Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 21 april 2021 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats]
eisende partij,
gemachtigde mr. M.M.J.F. Sijben,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
YARDEN UITVAARTFACILITEITEN B.V.,
gevestigd te Almere,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. S. van Creij.
Partijen zullen hierna [eiser] en Yarden genoemd worden.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding met producties 1 t/m 10,
-
het schrijven van mr. Van Creij van 6 april 2021 met producties
1. t/m 19,
-
de mondelinge behandeling op 12 april 2021 om 10.00 uur,
-
de pleitnota van [eiser]
-
de pleitnota van Yarden.
1.2.
Ten slotte is bij vervroeging vonnis bepaald op heden.
2 De feiten
2.1.
In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.
2.1.1.
[eiser] is op 15 juli 2012 (eerst als oproepkracht, later op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) in dienst getreden bij Yarden als Assistent Medewerker Bedrijfsbureau. Het salaris van [eiser] bedroeg € 2.333,- bruto per maand exclusief vakantiegeld en andere emolumenten.
2.1.2.
Omdat [eiser] in 2015 kenbaar heeft gemaakt extra werkzaamheden als ovenist/algemeen assistent te willen uitvoeren, heeft Yarden hem de mogelijkheid geboden en hem ingewerkt als ovenist. In 2016 heeft [eiser] , getuige het door hem ontvangen certificaat, een training voor ovenist gevolgd.
2.1.3.
Mede vanwege het op structurele basis verrichten van werkzaamheden als ovenist, heeft Yarden [eiser] op 14 februari 2019 in een hogere functieschaal ingedeeld.
2.1.4.
De werkzaamheden in de ovenkamer dienen volgens vaste protocollen te geschieden. Het Yarden Handboek, waarin de protocollen zijn opgenomen, wordt niet aan de medewerkers uitgereikt, maar is fysiek beschikbaar op locatie en digitaal op het Yarden Intranet.
2.1.5.
Volgens het Yarden Handboek moet als volgt worden gehandeld. Bij ontvangst van de kist met een overledene moet in de ovenruimte een controle plaatsvinden aan de hand van het aanvraagformulier en het verlof tot cremeren van de betreffende overledene. Beide controles worden bevestigd middels het plaatsen van een handtekening op het controleformulier. Vervolgens moet het identificatienummer op de kiststicker – die door de uitvaartondernemer is geplaatst – worden vergeleken met het nummer op het identificatieformulier (kistdocument) dan wel het aanvraagformulier. Deze controle wordt ook bevestigd met een handtekening op het controleformulier. Vervolgens wordt de sticker van de kist gehaald en op het kistdocument dan wel het controleformulier geplakt. Een tweede medewerker moet vervolgens controleren of het nummer van het crematiesteentje overeenkomt met het crematienummer bovenaan het controleformulier en deze medewerker dient aanwezig te zijn bij de invoer van de kist in de oven. Dit wordt bevestigd met de handtekening van de eerste en tweede medewerker op het controleformulier, waar bij deze stappen nog apart vermeld staat ‘4 ogen’.
2.1.6.
Op 27 januari 2021 heeft [eiser] omstreeks 8.30 uur een overledene in de oven ingevoerd. Hij heeft op het controleformulier van de overledene met het voorgedrukte crematienummer 84557 met de hand bij ‘crematienummer’ 84557 ingevuld en bij ‘identificatienummer overledene’ 75210020. Verder heeft hij de volgende mededelingen afgetekend: ‘Er is een getekend aanvraag formulier aanwezig’, ‘Er is een juist verlof tot cremeren aanwezig , ‘Er is een juist kistdocument aanwezig, ‘Nummer crematiesteentje komt overeen met het crematienummer bovenaan dit formulier – 4 ogen’, en ‘Nummer crematiesteentje komt overeen met het nummer op het asblik – 4 ogen’. Er was bij de controle van het crematiesteentje en crematienummer, en bij de invoer van de overledene in de oven – in tegenstelling tot de instructies in het Yarden Handboek – geen tweede medewerker aanwezig. Omstreeks 17.30 uur werd ontdekt dat niet de overledene met identificatienummer 75210020 (hierna te noemen: Overledene X) was gecremeerd, maar de overledene met identificatienummer 75210015 (hierna te noemen: Overledene Y).
2.1.7.
[eiser] is nadat hij hierover werd gecontacteerd ter plaatse gegaan, waarna Yarden hem het verlof tot cremeren van Overledene X heeft laten zien, waarop rechtsonder de kiststicker van Overledene Y was geplakt.
2.1.8.
[eiser] is bij brief van 28 januari 2021 op staande voet ontslagen. Bij schrijven van 8 februari 2021 van zijn toenmalige gemachtigde heeft [eiser] hiertegen bezwaar gemaakt.
Door [eiser] is inmiddels een verzoekschrift tot vernietiging van het ontslag op staande voet aanhangig gemaakt. De mondelinge behandeling daarvan staat gepland voor 12 mei 2021.
3 Het geschil
3.1.
