure te Amsterdam respectievelijk het Sheraton schiphol. Diverse malen staat dan ook vermeld “D”, zoals op 14 februari 2003, waar staat vermeld “Sheraton schip.D” of 20 maart 2003 waar staat vermeld “Mercure D.” .

Voorts is bij [getuige 1] bij zijn aanhouding in Engeland in 2003 een bedrag van 40.000 Engelse ponden en 14.000 Schotse ponden aangetroffen. De Engelse ponden werden, zo blijkt uit observaties, door ene [de man] uit Liverpool in een tas aan [getuige 1] overhandigd. Bij de eveneens aangehouden [getuige 19] werd een geldtelmachine gevonden en die was volgens [getuige 19] van zijn zwager [getuige 18 . [getuige 1] is vervolgens in Engeland veroordeeld voor witwassen.

Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan de Engelse autoriteiten werden de verklaringen die [getuige 1] bij de Engelse autoriteiten op 11 en 12 december 2003 had afgelegd, ter beschikking gesteld . Hieruit blijkt dat hij heeft verklaard dat hij een tas moest ophalen in Manchester en aan iemand in een hotel in Londen geven. Dat was op verzoek van ene [man], die hem had gevraagd wat papieren van Manchester naar Londen te brengen, [getuige 1] nam aan dat het om geld ging. Hij verklaart vaker een tas naar Londen te hebben gebracht en die dan op een metrostation te hebben moeten overdragen aan iemand van wie hij de naam [getuige 18] had gekregen. Over [man] kan hij verder niets vertellen .

[getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in Engeland geld heeft witgewassen voor [getuige 2] maar dat hij niet weet van wie dat geld is .

Ten slotte is er in het kader van het onderzoek Enclave een huiszoeking gedaan in het pand [adres 2] te Amsterdam . Aldaar werden briefjes aangetroffen met berekeningen met vermeldingen als “te bet”en “nog te ontv.” Met daarachter grote bedragen die tot in de miljoenen lopen . Op een van deze blaadjes zijn de vingerafdrukken van [verdachte] aangetroffen . Ook is er in de lichtarmatuur van de badkamer een bedrag van € 90.000

aangetroffen en onder de matras € 10.000 .

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het vorenstaande duidelijk is dat er sprake is geweest van witwassen.

Er werden immers grote geldbedragen aangenomen en overgedragen op een wijze die erop duidt dat men iets te verbergen had: grote bedragen werden contant overgedragen in hotels of stations door of aan min of meer onbekenden. Daarnaast blijkt de overdracht van dit geld terug te vinden in de drugsadministratie uit de laptop van [getuige 1]. Uit deze administratie komt ook naar voren dat voor het wisselen van het geld zeven procent in rekening wordt gebracht. [verdachte] zorgde ervoor dat het geld, dat van de Engelse afnemers van drugs afkomstig was, via [getuige 18] weer in Nederland terecht kwam. Aan hem moest verantwoording worden afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van gewoontewitwassen gelet op de frequentie van de overdrachten, de duur van de periode waarin deze plaatsvonden en de omvang ervan.

Ten aanzien van feit 15 zaaksdossier B10)

In het kader van het onderzoek Zuil, heeft de recherche bij de belastingdienst gegevens opgevraagd betreffende [verdachte]. Volgens deze gegevens is [verdachte] in de jaren 2000, 2001 en 2002 alsmede het hele jaar 2004 in dienst geweest van [werkgever] . Omdat, mede gelet op andere onderzoeken waarin [verdachte] was betrokken, bij de recherche twijfels ontstonden omtrent dat dienstverband, werd een nader onderzoek hiernaar ingesteld .

Directeuren [getuige 20] en [getuige 21] van [werkgever] bevestigen respectievelijk dat [verdachte] bij hun bedrijf werkt dan wel heeft gewerkt . Het bedrijf legt op vordering van de belastingdienst een arbeidsovereenkomst over en loonspecificaties over de periode van januari 1999 tot en met juli 2005 , waaruit blijkt dat [verdachte] sinds 1 mei 1998 in dienst is en, in ieder geval vanaf januari 1999, op de loonlijst staat. Voorts bevinden zich in het dossier enkele bankafschriften waaruit blijkt dat het bedrijf over de periode waarop het afschrift ziet, loon heeft betaald conform de salarisstrook.

