Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBLIM:2024:538

Rechtbank Limburg
06-02-2024
12-02-2024
ROE 22/2304 en 2305
Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Twee beroepen tegen de vaststellingen van de eigen bijdragen voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) voor twee verschillende periodes in 2022.

De beroepen van eiseres zien er in de kern op dat ten onrechte een percentage van 4% is gehanteerd bij de vermogensinkomensbijtelling. Dit standpunt deelt de rechtbank niet. De rechtbank volgt de verwijzing van eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 evenmin. Dat arrest gaat namelijk over de vermogensrendementsheffing, terwijl het beroep van eiseres gaat over de vermogensinkomensbijtelling.

Beroepen ongegrond.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: ROE 22/2304 en ROE 22/2305


uitspraak van de meervoudige kamer van 6 februari 2024 in de zaken tussen


[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. G.A.J.M. Niederer),

en

het Centraal Administratie Kantoor (CAK), verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Mizab).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de twee beroepen van eiseres tegen de vaststellingen van de eigen bijdragen voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) voor twee verschillende periodes in 2022.

1.1.

Met de bestreden besluiten van 18 en 25 augustus 2022 op de bezwaren van eiseres is verweerder bij die besluiten gebleven.

1.2.

Het beroep tegen het bestreden besluit van 18 augustus 2022 is geregistreerd onder zaaknummer ROE 22/2305. Het beroep tegen het bestreden besluit van 25 augustus 2022 is geregistreerd onder zaaknummer ROE 22/2304.

1.3.

Verweerder heeft voor het verweer verwezen naar de bestreden besluiten.

1.4.

De rechtbank heeft de beroepen op 4 december 2023 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van de besluiten

2. Sinds 7 februari 2022 verblijft eiseres in een zorginstelling waarvoor zij op grond van de Wlz een eigen bijdrage moet betalen.

2.1.

Bij besluit van 25 maart 2022 heeft verweerder de eigen bijdrage van eiseres voor zorg vanuit de Wlz voor de periode van 7 februari 2022 tot en met 6 juni 2022 vastgesteld op € 233,33 per maand. Dit is een lage eigen bijdrage.

2.2.

Bij besluit van 27 mei 2022 heeft verweerder de eigen bijdrage van eiseres voor zorg vanuit de Wlz vanaf 7 juni 2022 vastgesteld op € 1.446,33 per maand. Dit is een hoge eigen bijdrage.

2.3.

Verweerder is bij beide besluiten uitgegaan van de gegevens van de Belastingdienst over het peiljaar 2020. Het verzamelinkomen van eiseres bedraagt € 25.221,-, de verschuldigde belasting bedraagt € 1.659,- en de grondslag sparen en beleggen bedraagt € 69.476,-.

2.4.

Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder haar bezwaren – zonder hoorzitting – kennelijk ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of eiseres over de periode 7 februari 2022 tot en met 31 december 2022 terecht de hiervoor genoemde eigen bijdragen op grond van de Wlz heeft betaald. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.

4. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Heeft verweerder bij de vermogensinkomensbijtelling terecht een percentage van 4% gehanteerd?

De standpunten van partijen

5. Eiseres is het niet eens met de bijtelling van het vermogen op 1 januari 2020, meer in het bijzonder de gehanteerde 4%-grondslag en de inbreuk die daarmee volgens haar wordt gemaakt op het ongestoorde genot van eigendom en het discriminatieverbod als bedoeld in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseres wijst er daarbij op dat in artikel 3.3.1.2 van het Besluit langdurige zorg (Blz) voor de vermogensgrondslag aansluiting wordt gezocht bij de Wet inkomstenbelasting 2001. Volgens eiseres geldt dit dan ook voor het gehanteerde bijtellingspercentage. Omdat bij de belastingheffing sinds 1 januari 2017 geen gebruik meer wordt gemaakt van een rendement van 4%, ligt het naar de mening van eiseres in de rede dat dit dan ook bij de bijtelling van het vermogen voor de eigen bijdrage is komen te vervallen. Het arrest van de Hoge Raad van 24 december 20211 brengt hier volgens eiseres verandering in. De in het jaar 2017 ingegane wettelijke regeling van het belasten van spaargeld en overige beleggingen in box 3 van de inkomstenbelasting (de vermogensrendementsheffing) is volgens de Hoge Raad in strijd met het ongestoord genot van eigendom uit artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM en het discriminatieverbod uit artikel 14 van het EVRM. Daarmee is volgens eiseres komen vast te staan dat de regeling met betrekking tot de bijtelling van het vermogen bij het bijdrageplichtig inkomen (vooralsnog) een wettelijke grondslag ontbeert en de bijtelling dus geen legitiem doel nastreeft. Ook de proportionaliteit tussen doel en middel is niet meer aan de orde. De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarnaar verweerder verwijst in verband met de inbreuk op het eigendomsrecht zijn allemaal van vóór het arrest van de Hoge Raad, zodat het volgens eiseres de vraag is of de CRvB het standpunt daarover nog wel handhaaft.

