Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. In de bestuurlijke rapportage van 1 november 2024 staat dat tijdens een controle op 10 september 2024 op het adres [adres] te Susteren een Growshop dan wel een groothandel voor het faciliteren van Growshops is aangetroffen in het bedrijfspand op dit adres. Verzoekster is eigenaar van dit bedrijfspand. Bij het primaire besluit heeft verweerder het lokaal met bijbehorend perceel gesloten voor de duur van 6 maanden2 per 19 februari 2025. Verweerder heeft de begunstigingstermijn verlengd tot 5 maart 2025. Het bedrijf is inmiddels gesloten. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht het besluit te schorsen, zodat de bedrijfsvoering (tijdelijk) kan worden voortgezet.
Het standpunt van verzoekster.
2. Verzoekster voert aan -kort samengevat- dat verweerder niet bevoegd is tot sluiting van haar bedrijf, omdat zij geen Growshop is en haar producten niet zijn bedoeld voor illegale hennepteelt. Verder is zij van mening dat de sluiting niet noodzakelijk is, omdat de situatie niet als ernstig en omvangrijk kan worden aangemerkt. Bovendien had, volgens verzoekster, kunnen worden volstaan met een gedeeltelijke sluiting van het lokaal en/of bijbehorende erf. Ook heeft verweerder verzoekster niet de gelegenheid geboden om zelf aan de last te voldoen ter beëindiging aan de overtreding (bijvoorbeeld door aanpassing van haar assortiment). Ten slotte stelt verzoekster dat haar bedrijf niet (zomaar) kan worden verplaatst vanwege de aanpassingen aan het gebouw en dat de gevolgen onevenredig zijn, omdat verzoekster failliet zal gaan en dan ook haar personeel geen inkomen meer zal hebben.
Was verweerder bevoegd tot sluiting van het lokaal met bijbehorend perceel?
3. Op grond van de artikelen 13b en 11a van de Opiumwet is verweerder bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom als in een bedrijfspand voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan gelet op de aard, hoeveelheid, al dan niet in samenhang met andere feitelijkheden, kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat zij bestemd zijn om in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk in strijd met artikel 3 van de Opiumwet te handelen, zoals door (grootschalige/bedrijfsmatige) hennepteelt.
4. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat een deel van de goederen die verzoekster verkocht gebruikt kunnen worden bij grootschalige dan wel bedrijfsmatige illegale hennepteelt. De rapporteur, die kennis van deze materie heeft, heeft gewezen op de aanwezigheid (het voorhanden hebben en te koop aanbieden), de aard (professionaliteit), de grote hoeveelheid en het samenstel van de in het pand aangetroffen goederen, die voldoen aan vele (hoge) profesionaliteitsindicatoren als genoemd in de Aanwijzing Opiumwet en waarvan, bij de rapporteur, ambtshalve bekend is dat ze gebruikt (kunnen) worden binnen de grootschalige dan wel bedrijfsmatige (illegale) hennepteelt.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de in de bestuurlijke rapportage vermelde op het bedrijf van verzoekster aangetroffen situatie en het feit dat goederen van verzoekster zijn aangetroffen bij een Growshop in Nieuwstadt (en de eigenaar van de Growshop heeft verklaard dat hij de ‘spullen’ bij verzoekster heeft gekocht), verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de op het bedrijf voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen en dat de voorhanden zijnde voorwerpen bestemd waren voor het grootschalig dan wel beroepsmatig opzetten van (illegale) hennepplantages. Dat verzoekster ook wist dat haar goederen hiervoor gebruikt kunnen worden, blijkt onder meer uit het feit dat verzoekster haar klant een formulier liet tekenen om te beloven dat de goederen niet voor de hennepteelt gebruikt zouden worden. Ook heeft verzoekster eerder te maken gehad met een vergelijkbare maatregel, waardoor zij gewaarschuwd was over het soort producten dat vraagtekens oproept. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om het lokaal met bijbehorend erf te sluiten.
Was de sluiting van het lokaal met bijbehorend erf noodzakelijk?