Niettemin is de rechtbank van oordeel dat deze gegevens niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. Daartoe acht zij het volgende van belang.

In het arbeidscontract is opgenomen dat [verdachte] vanaf 1 mei 1998 in dienst is als vertegenwoordiger voor 32 uur per week . Directeur [getuige 20] heeft tegenover de recherche verklaard dat hij [verdachte] zelf heeft aangenomen als PR-medewerker, dat hij klanten bezoekt en in de zeven jaar dat hij in dienst is, twee klanten heeft aangebracht . Verder verklaart hij dat het bedrijf alles verkoopt dat met computers te maken heeft. [verdachte] hoeft, zo verklaart hij, nooit verantwoording af te leggen over zijn werkzaamheden en is geheel vrij in het benaderen van bedrijven. [verdachte] houdt geen urenstaten bij, geen staten van bedrijven die hij heeft bezocht en hij heeft nooit een beoordelingsgesprek gehad. [getuige 20] heeft ongeveer twee keer per maand contact met [verdachte]. Hij is moeilijk te bereiken maar als hij een bericht achterlaat, belt hij altijd terug, aldus [getuige 20] . [getuige 21] heeft bij de recherche verklaard dat [verdachte] klanten bezoekt en kan dan vervolgens desgevraagd alleen de Mediamarkt als aangebrachte klant noemen . [verdachte] zelf heeft bij gelegenheid van zijn aanhouding op 2 juli 2003 verklaard dat hij als verkoper bij [werkgever] werkt, een groothandel in computeronderdelen, en dat hij onderdelen van computers verkoopt het binnengedeelte betreffend. Hij wil geen antwoord geven op de vraag hoe hij aan zijn klanten komt .

[verdachte] is blijkens het arbeidscontract in dienst gekomen voor 32 uur tegen een salaris van bruto fl. 2335,60 per maand (Dit is omgerekend € 1.061,63 ). Volgens de overgelegde loonstroken ontving hij dit salaris ook tot en met 2001, met een kleine verhoging per 1 januari 2001. Met ingang van januari 2002 ontvangt hij volgens de loonstroken € 1.555 bruto en vanaf januari 2003 wordt dat € 1600.

Vanaf januari 2003 staat er ook op de loonstrook dat het een full-time dienstverband betreft.

[getuige 20] heeft verklaard dat er na 2000 geen noemenswaardige salarisverhogingen zijn geweest . Hij denkt dat [verdachte] niet full-time voor hem werkt en bij de rechter-commissaris verklaart hij dat dat voor drie dagen in de week was .

[verdachte] zelf heeft bij zijn aanhouding in 2003 verklaard dat hij 20 uur in de week werkte en dat dat eerst 40 uur per week was .

Ook over vergoedingen is er verklaard. In 2005 verklaarde [getuige 20] dat [verdachte] buiten zijn salaris geen vergoedingen krijgt en dat hij geen auto van de zaak heeft . Eerder, in 2003, heeft [getuige 20] telefonisch verklaard dat [verdachte] zijn kilometers declareert . [verdachte] zelf heeft in 2003 verklaard dat hij weleens in een auto van de zaak rijdt .

[verdachte] heeft in detentie gezeten van 3 juli 2003 tot 12 december 2003 . Blijkens de loonstroken is het salaris van [verdachte] over die periode doorbetaald. Directeur [getuige 20] verklaarde daarover bij de rechter-commissaris, dat [verdachte] inderdaad is doorbetaald en [verdachte] in die periode geen contact met het bedrijf heeft opgenomen . In 2003 heeft [getuige 20] nog telefonisch verklaard, dat hij dacht dat [verdachte] op vakantie was en tegenover de rechercheurs verklaarde hij in 2006 dat [verdachte] zijn vakantiedagen heeft moeten inleveren. Dit laatste kon hij niet onderbouwen met stukken .

