2 De feiten
2.1.
Houttuin produceert, assembleert en verkoopt precisiepompen, die worden verkocht onder de merknaam ‘Houttuin’.
2.2.
Deze Houttuin-pompen zijn “twin screw pumps”, die zijn gebaseerd op twee schroeven, waardoor op basis van het principe van Archimedes vloeistoffen worden opgepompt. Zij worden gebruikt in onder andere de chemische en petrochemische industrie, scheepsbouw, verfproductie, voedsel- en drankenindustrie, plastic industrie, suikerindustrie, energiecentrales en raffinaderijen.
2.3.
In 2013 hadden de Houttuin-pompen wereldwijd een marktaandeel van 8 à 10%. Houttuin realiseerde in dat jaar een omzet van USD 27.534.000,00.
2.4.
Houttuin maakt, samen met onder andere [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 3] onderdeel uit van de Colfax Fluid Handling divisie (hierna: CFH), op haar beurt onderdeel van de Colfax Corporation (hierna: Colfax). CFH ontwikkelt, produceert, onderhoudt en ondersteunt vloeistofbehandelingssystemen.
2.5.
Colfax dan wel CFH heeft vanaf 2010 diverse reorganisaties doorgevoerd. Zij heeft op enig moment ook besloten tot een reorganisatie, waarbij de productie van pompen werd geconcentreerd in [bedrijf 3], Massachusetts (VS) en [bedrijf 2], Daman (India), en de pompproductie in Nederland kwam te vervallen. In de Nederlandse locaties Utrecht en Hengelo vond nog slechts technische ondersteuning en verkoop plaats.
2.6.
Op 4 april 2013 zijn het personeel, de ondernemingsraad en de vakbonden over de voorgenomen reorganisatie geïnformeerd. Tijdens een die dag gehouden presentatie voor het personeel is onder andere de volgende sheet getoond:
Binnen Houttuin zullen maximaal 37 van de 46 arbeidsplaatsen komen te vervallen;
- Er is voor 9 medewerkers een herplaatsings mogelijkheid;
- 4 arbeidsplaatsen gaan naar Hengelo;
- 2 uitzendplaatsen vervallen;
- 1 stageplaats vervalt.
9 arbeidsplaatsen blijven behouden”
2.7.
Op 5 april 2013 heeft de heer [A] (hierna: [A]), managing director van Houttuin, namens CFH de volgende mededeling verspreid onder klanten, agenten en distributeurs:
“Mededeling
Hierbij willen we u informeren over de voorgenomen verplaatsing van de productie van Houttuin BV in Utrecht, Nederland naar zuster bedrijven van Colfax Fluid Handling. De productie van de assen zal verplaatst worden naar [bedrijf 2] in India en [bedrijf 3] in de US. (…).
De geplande verplaatsing van productie is een strategische beslissing om optimalisatie van de processen binnen Colfax Fluid Handling door centralisatie van activiteiten, behalen van synergiën en kosten reducering.
De medewerkers zijn geïnformeerd over de voorgenomen verplaatsing en de impact die dit zal hebben op de werkgelegenheid bij Houttuin BV. De onderhandelingen met de Vakbonden zijn gestart over een sociaal plan.
Ik wil graag mijn dank uitspreken aan de medewerkers van Houttuin die betroffen zijn door deze verplaatsing voor hun inzet en ondersteuning gedurende deze periode en waarin we naar nieuwe mogelijkheden zoeken binnen en buiten onze onderneming.
Deze verplaatsing zal geen negatief effect hebben op onze leveringen aan de klanten en we zullen de markt bedienen zonder verstoringen.”
2.8.
Gedaagde sub 5, [gedaagde sub 5], is van 1 juni 2012 tot 31 oktober 2013 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam geweest bij Houttuin. Zijn functie was sales project engineer.
2.9.
Voorafgaand aan het einde van de arbeidsovereenkomst op 31 oktober 2013 heeft CFH [gedaagde sub 5] bij brief van 28 oktober 2013 het volgende laten weten:
“Hierbij deel ik u mede dat het concurrentie beding zoals dat is vastgelegd in uw contract, niet meer op u van toepassing is, dit inverband met de bedrijfbeëindiging van Houttuin BV.”
2.10.
Gedaagde sub 4, [gedaagde sub 4], was sinds 1 september 2003 tot en met 31 januari 2014 in dienst van Houttuin, maar werkte feitelijk voor haar zusterbedrijf [bedrijf 1]. Na de sluiting van [bedrijf 1] is [gedaagde sub 4] vanaf 1 januari 2012 werkzaam geweest als regional distribution manager van CFH.
2.11.
Voordat de arbeidsovereenkomst van [gedaagde sub 4] op zijn verzoek op 31 januari 2014 eindigde, heeft CFH hem bij brief van 9 januari 2014 desverzocht het volgende laten weten:
“With this letter we inform you that the Company is relieving you from te Non-Complete clause, clause 13, stated in your employment contract signed on the 12th of July 2004 except for the following organizations, [bedrijf 7], [bedrijf 8], [bedrijf 9], [bedrijf 10] and [bedrijf 11]. (…).”
2.12.
Op 30 april 2014 heeft CFH de volgende mededeling verspreid met betrekking tot het vertrek van [A]:
“Organization Announcement
We would like to inform you that [A], Managing Director Houttuin BV, has decided to pursue his career outside of Colfax. [A] started with the company in 2003 as Technical Sales Engineer and has worked his way up to Managing Director. The last year [A]’s focus was mainly on the closure of the Houttuin business (…)”
2.13.
De omzet van Houttuin is in 2014 gedaald tot USD 19.729.000,00.
2.14.
Houttuin heeft [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]) onderzoek laten doen naar vermoedens van onregelmatigheden binnen Houttuin.
