vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Civiel recht
handelskamer
zaaknummer / rolnummer: C/16/353913 / KL ZA 13-369
Vonnis in kort geding van 20 november 2013
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VERMOEIDHEIDCENTRUM NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Lelystad,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TECHNOFONDS FLEVOLAND B.V.,
gevestigd te Lelystad,
eiseressen in conventie,
verweersters in reconventie,
advocaat mr. B.J. van Dijen te Lelystad,
3 Het geschil in conventie en reconventie
3.1.
VCN c.s. vordert na eisvermeerdering – samengevat – [gedaagde sub 1] c.s. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. te gebieden (be)dreigende en/of lasterlijke en/of beledigende bejegingen (uitlatingen) jegens of betrekkelijk tot het Vermoeidheidscentrum Nederland B.V. en haar directieleden en overige medewerkers te staken en gestaakt te houden op straffe van een dwangsom van € 500,-- per overtreding en € 100,-- voor elke dag dat die overtreding voortduurt (niet herroepen wordt); met een maximum van € 50.000,--;
2. te gebieden correspondentie/e-mailverkeer over hun geschil met Vermoeidheidscentrum Nederland B.V. en/of diens aandeelhouders uitsluitend te voeren met de door deze aangewezen raadsman(nen) of –vrouw(en), en dat te doen zonder afschriften daarvan toe te zenden aan derden (officiële instanties waar zij zich formeel en concreet toe wenden daargelaten), beide op straffe van een dwangsom van € 500,-- per overtreding en € 100,-- voor elke dag dat de overtreding voortduurt (niet herroepen wordt); met een maximum van € 50.000,--;
3. te veroordelen tot nakoming van het non-concurrentiebeding in de participatieovereenkomst op straffe van een dwangsom van € 1.500,-- per overtreding en € 500,-- voor elke dag dat de overtreding voortduurt; met een maximum van € 100.000,--;
waarbij voor wat betreft de verschuldigdheid van de dwangsom geldt, dat wanneer de heer [gedaagde sub 1] namens Easy Med een overtreding begaat voor de verschuldigdheid van de dwangsom(men) geldt dat wanneer de een betaalt, de ander zal zijn gekweten.
4. Dit alles met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten
3.2.
VCN c.s. legt het volgende aan haar vordering in conventie ten grondslag. [gedaagde sub 1] c.s. komt het non-concurrentiebeding uit de participatieovereenkomst niet na. Omdat [gedaagde sub 1] c.s. zich op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gebonden is aan het non-concurrentiebeding, is een vordering tot nakoming op straffe van een dwangsom noodzakelijk. Voorts is sprake van een stelselmatig lastig vallen, op hinderlijke wijze bestoken en bedreigen van de directeur van VCN en van (be)dreigende en/of lasterlijke en/of beledigende bejegeningen/uitlatingen jegens VCN en haar orgaan directeur [A]. Daarmee handelt [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig jegens VCN c.s., te meer daar hij de laakbare e-mails aan een grote kring van partijen heeft verzonden, of zich geheel publiekelijk uitlaat. Daarmee brengt [gedaagde sub 1] c.s. aan VCN c.s. en haar directeur schade toe.
3.3.
