4 De beoordeling
I en II: vorderingen tot inzage en afschrift
4.1.
De voorzieningenrechter behandelt de onder I en II gevorderde voorzieningen gezamenlijk omdat beide zijn gegrond op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Op grond van 843a Rv vordert [eiseres] inzage en afschrift van, kort gezegd, ál het belastend materiaal dat door [gedaagde] wordt bewaard en dat door het conservatoir bewijsbeslag is geraakt. Vaststaat dat dit meer bescheiden betreft, dan waarvoor verlof is verleend. Uit de beschikking van 10 oktober 2023 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (die als productie aan de dagvaarding is gehecht) volgt namelijk dat ‘slechts’ verlof is verleend voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag op de volgende bescheiden:
“i. alle video-, audiobestanden en afbeeldingen met daarin pornografisch materiaal (onder pornografisch materiaal wordt verstaan: al het beeld waarop Verzoekster naakt of met ontbloot bovenlijf zichtbaar is en al het beeld en geluid waarop Verzoekster seksuele handelingen verricht) van Verzoekster;
ii. alle bescheiden (waaronder wordt verstaan, maar niet beperkt tot, alle correspondentie of andersoortige berichtgeving, waaronder wordt verstaan, maar niet beperkt tot whatsapp-berichten, e-mail-berichten, Instagram-berichten, Facebook(Messenger)-berichten, Tiktok-berichten, Snapchat-berichten) waaruit blijkt dat één of meer van het pornografisch materiaal genoemd onder (i) van dit verzoek zijn verzonden aan derden en Verzoekster”.
Kortom: uit deze beschikking volgt dat de voorzieningenrechter verlof heeft verleend om beslag te leggen op alleen die bescheiden die verband houden met het pornografisch materiaal. Uit praktisch oogpunt zijn bij de beslaglegging volledige kopieën gemaakt van de inhoud van de gegevensdragers van [gedaagde] en is dus op meer data beslag gelegd dan alleen op het pornografisch materiaal waarvoor verlof is verleend.
4.2.
Met betrekking tot de gevorderde voorzieningen, moeten twee vragen worden beantwoord: (i) óf [eiseres] recht heeft op inzage en afschrift van bescheiden en, zo ja, (ii) van welke bescheiden. Voor beantwoording van de eerste vraag is van belang dat een vordering tot inzage of afschrift op grond van artikel 843a lid 1 Rv in beginsel alleen kan worden toegewezen, als aan alle drie de volgende eisen is voldaan: (a) [eiseres] moet een rechtmatig belang hebben bij inzage of afschrift; (b) het moet gaan om bepaalde bescheiden, en (c) de vordering moet bescheiden betreffende aangaande een rechtsbetrekking waarin [eiseres] partij is. Van belang is dat deze eisen in samenhang moeten worden bezien.1 Deze eisen zullen hierna achtereenvolgens worden besproken. Maar eerst zal worden beoordeeld of [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen tot inzage en afschrift.
4.3.
Een vordering tot inzage/afschrift in kort geding is slechts toewijsbaar als [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft.2 De voorzieningenrechter oordeelt dat dit het geval is, omdat de vrees van [eiseres] dat het pornografisch materiaal wordt verspreid, op 17 augustus 2023 is verwezenlijkt (randnummer 2.5 van dit vonnis). Omdat sprake is van het verspreiden van dit materiaal, en [eiseres] onbetwist heeft gesteld dat deze verspreiding voor haar als publiekelijk bekend persoon ernstige gevolgen heeft, heeft zij een spoedeisend belang bij inzage/afschrift van de bescheiden.
4.4.
[eiseres] stelt dat zij inzage/afschrift verlangt om het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde] te kunnen bewijzen. De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiseres] van plan is om [gedaagde] in een bodemprocedure aan te spreken. Volgens [eiseres] handelt [gedaagde] onrechtmatig door het pornografisch materiaal zonder haar toestemming in zijn bezit te hebben én te verspreiden. [gedaagde] betwist dat [eiseres] een rechtmatig belang heeft bij inzage/afschrift van de beslagen bescheiden.