5.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bijtellen van een percentage van het vermogen bij het vaststellen van de eigen bijdrage op grond van de Wlz los staat van het rendement van het vermogen waar de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021 over heeft geoordeeld. Het is voor het bijtellen van het vermogen ook niet van belang hoeveel het vermogen eiseres oplevert. Het doel van de vermogensinkomensbijtelling – en het in rekening brengen van een eigen bijdrage op zich – is het betaalbaar houden van de zorg. De wetgever acht het noodzakelijk dat iemand met vermogen ook een deel van het vermogen aanwendt ter bekostiging van de zorg. Het arrest van de Hoge Raad is dan ook niet van toepassing op de vermogensinkomensbijtelling, aldus verweerder. Verweerder is van mening dat de inbreuk die de vermogensinkomensbijtelling maakt op het eigendomsrecht van eiseres een wettelijke basis heeft2 en toegankelijk, nauwkeurig en voorzienbaar is, en dat dit daarom een gerechtvaardigde inbreuk is.

Het wettelijk kader

5.2.

In artikel 3.2.5, eerste lid, van de Wlz is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde de kosten daarvan gedeeltelijk draagt. De eigen bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort, de zorg die verstrekt wordt en de wijze waarop het recht op zorg tot gelding wordt gebracht, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

5.2.1.

De hiervoor genoemde algemene maatregel van bestuur is het Besluit langdurige zorg (Blz).

5.2.2.

Op grond van artikel 3.3.1.1., tweede lid, van het Blz is de eigen bijdrage mede afhankelijk van het inkomen en het vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.

5.2.3.

Op grond van artikel 3.3.1.2., eerste lid, van het Blz is het vermogen van een persoon zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid.

Volgens het tweede lid van dit artikel is de vermogensgrondslag van een persoon zijn grondslag sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 over het peiljaar.

5.2.4.

Op grond van artikel 3.3.1.3., eerste lid, van het Blz is de verzekerde de eigen bijdrage verschuldigd aan het CAK.

Volgens het vierde lid, aanhef en onder a, van dit artikel maakt het CAK voor de vaststelling van de eigen bijdrage gebruik van het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awir), en van andere door de inspecteur, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, van de Awir, verstrekte gegevens.

5.2.5.

In artikel 3.3.2.3. van het Blz staat hoe het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.3.2.1., eerste lid, moet worden berekend. In het eerste lid van dit artikel, aanhef en onder c, staat dat het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling over het peiljaar.

5.2.6.

In artikel 3.3.1.2a, vierde lid, van het Blz, is bepaald dat de vermogensinkomensbijtelling 4% bedraagt van het vermogen van de ongehuwde verzekerde.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis van de Wlz blijkt dat de wetgever – net als bij de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) – een bewuste keuze heeft gemaakt voor het vragen van eigen bijdragen voor kosten van zorg.3 De eigen bijdrage wordt geheven, omdat het redelijk wordt geacht dat de gebruiker van zorg bijdraagt in de kosten van zorg. De gedachte die uitgaat van de eigen bijdrage sluit in die zin ook aan bij de eigen (financiële) verantwoordelijkheid die de regering in de Wlz wil bevorderen. Cliënten met een hoger inkomen en vermogen kunnen een groter deel van hun zorgkosten zelf dragen dan cliënten met een lager inkomen en vermogen. De overheid biedt met de Wlz een financieel vangnet voor kosten die cliënten die op zorg vanuit de Wlz zijn aangewezen, redelijkerwijs niet zelf kunnen betalen. Voor zorg met verblijf geldt bovendien dat de verzekerde aanzienlijk bespaart op uitgaven aan wonen, eten en drinken en andere kosten die verband houden met zelfstandig wonen. Eigen bijdragen zijn ook nodig om de Wlz betaalbaar te houden.

5.4.

Verweerder heeft geen ruimte om af te wijken van het toetsingskader zoals hiervoor onder 5.2. tot en met 5.2.6. beschreven. Hieruit volgt ook dat verweerder verplicht is om uit te gaan van de door de Belastingdienst ontvangen gegevens. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd verklaard zich in deze gegevens te kunnen vinden (het verzamelinkomen van € 25.221,-, de verschuldigde belasting van € 1.659,- en de grondslag sparen en beleggen van € 69.476,-). De rechtbank stelt vast dat verweerder deze gegevens heeft gehanteerd in zijn berekening. De rechtbank oordeelt dat verweerder de vermogensinkomensbijtelling op basis daarvan correct heeft berekend. Verweerder is op grond van artikel 3.3.1.2a, vierde lid, van het Blz uitgegaan van 4% van de grondslag sparen en beleggen van € 69.476,- zijnde een bedrag van € 2.779,04. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres deze berekening ook niet weersproken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de eigen bijdrage van eiseres voor de periode 7 februari 2022 tot en met 31 december 2022 correct heeft berekend en vastgesteld zoals hiervoor in 2.1. en 2.2. is weergegeven.

5.5.