2.15.
Op grond van de voorlopige uitkomsten van het rapport van [bedrijf 4] heeft Houttuin op 10 maart 2015, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter, conservatoir bewijsbeslag gelegd onder de gedaagden 1, 2 en 3 ([gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]).
2.16.
[gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn opgericht door onder andere gedaagde 4, [gedaagde sub 4], en gedaagde 5, [gedaagde sub 5]. Ook de heer [B] (hierna: [B]), die tot 31 maart 2013 op interim-basis werkzaam is geweest voor Houttuin, is mede-oprichter van [gedaagde sub 1]. [B] is sinds 31 januari 2015 niet meer aan [gedaagde sub 1] verbonden. Hij werkt thans voor zijn eigen onderneming, [bedrijf 5].
2.17.
Op de dag dat Houttuin conservatoir bewijsbeslag heeft gelegd onder [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], 10 maart 2015, heeft [bedrijf 4] de voorlopige onderzoeksresultaten voorgehouden aan een werknemer van Houttuin, die op dat moment nog aan Houttuin verbonden was, de heer [C] (hierna: [C]). In het van dit gesprek opgemaakte en door [C] ondertekende verslag is de volgende verklaring van [C] opgenomen, waarin [gedaagde sub 4] wordt aangeduid met zijn voornaam [gedaagde sub 4]:
“Ik werk sinds 1976 bij Houttuin en ben in 1992 weggegaan en in 1994 teruggekomen bij Houttuin (…). U vraagt mij naar artikel 8 in mijn arbeidsovereenkomst en dit gaat over geheimhouding. Ik ken ditDit betekent dat alle gegevens die binnen het bedrijf beschikbaar zijn niet naar buiten gebracht mogen worden. Ik weet niet of er andere medewerkers hiervoor zijn ontslagen. In 2013 is de fabriek hier in Utrecht gesloten, van de 60 medewerkers zijn er 6 of 7 overgebleven. Ik kon blijven door mijn ervaring met het product en de kennis die ik had. (…)
De zaken gaan nu minder goed, het is achteraf gezien een slechte beslissing geweest om in 2013 de fabriek te sluiten. Er is veel kennis verloren gegaan en de opgebouwde status bij de klanten is sterk verminderd.
(…)
Ik heb nog steeds zakelijk en privé contacten met (…) engineers van voor 2013. (…).
U vraagt naar [gedaagde sub 4] maar die was geen medewerker van Houttuin en kwam bij Colfax vandaan. Hij is directeur van [gedaagde sub 1] geworden. (…)
U vraagt mij naar de communicatie tussen mij en [gedaagde sub 1]. Er is wel communicatie geweest met in hoofdzaak [gedaagde sub 4] waarbij ik klantgegevens heb gedeeld met hem. Ik gaf klantgegevens om af te tasten of er bij klanten interesse was voor [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 1] verkoopt zijn eigen product dat maken zij ook zelf en wellicht gaf dit een richting voor hen om heen te gaan. Ik heb ook technische tekeningen, die ook via de website van Houttuin te verkrijgen zijn, en certificaten van onze pompen gedeeld met mensen van [gedaagde sub 1]. Dit is verder geen vertrouwelijke informatie waarmee ik Colfax kan schade. Ik heb ook de prijzen van Houttuin of Colfax aan hen doorgegeven. U vraagt mij of ik daarin Colfax heb benadeeld. (…) Het is wel via CSH gegaan maar ik heb Colfax hiermee niet benadeeld. Ik heb een gevaarlijk spel gespeeld door proefballonnetjes op te laten en te kijken hoe [gedaagde sub 1] ermee kon omgaan en de klanten zouden reageren. Ik wist wel dat dit in strijd was met mijn arbeidsovereenkomst. Ik gaf informatie weg waarvan dat niet de bedoeling was. Ik heb van [gedaagde sub 1] of daaraan gelieerde bedrijven of aandeelhouders nooit geld of andere zaken gehad in ruil voor mijn informatie. Ik heb Houttuin of Colfax niet geschaad. Ik merkte dat [gedaagde sub 1] moeite had om zaken op te pakken en ik heb maanden geleden de laatste informatie doorgespeeld.
U vraagt of ik uitvoerende werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde sub 1] heb gedaan tijdens mijn werk voor Houttuin. Dat is niet het geval. Ik heb toen wel hun businessplan bekeken maar niet aan meegeschreven.
U vraagt mij of ik klanten of concurrenten van Houttuin heb benaderd ten behoeve van de bedrijfsvoering van [gedaagde sub 1]. Ik heb wel klanten benaderd en als optie verwezen naar [gedaagde sub 1]. Ik merkte dat de klanten begonnen te lijden onder de slechte situatie nu bij Colfax waarbij er sprake is van slechte producten en lange levertijden. Ik heb hiermee ook een signaal willen geven dat het niet goed ging.
(…)
Ik heb daarnaar gevraagd offertes gelekt naar [gedaagde sub 1]. Deze offertes waren op voorhand kansloos voor Colfax en ik gaf de mensen van [gedaagde sub 1] de gelegenheid om hun eigen mogelijkheden te peilen.
U vraagt mij of ik heb meegewerkt aan een verwarring rond de status van [gedaagde sub 1] en de verhouding van [gedaagde sub 1] ten opzichte van Colfax of Houttuin. U leest mij een e-mail voor van 19 november 2013 waarvan [D] naar [B] en mij aangeeft dat hij van mij niet zou hebben gehoord dat [gedaagde sub 1] niet bij Colfax zou horen. Ik kan mij deze mail niet herinneren en ik heb deze waarschijnlijk afgedaan als onzin.
U vraagt mij of ik offertes van Houttuin heb gemanipuleerd in de periode na de reorganisatie. Dat heb ik zeker niet gedaan. Ik heb offertes gemaakt tot oktober, november 2014.
U vraagt mij nogmaals naar mijn betrokkenheid bij het businessplan. Ik heb daar niet aan meegewerkt. U vraagt mij of ik weleens in Maarssen heb afgesproken met die mensen om mee te denken over het businessplan. Ik ben daar wel geweest maar zij hebben het geschreven.
U confronteert mij met een e-mail van 2 juni 2014 aan [gedaagde sub 4] waarbij ik zeg dat ik zo spoedig mogelijk zal overstappen naar [gedaagde sub 1]. Ik heb dit anders bedoeld. Ik heb het als optie beschouwd. Dat speelde toen wel maar nu absoluut niet meer. Dit vooral omdat ze het niet hebben kunnen waarmaken bij [gedaagde sub 1].
(…)
U vertelt mij dat ik veel bezig was met de communicatie met [gedaagde sub 1]. Dit was hooguit een uurtje of een half uurtje per week. Dit was puur om [gedaagde sub 1] een duwtje in de rug te geven. Ik heb informatie gedeeld met [gedaagde sub 1] en heb naar mijn idee Houttuin of Colfax niet geschaad. Ik weet dat ik in strijd heb gehandeld met mijn arbeidsovereenkomst van 12 april 1994 met Houttuin. Ik heb er spijt van dat ik dit gedaan heb, mijn motivatie zat niet in persoonlijk gewin op welke wijze dan ook. In het begin, eind 2013, was het vooruitzicht van een baan bij [gedaagde sub 1] ook wel een motivatie maar ik zag snel dat zij geen stabiele toekomst zouden hebben.”
2.18.
Houttuin heeft [C] in de middag van 10 maart 2015 op staande voet ontslagen.
2.19.
Diezelfde dag heeft Houttuin haar oud-werknemers, die betrokken zijn bij de oprichting dan wel exploitatie van [gedaagde sub 1], onder wie [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5], aansprakelijk gesteld voor de schade, voortvloeiend uit onrechtmatige concurrentie.
3. Het geschil in conventie
3.1.
Houttuin vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
op de voet van artikel 843a Rv
:
A. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk zal veroordelen om
primair afschrift te verstrekken aan Houttuin van in de dagvaarding onder 7.5 gespecificeerde bescheiden; en toe te staan en te gedogen, dat de deurwaarder, al dan niet met behulp van een deskundige, steeksproefsgewijs bij [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], alsmede door doorzoeking van de reeds in bewaring genomen documentatie, verifieert of aan de vordering is voldaan en van zijn bevindingen rapport uitbrengt aan Houttuin, [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3];
subsidiair toe te staan en te gedogen dat de deurwaarder, al dan niet met behulp van een deskundige, i) inzage neemt in alle bescheiden die zich in gerechtelijke bewaring bevinden, ii) door dataseparatie bepaalt welke documenten voldoen aan het gestelde in de dagvaarding onder 7.5 en die documenten ter beschikking stelt aan Houttuin, en iii) overige informatie verwijdert althans onleesbaar maakt, conform de in de dagvaarding onder 8.5 beschreven procedure;
meer subsidiair afschrift en inzage van de uitgeselecteerde door het beslag getroffen en in de dagvaarding onder 7.5 bepaalde bescheiden te verstrekken aan Houttuin;
B. zal bepalen dat de bescheiden die de deurwaarder in het kader van het bewijsbeslag heeft gekopieerd, maar die in het kader van de dataselectie niet worden uitgeselecteerd, gedurende zes maanden na dit vonnis bewaard mogen blijven onder de in het beslagverlof genoemde bewaarder, onder de voorwaarde dat i) de kosten daarvoor vooralsnog voor Houttuin komen, ii) de deurwaarder, de deskundigen onder zijn verantwoordelijkheid en de bewaarder verplicht zijn geheimhouding te betrachten, behoudens toestemming van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3] of nader rechterlijk bevel of verlof, en iii) de deurwaarder de niet uitgeselecteerde bescheiden dient te vernietigen, tenzij binnen zes maanden na dit vonnis ten aanzien van de uitgeselecteerde bescheiden verlof tot conservatoir bewijsbeslag wordt verzocht en verkregen tegen [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3];
C. ([gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk zal veroordelen om)
uiterlijk veertien dagen na betekening van dit vonnis alle bescheiden die voldoen aan de beschrijving in de dagvaarding onder 7.5 conform het onder A. i) of A. iii) gevorderde aan Houttuin te verstrekken;
D. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 50.000,00 per dag dat de betreffende rechtspersoon niet aan het onder A. en C. gevorderde voldoet; en
als voorlopige voorziening:
E. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk zal veroordelen tot
i. i) het zich onthouden van activiteiten in de markt van de preciciepompen en pompproducten waarin Houttuin opereert, waaronder de markt van de “twin-screw pumps” voor de duur van twee jaar na dit vonnis, dan wel het zich onthouden van zakelijke contacten met klanten van Houttuin, genoemd in de dagvaarding onder 10.1.i), voor een periode van twee jaar na dit vonnis;
ii) het verlenen van medewerking, om toe te staan dat een onafhankelijk deskundige bedrijfsinformatie van Houttuin, waaronder in de dagvaarding onder 4.19 gespecificeerde software, blijvend zal verwijderen van laptops en servers in het bezit van gedaagden, waaronder technische bedrijfsinformatie, en het onthouden van het verdere gebruik van de bedrijfsinformatie van Houttuin, waaronder technische bedrijfsinformatie, en marketing materiaal van Houttuin, waarnaar is verwezen in de producties 1.49, 1.50 en 1.68;
iii) het overhandigen aan Houttuin, het vernietigen van kopieën van en het in de toekomst staken van het gebruik van de software, gespecificeerd in de dagvaarding onder 4.19;