4.5.
Van een rechtmatig belang is sprake als (het bestaan van de rechtsbetrekking waarop) de vordering (ziet) in kort geding voldoende aannemelijk is.3 De vraag wat als een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal.4 Kortom: [eiseres] heeft een rechtmatig belang bij inzage/afschrift van de beslagen bescheiden als op dit moment voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld.
4.6.
De voorzieningenrechter acht het bestaan van dit onrechtmatig handelen van [gedaagde] voldoende aannemelijk. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk erkend dat hij het pornografisch materiaal van [eiseres] heeft ontvangen en niet heeft gewist, zodat dit materiaal nog in mappen op zijn telefoon en/of computer(s) staat. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat zij [gedaagde] meerdere keren heeft gevraagd dit materiaal te verwijderen. [gedaagde] heeft erkend dat hij dit niet heeft gedaan, zodat hij het pornografisch materiaal zonder toestemming van [eiseres] in zijn bezit heeft. Dit ‘aanwezig houden’ van het pornografisch materiaal komt de voorzieningenrechter voorlopig onrechtmatig voor.
4.7.
Verder acht de voorzieningenrechter het voorlopig voldoende aannemelijk dat [gedaagde] het materiaal heeft verspreid, door op 17 augustus 2023 een filmpje aan [eiseres] en [A] te sturen. Het is een stuk waarschijnlijker dat [gedaagde] degene is die dit heeft gedaan dan dat iemand anders dit heeft gedaan. [eiseres] stelt namelijk dat zij het materiaal alleen aan [gedaagde] heeft gestuurd. Dat lijkt, gegeven de context, ook aannemelijk, ook als er geen sprake was van dwang zoals [eiseres] stelt en [gedaagde] ontkent. Ze maakte de filmpjes voor [gedaagde] en stuurde ze direct daarna aan hem. Dat geeft [gedaagde] toe, en dat geldt naar zijn zeggen ook voor het op 17 augustus 2023 verstuurde filmpje. [gedaagde] suggereert dat [eiseres] de pornografische filmpjes die ze destijds voor hem maakte ook aan anderen kan hebben gestuurd. Maar dat is niet meer dan een suggestie. [gedaagde] heeft kennelijk nagevraagd of dit soort filmpjes door [eiseres] ook aan [B] en [C] – beide ex-vrienden van [eiseres] – zijn gestuurd. Dit blijkt niet uit productie 5 en 6. [eiseres] betwist verder met klem dat zij het pornografisch materiaal aan derden heeft verstuurd.
4.8.
De rechtbank volgt [eiseres] er niet in dat [gedaagde] in een Facebookbericht en in een WhatsAppbericht gedreigd heeft met het verspreiden van deze filmpjes (zie hierna onder randnummer 4.39 van dit vonnis). Dat maakt hier echter niet uit; dat waarschijnlijker is dat [gedaagde] het filmpje op 17 augustus 2023 aan [eiseres] en [A] heeft gestuurd dan dat iemand anders dit heeft gedaan, is genoeg om een rechtmatig belang aan te nemen.
4.9.
Het voorgaande brengt met zich dat vooralsnog voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiseres] heeft gehandeld door het pornografisch materiaal zonder haar toestemming in zijn bezit te hebben, en te verspreiden. [eiseres] heeft een rechtmatig belang bij de vordering tot inzage/afschrift om bewijs te vergaren voor een te voeren bodemprocedure waarin zij hem aanspreekt op grond van een onrechtmatige daad.
4.10.
