Beoordeling
Bij de beoordeling van de vordering gaat de rechter-commissaris uit van de volgende uit de beschikbare stukken tot dusver gebleken feiten of omstandigheden.
Op zondag 6 januari 2013 omstreeks 13:30 uur is op de oever langs het grindgat ter hoogte van de Pietersplas te Maastricht het stoffelijk overschot aangetroffen van een onbekende vrouw, vermoedelijk van Europese afkomst. De doodsoorzaak kon niet worden vastgesteld. Uit de restanten van het stoffelijk overschot heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) wel een autosomaal DNA-profiel verkregen, dat op 26 april 2013 is opgenomen in de Nederlandse databank Vermiste Personen.
In oktober 2014 heeft de officier van justitie door middel van een rechtshulpverzoek aan het Federaal Parket Brussel verzocht het DNA-profiel van de onbekende dode vrouw te vergelijken met de bestanden in de daarvoor in aanmerking komende Belgische databanken. Op 29 januari 2015 is vanuit België bericht dat het DNA-profiel van de onbekende dode vrouw overeenkwam met een DNA-profiel van een bloedspoor op een bankafschrift dat is aangetroffen in de kofferruimte van de auto van een verdachte in een Belgische strafzaak. Deze verdachte is terzake het aantreffen van het stoffelijk overschot eenmalig gehoord; de verdachte heeft ter gelegenheid van dat verhoor verklaard er niets mee te maken te hebben en de identiteit van de onbekende dode vrouw niet te kennen.
Tot op heden heeft geen identificatie kunnen plaatsvinden van de onbekende dode vrouw, die onverkort wordt aangemerkt als mogelijk slachtoffer van een levensdelict. De officier van justitie stelt zich in deze zaak op het standpunt dat daarom DNA-onderzoek dat is gericht op het vinden van verwanten van de onbekende dode vrouw noodzakelijk is om haar identiteit te kunnen vaststellen en dat daartoe ook voldoende biologisch materiaal van haar beschikbaar is op basis waarvan een SNP-DNA profiel kan worden vervaardigd. SNP-DNA-profielen bestaan, zo heeft de officier van justitie verder toegelicht, uit veel meer en gedetailleerdere DNA-kenmerken dan de STR-DNA-profielen die in het kader van het reguliere verwantschapsonderzoek worden gebruikt.
Vast staat dat een SNP-DNA-profiel geschikt is om in te zetten bij een verwantschapsonderzoek in de (private) genealogische DNA-databanken van GEDMatch en FamilyTreeDNA. Beide databanken zijn gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika.
Uit het eerste lid (eerste volzin) van artikel 151da, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat met het in dit artikel geregelde DNA-verwantschapsonderzoek een uitzondering wordt gemaakt op het algemene verbod om genetische gegevens te verwerken. Dat verbod is namelijk niet van toepassing indien in het belang van het onderzoek een DNA-verwantschapsonderzoek wordt verricht. Ingeval het DNA-onderzoek verricht wordt met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig dit wetboek of een andere wet verwerkt zijn, kan het bevel slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie.
Niet ter disuccies staat dat het door de officier van justitie verlangde DNA-onderzoek in een private genealogische databank een onderzoek is als bedoeld in artikel 151da, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), een onderzoek dus dat gericht is op het vaststellen van (biologische) verwantschap. De vraag die zich dan daarmee meteen aandient is of het DNA-verwantschapsonderzoek dat de officier van justitie voornemens is te bevelen een DNA-onderzoek is dat wordt verricht met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig dit wetboek of een andere wet (onderstreping door de rechter-commissaris) verwerkt zijn. Alleen in dat geval immers is, naar de letter van de wet, een aan het door de officier van justitie te geven bevel voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris nodig.
De officier van justitie is in deze strafzaak voornemens het (SNP-)DNA profiel van de onbekende dode vrouw eenmalig te vergelijken met de (SNP-)DNA-profielen die zijn opgenomen in de genealogisch (private) databanken van GEDMatch en FamilyTreeDNA van die personen die aan die private databanken expliciet toestemming hebben gegegeven dat hun (SNP-)DNA-profiel voor justitieel onderzoek mag worden aangewend. Na deze éénmalige vergelijking zal het (SNP-)DNA profiel van de onbekende dode vrouw uit de databanken worden verwijderd. Daarmee is dus ook gegeven dat het hier niet gaat om een DNA-verwantschapsonderzoek dat wordt verricht met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering, de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden of enige andere wet, zijn verwerkt en waarvoor een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris nodig is.
Artikel 151a Sv regelt en normeert het zgn. klassieke DNA-onderzoek, dat wil zeggen onderzoek van celmateriaal dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen. De officier van justitie kan zo’n klassiek DNA-onderzoek ambtshalve of op verzoek van de verdachte of diens raadsman in het belang van het onderzoek bevelen. Een machtiging van de rechter-commissaris heeft hij daarvoor niet nodig. Dat is anders bij het grootschalig klassiek DNA-onderzoek. In de vijfde volzin van het eerste lid van artikel 151a Sv is immers bepaald dat aan een groep van vijftien derden of meer (personen die geen verdachten zijn dus) slechts na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie kan worden verzocht celmateriaal voor een klassiek DNA-onderzoek af te staan. Aldus is het grootschalig (klassiek) DNA-onderzoek in de wet geïntroduceerd.
