Overwegingen
1. Per brief van 24 oktober 2003 is aan eiser een prestatiebeurs toegekend voor een opleiding in het hoger onderwijs. Eiser heeft in België gestudeerd en heeft daar zijn diploma behaald. Eiser heeft zijn behaalde diploma bij verweerder ingediend op 22 augustus 2019 met het verzoek om de prestatiebeurs om te zetten in een gift.
2. Verweerder heeft het verzoek van eiser om de prestatiebeurs om te zetten in een gift afgewezen, omdat eiser zijn diploma te laat heeft ingediend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij eiser de termijn van tien jaar voor het behalen van het diploma is verstreken op 31 augustus 2013. Voor diploma’s die zijn behaald in het buitenland geldt dat deze binnen vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn moeten worden ingediend bij verweerder, op grond van begunstigend beleid van verweerder. Dit betekent dat eiser uiterlijk op 31 augustus 2018 een gewaarmerkte kopie van zijn diploma had moeten indienen. Hij heeft dit pas op 22 augustus 2019 gedaan en dat is buiten de termijn.
3. Eiser voert aan dat hij niet op de hoogte was dat hij zijn diploma binnen vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn moest indienen bij verweerder. Hij ging ervan uit dat verweerder op de hoogte was dat hij zijn diploma had behaald. Verweerder heeft meerdere brieven over de studieschuld naar een verkeerd adres gestuurd, waardoor deze brieven nooit bij eiser zijn aangekomen. Pas eerst na inschrijving in het gemeentelijke basisregister in Nederland is eiser bekend geraakt met het besluit dat als gevolg van het niet omzetten van de prestatiebeurs in een gift hij nog een studieschuld heeft. Verweerder heeft dit niet op voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Eiser vindt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld en dat nu niet aan hem verweten kan worden dat hij zijn diploma eerder had moeten indienen. Ook op verweerders website staat niet vermeld dat een buitenlands diploma binnen vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn moet worden ingediend bij verweerder. Volgens eiser is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel en had verweerder de hardheidsclausule moeten toepassen.
4. Ingevolge artikel 5.7, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) wordt, indien een student binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg een hbo-bacheloropleiding of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding afrondt, de aan hem toegekende prestatiebeurs hoger onderwijs voor de duur van de desbetreffende opleiding omgezet in een gift. Onverminderd de eerste volzin, wordt van de toegekende reisvoorziening één jaar extra omgezet in een gift.
5. In artikel 5.9, tweede lid, van de Wsf 2000 is het volgende bepaald: ‘‘Een ho-student die het examen, bedoeld in artikel 5.7, met goed gevolg heeft afgelegd aan een instelling waarop artikel 7.9d van de WHW niet van toepassing is, zendt uiterlijk 3 maanden na het verstrijken van de diplomatermijn hoger onderwijs, een door de betrokken instelling van hoger onderwijs gewaarmerkte kopie van het aan dat examen verbonden diploma aan Onze Minister en dient daarbij een aanvraag in tot omzetting van de prestatiebeurs hoger onderwijs. Op die kopie vermeldt de instelling de datum waarop het examen met goed gevolg is afgesloten. De omzetting vindt plaats uiterlijk per 1 januari van het kalenderjaar volgend op de aanvraag.’’
6. Op grond van artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan de Minister in bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dit artikel betreft de zogenaamde hardheidsclausule.
Het oordeel van de rechtbank
7. Voor de omzetting van de prestatiebeurs in een gift is nodig dat een student binnen de diplomatermijn een gewaarmerkte kopie van het diploma aan verweerder zendt en daarvoor een aanvraag indient. Eiser heeft op 22 augustus 2019 een aanvraag ingediend waarop verweerder een besluit heeft genomen dat is gehandhaafd in bezwaar. Dit besluit ligt ter beoordeling voor. De brief waar eiser aan refereert naar aanleiding waarvan hij stelt op de hoogte te zijn geraakt van de nog bestaande studieschuld, is niet een brief die relevant is voor de beoordeling van de omzetting van de prestatiebeurs naar een gift. De bekendmaking daarvan is evenmin relevant. Verweerder hanteert voor het toezenden van het diploma een termijn van vijf jaren. Niet in geschil is dat eiser het diploma niet binnen deze termijn heeft toegezonden. Daarmee is niet aan de voorwaarden van artikel 5.9, tweede lid, van de Wsf 2000 voldaan voor omzetting van de prestatiebeurs naar een gift. De vraag die dan resteert is of verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. De vraag die daarbij is opgeworpen, is of het aan eiser valt toe te rekenen dat hij zijn diploma niet eerder - binnen de periode van vijf jaar - heeft toegezonden. In dit verband toetst de rechtbank ook aan het zorgvuldigheid- en evenredigheidsbeginsel.
8. Naar het oordeel van de rechtbank mag van studenten die studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs ontvangen worden verwacht dat zij zich over hun rechten en plichten goed laten informeren. Eiser heeft een eigen verantwoordelijkheid om zich actief te laten informeren over de door hem ontvangen prestatiebeurs en de consequenties die dit voor hem als buitenlands student heeft. Dat eiser niet op de hoogte was dat hij zijn diploma binnen vijf jaar na het verstrijken van de diplomatermijn moest indienen bij verweerder, valt hem toe te rekenen. Dat verweerder meerdere brieven over het terug betalen van de studieschuld naar een onjuist adres heeft gestuurd, maakt het voorgaande niet anders. Dit neemt namelijk zijn eigen verantwoordelijkheid tot informatiewinning niet weg. Eiser wist of kon redelijkerwijs weten dat hij met het ontvangen van een prestatiebeurs een studieschuld opbouwt en dat hieraan verplichtingen verbonden zijn. Anders dan eiser stelt geeft verweerder op de website voldoende informatie over de voorwaarden van een prestatiebeurs. Op de website is vermeld dat een gewaarmerkte kopie van het buitenlandse diploma moet worden opgestuurd, voordat een prestatiebeurs wordt omgezet in een gift. Dat de vijfjarentermijn daarbij niet is vermeld, betekent niet dat het niet inzenden van het diploma binnen deze periode hem niet valt toe te rekenen. Het gaat hier om een zeer ruime termijn van vijf jaren die ook nog eens in begunstigende zin afwijkt van de wettelijke termijn van drie maanden.
9. De rechtbank volgt gelet op het vorenstaande verweerder in zijn standpunt dat eiser zelf onderzoek had moeten doen naar de voorwaarden van de omzetting van zijn prestatiebeurs naar een gift en dat deze informatie ook in voldoende mate beschikbaar was. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een (zeer) bijzondere omstandigheid van individuele aard, waarin verweerder aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank ziet geen grond voor eisers stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.