Hiervoor is al geoordeeld dat de eisen van artikel 843a lid 1 Rv, waaronder het bepaaldheidsvereiste, niet in isolatie maar in samenhang met de andere eisen van artikel 843a lid 1 Rv moeten worden bezien. Uit het bepaaldheidsvereiste volgt dat de bescheiden waarvan inzage/afschrift wordt gevraagd, zodanig concreet moeten worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of [eiseres] daarbij een rechtmatig belang heeft. In het arrest Staat/Advocaten5is voor het bewijsbeslag geoordeeld dat ‘de bepaaldheid van de omschrijving van de bescheiden die in het gegeven geval kan worden geëist, mede afhangt van de vordering en het doel waarvoor beslag wordt gelegd.’ Deze eis geldt ook voor de vordering tot inzage/afschrift.6
4.11.
In het petitum staat dat [eiseres] inzage en afschrift vordert van ‘alle op 24 oktober 2023 in beslag genomen data’, dan wel van ‘alle op 24 oktober 2023 in beslag genomen persoonsgegevens van [eiseres] (waaronder pornografisch en ander belastend materiaal waarop of waarin [eiseres] zichtbaar of hoorbaar is)’. De term ‘ander belastend materiaal’ is onvoldoende concreet. Belangrijker nog is dat niet gebleken is dat [eiseres] een rechtmatig belang heeft bij inzage/afschrift van meer dan de bescheiden die verband houden met het pornografisch materiaal. Recht op inzage/afschrift bestaat immers alleen van bepaalde gegevens die relevant zijn voor de rechtsbetrekking waarbij de informatieverzoeker partij is. Naar de eigen stelling van [eiseres] is het bewijsbeslag, en de daaropvolgende vorderingen tot inzage/afschrift, bedoeld om het onrechtmatig handelen van [gedaagde] te bewijzen. Hiervoor is al geoordeeld dat met het onrechtmatig handelen van [gedaagde] alleen is gedoeld op het zonder toestemming van [eiseres] bezitten, en verspreiden van het pornografisch materiaal (zie randnummer 4.4 van dit vonnis). Gesteld noch gebleken is dat de potentiële vordering van [eiseres] uit onrechtmatige daad ook ziet op ‘ander belastend materiaal’, zodat [eiseres] alleen een rechtmatig belang heeft bij inzage/afschrift van bescheiden die verband houden met het pornografisch materiaal, zoals omschreven in het beslagverlof.
4.12.
De voorzieningenrechter oordeelt dat aan deze eis is voldaan, omdat hij hiervoor (zie randnummer 4.9 van dit vonnis) heeft overwogen dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet (lees: het onrechtmatig handelen van [gedaagde] ) voldoende aannemelijk is.
Conclusie vorderingen tot inzage/afschrift
4.13.
Hiervoor is overwogen dat aan alle drie de vereisten van artikel 843a lid 1 Rv is voldaan, voor zover het gaat om de bescheiden die verband houden met het pornografisch materiaal (zie randnummer 4.1 van dit vonnis). De onder I en II gevorderde voorzieningen zullen dus gedeeltelijk, conform de verlening van het beslagverlof (zie randnummer 4.1 van dit vonnis) worden toegewezen.
4.14.
In artikel 843a lid 2 Rv is bepaald dat de voorzieningenrechter zo nodig de wijze bepaalt waarop inzage/afschrift van de bescheiden zal worden verschaft. [eiseres] vordert dat inzage/afschrift van de bescheiden wordt verschaft op de door haar in randnummer 30 tot en met 36 van de dagvaarding uiteengezette wijze, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen wijze.
4.15.
De voorzieningenrechter kan de voorgestelde werkwijze deels volgen en bepaalt dat op de volgende wijze inzage/afschrift van de bescheiden moet worden verschaft. Eerst zal [gedaagde] de kans krijgen om vrijwillig en medewerkend aan ICT-specialist [ICT-specialist] kenbaar te maken waar (i) al het pornografisch materiaal (zoals bedoeld onder i van het beslagverlof, zie randnummer 4.1 van dit vonnis) te vinden is. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat hij bereid is om hieraan mee te werken. Daarnaast zou [gedaagde] de kans moeten krijgen om kenbaar te maken waar (ii) alle bescheiden (zoals bedoeld onder ii van het beslagverlof, zie randnummer 4.1 van dit vonnis) te vinden zijn, hoewel uit zijn standpunt tot dusverre (dat hij nooit iets heeft verspreid) volgt dat die bescheiden niet bestaan. [ICT-specialist] kan deze bestanden vervolgens selecteren en hiervan een back-up maken.