iv) het op de voet van artikel 1019i Rv staken en gestaakt houden van iedere inbreuk op het gemeenschapsmerk HOUTTUIN, met registratienummer 7584188), waaronder a) het veronderstellen van een niet bestaande commerciële band met Houttuin, b) het doen van onjuiste uitingen over Houttuin ter onderscheiding van eigen waren, waaronder de uitingen dat Houttuin niet meer bestaat, dat [gedaagde sub 1] moet worden beschouwd als opvolgster van Houttuin, dat de producten van [gedaagde sub 1] goedkoper en sneller worden geleverd en beter zijn dan de producten van Houttuin, en dat Houttuin/Colfax geen Houttuin-producten kan leveren voor een goede prijs en met de juiste kwaliteit en snelle levertijd;
v) het op de voet van artikel 1019i Rv staken en gestaakt houden van iedere inbreuk op de auteursrechten van Houttuin, waaronder het verveelvoudigen van de foto op de voorkant van de brochure van Houttuin, zoals weergegeven in de dagvaarding onder 5.14, en het gebruik van het [gedaagde sub 1]-logo, zoals weergegeven in de dagvaarding onder 5.14, dan wel een daarop lijkend logo;
vi) het onthouden van het verkopen en exporteren van producten en onderdelen van Houttuin;
vii) het plaatsen van een bericht op de homepage van de website [internet-adres] voor de duur van één jaar na de datum van betekening van dit vonnis, alsmede het verzenden van en het zorgdragen voor ontvangst van een bericht per brief en e-mail, met een separaat afschrift aan de gemachtigden van Houttuin, aan alle voormalige en huidige klanten van [gedaagde sub 1], waaronder de klanten waaraan [gedaagde sub 1] producten heeft geleverd en de klanten waarvoor zij offertes heeft gemaakt, en de kanten van Houttuin waarmee [gedaagde sub 1] contact heeft gezocht, en de klanten genoemd in de dagvaarding onder 10.1. i), met de volgende inhoud:
“Important Message to Our Customers
At the orde of the District Court Central Nederlands (‘Rechtbank Midden-Nederland’), location Utrecht, [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] (together: [gedaagde sub 1]) hereby inform you as follows.
[gedaagde sub 1] confirms and emphasises that there is no relationship, legally, financially or otherwise, between [gedaagde sub 1] on the one hand and Houttuin or any other Colfax group company on the other. [gedaagde sub 1] is not associated with Houttuin or any other Colfax group company. [gedaagde sub 1] is not an authorised reseller of Houttuin products and is not authorized to issue any warranties or certificates in this respect. Any warranties or certificates that have been issued in the past by [gedaagde sub 1] on behalf of Houttuin were issued without any authorization bij Houttuin and are invalid. [gedaagde sub 1] apologizes if it has caused confusion in the market on this matter.”
op straffe van verbeurte van een hoofdelijk verschuldigde dwangsom van € 50.000,00 voor iedere dag dat gedaagden deze verplichtingen niet volledig hebben nageleefd, vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis;
F. [gedaagde sub 4] zal veroordelen tot nakoming van het op hem toepasselijke concurrentie- en geheimhoudingsbeding als genoemd in de dagvaarding onder 10.1. iii), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat [gedaagde sub 4] deze verplichtingen niet volledig naleeft, te rekenen vanaf de dag na betekening van dit vonnis;
G. [gedaagde sub 5] zal veroordelen tot nakoming van het op hem toepasselijke concurrentie- en geheimhoudingsbeding als genoemd in de dagvaarding onder 10.1. iii), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor iedere dag dat [gedaagde sub 5] deze verplichtingen niet volledig naleeft, te rekenen vanaf de dag na betekening van dit vonnis;
H. gedaagden hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, te voldoen binnen zeven dagen na dit vonnis, welke kosten voor zover de vordering wordt toegewezen op een grond van inbreuk op een recht van intellectuele eigendom conform artikel 1019h Rv de werkelijke proceskosten van Houttuin dienen te omvatten; zal bepalen dat indien de proceskosten niet binnen de genoemde termijn zullen zijn voldaan, vanaf de achtste dag hierover wettelijke rente verschuldigd zal zijn; en zal bepalen dat de termijn waarbinnen een hoofdzaak dient te worden ingesteld in de zin van artikel 1019i Rv, voor zover van toepassing en voor zover betrekking hebbende op de vordering onder E. iv) en E. v), zal zijn zes maanden na dit vonnis.
Onderbouwing van de vorderingen
3.2.
Houttuin stelt dat enkele medewerkers van Houttuin in 2013 een bedrijf hebben opgericht, waarmee zij op onrechtmatige wijze met Houttuin concurreren. Houttuin licht dit standpunt toe aan de hand van het rapport van [bedrijf 4], waaruit volgens haar onomstotelijk blijkt dat onder andere [B], [C], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] sinds maart 2013 de oprichting van een concurrerende onderneming hebben voorbereid, geënt op het kapen van de onderneming van Houttuin. In het voorjaar van 2013 hebben zij geprobeerd om Houttuin van Colfax te kopen, maar toen dat niet mogelijk bleek hebben zij besloten om het bedrijfsdebiet van Houttuin op vijandige, heimelijke en onrechtmatige wijze over te nemen. Zij hebben een businessplan opgesteld, waarin zij zichzelf als opvolgers van Houttuin positioneerden en waaruit de intentie blijkt de goede naam van Houttuin aan te tasten, essentiële kennis, contacten en ervaring aan Houttuin te onttrekken en essentiële medewerkers van Houttuin Utrecht in dienst te nemen. In de maanden mei, juni en juli 2013 hebben [B], [C], [gedaagde sub 5] en [gedaagde sub 4] investeerders benaderd en gecorrespondeerd met mogelijke andere zakenpartners, terwijl zij – op [B] na – nog in dienst waren van Houttuin. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] hebben in dat verband bovendien bewerkstelligd dat zij werden ontheven uit hun concurrentiebedingen, waarin vanzelfsprekend niet zou zijn toegestemd ingeval Houttuin toen weet zou hebben gehad van hun onrechtmatige activiteiten. Teneinde ontdekking door Houttuin te voorkomen, hebben zij, toen Houttuin geruchten over die activiteiten ontving, hun heimelijk opgerichte onderneming onder de tijdelijke non-descripte naam “[bedrijf 6]” laten inschrijven in de handelsregisters.