De rechtbank is van oordeel dat uit het bovenstaande blijkt dat de verklaringen, dat [verdachte] voor het bedrijf zou werken, ongeloofwaardig zijn. Het is immers volstrekt ongeloofwaardig dat de leiding van een bedrijf van slechts 20 werknemers een werknemer zeven jaar in dienst heeft en betaalt, niet wetende wat die werknemer precies uitvoert, terwijl die werknemer in al die jaren slechts twee klanten zou hebben aangebracht. Daar komt nog bij dat [verdachte] zelf geen antwoord wilde geven op de vraag hoe hij aan zijn klanten komt. Voorts is het ongeloofwaardig dat een werkgever een werknemer doorbetaalt over een periode dat deze in detentie zit. De verklaring achteraf dat hij vakantiedagen heeft moeten inleveren is onwaarschijnlijk en op geen enkele manier administratief onderbouwd en derhalve niet geloofwaardig.

Verder kan de forse salarisverhoging per 1 januari 2002 niet verklaard worden en is deze zelfs onlogisch gelet op de verklaring van [verdachte] in juli 2003 dat hij eerst op 40 uur werkte en later op 20 uur. En dit strookt dan weer op geen enkele wijze met de arbeidsovereenkomst die spreekt over 32 uur.

Voorts acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat iemand die in de buitendienst zou werken, deze alle hieruit voortvloeiende kosten, zoals reiskosten, voor eigen rekening zou nemen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met anderen de arbeidsovereenkomst heeft vervalst. Hij heeft immers samen met de werkgever een arbeidsovereenkomst opgemaakt en ondertekend, terwijl van een dienstverband geen sprake was. Nu de valse gegevens in de administratie van het bedrijf zijn opgenomen en ook aan de belastingdienst zijn verstrekt, is er sprake van het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Bovendien acht de rechtbank, in navolging hiervan, wettig en overtuigend bewezen dat hij tezamen met anderen deze valse arbeidsovereenkomst opzettelijk heeft gebruikt heeft gemaakt en deze voorhanden gehad terwijl hij wist dat deze bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen.

4.5 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

hij in de periode van 23 december 1996 tot en met 28 juli 2008 in Nederland en

Duitsland en België en Spanje en Italië en Engeland en Frankrijk heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het invoeren en uitvoeren en verkopen en afleveren en vervoeren van verdovende middelen, te weten hash en weed en hennep en cannabis en cocaïne en heroïne (diamorfine) en materiaal bevattende MDMA en/of tenamfetamine (MDA) en/of N-ethyl-MDA (MDEA) en het witwassen van geldbedragen;

(Zaak B00)

Feit 2

hij in de periode van 1 januari 1997 tot en met 20 april 1999 te Waalwijk of Oosterhout, in elk geval in Nederland en te Hull en te Bexhill, in elk geval in Engeland tezamen en

in vereniging met een ander of anderen opzettelijk telkens buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en heeft afgeleverd en vervoerd en aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasj) toegevoegd, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(Zaak B01)

Feit 3

hij in de periode van 21 april 1999 tot en met 31 december 1999 te Waalwijk of Oosterhout, in elk geval in Nederland en te Hull en te Bexhill, in elk geval in Engeland tezamen en

in vereniging met een ander of anderen opzettelijk telkens buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) en heeft afgeleverd en vervoerd en aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasj) toegevoegd, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(Zaak B01)

Feit 5

hij in de periode van 1 mei 2002 tot en met 30 november 2002 in Venlo en Eindhoven, althans in Nederland en in Ramsgate, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk telkens binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht (ook bedoeld als in artikel 1 lid 4 en/of lid 5) en heeft afgeleverd en vervoerd en aanwezig heeft gehad hasj, een hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, in de hierna te noemen periode en hoeveelheid:

1 april 2002 tot en met 30 november 2002 (ongeveer) 300 kilogram;

(Zaak B03)

Feit 6

hij in de periode van 1 april 2002 tot en met 16 maart 2003 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 75 kilogram heroïne (diamorfine), een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

(Zaak B04)

Feit 13

hij in de periode van 27 november 2002 tot en met 19 juli 2005 in Nederland en in Londen en Liverpool en Manchester, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij toen en daar (telkens) krachtens die gewoonte van een grote hoeveelheid geld, de werkelijke herkomst verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovengenoemd geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen

en

geld heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen en overdragen en omzetten van bovengenoemd geld wist dat bovengenoemd geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen.