Het beroep van eiseres ziet er in de kern op dat ten onrechte een percentage van 4% is gehanteerd bij de vermogensinkomensbijtelling. Dit standpunt deelt de rechtbank niet. De rechtbank volgt de verwijzing van eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 evenmin. Dat arrest gaat namelijk over de vermogensrendementsheffing, terwijl het beroep van eiseres gaat over de vermogensinkomensbijtelling. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het vaststellen van de eigen bijdrage voor de Wlz, waarbij een vermogensinkomensbijtelling van 4% wordt gehanteerd, losstaat van en geen betrekking heeft op het door de Belastingdienst hanteren van een fictieve vermogensrendementsheffing voor de vermogensbelasting waar de Hoge Raad in het desbetreffende arrest over heeft geoordeeld. Met andere woorden: de vermogensinkomensbijtelling van 4% voor de eigen bijdrage in de Wlz is wat anders dan de fictieve 4% vermogensrendementsheffing, ook al geldt voor allebei een percentage van 4%. Eiseres heeft gelijk dat in artikel 3.3.1.2 van het Blz voor de vermogensgrondslag aansluiting wordt gezocht bij de Wet inkomstenbelasting 2001. Maar dat betekent niet dat voor het percentage van de vermogensinkomensbijtelling dan ook aansluiting moet worden gezocht bij het percentage dat voor de vermogensrendementsheffing wordt gebruikt. In de Wlz en de Blz is die koppeling niet gemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit daarover ook toegelicht dat uit de parlementaire geschiedenis niet volgt dat die koppeling er wel is: daaruit volgt juist dat die percentages – ook al zijn die allebei 4% – los staan van elkaar.4 Dit betekent dus ook dat het betoog van eiseres dat de vermogensinkomensbijtelling van 4% vanwege de uitspraken van de Hoge Raad5 over de vermogensrendementsheffing van 4% in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM feitelijke grondslag mist. Datzelfde geldt daarom voor de opmerking die eiseres maakt over de uitspraken van de CRvB hierover. De CRvB heeft bovendien al meerdere malen geoordeeld dat de vaststelling van de eigen bijdrage voor de Wlz niet in strijd is met het eigendomsrecht.6

5.6.

Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Kon verweerder afzien van een hoorzitting in bezwaar?

6. Eiseres is tot slot van mening dat verweerder haar in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft gehoord. De hoorplicht is een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure. Verweerder is daar ten onrechte van afgeweken. Gelet op de in bezwaar aan de orde gestelde problematiek kan er geen sprake zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar, aldus eiseres.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft kunnen afzien van het vragen van een mondelinge toelichting. Volgens verweerder was er in de zaken van eiseres redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat de bezwaren ongegrond zouden zijn. Daarom heeft verweerder eiseres niet om een mondelinge toelichting gevraagd.

6.2.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat er voor het bestuursorgaan een hoorplicht bestaat. Dit staat in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Van deze hoorplicht kan worden afgezien in de in artikel 7:3 van de Awb genoemde gevallen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake als ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordeed. Eiseres heeft in bezwaar alleen de vermogensinkomensbijtelling betwist. Verweerder heeft het betrekken van de vermogensinkomensbijtelling (4% van de grondslag sparen en beleggen) bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen op jaarbasis gebaseerd op de in 5.2.5. en 5.2.6. genoemde artikelen. Dit zijn dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen. Dit betekent dat verweerder niet de bevoegdheid had van deze bepalingen af te wijken. Bovendien bestond er, op grond van de bezwaarschriften, tussen partijen geen verschil van mening over de juistheid van de in de primaire besluiten aangenomen feiten en de bedragen waarop de berekeningen zijn gebaseerd. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb af kunnen zien van het horen van eiseres voordat op de bezwaren is beslist.

6.3.

Deze beroepsgrond slaagt dus evenmin.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de vaststelling van de eigen bijdrage over de periode 7 februari 2022 tot en met 31 december 2022 in stand blijft. Bij deze uitkomst wordt het verzoek om veroordeling van verweerder tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente afgewezen.

8. Omdat de beroepen niet slagen, krijgt eiseres geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, voorzitter, en mr. M.M.L. Goofers en mr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2024. .

griffier

Voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 6 februari 2024

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1 ECLI:NL:HR:2021:1963.

2 Namelijk artikel 3.2.5 van de Wlz en artikelen 3.3.1.1 en 3.3.1.3 van het Blz.

3 Tweede Kamer, 2013-2014, 33891, nr. 3, p. 42-43.

4 Kamerstuk II 2011-2012, 33204, nr. 4, p. 4-5. “b. De Afdeling merkt terecht op dat er geen relatie is met het fictieve rendement van het vermogen in box 3. Het percentage van 4% is gekozen omdat met dat percentage de beoogde besparing van € 80 miljoen op jaarbasis kan worden bereikt. Zoals de Afdeling verder terecht opmerkt, is voor deze maatregel gekozen om mensen met een vermogen een eigen bijdrage te laten betalen die meer in overeenstemming is met hun financiële situatie. Zoals hiervoor en ook in de memorie van toelichting is uiteengezet, gaat het daarbij maar om het heel beperkt laten meewegen van dat vermogen.”

5 Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, en Hoge Raad van 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.

6 Zie bijvoorbeeld CRvB van 7 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:653.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.