[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer in conventie. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is de voorzieningenrechter te Lelystad onbevoegd. De vorderingen sub 1 en sub 2 van VCN c.s. zijn geen geschillen die voortvloeien uit artikel 25 van de participatieovereenkomst. Omdat [gedaagde sub 1] c.s. woonachtig is in Rotterdam, is de voorzieningenrechter te Rotterdam bevoegd van die vorderingen kennis te nemen. Van een samenhang tussen de vorderingen is geen sprake. Verder ontbreekt het spoedeisend belang bij de vorderingen van VCN c.s. De e-mailberichten en uitlatingen die aan de vorderingen ten grondslag worden gelegd zijn van 2012, of begin 2013 en VCN c.s. meent dat [gedaagde sub 1] c.s. al sinds mei 2012 het concurrentiebeding schendt. VCN c.s. heeft te lang gewacht met het instellen van haar vorderingen. Technofonds heeft geen belang bij de vorderingen sub 1, 2 en 4. VCN c.s. heeft geen belang bij haar vorderingen jegens Easy Med aangezien zij nimmer enige uitlatingen over [gedaagde sub 1] c.s. heeft gedaan. De uitlatingen in de e-mailberichten van [gedaagde sub 1] vallen onder zijn recht van vrijheid van meningsuiting. [gedaagde sub 1] c.s. betwist berichten op internet geplaatst te hebben, maar ook die worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting van degene die ze heeft geplaatst. Met haar vordering sub 2 doet VCN c.s. ten onrechte een beroep op het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst. Dat beding betreft slechts geschillen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst. Omdat de arbeidsovereenkomst is ontbonden, is [gedaagde sub 1] c.s. niet meer gehouden aan het concurrentiebeding uit de participatieovereenkomst. Deze is onlosmakelijk verbonden met de arbeidsovereenkomst. Redelijke uitleg van het concurrentiebeding brengt mee dat het beding is komen te vervallen, nu [gedaagde sub 1] c.s. niet meer in dienst is bij VCN c.s. Verder is Easy Med niet gebonden aan het concurrentiebeding. Deze werkt alleen jegens [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 1] c.s. betwist bovendien het concurrentiebeding geschonden te hebben. [gedaagde sub 1] is arbeidsongeschikt en voert geen praktijk. Nu er bij het concurrentiebeding geen boetebeding is opgenomen, is de gevorderde dwangsom niet aan de orde.
3.4.
In voorwaardelijke reconventie heeft [gedaagde sub 1] c.s., als uitvloeisel van zijn verweer in conventie, gevorderd dat VCN c.s., voor zover de voorzieningenrechter zou oordelen dat het concurrentiebeding geldt, het beding buiten werking dient te worden gesteld althans dat de werking hiervan wordt geschorst. VCN c.s. heeft geen belang bij het beding, terwijl [gedaagde sub 1] door dit beding onmogelijk nog zijn specialisatie kan uitoefenen. [gedaagde sub 1] beschikt niet over een andere bron van inkomsten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling in conventie en reconventie
4.1.
In deze zaak dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de voorzieningenrechter bevoegd is om van de vorderingen van VCN c.s. kennis te nemen. [gedaagde sub 1] c.s. beroept zich ten aanzien van de vorderingen sub 1 en sub 2 op onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, nu volgens [gedaagde sub 1] c.s. deze vorderingen geen geschillen zijn uit hoofde van de participatieovereenkomst of in het kader van de financiering. Het bepaalde in artikel 25 van de participatieovereenkomst (zie hierboven sub 2.1. onder i.) geldt daarom volgens [gedaagde sub 1] c.s. niet ten aanzien van deze vorderingen. VCN c.s. betoogt dat de voorzieningenrechter bevoegd is.
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter spruiten de gevraagde voorzieningen allen voort uit de participatieovereenkomst. De kern van het conflict tussen partijen is immers gelegen in de participatieovereenkomst. Meer in het bijzonder is de kern van het conflict gelegen in het feit dat beide partijen deze overeenkomst willen beëindigen, maar vooralsnog geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de voorwaarden waaronder zij dat zullen doen. Uit de stellingen van partijen leidt de voorzieningenrechter af dat de door VCN c.s. aan [gedaagde sub 1] c.s. verweten uitlatingen, in verband waarmee VCN c.s. haar vorderingen sub 1 en 2 heeft ingesteld, verband houden met dit conflict. Nu [gedaagde sub 1] c.s. de door VCN c.s. gevraagde voorzieningen betwist, is sprake van een geschil als bedoeld in artikel 25 van de participatieovereenkomst op grond waarvan partijen de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad als bevoegde rechter hebben aangewezen. Partijen twisten niet over de vaststelling van VCN c.s. dat de rechtbank Midden-Nederland na inwerkingtreding van de wet Herziening Gerechtelijke Kaart de aangewezen rechtbank is. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter in het onderhavige geval bevoegd is van de vorderingen van VCN c.s. kennis te nemen en dat VCN c.s. ontvankelijk is in haar vordering.