3.3.
Volgens Houttuin drijft [gedaagde sub 1] op oud-medewerkers van Houttuin. Sommigen, onder wie [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] waren gedurende hun dienstbetrekking bij Houttuin betrokken bij de oprichting van de concurrerende onderneming [gedaagde sub 1], andere oud-medewerkers zijn via [gedaagde sub 1] aan het werk gegaan bij oud-toeleveranciers van Houttuin, nu toeleveranciers van [gedaagde sub 1]. Verder maakt [gedaagde sub 1] gebruik van de diensten van een oud-medewerker van de distributeur van Houttuin in Rusland. Volgens Houttuin heeft [gedaagde sub 1] in dit verband ook gebruik gemaakt van [C], die in zijn functie van (after) sales manager van Houttuin informatie aan [gedaagde sub 1] heeft verstrekt over mogelijke opdrachten voor Houttuin, terwijl hij zich tegelijkertijd heeft gepositioneerd als sales manager van [gedaagde sub 1], die op basis van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Houttuin klanten van Houttuin kon benaderen. [C] zorgde ervoor dat offertes van [gedaagde sub 1] waren afgestemd op (lees: lager waren dan) de door Houttuin gehanteerde prijzen.[C] heeft ook op stelselmatige basis bestellingen van klanten, gedaan aan Houttuin, voor verdere verwerking doorgestuurd naar [gedaagde sub 1]. Daarbij komt dat [C] volgens Houttuin in deze periode ook voor zowel Houttuin als [gedaagden] de voorbereidingen heeft gedaan voor inschrijvingen op aanbestedingen. Daarbij gaf hij een en ander op zodanige manier vorm, dat [gedaagde sub 1] steeds in het voordeel was ten opzichte van Houttuin. En ingeval [gedaagde sub 1] een aanbestedingsopdracht kreeg gegund, zorgde [C] er vervolgens voor dat de klant door middel van een ABC-constructie op heimelijke wijze pompen van het Houttuin-merk geleverd kreeg, omdat het [gedaagde sub 1] ontbrak aan de capaciteit om die pompen zelf te produceren. Verder stelt Houttuin dat [gedaagde sub 1] al in september 2013 aan de slag is gegaan met de ontwikkeling van een eigen pomp, maar dat zij daarvoor gebruik heeft gemaakt van de ontwerpen van Houttuin. Zij heeft zich daartoe technische tekeningen en software van Houttuin toegeëigend, en gebruik gemaakt van certificeringen van Houttuin. Daarmee heeft [gedaagde sub 1] het ontwikkelings- en productieproces van haar eigen pomp met enkele jaren kunnen bekorten. Verder heeft [gedaagde sub 1] volgens Houttuin in 2013 opzettelijk verwarring gezaaid bij klanten, tegen wie zij zich ten onrechte heeft geafficheerd als officiële verkoper van producten van Houttuin, die Houttuin-garanties kon verstrekken.
3.4.
Volgens Houttuin leidt het voorgaande ertoe dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig met Houttuin concurreren, doordat op stelselmatige en substantiële wijze het duurzaam bedrijfsdebiet van Houttuin is afgebroken. [gedaagden] heeft de onderneming van Houttuin op onrechtmatige wijze gekaapt. Ook profiteren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van wanprestatie van de oud-werknemers van Houttuin, aldus Houttuin.
Houttuin stelt voorts dat [gedaagden] inbreuk maken op rechten van intellectuele eigendom van Houttuin. [gedaagde sub 1] maakt inbreuk op het exclusieve gemeenschapsmerk HOUTTUIN (hierna: het merk), door zich tegen potentiële klanten te manifesteren als geautoriseerd leverancier van Houttuin-producten, hetgeen een commerciële relatie veronderstelt, die er niet is. [gedaagde sub 1] stelt daarbij dat zij haar Houttuin-producten betrekt van [bedrijf 5], de onderneming van [B], die zich op haar beurt uitgeeft als geautoriseerd reseller van Houttuin-producten, wat zij niet is. Volgens Houttuin handelt [gedaagde sub 1] daardoor in strijd met artikel 9 lid 1 sub a van de Gemeenschapsmerkenverordening. Zij handelt ook in strijd met dit artikellid telkens als zij, zoals Houttuin bekend is, het merk gebruikt ter onderscheiding van de eigen waren van [gedaagde sub 1], aangezien zij het merk dan uitsluitend gebruikt om de onderneming van Houttuin en de door haar aangeboden waren te kleineren. Van toegestane vergelijkende reclame in de zin van artikel 6:194a BW is geen sprake. [gedaagde sub 1], althans [bedrijf 5], heeft aan in ieder geval één klant van Houttuin ten onrechte laten weten dat Houttuin niet meer bestaat, dat [gedaagde sub 1] moet worden beschouwd als haar opvolgster en dat de producten van [gedaagde sub 1] goedkoper en beter zijn, en bovendien sneller kunnen worden geleverd, dan Houttuin-producten, die door Colfax/Houttuin niet zouden kunnen worden geleverd, althans niet snel, niet goedkoop en niet met de juiste kwaliteit. Verder maakt [gedaagde sub 1] volgens Houttuin inbreuk op auteursrechten van Houttuin, door materialen van Houttuin, die [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft verkregen, op licht gewijzigde wijze voor haar eigen onderneming te gebruiken. Zo gebruikt [gedaagde sub 1] technische specificaties en tekeningen van Houttuin in haar offertes, en gebruikt zij een foto op de brochure van Houttuin ten behoeve van haar logo.