De rechter-commissaris heeft daarom nog kort stilgestaan bij de vraag of, naar analogie van het bepaalde in artikel 151a, lid 1, vijfde volzin, Sv vanwege het enkele feit dat het hier gaat om een grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek (waarbij dus een groeep van 15 of meer personen is betrokken) niet tóch een machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk is. Bij het grootschalig klassiek DNA-onderzoek moet volgens de wetgever1 de rechtvaardiging van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris worden gezocht in de mate waarin een dergelijk onderzoek ingrijpt in de persoonlijke (waarschijnlijk: lichamelijke) integriteit van mensen die voor het overgrote deel niet betrokken zijn bij een misdrijf. Om te voorkomen dat daarmee al te lichtvaardig wordt omgesprongen is tussenkomst van de rechter-commissaris vereist, die moet zorgen voor een welafgewogen beslissing omtrent het grootschalig onderzoek. Die meer toezichthoudende rol van de rechter-commissaris paste volgens de wetgever ook beter bij het nieuwe takenpakket zoals die vorm kreeg in het wetsvoorstel Wet versterking rechtspositie rechter-commissaris. Daarbij dient hij in de eerste plaats te beoordelen of alle middelen zijn ingezet in het opsporingstraject en dat slechts grootschalig klassiek DNA-onderzoek tot ontknoping van het misdrijf kan zorgen.
De rechter-commissaris stelt allereerst vast dat de aan de wetsgeschiedenis ontleende argumenten voor de schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris bij een grootschalig klassiek DNA-onderzoek niet, althans in aanmerkelijk mindere mate opgaan bij een grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek zoals de officier van justitie dat voor ogen heeft. Om te beginnen wordt niet een grote groep personen actief benaderd met het verzoek vrijwillig celmateriaal af te staan. Het gaat hier om personen die weliswaar evenals in het klassiek grootschalig DNA-onderzoek voor het overgrote deel niet betrokken zijn bij een misdrijf maar wel om een groep personen die, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, welbewust en uit vrije wil ervoor gekozen hebben celmateriaal af te staan en hun DNA-profiel onder te brengen in private genealogische databanken met als doel te worden vergeleken met andere DNA-profielen in die databank, ook als dat gebeurt ten behoeve van de opsporing van een strafbaar feit. Daarmee is de inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer vele malen geringer dan dat het geval is bij een grootschalig klassiek DNA-onderzoek. Daarbij berekt de rechter-commissaris uitdrukkelijk dat bij het grotschalig DNA-verwantschapsonderzoek geen personen als verdachte in beeld kunnen komen enkel omdat ze hun medewerking aan het DNA-verwantschapsonderzoek hebben onthouden omdat zij bij registratie bij de private databank hebben geweigerd celmateriaal af te staan.
Tegen de achtergrond van het voorgaande stelt de rechter-commissaris vast dat (ook) de wetsgeschiedenis, waarnaar ook de officier van justitie in de vordering verwijst, geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk is bij een (grootschalig) DNA-verwantschapsonderzoek. Desondanks, hoewel de wet noch de wetsgeschiedenis daartoe dwingt, heeft de officier van justitie, vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid, een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris gevorderd.
De rechter-commissaris stelt voorop dat de mogelijkheid om van hem een machtiging te vorderen voor het uitoefenen van een bevoegdheid waarvoor de wet geen machtiging eist, wel goed past bij de aan de rechter-commissaris door de wetgever toegedichte op de rechtmatige toepassing van opsporingsbevoegdheden toezichthoudende rol van de rechter-commissaris in het opsporingsonderzoek. In lijn daarmee is dan dat de officier van justitie bij sommige bevoegdheden ervoor kan kiezen toch een vordering te doen tot het verrichten van een onderzoekhandeling door de rechter-commissaris terwijl hij die desbetreffende bevoegdheid ook zelf en zonder tussenkomst van de rechter-commissaris zou kunnen uitoefenen. De rechter-commissaris wijst in dat verband bijvoorbeeld op de schouw. Met die keus van de officier van justitie krijgt het inschakelen van de rechter-commissaris de notie van een extra waarborg voor een evenwichtig, volledig en dus rechtmatig opsporingsonderzoek.
Naar het de rechter-commissaris wil voorkomen, moet uit het voorgaande woren afgeleid dat het de officier van justitie, ook buiten de situaties dat de wet met zoveel woorden voorschrijft dat een bevoegdheid in het opsporingsonderzoek niet kan worden uitgeoefend zonder voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris, te allen tijde vrij staat ook buiten de in de wet expliciet geregelde gevallen, een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. En in dat laatste geval is de rechter-commissaris ook gehouden inhoudelijk op de vordering te beslissen.
De rechter-commissaris stelt vast dat de officier van justitie voornemens is een (grootschalig) DNA-verwantschapsonderzoek in te zetten om een ernstig strafbaar feit op te helderen. In dit geval bestaat nog steeds de verdenking dat de onbekende dode vrouw moedwillig om het leven is gebracht. Dat is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.
Nu uit de vordering verder blijkt welke opsporingsbevoegdheden tot dusver – en zonder succes – zijn ingezet om tot opheldering van het (mogelijke) strafbare feit te komen, en acht slaande op de mate van schending van de lichamelijke integriteit van de personen wier in de betreffende (private) DNA-databanken opgenomen DNA-profiel in de vergelijking wordt betrokken, komt de rechter-commissaris tot het oordeel dat de inzet van de door de officier van justitie te bevelen opsporingsbevoegdheid kan bijdragen aan enige in de strafzaak te nemen beslissing. Van een schending van de eisen van proportionaliteit en/of subsidiariteit is geen sprake.
De rechter-commissaris is daarom van oordeel, en met inachtneming van al het voorgaande, dat de vordering van de officier van justitie kan worden toegewezen op de gronden, op de wijze en onder de voorwaarden als in de vordering nader omschreven.