6. Op grond van vaste rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken3 dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij kan van belang zijn of er feitelijke handel of loop is geconstateerd, dan wel of er sprake is van overlastmeldingen. Ook kan van belang zijn of sprake is van een ligging van het pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. Verder volgt uit de rechtspraak4 dat bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting de vraag aan de orde is of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
7. Verzoekster exploiteert ter plaatse een groothandel voor de professionele tuinbouw- en handelsonderneming. Het klantenbestand van verzoekster bestaat uit bedrijven en de goederen worden op de website van verzoekster aangeboden aan haar zakelijke klanten. Het pand kan niet door het publiek worden betreden. Goederen worden online besteld en dan bezorgd op het adres van de klant met vrachtwagens. De klanten zullen verzoekster daarom vooral kennen als een webshop, dat verzoeksters locatie ook bekendheid of aanloop geniet is vooralsnog niet gebleken. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat op dit moment nog maar de vraag is of er sprake is van ‘loop’ naar het lokaal. Verzoekster heeft in dit verband ter zitting ook toegelicht dat de meeste producten naar de klanten worden verzonden en niet worden opgehaald bij haar bedrijf. Heel af en toe heeft een klant een spoedorder en worden de spullen bij verzoekster afgehaald. Vooralsnog is niet gebleken dat het daarbij om klanten uit het illegale circuit gaat. Verzoekster heeft immers met stukken onderbouwd dat zij een zeer groot assortiment heeft, ongeveer 5000 producten, en dat zij levert aan allerlei bedrijven, waaronder tuincentra en universitaire onderzoeksinstellingen. Verder is ter zitting gebleken dat er geen overlastmeldingen bij verweerder bekend zijn en is ook van feitelijke (drugs)handel ter plaatse is niet gebleken. Verweerder heeft weliswaar aannemelijk gemaakt dat het lokaal gelegen is op een voor drugscriminaliteit kwetsbaar bedrijventerrein (Wolfskoul), vanwege haar ligging in het grensgebied, maar vanwege het feit dat er geen sprake is van ‘loop’ of overlast voor de omgeving moet daar minder gewicht aan worden toegekend. Dit betekent, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, dat onvoldoende is gebleken dat sluiting van het lokaal noodzakelijk was ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het lokaal en het herstel van de openbare orde. Dit is immers een maatregel die op het pand is gericht, terwijl in dit geval onvoldoende gemotiveerd is waarom er bekendheid van het pand bij het criminele circuit zou zijn. Hierbij acht de voorzieningenrechter het ook van belang dat verzoekster verweerder heeft aangeboden om haar assortiment aan te passen in overeenstemming met de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van State van 6 september 20245, zodat (waarschijnlijk) met een minder ingrijpend middel kan worden volstaan, namelijk een voorwaardelijke sluiting. Verweerder zal in de bezwaarprocedure moeten motiveren waarom een voorwaardelijke sluiting onder voorwaarden niet mogelijk is, als minder ingrijpende en doeltreffendere maatregel.
Moet het verzoek om een voorlopige voorziening worden toegewezen?
8. Deze vraag moet worden beantwoord op basis van een belangenafweging tussen enerzijds het (financiële) belang van verzoekster en anderzijds het belang van verweerder bij handhaving van de openbare orde en bescherming van het woon- en leefklimaat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster met de door haar overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij in ernstige financiële problemen (mogelijk zelfs een faillissement) is geraakt door de sluiting van het lokaal en dat zij haar personeel zal moeten ontslaan. Over het belang van verweerder overweegt de voorzieningenrechter dat er twijfels bestaan over de effectiviteit van de maatregel, omdat de verkoop van de goederen plaatsvindt via de webshop en dus ook vanaf een andere locatie zouden kunnen worden verstuurd of worden opgehaald, waarbij ook van belang is dat verzoekster ter zitting, onweersproken, heeft gesteld dat ook aan legale hennepkwekerijen wordt geleverd. Met betrekking tot de stelling van verweerder dat verzoekster tijdelijk vervangende bedrijfsruimte kan zoeken, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster met een rapport van een makelaar aannemelijk heeft gemaakt dat er geen vergelijkbare panden in de omgeving zijn waar zij gebruik van kan maken om (tijdelijk) haar bedrijf te voeren/producten naar te verplaatsen. Bovendien is de voorzieningenrechter, zoals hiervoor overwogen, vooralsnog niet duidelijk welk doel gediend is met het verplaatsen van de inventaris van verzoeksters webshop. Dit betekent dat in dit geval het (financiële) belang van verzoekster zwaarder weegt dan het belang dat verweerder behartigt en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht het verder aannemelijk dat een eventueel risico voor de openbare orde verminderd wordt, als het voorstel van verzoekster gevolgd wordt om (onverplicht) een gedeelte van haar assortiment hangende de bezwaarprocedure uit haar assortiment te verwijderen. Voor de lijst met te verwijderen goederen, heeft de voorzieningenrechter gekeken naar de eerder genoemde uitspraak6, en naar wat partijen hierover op zitting hebben gezegd. De voorzieningenrechter heeft de goederen uit de eerder genoemde uitspraak meegenomen, voor zover die ook bij verzoekster zijn aangetroffen. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat verzoekster haar assortiment niet zal uitbreiden met de in de uitspraak van de Raad van State vermeldde goederen, die niet zijn opgenomen in deze uitspraak. De voorzieningenrechter heeft een aantal door verweerder op zitting genoemde goederen niet op de lijst vermeld, omdat deze vrij algemeen zijn en ook voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt. Mocht verweerder van mening zijn dat ook andere goederen moeten worden vermeld dan kan hij, als hij zou besluiten over te gaan tot een voorwaardelijke sluiting, de lijst -gemotiveerd- uitbreiden bij de beslissing op bezwaar.
9. De voorzieningenrechter zal de voorlopige voorziening treffen dat de sluiting van het lokaal met bijbehorend perceel wordt geschorst. Daarbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verzoekster hangende het bezwaar en vanaf 14 dagen nadat deze uitspraak openbaar is gemaakt, niet de volgende goederen in het lokaal aanwezig heeft en deze niet te koop aanbiedt:
-de geldtelmachines;
-de sealbags;
-de gripzakken;
-de ventilatoren;
-de ventilatiebuizen;
-de slakkenhuizen;
-de voedingsmiddelen in de hoeveelheid van 10 liter van diverse merken.
Indien verweerder hangende het bezwaar constateert dat verzoekster toch een of meer van deze hiervoor genoemde goederen te koop aanbiedt, kan hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzoeken deze voorziening op te heffen of te wijzigen.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
11. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).