3.5.
Met betrekking tot de vordering ex artikel 843a Rv stelt Houttuin dat gedaagden, zoals haars inziens uit het voorgaande volgt, onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld en aansprakelijk zijn voor de schade van Houttuin, als gevolg van de onrechtmatige concurrentie, het profiteren van wanprestatie en de inbreuk op het merkenrecht van Houttuin. De omvang van het onrechtmatig handelen en de daardoor ontstane schade is Houttuin echter nog niet duidelijk. Teneinde inzicht daarin te verkrijgen, en te voldoen aan haar bewijslast ter zake in een eventuele bodemprocedure, is afschrift van en inzage in de bij dagvaarding onder 7.5 genoemde bescheiden noodzakelijk, aldus Houttuin. Volgens haar kan een en ander niet op een andere, voor gedaagden minder ingrijpende, wijze plaatsvinden, zodat Houttuin een rechtmatig belang heeft bij haar vordering.
3.6.
[gedaagden] voert onder andere aan dat de vanwege economische motieven in gang gezette stroom reorganisaties bij CFH er al toe had geleid dat de omzet van Houttuin minder werd. Toen in maart 2013 ook nog de plannen uitlekten voor de op handen zijnde reorganisatie van Houttuin, zijn [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [B] het gesprek aangegaan met leden van het management team van Houttuin, onder wie [A]. Zij hadden hart voor de zaak en probeerden, anders dan Houttuin heeft gesteld, te redden wat er te redden viel. Volgens [gedaagden] hebben zij toen eerst met Colfax dan wel CFH de mogelijkheid van een management buy out besproken. Toen bleek dat die niet bereid was haar medewerking daaraan te verlenen, hebben [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [B] nagedacht over andere mogelijkheden om de productie en een aantal arbeidsplaatsen in Utrecht te kunnen behouden. Volgens [gedaagden] is in dat verband, in overleg met het management team van Houttuin, ook onderzocht of een nieuw bedrijf zou kunnen worden gestart, dat CFH/Houttuin zou kunnen bedienen. Om het merk en de onderneming Houttuin eer aan te doen, en voorts voldoende kennis te kunnen garanderen, was het noodzakelijk dat Houttuin haar medewerking verleende aan die plannen. Om Houttuin-pompen op de markt te kunnen brengen, was daarnaast ook nog de medewerking van Colfax/CFH vereist, aldus [gedaagden], die in dat laatste wel een risico zag, omdat Colfax/CFH zich ook al had verzet tegen de management buy out. Om die reden is, in overleg met het management team van Houttuin ook de mogelijkheid van een volledig nieuwe organisatie besproken, zonder enige bemoeienis van Colfax/CFH. Volgens [gedaagden] is toen, op advies van het management team van Houttuin, opdat snel zou kunnen worden geschakeld, al een organisatiestructuur opgezet: op 22 juli 2013 is [gedaagde sub 1] opgericht, de rechtsvoorgangster van [gedaagde sub 1], en ook [gedaagde sub 3], als holding boven [gedaagde sub 1]. Dat was teneinde snel te kunnen schakelen.
3.7.
Voorts voert [gedaagden] aan dat tussen 23 en 27 september 2013 toch weer gesprekken hebben plaatsgevonden met Houttuin én Colfax/CFH, omdat in de tussenliggende periode was gebleken dat het zonder de medewerking van die laatste lastig was een investeerder aan te trekken. Ook de mogelijkheid van een management buy out is toen wederom aan de orde gekomen. Colfax/CFH heeft eind oktober, begin november 2013 echter laten weten niet bereid te zijn mee te werken aan de gepresenteerde plannen, terwijl zij tegelijkertijd wel het signaal bleef afgeven dat Houttuin zou worden opgeheven (wat in ieder geval eind april 2014 nog de bedoeling was; toen is dat immers nog met zoveel woorden vermeld in het bericht naar aanleiding van het vertrek van [A] bij CFH, aldus [gedaagden]). Volgens [gedaagden] hebben [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [B] hierin aanleiding gezien om hun pogingen te staken en op zoek te gaan naar een nieuwe werkkring. Toen heeft [gedaagde sub 4] CFH ook verzocht om te worden ontheven uit zijn concurrentiebeding.
3.8.
Voorts voert [gedaagden] aan dat [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [B] de naam [gedaagde sub 1] begin januari 2014 met het oog op de liquidatie van [gedaagde sub 1] hebben laten veranderen in [bedrijf 6] en dat in de loop van 2014 ook [gedaagde sub 3] stil is gelegd. [gedaagden] heeft voorts aangevoerd dat zij in de tussentijd nog wel een aantal offertes voor Houttuin-pompen heeft verzonden op papier van [gedaagde sub 1], omdat [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [B] er rekening mee hielden dat zij in overleg met het management team van Houttuin nog tot een samenwerking met Houttuin zouden kunnen komen. Geen van die offertes heeft echter tot een opdracht geleid, omdat het niet tot die beoogde samenwerking met Houttuin is gekomen. Zoals reeds aangevoerd zijn [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] toen op zoek gegaan naar een nieuwe werkgever; [B] heeft zich geconcentreerd op zijn eigen onderneming, [bedrijf 5].