[eiser] vordert bij dagvaarding in kort geding – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –
Yarden te veroordelen om binnen drie dagen na het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te voldoen het achterstallig salaris ten bedrage van € 4.666,- bruto, te vermeerderen met alle emolumenten over de periode vanaf 25 januari 2021 tot en met 28 februari 2021, zulks te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de onderscheidende vervaldata, tot aan de dag der algehele voldoening op straffe van een dwangsom van € 500,- voor elke dag of een gedeelte daarvan dat Yarden in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
Yarden te veroordelen om aan [eiser] te betalen, vanaf 1 maart 2021 totdat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd, het loon ad € 2.333,- bruto per maand, vermeerderd met alle emolumenten, telkens te voldoen voor de 1e van de maand, volgend op de maand waarop de salarisbetaling betrekking heeft;
Yarden te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de gemachtigde en de nakosten,
althans een zodanige beslissing als de rechtbank, kamer voor kantonzaken, in goede justitie vermeent te behoren.
3.1.1.
Aan de vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat hij de kiststicker van Overledene X rechtsboven op het verlof tot cremeren van Overledene X heeft geplakt, en niet, zoals aan hem getoond toen hij na ontdekking van de fout ter plaatse ging, de kiststicker van Overledene Y rechtsonder. Hij ontkent derhalve een fout te hebben gemaakt bij de controles. Voorts heeft hij weliswaar niet gehandeld conform het vier-ogen principe, maar in de praktijk werd deze controle vanwege de grote drukte regelmatig niet uitgevoerd. Er is derhalve volgens [eiser] geen dringende reden geweest voor het ontslag, zodat hij nog altijd recht heeft op loon. Bij de loonvordering stelt [eiser] spoedeisend belang te hebben omdat hij afhankelijk is van zijn salaris en deze niet meer ontvangt.
3.2.
Yarden voert het volgende verweer. [eiser] heeft geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen, zodat hij om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verder heeft [eiser] in strijd gehandeld met de protocollen, waar strikt de hand aan wordt gehouden, en heeft hij de controles niet goed uitgevoerd, wat zou zijn ontdekt als hij zich had gehouden aan het vier-ogen principe. Hierdoor heeft [eiser] de zwaarste fout gemaakt die er gemaakt kan worden: het cremeren van de verkeerde overledene. Het gegeven ontslag is terecht gegeven. Naar de mening van Yarden dient het door [eiser] gevorderde dan ook te worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
4 De beoordeling
4.1.
Vooropgesteld wordt dat nu het hier gaat om een loonvordering de spoedeisendheid van de zaak gegeven is.
4.2.
In deze procedure dient beoordeeld te worden of de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat, vooruitlopend daarop, (gedeeltelijke) toewijzing van die vorderingen bij wijze van voorlopige voorziening reeds nu gerechtvaardigd is. Voorts heeft daarbij als uitgangspunt te gelden dat de rechter in kort geding zonder nader feitenonderzoek en bewijsvoering dient te oordelen op basis van het thans beschikbare materiaal.
4.3.
Zowel door Yarden als door collega’s van [eiser] is uitgebreid uiteengezet hoe gehandeld dient te worden volgens de van toepassing zijnde protocollen. Ook [eiser] is, naar onweersproken vast is komen te staan, bekend met deze protocollen. Tevens is komen vast te staan dat hij op 27 januari 2021 in strijd heeft gehandeld met deze protocollen, door geen tweede medewerker in te schakelen.
4.4.
[eiser] stelt weliswaar dat als gevolg van drukte deze werkzaamheden met enige regelmaat door iemand alleen werden/worden verricht en dat later op de dag iemand de stukken als tweede medewerker aftekent en heeft die stelling onderbouwd met één verklaring van een collega, maar daar staan de verklaringen van Yarden en meerdere andere collega’s tegenover die het tegendeel beweren.
4.5.
Tegenover de met één verklaring onderbouwde stellingen van [eiser] staan derhalve de talrijke verklaringen die Yarden heeft ingebracht. In rechte kan daarom niet worden vastgesteld dat de stellingen van [eiser] kloppen en kan dus niet geoordeeld worden dat de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat, vooruitlopend daarop, (gedeeltelijke) toewijzing van die vorderingen bij wijze van voorlopige voorziening reeds nu gerechtvaardigd is. Over de feiten die door Yarden aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, lopen de lezingen te ver uiteen. Om hierover uitsluitsel te krijgen is nader onderzoek naar de feiten nodig waarvoor dit kort geding zich niet leent.
4.6.
Het vorenstaande leidt er toe dat er onvoldoende grond bestaat bij wijze van voorlopige voorziening te oordelen dat voldoende is komen vast te staan dat [eiser] recht heeft op doorbetaling van loon.
4.7.
Dit brengt met zich dat de loonvordering en de daarmee samenhangende vorderingen niet toewijsbaar zijn.
4.8.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Yarden worden begroot op € 747,- aan salaris gemachtigde.
5 De beslissing
De kantonrechter als voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Yarden tot op heden begroot op € 747,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.1