4.3.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of VCN c.s. spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen, nu [gedaagde sub 1] c.s. zulks heeft betwist. VCN c.s. legt diverse uitlatingen die volgens VCN c.s. van of namens [gedaagde sub 1] c.s. zijn geuit aan haar vorderingen ten grondslag. De laatste uitlating betreft die van 9 augustus 2013 op de website van de ME Vereniging (zie hierboven sub 2.1. onder s.). Uit de stellingen van partijen leidt de voorzieningenrechter af dat deze uitlating onderdeel is van een reeks uitlatingen en correspondentiewisseling over een lange periode in een voortdurend conflict tussen partijen. Gedurende die periode hebben partijen gelegenheid genomen in der minne tot een oplossing te trachten te komen, echter zonder een voor beide partijen aanvaardbaar resultaat. De voorzieningenrechter overweegt dat, anders dan [gedaagde sub 1] c.s. heeft betoogt, gelet op de pogingen van minnelijk overleg VCN c.s. niet valt te verwijten dat zij niet eerder in rechte de door haar gevraagde voorzieningen heeft verzocht. Gelet op de aard van de gevraagde voorzieningen is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat VCN c.s. voldoende spoedeisend belang heeft.
4.4.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de gevraagde voorzieningen.
4.5.
Ten aanzien van de sub 1 gevraagde voorziening wordt als volgt overwogen. Uitgangspunt is dat de vordering van VCN c.s. in beginsel een beperking inhoudt van het in artikel 10 lid 1 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van gedaagde onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag welk recht — het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht op bescherming van eer of goede naam — in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.
4.6.
Het belang van VCN c.s. is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en/of voor haar ongewenste publiciteit omtrent (kort gezegd) haar conflict met [gedaagde sub 1] c.s. en de wijze waarop zij haar onderneming voert. Het belang van [gedaagde sub 1] c.s. is erin gelegen dat zijn recht op vrijheid van meningsuiting wordt geëerbiedigd. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij speelt een rol de vraag of de uitlatingen van [gedaagde sub 1] c.s. op waarheid berusten en de manier waarop die beweringen worden gedaan.
4.7.
Bij de beantwoording van de vraag of uitlatingen van [gedaagde sub 1] c.s. op waarheid berusten, dient te worden uitgegaan van voornoemde vaststaande feiten. In dit kader acht de voorzieningenrechter van zwaarwegend belang het door [gedaagde sub 1] c.s. op 18 juli 2013 verzonden e-mailbericht (zie hierboven sub 2.1. onder p.), waarin hij ten aanzien van, zo begrijpt de voorzieningenrechter, ([A] van) VCN c.s. en diens raadsman, een vergelijking maakt met de Gestapo. Daarover heeft [gedaagde sub 1] c.s. ter zitting verklaard dat hij deze mail heeft gestuurd naar aanleiding van het e-mailbericht van 12 juli 2013 van VCN c.s. (zie hierboven sub 2.1. onder o.). Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft hij het bericht uit “pure wanhoop” verzonden, omdat hij uit het e-mailbericht van VCN c.s. opmaakte dat er kennelijk nog geen einde was gekomen aan het geschil met VCN c.s. en omdat hij zich afvroeg hoe de medische informatie bij VCN c.s. bekend was geworden. De voorzieningenrechter overweegt dat het [gedaagde sub 1] c.s. kan worden aangerekend dat hij in dit e-mailbericht nodeloos grievende bewoordingen hanteert. Dat klemt te meer daar [gedaagde sub 1] c.s. zich daarbij niet heeft beperkt tot de direct bij het geschil betrokken personen, maar zijn mening met dit bericht ook kenbaar heeft gemaakt aan anderen die niet rechtstreeks bij het geschil met VCN c.s. betrokken zijn. Van enige noodzaak om deze derden bij het geschil te betrekken, althans hun op de hoogte te stellen van de mening van [gedaagde sub 1] c.s., is niet gebleken. De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat [gedaagde sub 1] c.s. met het betreffende e-mailbericht, mede in acht genomen de inhoud en toonzetting van de overige door [gedaagde sub 1] c.s. aan ([A] van) VCN c.s. verzonden e-mailberichten, de grenzen van de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid heeft overschreden. Het algemeen belang pleegt ook niet te worden gediend met het doen van dergelijke uitlatingen.
