3.9.
[eiseres] vordert op grond van het vorenstaande dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. voor recht verklaart dat [gedaagden sub 1 en 2] toerekenbaar tekort zijn geschoten uit hoofde van de huurovereenkomst jegens [eiseres] , dan wel jegens [eiseres] onrechtmatig gehandeld hebben en dat [gedaagden sub 1 en 2] en BAZ onrechtmatig jegens [eiseres] hebben gehandeld en [gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3, 4 en 5] en BAZ, althans één of meerderen van hen, gehouden zijn de geleden (gevolg)schade aan [eiseres] te vergoeden;
2. [gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3, 4 en 5] en BAZ hoofdelijk, geheel, des dat een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, althans voor gelijke delen, althans een of meerderen van hen, veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen tien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 65.936,95, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag wegens schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 65.936,95 met ingang van 16 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening;
3. [gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3, 4 en 5] en BAZ hoofdelijk, ieder voor het geheel, des dat een betaalt de ander zal zijn bevrijd, althans voor gelijke delen, althans een of meerdere van hen, veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen tien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan [eiseres] te betalen de buitengerechtelijke kosten dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede de kosten voor advies, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van de buitengerechtelijke kosten, de kosten voor advies daaronder begrepen, vanaf de dag der dagvaarding, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de der algehele voldoening;
4. [gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3, 4 en 5] en BAZ hoofdelijk, ieder voor het geheel, des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, althans voor gelijke delen, althans een of meerdere van hen, veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen tien dagen na het in deze te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan [eiseres] te betalen de buitengerechtelijk kosten ad € 925,-- inclusief btw, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerdern met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag der dagvaarding, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
5. [gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3, 4 en 5] en BAZ hoofdelijk, ieder voor het geheel, des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, althans voor gelijke delen, althans een of meerdere van hen, veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen tien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan [eiseres] te betalen de deskundigenkosten ad € 6.292,-- inclusief btw, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag der dagvaarding, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;
6. [gedaagden sub 1 en 2] hoofdelijk, ieder voor het geheel, des dat een betaalt de ander zal zijn bevrijd, althans voor gelijke delen, althans een of meerderen van hen, veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen tien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan [eiseres] te betalen de beslagkosten, met uitdrukkelijke bepaling dat [gedaagden sub 1 en 2] de wettelijke rente over die beslagkosten verschuldigd zijn als zij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het te dezen te wijzen vonnis zullen hebben voldaan;
7. [gedaagden sub 1 en 2] , [gedaagden sub 3, 4 en 5] en BAZ hoofdelijk, ieder voor het geheel, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn bevrijd, althans voor gelijke delen, althans een of meerderen van hen, veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure, binnen tien dagen na het in dezen te wijzen vonnis, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen de genoemde termijn zijn voldoeaan hierover de wettelijke rente als bedoeld in aritkel 6:119 BW is verschuldigd met ingang van de elfde dag na het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de nakosten ten bedrage van € 131,--, dan wel indien betekening vna het vonnis plaatsvindt, ten bedrage van € 199,--..
3.11.
Volgens BAZ volgt uit de constatering van GBB, zoals hierboven onder 2.3. ten aanzien van bron 2 geciteerd, dat er ergens op het bedrijfspand een illegale asbestsanering heeft plaatsgevonden. De aangetroffen brokstukken kunnen volgens BAZ immers enkel afkomstig zijn van een illegale asbestsanering. Ook de later geconstateerde vervuiling kan volgens BAZ enkel afkomstig zijn van deze eerdere illegale asbestsanering.
BAZ stelt verder dat zij bij de asbestsanering van het dak (Bron 1 volgens het rapport van GBB van 13 juni 2017) alle wettelijke plichten in acht heeft genomen. Het is volgens haar volstrekt onmogelijk dat er sporen van asbest zijn vrijgekomen bij de sanering die door haar op 19 maart 2018 is uitgevoerd. Dat blijkt volgens BAZ ook de uit de conclusie van het rapport van [naam] , dat door haar is overgelegd als productie 10. Dat rapport houdt namelijk als conclusie in “onder geen beding kan de asbestverontreiniging in de garage worden toegeschreven aan de asbestsanering van maart 2018 gelet op de aard en omvang van de asbestverontreiniging en de onvolledigheid en ongeldigheid van de onderliggende onderzoeken en dito rapportages.”
BAZ voert verder aan dat de sanering volledig aan de buitenzijde heeft plaatsgevonden; BAZ heeft geen werkzaamheden binnen uitgevoerd. Bij de verwijdering van de golfplaten zoals door haar uitgevoerd, komen volgens BAZ hooguit in theorie verwaarloosbare hoeveelheden asbestvezels en asbeststof vrij. De asbestvezels zijn zo licht, dat deze meteen vervliegen en kunnen dus nooit naar beneden zijn gevallen om vervolgens tussen een kier te zijn geraakt. Alleen stukken kunnen naar beneden vallen, maar daarvan kan geen sprake zijn geweest, omdat de platen niet zijn gebroken, maar in hun geheel verwijderd. De aangetroffen stukken, de stof en het asbestcement kunnen alleen maar van grote stukken afkomstig zijn.