4.16.
Deze geselecteerde bestanden worden vervolgens aan [eiseres] ter inzage voorgelegd, waarna [eiseres] , indien zij van mening is dat dit al het materiaal en bescheiden betreft, met deze selectie akkoord kan gaan en een, door [ICT-specialist] te maken afschrift van deze selectie ontvangt. Tot zover haakt de voorzieningenrechter aan bij de door [eiseres] voorgestelde wijze. De voorzieningenrechter volgt echter de suggestie van [eiseres] niet dat als zij het met de selectie niet eens is, zij in staat wordt gesteld door alle afbeeldingen, video- en audiobestanden van [gedaagde] heen te gaan. Dit vindt [gedaagde] onwenselijk omdat dit een inbreuk maakt op zijn privacyrecht. Ook voorziet [gedaagde] moeilijkheden in deze praktische uitvoering vanwege de ernstig verstoorde verhouding van partijen. Daarbij komt dat om bewijsbeslag op grote hoeveelheden data acceptabel te maken nu juist de figuur van de onafhankelijke bewaarder is bedacht.
4.17.
De voorzieningenrechter bepaalt dat als [eiseres] het niet eens is met de geselecteerde bestanden, [ICT-specialist] in staat wordt gesteld om het onder randnummer 4.15 bedoelde materiaal en de bescheiden te selecteren. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat het partijen altijd vrijstaat in onderling overleg van deze voorgestelde werkwijze af te wijken.
III. Gebod verlenen medewerking inzage/afschrift
4.18.
[eiseres] vordert [gedaagde] te gebieden zijn medewerking te verlenen aan de gevorderde voorzieningen onder I en II, op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter begrijpt dat deze vordering met name ziet op het verstrekken van wachtwoorden door [gedaagde] voor gegevensdragers. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van [gedaagde] dat [eiseres] op dit moment geen belang meer heeft bij deze vordering, omdat [gedaagde] tijdens de beslaglegging al de wachtwoorden heeft moeten geven en integrale kopieën van de inhoud van de gegevensdragers zijn gemaakt. De inhoud van deze kopieën is nu ook zonder de wachtwoorden en de medewerking van [gedaagde] voor [eiseres] toegankelijk omdat deze kopieën worden bewaard door [ICT-specialist] .
4.19.
De advocaat van [eiseres] heeft tijdens de behandeling verklaard dat hij deze vordering in het petitum heeft vermeld omdat hij grondig heeft willen zijn, en dat áls de medewerking van [gedaagde] nodig is hij verplicht is deze te geven. [gedaagde] heeft tijdens de behandeling verklaard dat hij in ieder geval bereid is de vindplaats van het pornografisch materiaal aan te wijzen. De voorzieningenrechter vertrouwt er dus op dat [gedaagde] de benodigde medewerking zal verlenen en zal de gevorderde voorziening, vanwege het ontbreken van voldoende belang, afwijzen.
IV. Gebod vernietigen c.q. verwijderen
4.20.
De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de vordering tot vernietiging althans verwijdering van het pornografisch materiaal. [gedaagde] stelt dat het spoedeisend belang bij deze vordering ontbreekt omdat de relatie al een aantal jaar is verbroken en hij sindsdien over het materiaal beschikt. De voorzieningenrechter overweegt dat omdat [gedaagde] dit materiaal, na het verbreken van de relatie, zonder toestemming van [eiseres] in zijn bezit heeft gehouden, hij inbreuk maakt op haar recht op privacy. Het staat namelijk vast dat [eiseres] meerdere keren aan [gedaagde] heeft gevraagd dit materiaal te verwijderen. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.
