Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Een parkeercontroleur heeft op
21 december 2014 geconstateerd dat de auto van eiseres zonder parkeerkaartje aan de Havenstraat in Hilversum stond. Hij heeft om 16:15 uur aan eiseres een naheffingsaanslag opgelegd van € 54,60, bestaande uit € 2,60 aan parkeerbelasting en € 52,- aan naheffing.
2. Eiseres voert aan dat zij wel parkeerbelasting heeft betaald. Zij heeft dit gedaan door belparkeren. Daarbij duurt het volgens eiseres even voordat de app van Parkmobile is opgestart, de juiste zone is gekozen en de betaalactie daadwerkelijk is gestart. Tussen het opleggen van de naheffingsaanslag en het betalen van de parkeerbelasting zat slechts één seconde. Hiermee heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden, aldus eiseres. Verweerder had de naheffingsaanslag in bezwaar moeten herroepen, omdat duidelijk is dat eiseres de parkeerbelasting heeft betaald.
Ter onderbouwing van haar stellingen heeft eiseres in de bezwaarfase een ‘transactieoverzicht belparkeren’ overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 21 december 2014 om 16:16 uur een bedrag van € 2,47 heeft betaald, waarbij de omschrijving ‘Parkeeractie Hilversum’ staat.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de check door de parkeercontroleur heeft plaatsgevonden om 16:14 uur, waaruit bleek dat geen parkeerbelasting was betaald. Verweerder is van mening dat hij geen coulancetijd in acht hoeft te nemen en volgens hem is één minuut te laat ook te laat. De parkeercontroleur heeft in het memoveld geen aantekeningen gemaakt over de bestuurster, waaruit volgens verweerder volgt dat zij op dat moment dus niet in de auto zat of daar in de buurt was. Dit blijkt ook uit de foto’s van de parkeercontroleur. Verweerder gaat er daarom van uit dat eiseres haar auto heeft geparkeerd zonder aan haar betaalverplichtingen te hebben voldaan en pas is gaan betalen toen zij van achter een raam zag dat de parkeercontroleur aan het controleren was.
4. De rechtbank overweegt dat parkeerbelasting op grond van artikel 234 van de Gemeentewet en artikel 5 van de Parkeerverordening Hilversum 2014 in beginsel onmiddellijk na de aanvang van het parkeren moet worden voldaan. In vaste rechtspraak is echter erkend dat enige tijd nodig is om daadwerkelijk te betalen. De parkeerder dient daarom een redelijke tijd te worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur in werking te stellen. In deze zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of eiseres die redelijke tijd heeft overschreden.
5. De rechtbank gaat ervan uit dat de parkeercontroleur om 16:14 uur heeft gecheckt of eiseres had betaald via belparkeren. Op dat moment maakte de handcomputer contact met de cloud, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht. Op dat moment stond de auto geparkeerd, zoals blijkt uit de foto’s van de parkeercontroleur. Daarnaast staat vast dat de betaling van eiseres om 16:16 uur door Parkmobile is ontvangen, zoals blijkt uit de factuur. Aangenomen moet daarom worden dat eiseres minimaal twee minuten heeft gedaan over het betalen via belparkeren met haar telefoon. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de redelijke tijd die iemand moet worden gegund om het belparkeren te activeren.
Het is weliswaar mogelijk dat de auto van eiseres al langer aan de Havenstraat geparkeerd stond, maar dit blijkt noch uit de processtukken, noch uit de tijdens de zitting gegeven toelichting door verweerder. In het bijzonder is de veronderstelling van verweerder dat eiseres pas is gaan betalen toen zij de controleur zag, in het geheel niet op feiten gebaseerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres de redelijke tijd heeft overschreden die haar moet worden gegund om de parkeerapparatuur in werking te stellen. De beroepsgrond slaagt.
Hierbij is niet van belang, zoals verweerder heeft gesteld, dat eiseres niet in de buurt van haar auto was. Het idee van belparkeren is juist dat de parkeerder na het parkeren al lopend het belparkeren kan activeren. Ook als iemand al betalend aan het weglopen is, dient diegene daarvoor een redelijke tijd te worden gegund.
6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de naheffingsaanslag te herroepen.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 734,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van 244,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- herroept de naheffingsaanslag;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 734,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Heinemann, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.J. Veenhof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
21 augustus 2015.
Afschrift verzonden aan partijen op: