De rechtbank neemt bij de begroting van de vergoeding voor immateriële schade het volgende in aanmerking. Bij het ongeval heeft [verzoekster] een groot aantal breuken opgelopen: een gebroken rechter pols, rechter bovenarm en knie en een drievoudige breuk van de linker enkel. Ook had [verzoekster] meerdere diepe snijwonden en verwondingen aan het gezicht en gebitschade. [verzoekster] heeft na het ongeval geruime tijd in levensgevaar verkeerd. De echtgenoot van [verzoekster] heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling het volgende verklaard. [verzoekster] is, terwijl zij op het fietspad fietste, aangereden door een tegemoetkomende auto die van de weg raakte en haar frontaal aanreed. Zij is als gevolg daarvan in de naastgelegen sloot terechtgekomen, waar haar jongste zoon haar heeft weten uit te halen. Om te voorkomen dat [verzoekster] haar bewustzijn zou verliezen is hij tegen haar blijven praten. Er is een ambulance en een traumahelikopter gekomen. Nadat de toestand van [verzoekster] na 2 uur spoedeisende hulp gestabiliseerd leek, is zij met de genoemde traumahelikopter overgebracht naar het ziekenhuis in Groningen. Over haar situatie werd gezegd dat deze zeer instabiel was en dat het de vraag was of zij in leven zou blijven. Over de aan [verzoekster] verleende medische zorg blijkt uit het dossier verder het volgende. [verzoekster] is 7 dagen kunstmatig in coma gehouden op de intensive care en zij heeft 6 weken in het ziekenhuis gelegen. [verzoekster] heeft een aanzienlijk aantal operaties moeten ondergaan, waarvan het merendeel onder algehele narcose. De operaties waren nodig vanwege het orthopedisch letsel maar ook vanwege het feit dat haar verwondingen moeizaam heelden. Gedurende een periode van 6 maanden was [verzoekster] vrijwel volledig afhankelijk van anderen. Zij heeft onder behandeling gestaan van talloze medisch specialisten. De periode van intensieve revalidatie heeft twee jaar geduurd. [verzoekster] ervaart desondanks nog dagelijks pijn, waaronder zenuwpijn. Zij gebruikt dagelijks (pijnstillende) medicatie. Ook is zij nog steeds onder behandeling van een fysiotherapeut en doet zij dagelijks oefeningen. Het letsel levert ook beperkingen op voor haar dagelijks functioneren. Partijen zijn het er over eens dat de verschillende letsels beperkingen geven waar een percentage functionele invaliditeit van 16 bij hoort. Ondanks dat partijen het er over eens zijn dat (in principe) kan worden afgezien van een medische expertise door een orthopeed, waardoor onzeker is hoe een en ander zich in de toekomst zal ontwikkelen, meer in het bijzonder of haar gezondheid zal verslechteren door artrose, is een dergelijke mate van blijvende beperkingen evengoed al aanzienlijk. De gevolgen van het ongeval hebben bovendien grote impact op de wijze waarop [verzoekster] haar dagelijks leven invulde. Zij haalde veel levensgeluk uit actieve en sportieve activiteiten, terwijl de blijvende beperkingen haar nu verhinderen haar leven nog op die manier in te richten. Uit de verklaring van [verzoekster] tijdens de mondelinge behandeling leidt de rechtbank af dat er op dat punt sprake is van een grote mate van gederfde levensvreugde en veel verdriet. Dat [verzoekster] wel weer in staat is wandelingen van 5 of 10 km te maken, zoals Univé aanvoert, acht de rechtbank van wezenlijk andere orde dan hetgeen waartoe [verzoekster] vóór het ongeval op actief en sportief gebied in staat was. De rechtbank verwijst in dit verband naar de verklaring ter zitting van [verzoekster] dat zij een paar weken voor het ongeval nog een berg van 3.000 meter hoogte had bestegen. Anders dan Univé is de rechtbank van oordeel dat de leeftijd van [verzoekster] en daarmee de duur van “het lijden” geen significante invloed heeft op de omvang van de vergoeding, in die zin dat die vergoeding lager zou moeten uitvallen omdat sprake is van een beperkte lijdensduur. Met [verzoekster] is de rechtbank van oordeel dat, gezien de hoge mate waarin [verzoekster] nog actief en sportief in het leven stond, een redelijke verwachting is dat zij nog een significant aantal jaren in kwalitatief goede gezondheid had kunnen leven als het ongeval niet had plaatsgevonden, waarin actief bezig zijn en sportieve activiteiten een grote rol gespeeld zouden hebben. Dat is haar door het ongeval ontnomen.
