Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBLIM:2023:5931

Rechtbank Limburg
17-08-2023
05-10-2023
03.008389.04
Strafrecht
Beslissing RC

Machtiging van de rechter-commissaris tot het verrichten van een actief (grootschalig) DNA-verwantschapsonderzoek ex artikel 151da WvSv. De vordering behelst een DNA-onderzoek gericht op het vaststellen van verwantschap door het SNP-DNA profiel van een onbekende verdachte van een woningoverval met dodelijk afloop in 2014 eenmalig te vergelijken met de SNP-DNA-profielen die zijn opgenomen in de genealogische DNA-databanken van GEDMatch en FamilyTreeDNA. Vergelijking vindt alleen plaats met het DNA van personen die expliciet toestemming hebben gegeven dat hun profiel voor justitieel onderzoek mag worden aangewend. Rechter-commissaris wijdt overwegingen aan de vraag of een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk is. Gemotiveerde toewijzing van de vordering.

Rechtspraak.nl
NJFS 2023/251

Uitspraak

Rechtbank Limburg

rechter-commissaris in strafzaken

zittingsplaats Roermond

parketnummer : 03.008389.04

datum : 17 augustus 2023

machtiging bevel tot het verrichten van een actief (grootschalig) DNA-verwantschapsonderzoek als bedoeld in artikel 151da van het Wetboek van Strafvordering

in de strafzaak tegen de verdachte:

NN

Procedure

De officier van justitie heeft op 15 augustus 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris hem machtiging verleent tot het verrichten van een actief (grootschalig) DNA-verwantschapsonderzoek.

Beoordeling

Bij de beoordeling van de vordering gaat de rechter-commissaris uit van de volgende uit het opsporingsonderzoek tot dusver gebleken feiten of omstandigheden.

Op zaterdagavond 14 augustus 2004 stormt een onbekende man de woning binnen van het echtpaar [slachtoffer ] , dat zich op dat moment bevond in de woonkamer van die woning gelegen aan de [adres slachtoffer] in Berg en Terblijt. Met een knuppel en een zaag gaat de onbekende het echtpaar te lijf, daarna doorzoekt hij de woning. De mannelijke helft van het overvallen echtpaar overlijdt ter plaatse aan de opgelopen verwondingen, de vrouw overleeft en weet, ondanks haar ernstige verwondingen, de politie te alarmeren. Uit forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat sprake is van één dader, die de woning binnen is gekomen door een openstaand slaapkamerraam. Van de dader, die vermoedelijk van Europese en mogelijk zelfs Nederlandse herkomst is, zijn schoenen aangetoffen op de plaats delict en, op een bankje tegenover de woning, een trui en sokken. Van de dader is tevens een dactyloscopisch spoor in of met bloed alsmede een DNA-profiel veiliggesteld. Het DNA-profiel van de onbekende dader is opgenomen in de Nederlandse databank Vermiste Personen. Dit heeft tot op heden niet tot een treffer geleid. Ook alle andere tot dusver ingezette opsporingsmiddelen hebben niet tot herkenning of identificatie van de dader/ NN-verdachte geleid. De rechter-commissaris verwijst in dit verband naar de toelichting daarop door de officier van justitie in de vordering.

De officier van justitie stelt zich in deze zaak op het standpunt dat daarom DNA-onderzoek dat is gericht op het vinden van verwanten van de NN-verdachte noodzakelijk is om op die manier diens identiteit te kunnen vaststellen en dat daartoe ook voldoende biologisch materiaal van de NN-verdachte beschikbaar is op basis waarvan een SNP-DNA profiel kan worden vervaardigd. Een SNP-DNA-profiel is geschikt om in te zetten, zo heeft de officier van justitie verder toegelicht, bij een verwantschapsonderzoek in de (private) genealogische DNA-databanken van GEDMatch en FamilyTreeDNA. Beide databanken zijn gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika.

Uit het eerste lid (eerste volzin) van artikel 151da, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat met het in dit artikel geregelde DNA-verwantschapsonderzoek een uitzondering wordt gemaakt op het algemene verbod om genetische gegevens te verwerken. Dat verbod is namelijk niet van toepassing indien in het belang van het onderzoek een DNA-verwantschapsonderzoek wordt verricht. Ingeval het DNA-onderzoek verricht wordt met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig dit wetboek of een andere wet verwerkt zijn, kan het bevel slechts worden gegeven na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie.