(Zaak B08)

Feit 15

hij op of omstreeks 1 mei 1998 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een arbeidsovereenkomst d.d. 1 mei 1998 tussen hem, verdachte, en [werkgever] - zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededader - in strijd met de waarheid in voornoemde arbeidsovereenkomst opgenomen dat verdachte op 1 mei 1998 in dienst treedt van de werkgever [werkgever] in de functie van vertegenwoordiger en een salaris ontvangt van 2335,60 gulden (bruto) per maand en dat zijn, verdachtes, werkweek bestaat uit 32 uren, met het oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

en

hij in de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 juli 2005 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse arbeidsovereenkomst d.d. 1 mei 1998 tussen hem, verdachte, en [werkgever], zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en zijn mededader

- voornoemde geschrift aan de Belastingdienst hebben overlegd en in de administratie van [werkgever] hebben opgenomen.

(Zaak B10)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1. meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Feit 2 en 3: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 5: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 6: Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 13: Gewoontewitwassen;

Feit 15: Valsheid in geschrift

en

Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte geduren¬de een jarenlange periode leider is geweest van een omvangrijke criminele organisatie, die zich op professionele wijze zowel nationaal als interna¬tionaal richtte op de stelselmatige in- en uitvoer en handel in grote hoeveelheden soft- en harddrugs. Aannemelijk is dat verdachte dit louter met het oogmerk om hier geldelijk gewin uit te halen heeft gedaan. Verdachte hield zich bezig met de organisatie en was - hoewel op de achtergrond opererend - nauw en direct betrokken bij veel transporten, doch heeft een en ander zo weten te regelen dat ook tijdens zijn detentieperiode de organisatie doorliep en aan hem rekening en verantwoording werd afgelegd.

Bij het bepalen van het soort verdovende middelen dat werd gesmokkeld was de daarmee te behalen winst een bijzonder belangrijke factor.

De rechtbank gaat er bij het bepalen van de strafmaat van uit dat de transporten aanvankelijk met name hasj betroffen, maar later XTC, heroïne en de smokkel van cocaïne werd voorbereid. Alles in grote tot zeer grote hoeveelheden. Al deze middelen zijn in binnen- en buitenland verboden vanwege het voor de gezondheid schadelijke karakter daarvan.

Met de criminele activiteiten zijn enorme geldbedragen gemoeid geweest en werden grote illegale geldstromen gegenereerd.

Dit geld is deels witgewassen met de aankoop van onroerend goed en luxe auto’s, maar voor het overgrote deel van het geld is onduidelijk wat daarmee is gebeurd. Aannemelijk is dat dit geld ook voor een groot deel in de bovenwereld terecht is gekomen en hierdoor een ongewenste verwevenheid tussen de boven en de onderwereld optreedt.

Deze verwevenheid tussen criminaliteit en de reguliere maatschappij blijkt ook uit de schijnwereld die [verdachte] opbouwt, onder meer door het op papier hebben van een reguliere baan, waardoor bij een globale controle blijkt van legaal inkomen.

[verdachte] werd binnen de criminele organisatie zowel gerespecteerd als gevreesd en hij werd, ook ruim voordat de zaak Kolbak in de publiciteit kwam, door medeverdachten in deze zaak als organisator en de grote baas wordt omschreven met wie niet te spotten valt.

Geweld en bedreiging met geweld maakten een integraal onderdeel uit van de werkwijze van de organisatie. De rechtbank heeft bij de bepaling van strafmaat rekening gehouden de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de persoon van de verdachte en met het tijdverloop. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank minder feiten bewezen acht.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: een diplomatenkoffer en diverse administratieve bescheiden dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren zijn begaan of voorbereid.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht, artikelen 33, 47, 57, 140, 225, 420ter

Opiumwet, artikelen 2, 3, 10, 11

11. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 1. tenlastegelegde feiten 4, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 14 en 16.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT (8) JAREN.

Beveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Verklaart verbeurd:

•een diplomatenkoffer

•diverse administratieve bescheiden

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.Th. Goossens, voorzitter,

mr. M.J. Kronenberg en mr. E.P.W van de Ven, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. R.A. Blaas en B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 december 2009.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.