4.8.
Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd met de overige feiten en omstandigheden van onderhavig geval, zal [gedaagde sub 1] c.s. zich dienen te onthouden van uitlatingen die bedreigend, lasterlijk of beledigend van aard zijn. Dat geldt zowel voor [gedaagde sub 1] in privé als voor ([gedaagde sub 1] namens) Easy Med. Hoewel [gedaagde sub 1] c.s. ter zitting reeds heeft toegezegd dat hij het woord Gestapo niet meer zal gebruiken, heeft [gedaagde sub 1] c.s. ter zitting naar het oordeel van de voorzieningenrechter er onvoldoende blijk van gegeven dat hij zich in de toekomst uit eigener beweging zal onthouden van het doen van nodeloos grievende uitlatingen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de verklaring van [gedaagde sub 1] c.s. valt af te leiden dat hij het betreffende e-mailbericht in een opwelling heeft verzonden. Het sub 1 gevorderde zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter dit leest als een vordering om [gedaagde sub 1] c.s. te verbieden de in de vordering verwoorde uitlatingen te doen. De aan de veroordelingen te verbinden dwangsommen worden toegewezen op de wijze als in het dictum omschreven, waarbij de voorzieningenrechter overweegt dat geen aanleiding bestaat om daaraan het bij eiswijziging gevorderde hogere maximum te verbinden.
4.9.
De vordering sub 2 van VCN c.s. strekt ertoe [gedaagde sub 1] c.s. te gebieden om, naar de voorzieningenrechter begrijpt, in algemene zin en onafhankelijk van de inhoud ervan, correspondentie, waaronder ook e-mailberichten, over het geschil met VCN c.s. of diens aandeelhouders uitsluitend te voeren met de raadslieden van VCN c.s.. Deze (te) ruim geformuleerde vordering zal worden afgewezen. De ruime formulering staat [gedaagde sub 1] c.s. immers zelfs niet toe om zich tot zijn eigen raadsman of tot de rechtstreeks bij het geschil betrokken personen, zoals de overige aandeelhouders, te wenden. Dit zou een te grote beperking voor [gedaagde sub 1] c.s. inhouden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het [gedaagde sub 1] c.s. in beginsel vrij om ook anderen dan slechts de raadslieden van VCN c.s. verslag te doen van zijn geschil met VCN c.s., voor zover de door partijen overeengekomen geheimhoudingsafspraken zulks toelaten en voor zover [gedaagde sub 1] c.s. daarbij de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid niet zal overschrijden. Dat laatste belang wordt evenwel al voldoende gediend met het gevorderde sub 1.
4.10.
Ten aanzien van de vordering sub 3 stelt de voorzieningenrechter voorshands vast dat partijen in de participatieovereenkomst een non-concurrentiebeding zijn overeengekomen. Het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. komt er in de kern op neer dat dit beding met beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen gelding jegens [gedaagde sub 1] c.s. meer heeft, althans dat een redelijke uitleg van het beding onder de gegeven omstandigheden ertoe moet leiden dat [gedaagde sub 1] c.s. niet meer aan het beding gehouden kan worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter faalt dit verweer. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.11.
In het kader van dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de uitleg die [gedaagde sub 1] c.s. aan het non-concurrentiebeding geeft stand zal houden in een bodemprocedure. De voorzieningenrechter overweegt dat wat betreft de uitleg van het non-concurrentiebeding als uitgangspunt geldt dat het om een commerciële overeenkomst gaat, gesloten tussen professioneel opererende partijen die over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld, terwijl de overeenkomst ertoe strekt de wederzijdse rechten en plichten nauwkeurig vast te leggen. Onder deze omstandigheden komt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen grote betekenis toe. Overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
4.12.