Niet ter disuccies staat dat het door de officier van justitie verlangde DNA-onderzoek in een private genealogische databank een onderzoek is als bedoeld in artikel 151da, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), een onderzoek dus dat gericht is op het vaststellen van (biologische) verwantschap. De vraag die zich dan daarmee meteen aandient is of het DNA-verwantschapsonderzoek dat de officier van justitie voornemens is te bevelen een DNA-onderzoek is dat wordt verricht met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig dit wetboek of een andere wet (onderstreping door de rechter-commissaris) verwerkt zijn. Alleen in dat geval immers is, naar de letter van de wet, een aan het door de officier van justitie te geven bevel voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris nodig.

De officier van justitie is in deze strafzaak voornemens het (SNP-)DNA profiel van de NN-verdachte eenmalig te vergelijken met de (SNP-)DNA-profielen die zijn opgenomen in de genealogisch (private) databanken van GEDMatch en FamilyTreeDNA van die personen die aan die private databanken expliciet toestemming hebben gegegeven dat hun (SNP-)DNA-profiel voor justitieel onderzoek mag worden aangewend. Na deze éénmalige vergelijking zal het (SNP-)DNA profiel van deze NN-verdachte uit de databanken worden verwijderd. Daarmee is dus ook gegeven dat het hier niet gaat om een DNA-verwantschapsonderzoek dat wordt verricht met behulp van de DNA-profielen, die overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering, de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden of enige andere wet, zijn verwerkt en waarvoor een voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris nodig is.

Artikel 151a Sv regelt en normeert het zgn. klassieke DNA-onderzoek, dat wil zeggen onderzoek van celmateriaal dat gericht is op het vergelijken van DNA-profielen. De officier van justitie kan zo’n klassiek DNA-onderzoek ambtshalve of op verzoek van de verdachte of diens raadsman in het belang van het onderzoek bevelen. Een machtiging van de rechter-commissaris heeft hij daarvoor niet nodig. Dat is anders bij het grootschalig klassiek DNA-onderzoek. In de vijfde volzin van het eerste lid van artikel 151a Sv is immers bepaald dat aan een groep van vijftien derden of meer (personen die geen verdachten zijn dus) slechts na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie kan worden verzocht celmateriaal voor een klassiek DNA-onderzoek af te staan. Aldus is het grootschalig (klassiek) DNA-onderzoek in de wet geïntroduceerd.

De rechter-commissaris heeft daarom nog kort stilgestaan bij de vraag of, naar analogie van het bepaalde in artikel 151a, lid 1, vijfde volzin, Sv vanwege het enkele feit dat het hier gaat om een grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek (waarbij dus een groeep van 15 of meer personen is betrokken) niet tóch een machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk is. Bij het grootschalig klassiek DNA-onderzoek moet volgens de wetgever1 de rechtvaardiging van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris worden gezocht in de mate waarin een dergelijk onderzoek ingrijpt in de persoonlijke (waarschijnlijk: lichamelijke) integriteit van mensen die voor het overgrote deel niet betrokken zijn bij een misdrijf. Om te voorkomen dat daarmee al te lichtvaardig wordt omgesprongen is tussenkomst van de rechter-commissaris vereist, die moet zorgen voor een welafgewogen beslissing omtrent het grootschalig onderzoek. Die meer toezichthoudende rol van de rechter-commissaris paste volgens de wetgever ook beter bij het nieuwe takenpakket zoals die vorm kreeg in het wetsvoorstel Wet versterking rechtspositie rechter-commissaris. Daarbij dient hij in de eerste plaats te beoordelen of alle middelen zijn ingezet in het opsporingstraject en dat slechts grootschalig klassiek DNA-onderzoek tot ontknoping van het misdrijf kan zorgen.

De rechter-commissaris stelt allereerst vast dat de aan de wetsgeschiedenis ontleende argumenten voor de schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris bij een grootschalig klassiek DNA-onderzoek niet, althans in aanmerkelijk mindere mate opgaan bij een grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek zoals de officier van justitie dat voor ogen heeft. Om te beginnen wordt niet een grote groep personen actief benaderd met het verzoek vrijwillig celmateriaal af te staan. Het gaat hier om personen die weliswaar evenals in het klassiek grootschalig DNA-onderzoek voor het overgrote deel niet betrokken zijn bij een misdrijf maar wel om een groep personen die, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, welbewust en uit vrije wil ervoor gekozen hebben celmateriaal af te staan en hun DNA-profiel onder te brengen in private genealogische databanken met als doel te worden vergeleken met andere DNA-profielen in die databank, ook als dat gebeurt ten behoeve van de opsporing van een strafbaar feit. Daarmee is de inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer vele malen geringer dan dat het geval is bij een grootschalig klassiek DNA-onderzoek. Daarbij betrekt de rechter-commissaris uitdrukkelijk dat bij het grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek geen personen als verdachte in beeld kunnen komen enkel omdat ze hun medewerking aan het DNA-verwantschapsonderzoek hebben onthouden omdat zij bij registratie bij de private databank hebben geweigerd celmateriaal af te staan.