4.21.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij er geen moeite mee heeft dat het pornografisch materiaal, dat hij in zijn bezit heeft, wordt gewist. Het gevorderde gebod tot vernietiging/verwijdering zal dus worden toegewezen, op de wijze zoals onder randnummer 42 van de dagvaarding is omschreven. [gedaagde] heeft deze wijze van vernietiging/verwijdering namelijk niet betwist.
4.22.
[gedaagde] stelt dat de gevorderde dwangsommen moeten worden afgewezen omdat deze niet billijk zijn en een te vergaande maatregel betreffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dwangsom, als stimulans tot nakoming van dit gebod tot vernietiging/verwijdering van het pornografisch materiaal door [gedaagde] is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd en wordt gesteld op € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan deze verplichting voldoet, met een maximum van € 50.000,00.
4.23.
[eiseres] vordert (voorwaardelijk) dat de integrale kopieën van de inhoud van de gegevensdragers door [ICT-specialist] als gerechtelijke bewaarder worden bewaard totdat de rechtbank in een, binnen twee maanden na dit vonnis door [eiseres] aangespannen, bodemprocedure heeft beslist.
4.24.
[eiseres] heeft aan deze vordering de voorwaarde gekoppeld dat één van de onder I tot en met IV gevorderde voorzieningen (gedeeltelijk) door de voorzieningenrechter is afgewezen. Omdat de voorzieningenrechter de onder I, II en IV gevorderde voorzieningen slechts gedeeltelijk heeft toegewezen en de onder III gevorderde voorziening heeft afgewezen, is aan deze voorwaarde voldaan.
4.25.
De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] tegen deze vordering geen verweer heeft gevoerd en zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter, zodat deze gevorderde voorziening zal worden toegewezen.
VI. Verbod tot verspreiding
4.26.
De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening om [gedaagde] te verbieden het pornografisch materiaal aan derden te verspreiden. Het verspreiden van pornografisch materiaal is onrechtmatig en maakt inbreuk op het recht op privacy van [eiseres] . Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de gevorderde voorziening. Aan de spoedeisendheid staat niet in de weg dat [gedaagde] al jaren over het materiaal beschikt en stelt dat hij het materiaal niet heeft verspreid. Hiervoor is namelijk al overwogen dat de dreiging van verspreiding momenteel reëel is, omdat [eiseres] en [A] op 17 augustus 2023 een filmpje toegestuurd hebben gekregen en het ook voldoende aannemelijk is dat dit filmpje door [gedaagde] is gestuurd (zie randnummer 4.7 van dit vonnis).
4.27.
Als gezegd acht de voorzieningenrechter het waarschijnlijker dat [gedaagde] het pornografisch filmpje op 17 augustus 2023 aan [eiseres] en [A] heeft gestuurd dan dat iemand anders dat heeft gedaan. Het is civielrechtelijk niet vastgesteld, maar het karakter van het kort geding, waar ordemaatregelen worden opgelegd, rechtvaardigen dat aan [gedaagde] een verbod wordt opgelegd om pornografisch materiaal waarop of waarin [eiseres] te zien of te horen is aan derden te verspreiden. Hij is daartoe immers in staat, omdat vast staat dat hij het materiaal heeft; en hoewel dit niet is vastgesteld, is wel waarschijnlijk dat hij al eens een filmpje heeft verspreid. [gedaagde] wordt verder door oplegging van een verbod met dwangsom in geen enkel redelijk belang getroffen - als hij inderdaad geenszins van plan is filmpjes te verspreiden doen die hem niets - terwijl [eiseres] ’s belangen juist zeer hard worden geraakt als [gedaagde] dat toch wel zou doen.
4.28.
[eiseres] vordert verder om aan deze veroordeling een substantiële dwangsom te koppelen, die een voldoende afschrikkende werking heeft zodat deze [gedaagde] ervan weerhoudt het materiaal (eenmalig) te delen. Volgens [gedaagde] moet de dwangsom worden afgewezen omdat een dwangsom in deze niet billijk en een te vergaande maatregel is.
4.29.
De voorzieningenrechter zal de gevorderde dwangsom toewijzen. [gedaagde] betoogt dat hij het materiaal niet heeft verspreid en ook niet zal verspreiden, dus wordt hij door toewijzing van deze dwangsom niet geschaad. Aan het verbod zal een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding worden verbonden omdat van de dwangsom een prikkelwerking moet uitgaan. [eiseres] heeft namelijk onbetwist gesteld dat zij, als publiekelijk bekend persoon, van het verspreiden van dit materiaal veel schade zal ondervinden.
VII. Verbod om verder informatie te delen met de roddelpers
4.30.
Verder vordert [eiseres] om [gedaagde] te verbieden om met betrekking tot haar contact op te nemen met de roddelpers en/of juice kanalen. De voorzieningenrechter is het met [gedaagde] eens dat dit verbod veel te algemeen geformuleerd is. Anders dan [eiseres] stelt, is het verstrekken van informatie over een ander aan de roddelpers en/of juice kanalen niet per se onrechtmatig. Zo heeft [gedaagde] tijdens de behandeling verklaard dat hij met juice kanalen contact heeft over bijvoorbeeld de gerechtelijke procedure in algemene zin. [gedaagde] voelt zich door deze kanalen gesteund omdat zij interesse hebben in zijn verhaal, en voor hem als ‘externe spreekbuis’ fungeren. Het staat [gedaagde] tot op zekere hoogte vrij om informatie met de roddelpers en/of juice kanalen te delen, mits hij geen onrechtmatige inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiseres] . Die nuance mist in het gevraagde verbod.
4.31.
Voor zover het [eiseres] er om te doen is om met dit verbod te voorkomen dat pornografisch materiaal aan de roddelpers en/of juice kanalen wordt verstrekt, is het niet nodig omdat hiervoor is al overwogen dat aan [gedaagde] een verbod wordt opgelegd om dit materiaal aan derden te verspreiden (zie randnummer 4.26 e.v.). De voorzieningenrechter ziet niet in welk belang [eiseres] , bovenop het verspreidingsverbod, heeft bij dit ongebreidelde verbod zodat deze vordering zal worden afgewezen.
4.32.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
Totaal: € 1.140,85.
4.33.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de in ‘De beslissing’ te bepalen termijn.
In reconventie
Opheffing beslag – onrechtmatig gelegd
4.34.
[gedaagde] stelt dat het conservatoir bewijsbeslag onrechtmatig is gelegd. [gedaagde] verwijst naar randnummer 3.20 van het beslagverlof waarin het volgende staat:
“het bewijsbeslag (…) mag niet plaatsvinden tussen vijf uur ’s middags en negen uur ’s ochtends en evenmin in het weekend of op een algemeen erkende feestdag, met dien verstande dat een voor 10.00 uur aangevangen beslag op deze dagen en uren mag worden afgerond.”
Uit het proces-verbaal van de beslaglegging volgt dat de beslaglegging op dinsdag 24 oktober 2023 om 12.50 uur is aangevangen en de beslaglegging, de ‘ambtshandeling’, om 20.00 uur is afgerond. [gedaagde] stelt dat het bewijsbeslag dat ná 17.00 uur is gelegd, onrechtmatig is omdat het is gelegd na de periode die in het verlof is bepaald. Volgens [gedaagde] is niet na te gaan welke inhoud van welke gegevensdragers vóór en ná 17.00 uur is gekopieerd, zodat het beslag op de inhoud van alle gegevensdragers moet worden opgeheven.
4.35.
Volgens [eiseres] is het standpunt van [gedaagde] juist dat het beslag is gelegd buiten de in het verlof bepaalde uren. Volgens [eiseres] heeft de deurwaarder de beslaglegging verder wel conform de geldende regels uitgevoerd.
4.36.
De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] zijn standpunt dat deze vormfout moet leiden tot opheffing van het beslag, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit artikel 705 lid 2 Rv volgt dat de opheffing van het beslag (in kort geding) onder meer wordt uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. [gedaagde] heeft niet gesteld dat deze vormfout met nietigheid wordt bedreigd, en dit komt de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk voor. Ter vergelijking: uit artikel 64 lid 1 Rv volgt dat de deurwaarder in beginsel geen beslagexploot mag uitbrengen tussen 20.00 uur s’ avonds en 07.00 uur ’s ochtends. Brengt de deurwaarder zonder verlof toch tussen 20.00 en 07.00 uur een beslagexploot uit, dan is het beslag daarmee niet nietig.7
4.37.
Omdat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld wat de consequentie van deze vormfout moet zijn, wordt de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen.
Opheffing beslag – strijd met artikel 21 Rv
4.38.
[gedaagde] stelt verder dat het beslag moet worden opgeheven, omdat [eiseres] de voorzieningenrechter in het verzoekschrift tot beslaglegging niet naar waarheid heeft geïnformeerd (artikel 21 Rv). [gedaagde] betwist bijvoorbeeld met klem dat hij in de eerdere gerechtelijke procedures met het verspreiden van het pornografisch materiaal heeft gedreigd. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] verder niet benoemd dat het Facebookbericht (zie randnummer 2.4 van dit vonnis) al van vier jaar geleden dateert. Het wordt door [eiseres] voorgespiegeld alsof het bericht recentelijk is geplaatst. Verder stelt [gedaagde] dat hij niet in dit Facebookbericht, noch in het WhatsAppbericht van 8 juli 2023 (zie randnummer 2.4 van dit vonnis) met de genoemde ‘filmpjes’ heeft gedoeld op pornografische filmpjes. Dit blijkt volgens hem niet uit de berichten. [gedaagde] merkt op dat in het Facebookbericht is te lezen dat hij verwijst naar een foto van zijn dochter en dus niet naar een foto of een filmpje van [eiseres] . [gedaagde] geeft aan dat deze ‘filmpjes’ ook zouden kunnen zien op bijvoorbeeld het afbellen door [eiseres] van de omgang met het minderjarige kind. De ‘link’ tussen de dreiging uit de berichten en het daadwerkelijk verspreiden van het filmpje op 17 augustus 2023 is volgens [gedaagde] dan ook ver te zoeken.
4.39.
[eiseres] stelt dat zij de waarheidsplicht niet heeft geschonden. Zij heeft het Facebookbericht doorgestuurd gekregen en wist niet dat dit bericht van vier jaar geleden dateerde. [eiseres] meent dat [gedaagde] in de eerdere procedures wel met verspreiding van het materiaal heeft gedreigd en dat uit de context van het Facebook- en WhatsAppbericht volgt dat hiermee is gedoeld op verspreiding van het pornografisch materiaal.
4.40.
De voorzieningenrechter is het in zoverre met [gedaagde] eens dat in het Facebookbericht en het WhatsAppbericht niet valt te lezen dat [gedaagde] dreigt met het toesturen van pornografisch materiaal. Dat staat er niet in, ook niet in bedekt taalgebruik. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat [gedaagde] het hier heeft, zoals namens hem is aangevoerd op zitting, over filmpjes zien op de strijd die [eiseres] en [gedaagde] als ouders voeren, juist ook omdat tijdens de mondelinge behandeling duidelijk is geworden dat partijen elkaar filmen bij het overdrachtsmoment van hun kind.
4.41.
Voor toewijzing van het beslagverlof en voor toewijzing van de vorderingen van [eiseres] ging het echter zeker niet in de kern om of er van die betreffende berichten een dreiging uitging. Daarvoor is vooral van belang dat een filmpje dat door [eiseres] aan [gedaagde] is gestuurd later door een anoniem nummer aan [eiseres] en [A] is gestuurd. Daarbij komt dat [eiseres] kan menen dat [gedaagde] in het Facebook– en WhatsAppbericht (ook) dreigt met het verstrekken van pornografisch materiaal. Deze gedachte is, gelet op de verdere inhoud van het Facebookbericht waarin staat dat [eiseres] tijdens haar relatie met [gedaagde] contact heeft gehad met meerdere mannen, niet compleet onnavolgbaar.
4.42.
Omdat niet is komen vast te staan dat sprake is van strijd met artikel 21 Rv, bestaat geen grond voor opheffing van het beslag zodat de vordering zal worden afgewezen.
4.43.
[gedaagde] zal als de in het ongelijke gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op € 697,00 aan salaris advocaat.
In conventie en reconventie
4.44.
De nakosten zullen in ‘De beslissing’ worden begroot.
5 De beslissing
5.1.
oordeelt dat [eiseres] inzage krijgt in en afschrift van alle video-, audiobestanden en afbeeldingen met daarin pornografisch materiaal (onder pornografisch materiaal wordt verstaan: al het beeld waarop [eiseres] naakt of met ontbloot bovenlijf zichtbaar is en al het beeld en geluid waarop [eiseres] seksuele handelingen verricht) van [eiseres] , en alle bescheiden (waaronder wordt verstaan, maar niet beperkt tot, alle correspondentie of andersoortige berichtgeving, waaronder wordt verstaan, maar niet beperkt tot whatsapp-berichten, e-mail-berichten, Instagram-berichten, Facebook(Messenger)-berichten, Tiktok-berichten, Snapchat-berichten) waaruit blijkt dat één of meer van het pornografisch materiaal, zoals hiervoor bedoeld, is/zijn verzonden aan derden en [eiseres] , die zich thans in (gerechtelijke) bewaring bij [ICT-specialist] bevinden en dat inzage wordt verschaft op de in randnummer 4.15 tot en met 4.17 van dit vonnis uiteengezette wijze;
5.2.
gebiedt [gedaagde] om alle video-, audiobestanden en afbeeldingen met daarin pornografisch materiaal (onder pornografisch materiaal wordt verstaan: al het beeld waarop [eiseres] naakt of met ontbloot bovenlijf zichtbaar is en al het beeld en geluid waarop [eiseres] seksuele handelingen verricht) van [eiseres] , dat hij direct of indirect houdt of in bezit heeft te vernietigen c.q. te verwijderen en verwijderd te houden op de wijze zoals is uiteengezet onder randnummer 42 van de dagvaarding, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag nadat de inzage zoals genoemd onder I dat gedaagde niet of niet volledig is overgegaan tot verwijdering c.q. vernietiging van voornoemd materiaal hetgeen door de ICT-specialist en/of de deurwaarder wordt vastgesteld, met een maximum van € 50.000,00;
5.3.
oordeelt dat [ICT-specialist] de integrale kopieën van de gegevensdragers die gemaakt zijn op 24 oktober 2023 of in de dagen daarna, mag blijven bewaren en als gerechtelijk bewaarder benoemd blijft met betrekking tot de in beslag genomen data tot de rechtbank in een binnen twee maanden na dit vonnis door [eiseres] aan te spannen bodemprocedure heeft beslist;
5.4.
verbiedt [gedaagde] om pornografisch materiaal waarop of waarin [eiseres] te zien of te horen is aan derden te verspreiden, op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 per overtreding van dit verbod met een maximum van € 1.000.000,00;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.140,85, waarin begrepen € 697,00 aan salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van de volledige betaling;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
5.7.
wijst de vorderingen af;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 697,00 aan salaris advocaat;
In conventie en reconventie
5.9.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 271,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en het bedrag van € 173,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot aan de dag van de volledige betaling;
5.10.
verklaart de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2023.