Artikel 9.5 van de participatieovereenkomst geeft een niet voor misverstand vatbare beschrijving van het non-concurrentiebeding dat partijen zijn overeengekomen. [gedaagde sub 1] c.s. zal – samengevat – geen concurrerende activiteiten verrichten gedurende de tijd dat hij direct of indirect als aandeelhouder en/of als werknemer verbonden is aan VCN c.s. Het standpunt van [gedaagde sub 1] c.s. dat het beding alleen geldt zolang [gedaagde sub 1] c.s. aandeelhouder én werknemer is, vindt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de taalkundige duiding van het artikel geen steun. Evenmin is gebleken van overige omstandigheden die kunnen meebrengen dat een andere (dan taalkundige) betekenis aan de inhoud van artikel 9.5 moet worden gehecht. [gedaagde sub 1] c.s. heeft in dit verband aangevoerd dat met de beëindigingsovereenkomst ook een einde is gekomen aan het non-concurrentiebeding van de participatieovereenkomst. Uit de stellingen van beide partijen ter zitting leidt de voorzieningenrechter evenwel af dat beide de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de beëindiging van de participatieovereenkomst als twee afzonderlijke trajecten hebben beschouwd. Zulks vindt ook steun in het bepaalde in de beëindigingsovereenkomst, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar de arbeidsovereenkomst en niet naar de parcticipatieovereenkomst (zie hierboven sub 2.1. onder i.). Beide partijen willen tevens de participatieovereenkomst beëindigen, maar kunnen het vooralsnog niet eens worden over de voorwaarden daarvan. Dat betekent dat er in het kader van dit kort geding van uitgegaan dient te worden dat de participatieovereenkomst onverkort in stand is gebleven, zodat [gedaagde sub 1] c.s. ook onverkort kan worden gehouden aan het daarin opgenomen non-concurrentiebeding. De uitdrukkelijke stelling van [gedaagde sub 1] c.s. dat hij zich niet aan het geding gebonden acht, welk standpunt ook volgt uit het door [gedaagde sub 1] c.s. op 1 augustus 2013 verzonden e-mailbericht (zie hierboven sub 2.1. onder r.), rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds toewijzing van de vordering sub 3 van VCN c.s. Dat klemt te meer daar de voorzieningenrechter uit de overige feiten en omstandigheden (hierboven sub 2.1. onder j. m. en n.) en de verklaring van [gedaagde sub 1] c.s. ter zitting afleidt dat [gedaagde sub 1] c.s. diverse pogingen heeft ondernomen om weer een praktijk op te starten. De aan de veroordelingen te verbinden dwangsommen worden toegewezen op de wijze als in het dictum omschreven, waarbij de voorzieningenrechter ook ten aanzien hiervan overweegt dat geen aanleiding bestaat om daaraan het bij eiswijziging gevorderde hogere maximum te verbinden.
4.13.
Nu in conventie is overwogen dat voorshands ervan moet worden uitgegaan dat [gedaagde sub 1] c.s. aan het non-concurrentiebeding uit de participatieovereenkomst gehouden is, zal hierna de voorwaardelijke vordering in reconventie worden afgewezen.
4.14.
[gedaagde sub 1] c.s. zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zowel in conventie als reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VCN c.s. worden in conventie begroot op:
- dagvaarding € 94,79
- griffierecht 589,00
- salaris advocaat 904,00
Totaal € 1.587,79
De kosten aan de zijde van VCN c.s. worden, gelet op de samenhang van de vorderingen, in reconventie op nihil gesteld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt [gedaagde sub 1] c.s. vanaf de datum van dit vonnis (be)dreigende en/of lasterlijke en/of beledigende bejegeningen (uitlatingen) te doen jegens of betrekkelijk tot eiseres Vermoeidheidscentrum Nederland B.V. en haar directieleden en overige medewerkers,
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan VCN c.s. een dwangsom te betalen van € 500,-- voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,-- is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot nakoming van het non-concurrentiebeding in de participatieovereenkomst,
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan VCN c.s. een dwangsom te betalen van € 1.500,-- voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt,
5.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van VCN c.s. tot op heden begroot op € 1.499,79,
5.6.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.8.
wijst de vorderingen af,
5.9.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van VCN c.s. tot op heden begroot op nihil,
5.10.
verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.P. de Ridder en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.