Tegen de achtergrond van het voorgaande stelt de rechter-commissaris vast dat (ook) de wetsgeschiedenis, waarnaar ook de officier van justitie in de vordering verwijst, geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk is bij een (grootschalig) DNA-verwantschapsonderzoek. Desondanks, hoewel de wet noch de wetsgeschiedenis daartoe dwingt, heeft de officier van justitie, vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid, een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris gevorderd.

De rechter-commissaris stelt voorop dat de mogelijkheid om van hem een machtiging te vorderen voor het uitoefenen van een bevoegdheid waarvoor de wet geen machtiging eist, wel goed past bij de aan de rechter-commissaris door de wetgever toegedichte op de rechtmatige toepassing van opsporingsbevoegdheden toezichthoudende rol van de rechter-commissaris in het opsporingsonderzoek. In lijn daarmee is dan dat de officier van justitie bij sommige bevoegdheden ervoor kan kiezen toch een vordering te doen tot het verrichten van een onderzoekhandeling door de rechter-commissaris terwijl hij die desbetreffende bevoegdheid ook zelf en zonder tussenkomst van de rechter-commissaris zou kunnen uitoefenen. De rechter-commissaris wijst in dat verband bijvoorbeeld op de schouw. Met die keus van de officier van justitie krijgt het inschakelen van de rechter-commissaris de notie van een extra waarborg voor een evenwichtig, volledig en dus rechtmatig opsporingsonderzoek.

Naar het de rechter-commissaris wil voorkomen, moet uit het voorgaande woren afgeleid dat het de officier van justitie, ook buiten de situaties dat de wet met zoveel woorden voorschrijft dat een bevoegdheid in het opsporingsonderzoek niet kan worden uitgeoefend zonder voorafgaande schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris, te allen tijde vrij staat ook buiten de in de wet expliciet geregelde gevallen, een machtiging van de rechter-commissaris te vorderen. En in dat laatste geval is de rechter-commissaris ook gehouden inhoudelijk op de vordering te beslissen.

De brute roofoverval op het oudere echtpaar in Berg en Terblijt, nu bijna 20 jaar geleden, heeft de rechtsorde ernstig geschokt. Voor de nabestaanden van de slachtoffers moet het onverteerbaar zijn dat degene die hiervoor verantwoordelijk is, zich nooit voor een rechter voor zijn daad heeft moeten verantwoorden. De rechter-commissaris stelt vast dat de officier van justitie thans voornemens is een (grootschalig) DNA-verwantschapsonderzoek in te zetten als voorlopige laatste middel om een ernstig strafbaar feit op te helderen. Op dat feit is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer gesteld.

Nu uit de vordering verder blijkt welke opsporingsbevoegdheden tot dusver – en zonder succes – zijn ingezet om tot opheldering van het (mogelijke) strafbare feit te komen, en acht slaande op de mate van schending van de lichamelijke integriteit van de personen wier in de betreffende (private) DNA-databanken opgenomen DNA-profiel in de vergelijking wordt betrokken, komt de rechter-commissaris tot het oordeel dat de inzet van de door de officier van justitie te bevelen opsporingsbevoegdheid kan bijdragen aan enige in de strafzaak te nemen beslissing. Van een schending van de eisen van proportionaliteit en/of subsidiariteit is geen sprake.

De rechter-commissaris is daarom van oordeel, en met inachtneming van al het voorgaande, dat de vordering van de officier van justitie kan worden toegewezen op de gronden, op de wijze en onder de voorwaarden als in de vordering nader omschreven.

Beslissing

De rechter-commissaris:

- machtigt de officier van justitie overeenkomstig de vordering van 15 augustus 2023.

Deze beslissing is op 17 augustus 2023 genomen door mr. F.L.G. Geisel, rechter-commissaris.

1 TK 2010-2011, 32 168, nrs. 14 en 15

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.