BAZ is van mening dat uit de vrijgave door KIWA op 21 maart 2018 volgt dat BAZ aan alle wettelijke verplichtingen heeft voldaan. Dat de heer [eiseres] asbestvezels heeft opgevangen rechtvaardigt volgens BAZ de conclusie dat de binnenzijde van het gebouw was vervuild door een andere sanering, dan wel op het niet op veilige wijze verwerken van asbest. De mate van de verontreiniging en de plekken waar deze is aangetroffen wijst er volgens BAZ ook op dat de verontreinigingen niet door de sanering door haar zijn ontstaan. De aangetroffen brokstukken en flinters zijn op plekken in de gehele loods aangetroffen, op plekken waarboven BAZ niet heeft gesaneerd. Er is volgens BAZ geen enkele andere verklaring mogelijk dan dat de loods al geheel vervuild was met asbest.
Tevens is volgens BAZ niet uit te sluiten dat [eiseres] zelf mede aansprakelijk is voor de asbestvervuiling, aangezien de heer [eiseres] in 2017 met asbestmateriaal in de loods in de weer is geweest. Naar de stellige mening van BAZ zijn [gedaagden sub 1 en 2] en [eiseres] verantwoordelijk voor de asbestvervuiling. Volgens een gemeenteambtenaar zou mevrouw Gulikers ook volmonding tegenover hem bekend hebben de illegale sanering zelf te hebben laten uitvoeren.
Als er door smeltwater/regenwater al asbestdeeltjes door het pand zijn verspreid, dan waren dat asbestdeeltjes die reeds vóór de sanering door BAZ aanwezig waren en die al eerder door het verslepen verspreid werden door het pand.
BAZ betwist dat zij verantwoordelijk was voor het sluiten van het dak nadat zij klaar was met haar werkzaamheden. Contractueel was afgesproken dat [gedaagden sub 3, 4 en 5] zou zorgen voor het sluiten van het dak. Tenslotte betwist BAZ de omvang van de gevorderde schade.
3.12.
[gedaagden sub 3, 4 en 5] betwist dat de heer [eiseres] op 19 maart 2018 neer dwarrelend stof heeft opgevangen dat naderhand asbest bleek te zijn. [gedaagden sub 3, 4 en 5] heeft aangevoerd dat uit het rapport van KIWA volgt dat BAZ de asbestsanering heeft uitgevoerd conform de norm van NEN 2990, zodat BAZ niet onrechtmatig jegens Van Heel heeft gehandeld. Uit het rapport van KIWA volgt dat er geen asbesthoudend materiaal meer aanwezig was op het betreffende gedeelte van het dak dat door BAZ is gesaneerd. Ook is door KIWA expliciet vermeld dat de schroefgaten waarop de golfplaten zaten gemonteerd vrij van visueel waarneembare restanten waren.
De asbestvervuiling kan volgens [gedaagden sub 3, 4 en 5] ook geen gevolg zijn van asbest dat met regen of smeltende sneeuw naar beneden is gesijpeld, omdat volgens historische gegevens van het KNMI op 19 maart 2018 geen neerslag is gevallen. Verder heeft [eiseres] in 2017 zelf asbest gesaneerd, doordat hij een tussenmuur, die asbest bevatte, heeft gesloopt. Een duidelijke aanwijzing voor een vóór 19 maart 2018 uitgevoerde illegale asbestsanering blijkt uit het rapport van GBB van 13 juni 2017, waarin reeds een asbestverontreiniging is aangetroffen. [gedaagden sub 1 en 2] hebben bovendien tegenover een ambtenaar van de gemeente Maastricht verklaard dat zij in het verleden illegaal asbest hebben gesaneerd.
Uit het in haar opdracht door [naam] opgestelde rapport volgt volgens [gedaagden sub 3, 4 en 5] dat in het geval de asbestsaneringswerkzaamheden van BAZ op 19 maart 2018 tot asbestverontreiniging zouden hebben geleid, sprake zou zijn geweest van een omgekeerd verontreinigingspatroon in vergelijking met het patroon dat is aangetroffen, dat geen asbest in de lucht is aangetroffen en dat brokstukken en flinters enkel naar beneden zouden kunnen zijn gevallen indien er gaten in het dakbeschot zouden zijn, maar dat deze door KIWA niet zijn aangetroffen.
De heer [eiseres] heeft volgens [gedaagden sub 3, 4 en 5] zelf ook de uitgevoerde saneringswerkzaamheden gefrustreerd door tijdens de saneringswerkzaamheden onbevoegd het pand te betreden.
[gedaagden sub 3, 4 en 5] stelt evenmin verantwoordelijk of aansprakelijk te zijn voor de uitvoering van de door BAZ in opdracht van [gedaagden sub 1 en 2] in de periode van april t/m juni 2018 uitgevoerde tweede asbestsanering. Ten slotte stelt [gedaagden sub 3, 4 en 5] niet verantwoordelijk, noch aansprakelijk te zijn voor de schade ten aanzien van de goederen van [eiseres] ten bedrage van € 14.058,--, nu zij niet betrokken is geweest bij die tweede asbestsanering die door BAZ in opdracht van [gedaagden sub 1 en 2] is uitgevoerd.
[gedaagden sub 3, 4 en 5] heeft aangevoerd dat uit het rapport van KIWA volgt dat BAZ de asbestsanering heeft uitgevoerd conform de norm van NEN 2990, zodat BAZ niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Uit het rapport van KIWA volgt dat er geen asbesthoudend materiaal meer aanwezig was op het betreffende gedeelte van het dak dat door BAZ is gesaneerd. Ook is door KIWA expliciet vermeld dat de schroefgaten waarop de golfplaten zaten gemonteerd vrij van visueel waarneembare restanten waren.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.