De rechtbank kent verder gewicht toe aan het feit dat, ondanks dat de exacte toedracht onopgehelderd is gebleven, wel kan worden geconcludeerd dat het ongeval het gevolg is van een ernstige normoverschrijding, namelijk het (frontaal) inrijden op een fietser die zich op een naast de weg – en daarvan afgescheiden gelegen fietspad bevond.
Over de gevalsvergelijking merkt de rechtbank het volgende op. Als het enkel gaat om het meervoudige letsel dat [verzoekster] heeft opgelopen valt het, zoals Univé betoogt, inderdaad niet in één van de zwaarste categorieën van letsel zoals die in de Smartengeldgids 2016 (21e druk) worden gehanteerd, maar in de categorie ernstig letsel. Andere aspecten (dan het letsel en het percentage functionele invaliditeit) sluiten naar het oordeel van de rechtbank echter wel meer aan bij de naast hogere categorie van ernstig letsel, namelijk zwaar letsel. Het gaat dan om de duur van de ziekenhuisopname en revalidatie, de periode waarin [verzoekster] afhankelijk was van hulp en verzorging, het feit dat zij in levensgevaar is geweest en in coma heeft gelegen en dat er sprake is geweest van een zeer langdurig genezingsproces. De uitspraken waarnaar beide partijen verwijzen zijn opgenomen in de categorie “been- en voetletsel”. Voor min of meer vergelijkbare gevallen ligt de bandbreedte voor de vergoeding van immateriële schade in deze categorie tussen € 28.000,00 en € 42.000,00. Echter, de rechtbank constateert dat deze uitspraken allemaal slechts aspecten bevatten die (enigszins) “te vergelijken zijn met” de situatie van [verzoekster] . Indien daarbij wordt betrokken hetgeen de rechtbank hiervoor heeft opgemerkt over de aansluiting bij de categorieën ernstig en zwaar letsel én meegenomen wordt dat er bij [verzoekster] naast beenletsel ook sprake was van armletsel, dat bovendien volgens de medisch adviseur van Univé blijvende beperkingen kan opleveren gezien haar leeftijd, brengt dat de rechtbank tot de slotsom dat een billijk smartengeld voor [verzoekster] zich aan de bovengrens van de genoemde bandbreedte bevindt. In het buitenland toegekende bedragen zijn, zoals de rechtbank hiervoor onder 4.4. ook overwoog, niet beslissend voor de bedragen die de Nederlandse rechter kan toekennen. In zoverre is in mindere mate van betekenis dat [verzoekster] billijk vindt wat haar volgens de Duitse regelgeving zou kunnen worden toegekend.
Gezien de discussie die momenteel gaande is over de hoogte van de vergoedingen voor immateriële schade zal de rechtbank ook dat bij de bepaling van de omvang van het smartengeld betrekken, zij het wel in mindere mate dan [verzoekster] voorstaat, maar wel in die zin dat het een enigszins verhogend effect heeft.
Op grond van het vooroverwogene stelt de rechtbank naar billijkheid de schadevergoeding voor de immateriële schade die [verzoekster] lijdt vast op een bedrag van € 45.000,00. Benadrukt wordt dat de rechtbank hiermee, zoals door [verzoekster] verzocht, het totale bedrag aan smartengeld heeft bepaald en dat daarbij dus geen rekening is gehouden met het of enig bedrag dat reeds als voorschot is voldaan.