3.9.
[gedaagden] voert verder aan dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] wederom met elkaar in gesprek zijn geraakt over een eigen bedrijf, toen zij er niet meteen in slaagden een andere baan te vinden. In maart 2014 hebben zij het al eerder opgestelde business model aangepast, waarin nu ook in eigen productie werd voorzien, en zijn zij wederom op zoek gegaan naar investeerders. Dat lukte. Met die investeerders hebben zij vervolgens afgesproken dat alle in 2013 bedachte uitgangspunten, en alle banden met Houttuin, zouden worden losgelaten, en dat zij zelf een eigen type 2 spindelige schroefpomp zouden ontwikkelen en produceren. Dat kon, omdat die schroefpomp is gebaseerd op eeuwenoude techniek, waar geen octrooi meer op rust en waarvoor alle benodigde informatie, anders dan Houttuin heeft gesteld, vrij verkrijgbaar is in het publieke domein. Daar waren weliswaar forse investeringen mee gemoeid, maar [gedaagden] was bereid die te doen. Zij heeft bovendien van de gelegenheid gebruik gemaakt om een innovatief productieproces in te richten, waarmee zij veel tijdwinst heeft kunnen behalen. Het was dan ook niet nodig, zelfs niet wenselijk, om gebruik te maken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Houttuin, die volgens [gedaagden] is verouderd, althans voorziet in een verouderd en traag productieproces.
3.10.
Volgens [gedaagden] is de naam van de nog niet geliquideerde onderneming [gedaagde sub 1] (inmiddels gewijzigd in [bedrijf 6]) vanwege deze gewijzigde plannen voor de oprichting van een andere onderneming, met een nieuwe eigen identiteit, in maart 2014 veranderd in [gedaagde sub 1]. Vervolgens is ook een nieuwe holding opgericht, [gedaagde sub 2]. Ook [B] heeft nog enige tijd bemoeienis gehad met deze nieuwe onderneming, maar omdat hij zich niet kon verenigen met de nieuwe opzet, heeft hij op 31 januari 2015 afscheid genomen.
3.11.
Uit dit feitenrelaas kan volgens [gedaagden] niet de conclusie worden getrokken dat zij onrechtmatig met Houttuin zou hebben geconcurreerd. Mogelijk verwijtbare handelen van [C] en/of [bedrijf 5] kan niet aan haar worden toegerekend, aldus [gedaagden]
3.12.
[gedaagden] heeft voorts aangevoerd dat zij primair van mening is dat het concurrentiebeding van [gedaagde sub 4] is vervallen toen hij in januari 2012 de functie van regional distibution manager bij CFH is gaan vervullen, omdat toen niet opnieuw schriftelijk een concurrentiebeding is overeengekomen, dan wel omdat het oude concurrentiebeding bij het uitoefenen van die nieuwe functie aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Voor zover dat niet het geval zou zijn is het concurrentiebeding in ieder geval vervallen door de brief van 9 januari 2014. Houttuin was op de hoogte van de in 2013 door onder andere [gedaagde sub 4] ontplooide initiatieven, zodat niet kan worden geoordeeld dat zij de afstandsverklaring op grond van een onjuiste voorstelling van zaken zou hebben afgegeven. Met betrekking tot het concurrentiebeding van [gedaagde sub 5] heeft [gedaagden] aangevoerd dat bij brief van 28 oktober 2013, in aansluiting op een passage in het Sociaal Plan met betrekking tot de sluiting van Houttuin, aan [gedaagde sub 5] is bevestigd dat dit kwam te vervallen door bedrijfsbeëindiging. Bij gebreke van enig daarbij geuit voorbehoud moet het er daarom voor worden gehouden dat het beding inderdaad is vervallen, temeer daar volgens [gedaagden] ook met betrekking tot deze afstandsverklaring, en om dezelfde reden, niet kan worden geoordeeld dat Houttuin deze op grond van een onjuiste voorstelling van zaken zou hebben afgegeven.
3.13.
Voorts betwist [gedaagden] dat zij inbreuk zou maken op een Houttuin toekomend merkenrecht als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder a van de Gemeenschapsmerkenverordening en op haar auteursrecht. Zij wijst daarbij onder andere op de innerlijke strijdigheid van de stelling dat [gedaagden] ten onrechte zou pronken met het merk, als zou zij geautoriseerd verkoper van de gewilde Houttuin-producten zijn, en dat [gedaagden] het merk tegelijkertijd kleinerend zou behandelen, door te uiten dat Houttuin geen goede kwaliteit zou kunnen bieden tegen een concurrerende prijs en snelle levertijd. Overigens heeft [gedaagden] betwist dat zij zich aldus heeft uitgelaten. Dat is gebeurd door [C] en/of [bedrijf 5], en kan haar niet worden tegengeworpen, aldus [gedaagden] Ook de gestelde inbreuk op het auteursrecht van Houttuin heeft [gedaagden] gemotiveerd betwist. Zij heeft in dat verband onder andere een aantal punten opgesomd, waarop het door [gedaagden] gebruikte logo afwijkt van door Houttuin gebruikte beeltenissen.
3.14.
Ten aanzien van de vordering ex 843a Rv betwist [gedaagden] het rechtmatig belang van Houttuin daarbij. Houttuin heeft volgens haar onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van de gestelde onrechtmatige daad, en bovendien valt volgens [gedaagden] ook niet in te zien dat toewijzing van de vordering zou kunnen bijdragen aan het bewijs. In dat verband heeft [gedaagden] gewezen op de omvangrijke dagvaarding en de vier daarbij gevoegde ordners met producties, die er haars inziens op wijzen dat Houttuin mede uit hoofde van het onderzoek door [bedrijf 4] reeds over voldoende bewijsstukken beschikt. Daarbij komt volgens [gedaagden] ook nog dat de vordering niet specifiek genoeg is, waardoor zij een “fishing expedition” naar vertrouwelijke bedrijfsinformatie van [gedaagden] lijkt te behelzen.
3.15.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5 De beoordeling in conventie
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat Houttuin ontvankelijk is haar vorderingen. Zij heeft, anders dan [gedaagden] heeft aangevoerd, voldoende spoedeisend belang bij een staking van de door haar gestelde onrechtmatige concurrentie, van het gestelde profiteren van wanprestatie en van de gestelde inbreuken op haar intellectuele eigendomsrechten. Nu voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in ieder geval bemoeienis hebben gehad met de gestelde activiteiten van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5], acht de voorzieningenrechter Houttuin ook ontvankelijk jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3].
5.2.
Om vervolgens ook tot toewijzing van de vorderingen over te kunnen gaan, moet voldoende vast komen te staan dat [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Houttuin, hetgeen zij gemotiveerd heeft betwist. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om voorafgaand aan de beoordeling van de vordering ex artikel 843a Rv eerst de gevorderde voorlopige voorziening beoordelen.
5.3.
In dat verband is relevant dat Houttuin niet heeft betwist dat CFH reeds enkele jaren aan het reorganiseren was, met onrust tot gevolg en verminderende omzetten tot gevolg. Ook heeft zij niet betwist dat [gedaagde sub 4], [gedaagde sub 5] en [B], toen de reorganisatie van Houttuin bekend werd, aanvankelijk hebben geprobeerd om Houttuin in samenwerking met het management team van Houttuin te redden, en aldus zo veel mogelijk te bewerkstelligen dat de productie in Utrecht, en de bijbehorende werkgelegenheid, gewaarborgd bleef. Dat betoog, dat is gemotiveerd en ook niet in strijd is met de verklaring van [C], is op zichzelf niet onaannemelijk. De vorderingen van Houttuin zijn voor een aanzienlijk deel gegrond op die periode, 2013-2014, met name op het in het rapport van [bedrijf 4] beschreven handelen van [C] en ook wel op het handelen van [B] c.q. [bedrijf 5]. [C], [B] en [bedrijf 5] zijn geen partij in de onderhavige procedure, en hun handelen, wat daar verder ook van zij, kan niet zonder meer worden gekwalificeerd als een onrechtmatige daad van [gedaagden] In deze procedure in kort geding is immers geen plaats voor bewijslevering, en aan hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht, kan vooralsnog niet het gevolg worden verbonden dat [gedaagden] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Houttuin. Hoogstens kan daaruit worden geconcludeerd dat [gedaagden] gebruik heeft gemaakt van een in het verleden door [C] geleverde wanprestatie, en van beweerdelijk in het verleden begaan onrechtmatig handelen door [B] c.q. [bedrijf 5]. Dat [gedaagden] die wanprestatie of dat onrechtmatig handelen (voor zover daarvan al sprake zou zijn) zou hebben uitgelokt, is mede door de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagden] echter onvoldoende aannemelijk geworden. [gedaagden] heeft ook (zie onder andere 3.9.) gemotiveerd betwist dat zij gebruik, laat staan misbruik, heeft gemaakt van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Houttuin (waaronder technische bedrijfsinformatie en de daarvoor noodzakelijke software en marketingmateriaal). Ook de gestelde inbreuk op het Gemeenschapsmerk HOUTTUIN en op het auteursrecht van Houttuin zijn door [gedaagden] (zie onder andere 3.13.) voldoende gemotiveerd betwist.
5.4.
Al met al kan daarom niet met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat de door [gedaagden] ondernomen concurrerende activiteiten onrechtmatig zijn jegens Houttuin of inbreuk maken op het merkenrecht en/of het auteursrecht. De vordering onder E. wordt daarom afgewezen.
5.5.
Gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagden] (zie onder andere 3.12.) kan evenmin met voldoende zekerheid worden geconcludeerd dat Houttuin (dan wel Colfax/CFH) [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] op grond van een onjuiste voorstelling van zaken heeft ontheven uit hun concurrentiebedingen. Wat partijen ter zake over en weer nog meer hebben betoogd, behoeft geen bespreking, omdat de vorderingen onder F. en G. hierom reeds moeten worden afgewezen.
5.6.
Met betrekking tot de vorderingen onder A., B., C. en D, de vorderingen ex artikel 843a Rv, overweegt de voorzieningenrechter dat ook deze vorderingen zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen of inbreukmakende activiteiten door [gedaagden] jegens Houttuin. Nu in deze procedure dat gestelde handelen niet is komen vast te staan, kan thans niet worden geconcludeerd dat Houttuin een rechtmatig belang heeft bij toewijzing van deze vorderingen, zodat die worden afgewezen.
5.7.
Houttuin zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. In dat verband is van belang dat [gedaagden] de voorzieningenrechter één dag voor de mondelinge behandeling een kostenspecificatie ex artikel 1019h Rv heeft doen toekomen, kennelijk met het oog op de vergoeding van werkelijke proceskosten, voor zover die zien op de gestelde inbreuk op een recht van intellectuele eigendom. Nu de specificatie op een laat tijdstip in het geding is gebracht, de vordering op dit punt niet nader is onderbouwd en [gedaagden] dit punt ook ter zitting niet aan de orde heeft gesteld, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor toewijzing van een hoger bedrag dan de forfaitaire vergoeding. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht € 613,00
- salaris advocaat 1.224,00
Totaal € 1.837,00